1
EK tickets
Op 19 juli 2026 wordt de finale van het wereldkampioenschap voetbal gespeeld
tussen Nederland en België. Voor Nederland zijn er 200 kaarten beschikbaar.
De marktvraag is QD is P = 800 − 2QD , waarin P de prijs per kaart is.
1. Bereken de prijselasticeit van de vraag in evenwicht.
Voor België zijn er 300 kaarten beschikbaar. De Amerikaanse voetbalbond
vraagt 300 euro per kaart. Handel van kaarten tussen Nederland en België
is onmogelijk. De vraag in België naar kaarten is ook P = 800 − 2QD .
2. Is de markt voor kaarten voor de Belgen in evenwicht? Toon uw antwoord
met een berekening.
President Trump vindt de prijs die de voetbalbond vraagt te hoog. Zij
besluit de kaarten voor de Belgen te subsidiëren met een bedrag van s =
150 per kaart.
3. Hoeveel kost deze subsidie de Amerikaanse overheid?
2
De markt van electriciteit
De vraag naar electriciteit luidt QD = 100 − P (waarin QD staat voor de
vraag naar elctriciteit in Giga Watt (GW) en P staat voor de prijs per GW
electriciteit zonder subsidie). Het aanbod is QS = 50 + P , waarin QS staat voor
de aangeboden electriciteit per GW per maand. De overheid heft een subsidie
van t euro op iedere GW geproduceerde electriciteit.
1. Laat zien hoe de subsidie de verhandelde hoeveelheid electriciteit beinvloedt.
2. Stel s = 30. Bereken de prijselasticiteit van de vraagcurve in het evenwicht.
3. Welk deel van de subsidie wordt door de vragers ontvangen?
3
De markt van Peren
Beschouw de markt van peren. Laat de marktvraag QD gegeven worden door
P = 20, waarin P de prijs van een kilo peren is en QD in kilo’s word gemeten.
Het aanbod (ook in kilo’s gemeten) is P = QS .
1. Bereken de verhandelde hoeveelheid in evenwicht.
2. Bereken de prijselasticiteit van de vraag wanneer de markt in evenwicht
is.
De overheid geeft een subsidie aan de aanbieders van 2 euro per verkochte
kilo.
1
3. Wat is het nieuwe evenwicht?
4. Bereken het consumentensurplus in het nieuwe evenwicht.
4
Informatie Anita
Anita doet mee aan een TV show en heeft gewonnen. Haar wordt de keuze
gegeven tussen twee dozen. In één van de dozen zit 10000 Euro. In de andere
doos zit slechts 1000 Euro. Anita weet natuurlijk niet in welke doos het hogere
bedrag heeft. Anita krijgt het bedrag dat in de doos zit die zij kiest. De
presentator biedt 5000 Euro op voorwaarde dat Anita geen van beide dozen
kiest.
1. Stel dat Anita één van de dozen kiest. Beargumenteer wat we daardoor
over Anita’s risicohouding leren.
M 2
) waar
2. Stel dat Anita’s nutsfunctie weergegeven wordt door U (M ) = ( 1000
M gelijk is aan het bedrag dat Anita met de show wint. Bereken of Anita
een van de dozen zal kiezen of dat zij de 5000 Euro accepteert.
3. Als onderdeel van de show biedt de presentator Anita aan dat hij haar
vertelt in welke doos het hogere bedrag zit, als Anita 2000 Euro teruggeeft
aan de show. Bereken of Anita het aanbod aanneemt of dat zij willekeurig
een doos kiest.
5
Hoe brengt Mark zijn tijd door?
Mark moet binnenkort examen doen om zijn trainingslicentie voor de KNVB te
krijgen. Hij moet zijn tijd verdelen tussen (1) voor het examen studeren en (2)
met zijn familie doorbrengen. Notatie: s staat voor het aantal uren studeren en
f staat voor het aantal uren met zijn familie doorbrengen. Mark kan in totaal
12 uur aan s en f besteden. Mark’s preferenties worden beschreven door de
1
nutsfunctie: U (f, s) = f · s 2
1. Schrijf de tijdsbeperking (time constraint) van Mark op.
2. Teken de tijdsbeperking.
3. Bereken f en s.
4. Bereken het nut van Mark.
5. Teken de indifferentiecurve die Mark bereikt in de tekening.
2
6
Een rationele consument
Een rationele consument consumeert twee goederen: X en Y . De prijs van X
is PX = 1. De prijs van Y is PY = 2 Het budget van de consument is 12. Over
deze consument de volgende twee vragen.
1. Neem aan dat het nut van de consument weergegeven wordt door U (X, Y ) =
X 0.5 Y 0.5 . Leidt af wat zijn optimale consumptiebundel is met behulp van
de Lagrange-methode.
2. Stel nu dat zijn nutsfunctie U (X, Y ) = X 2 + Y 2 . Leidt opnieuw zijn
optimale bundel af.
7
Productie
Stel Qi = Lα K β waarbij Qi de hoeveelheid is die bedrijf i produceert als
functie van de hoeveelheid kapitaal (K) en de hoeveelheid arbeid (L) die
het inzet. Zowel α en β zijn tussen 0 en 1. Het bedrijf zal niet uittreden.
M PK is het marginaal product van kapitaal en M PL is het marginaal
product van arbeid. Verder is w het loon per eenheid arbeid en r de prijs
van een eenheid kapitaal.
(a) Beargumenteer dat voor dit bedrijf op lange termijn geldt dat MwPL =
M PK
r .
Stel dat voor een bedrijf K = 4 en α = β = 12 .
(b) Bepaal de korte termijn productiefunctie van dit bedrijf.
(c) Stel dat w = 8 en r = 2. Laat zien dat de korte termijn totale
kostenfunctie van dit bedrijf gelijk is aan T C(Qi ) = 8 + 2Q2i .
Stel Nu dat het bedrijf een monopolist is in een markt waarbij de
vraag is P = 24 − Q.
(d) Bereken de winst die het bedrijf (op korte termijn) maakt?
8
Bedrijven: kosten en gedrag
Beschouw een markt met perfecte mededinging. De productiefunctie van
een bedrijf in deze markt is
1
1
Q = K 3 L2 .
De prijs van kapitaal is r = 4 en de prijs van arbeid is w = 6. Stel dat we
ons in de korte termijn bevinden en dat de hoeveelheid kapitaal vastligt
op K = 8 eenheden.
(a) Bereken de kostenfunctie op korte termijn voor het bedrijf.
3
(b) Stel dat de marktprijs gelijk is aan 30. Bereken hoeveel het bedrijf
produceert op korte termijn.
1
1
(c) Stel, het bedrijf heeft nog steeds productiefunctie Q = K 3 L 2 , de
prijs van kapitaal is nog steeds r = 4, en de prijs van arbeid is nog
steeds w = 6. Stel echter dat het bedrijf nu keuzes maakt voor de
lange termijn. Bepaal de lange termijn totale kostenfunctie voor dit
bedrijf.
(d) Welk soort schaalvoordelen zie je bij dit bedrijf? Wat verwacht je
dat er met de marktstructuur zal gebeuren op lange termijn?
4