Bekijk hier de pdf

advertisement
NEDERL ANDS
MILITAIR
GENEESKUNDIG
TIJDSCHRIFT
VERSCHIJNT TWEEMAANDELIJKS
67e JAARGANG
JANUARI 2014 - NR. 1
M I N I S T E R I E V A N D E F E N S I E - D E F E N S I E G E Z O N D H E I D S Z O R G O R G A N I S AT I E
INHOUD
NEDERLANDS MILITAIR
GENEESKUNDIG TIJDSCHRIFT
Uitgegeven door het Ministerie van Defensie
onder verantwoordelijkheid van de
Commandant
Defensie Gezondheidszorg Organisatie
HOOFDREDACTEUR
R.P. van der Meulen
kolonel-vliegerarts
EINDREDACTEUR
A.H.M. de Bok
luitenant ter zee van administratie der
tweede klasse oudste categorie b.d.
LEDEN VAN DE REDACTIE
Dr. R.A. van Hulst
kapitein ter zee-arts b.d.
S.P. Janssen
kolonel-arts
H.W.P. Meussen
luitenant-kolonel-arts b.d.
E.G.J. Onnouw
luitenant-kolonel-vliegerarts
Dr. J. van der Plas
Bioloog
R.A.G. Sanches
kapitein-luitenant ter zee-arts
F.J.G. van Silfhout
luitenant-kolonel-tandarts
N.R. van der Struijs
kapitein-luitenant ter zee-arts
M.L. Vervelde
kolonel-apotheker
ADMINISTRATIE
majoor b.d. A. Sondeijker
secretaris NMGT
Postbus 20703, 2500 ES 's-Gravenhage
Telefoon 0165-300145
E-mailadres:
[email protected]
VOORBEHOUD
Plaatsing van een artikel in dit tijdschrift houdt niet in,
dat de inzichten van de schrijver worden gedeeld door
de Commandant Defensie Gezondheidszorg Organisatie
en de redactie.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd
zonder schriftelijke toestemming van de redactie
van dit tijdschrift.
NETHERLANDS MILITARY
MEDICAL REVIEW
Edited under the responsibility of the
Commander Defence Health Care Organisation
Postbox 20703, 2500 ES The Hague
(The Netherlands)
67E JAARGANG - JANUARI 2014 - AFLEVERING 1
Van de redactie: .................................................................................................................................
Mededelingen:
Nieuwsbrief DGO, november 2013 ...................................................................................................... 42
Nieuwsbrief DGO, december 2013 ...................................................................................................... 43
Oorspronkelijke artikelen:
De militaire dierenarts. Zijn positie en functie in de Koninklijke Landmacht
door reserve majoor-dierenarts dr. J.J. Wijnker en J. Gooijer BSc ...........................................
Het begint allemaal met hygiëne. Interview met prof. dr. Frans van Knapen
door H. Wijnker .............................................................................................................................
Beoordeling van de keukenhygiëne en voedselveiligheidsstandaarden in Kamp Heumensoord
door drs. A. Lotterman, adjudant-onderofficier E. de Haan en
reserve majoor-dierenarts dr. J.J. Wijnker .................................................................................
Risicobeoordeling op een door water overgebrachte norovirusbesmetting
voor militairen in Nederland
door reserve majoor-dierenarts dr. J.J. Wijnker en H. de Man MSc ........................................
Militair gebruik van lastdieren. De dierenarts als docent militair gebruik pakpaarden
door reserve kolonel-dierenarts B.A. Steltenpool en reserve majoor-dierenarts J. Koster .............
De Militair Veterinaire Dienst. Verleden en toekomst: vanuit een Canadees perspectief
door majoor A.G. Morrison BSc, MVB, MDS, CD ......................................................................
Voorkomen is beter dan genezen: praktische maatregelen voor de preventie van
tekenencefalitis bij militairen en werkhonden
door reserve majoor-dierenarts dr. J.J. Wijnker en dr. L.J.A. Lipman ......................................
“Levende mascottes”; voors en tegens. Een nuancering
door reserve tweede luitenant-dierenarts B. van Schaik ................................................................
War Horse. Een persoonlijke geschiedenis
door ir. J.C. Carp ...........................................................................................................................
4
12
14
16
19
20
32
35
38
Ingezonden mededelingen:
Bij- en nascholing van de Netherlands School of Public and Occupational Health .................... 3, 13, 34
25 korte verhalen ................................................................................................................................. 18
CONTENTS
VOLUME 67 - JANUARY 2014 - ISSUE 1
From the editor: ..................................................................................................................................
3
Announcements:
Newsletter Surgeon General, November 2013 .................................................................................... 42
Newsletter Surgeon General, December 2013 .................................................................................... 43
Original contributions:
The Military Veterinarian. Its position and function in the Royal Netherlands Army
by veterinarian major (res.) J.J. Wijnker PhD and J. Gooijer BSc .................................................
It all starts with hygiene. Interview with Prof. Frans van Knapen
by H. Wijnker .................................................................................................................................
Assessment of the kitchen hygiene and food safety standards at Kamp Heumensoord
by A. Lotterman DVM, warrant officer E. de Haan and
veterinarian major (res.) J.J. Wijnker PhD ......................................................................................
Assessing the waterborne risk of a norovirus infection for military personnel in the Netherlands
by veterinarian major (res.) J.J. Wijnker PhD and H. de Man MSc ...............................................
Military use of pack animals. The veterinary surgeon as pack animal instructor
by veterinarian colonel (res.) B.A. Steltenpool and veterinarian major (res.) J. Koster ...................
Military Veterinary Services. Looking back, looking forward: from one Canadian’s perspective
by major A.G. Morrison BSc, MVB, MDS, CD ............................................................................
Prevention is better than a cure: practical control measures to prevent tick-borne encephalitis
in military personnel and working dogs
by veterinarian major (res.) J.J. Wijnker PhD and L.J.A. Lipman PhD ...........................................
Live mascots; pros and cons
by veterinarian lieutenant (res.) B. van Schaik ...............................................................................
War Horse. A personal history
by J.C. Carp MSc ..........................................................................................................................
4
12
14
16
19
20
32
35
38
Paragraph advertisement:
The Netherlands School of Public and Occupational Health ...................................................... 3, 13, 34
25 short stories .................................................................................................................................... 18
VOORPAGINA
Een marinier met een bepakte pony tijdens een bergtraining in Noorwegen.
Momenteel vindt op zeer bescheiden schaal een hernieuwde inzet plaats van paarden
voor de krijgsmacht. In het voorjaar van 2013 is daarom de eerste cursus van start
gegaan waarin mariniers worden getraind op een verantwoorde manier om te gaan
met paarden bij de inzet als lastdier. De training met draagdieren is nu nog een
pilot cursus, maar het is de bedoeling dat deze kennis weer een structureel onderdeel
wordt van het opleidingsprogramma. De militaire dierenarts draagt met deze cursus bij
aan een extra operationele inzetmogelijkheid voor de commandant, beheert de
noodzakelijke kennis en zorgt ervoor dat het op een verantwoorde, diervriendelijke
manier gebeurt.
All rights reserved
ISSN 0369-4844
3
Foto: Ministerie van Defensie.
NMGT 67 - 1-44
2
JANUARI 2014
VAN DE REDACTIE
Beste lezers,
In de laatste aflevering van het NMGT in 2013 heb ik er al
melding van gemaakt dat het eerste nummer van 2014
geheel zou zijn gewijd aan de veterinaire dienstverlening
binnen de krijgsmacht. Deze aflevering ligt thans voor u met
een scala aan interessante onderwerpen die de krijgsmacht
raken. Ook een stuk historie, waarover maar weinig bekend
is, van John C. Carp geeft een duidelijke inkijk in het
onmetelijk dierenleed gedurende WO I. Juist dit jaar is het
honderd jaar geleden dat deze oorlog uitbrak.
In zijn voorwoord geeft kolonel-dierenarts (R)
B.A. Steltenpool u een globaal beeld van de organisatie
van het veterinaire veld en de ontplooide activiteiten in het
recente verleden.
Ik wens u veel leesplezier en het allerbeste voor 2014,
De Hoofdredacteur NMGT
Kolonel-vliegerarts R.P. van der Meulen
Beste lezers,
Na het veterinaire themanummer van mei 2011 ligt er, op
verzoek, wederom een veterinaire editie, thans digitaal, van
het Nederlands Militair Geneeskundig Tijdschrift voor u.
Sinds 2011 is er het nodige veranderd. Zo is binnen het
Commando Landstrijdkrachten (CLAS) de militaire
dierenarts weer echt vertegenwoordigd. En voor uw
informatie: In de meeste landen om ons heen (o.a. België,
Noorwegen, Denemarken, Zweden) neemt het aantal
militaire veterinairen toe. Dat heeft alles te maken met de
veranderde taakstelling en nieuwe inzichten. Daarvan vindt u
in dit nummer diverse voorbeelden.
One World, One Health, One Medicine. Een gedachte die,
in het belang van mens en dier, gedurende zijn hele
imposante carrière is uitgedragen door dierenarts
prof. dr. Frans van Knapen van het Institute for Risk
Assessment Sciences (IRAS). In dit nummer een interview
met deze prominente deskundige.
In de Nederlandse krijgsmacht zijn we nu zover dat we bij
iedere brigade twee reservisten-dierenarts in de bewapening
krijgen, en bij het Operationeel Ondersteuningscommando
Land (OOCL) drie. Deze reservisten-dierenarts vallen onder
het 1 Civiel en Militair Interactiecommando (1 CMI Co) en
worden functioneel aangestuurd door de staf-dierenarts
CLAS, maar zijn ook voor andere defensieonderdelen
beschikbaar. De eerste zes dierenartsen zijn binnen en
deels al op functie geplaatst. Verder zijn er een aantal in het
proces van keuring, Algemeen Militaire Opleiding (AMO) en
de Initiële Reserve Officiersopleiding (IRO) aan de
Koninklijke Militaire Academie.
Het afgelopen jaar zijn deze dierenartsen al op diverse
fronten actief geweest. Samen met Hygiëne en Preventieve
Gezondheidszorg (HPG) zijn er veterinaire inspecties
uitgevoerd van het materieel van het Commando
Luchtstrijdkrachten (CLSK) voor oefeningen in Noorwegen
en van het CLAS-materieel dat terugkwam uit Afghanistan.
Er is met het Coördinatiecentrum Expertise
Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG)
meegewerkt aan het uitwerken van risico inventarisaties
voor buitenlandse inzet, er is een pakpaardencursus
ontwikkeld en gegeven voor het Korps Mariniers, we hebben
ons gepresenteerd op het Conféderation Interalliée des
Officiers Médiceaux de Réserve (CIOMR) congres en
andere symposia, paraat gestaan tijdens Prinsjesdag en met
de lokale dierenarts van de CLSK-hondensecties wordt
samengewerkt om de gezondheid van deze waardevolle
viervoeters onder operationele omstandigheden te
optimaliseren. Daarnaast heeft de brigadecommandant met
deze reservisten binnen zijn staf nu de beschikking over
veterinaire kennis op het gebied van Civil-Military
Cooperation (CIMIC) in het kader van 3 D-activiteiten
(Defence, Diplomacy and Development 3 D - approach),
maar ook bij nationale operatieën wanneer bijvoorbeeld vee
uit een ondergelopen polder moet worden geëvacueerd.
Met deze reservisten haalt Defensie op een economisch
verantwoorde manier hoogwaardige, specialistische kennis
in huis. Tevens wordt zo het gehele civiele kennisnetwerk
van de reservist voor Defensie ontsloten. Dat alles met
uiteindelijk maar één doel: namelijk om “de man in het veld”
en daarmee de taken van Defensie zo goed mogelijk te
ondersteunen en uit te voeren!
Ik wens u veel leesplezier toe,
Kolonel-dierenarts (R) Bas A. Steltenpool
Stafofficier dierenarts Gezondheidszorg CLAS
MEDEDELING
Netherlands School of Public &
Occupational Health
NSPOH verhuist naar centrale locatie in Nederland
Omdat de NSPOH het belangrijk vindt dat onderwijslocaties uitstekend bereikbaar zijn vanuit alle delen van het land, met het openbaar vervoer en met de auto, gaat de
NSPOH verhuizen. Medewerkers verhuizen rond kerst naar hun nieuwe werkplek. Vanaf februari 2014 wordt het onderwijs geleidelijk op de Churchilllaan ingepland.
Deelnemers aan lopend onderwijs ontvangen persoonlijk bericht over het moment van een eventuele locatiewijziging.
De NSPOH kiest voor het zuidwestelijke deel van Utrecht vanwege de centrale ligging en
de goede bereikbaarheid. Om de dienstverlening te verbeteren, verenigt de NSPOH
kantoor én onderwijs op één locatie. Op de 10e etage in het Piet van Dommelenhuis aan
de Churchilllaan komen moderne onderwijszalen en een flexibele werkomgeving voor
medewerkers. Het pand is uitstekend bereikbaar met het openbaar vervoer en er is zeer
goede parkeergelegenheid.
Waarom deze markante toren? Als landelijk scholingsinstituut in de wereld van arbeid,
maatschappij en gezondheid hecht de NSPOH eraan in de nabijheid van
netwerkpartners te kunnen werken. Het Piet van Dommelenhuis huisvest een groot
aantal landelijke organisaties die actief zijn in “dezelfde wereld”. Elders in Utrecht huizen
talloze relevante arbo- en zorggerelateerde organisaties. De vruchtbare samenwerking
die de afgelopen jaren met het AMC is opgebouwd, zal de NSPOH vanuit de nieuwe
NMGT 67 - 1-44
locatie voortzetten. De NSPOH is hét opleidingsinstituut op het snijvlak van
maatschappij, arbeid en gezondheid. Onderwijsprogramma's slaan een brug tussen
beleid, onderzoek en praktijk. De NSPOH werkt samen met AMC - UvA. Andere
samenwerkingspartners zijn o.a. Erasmus MC, VU MC, UMCG, TNO, RIVM, GGD
Nederland, ActiZ, UWV, Hogeschool Utrecht en arbodiensten.
NSPOH vanaf 1 januari 2014 gevestigd op:
Postadres:
Postbus 20022, 3502 LA Utrecht
Bezoekadres:
Churchilllaan 11 (10e etage), 3527 GV Utrecht
Telefoon:
(030) 8100500
E-mail:
[email protected]
Internet:
www.nspoh.nl
3
JANUARI 2014
OORSPRONKELIJK ARTIKEL
The Military Veterinarian
Its position and function in the Royal Netherlands Army
Summary
As the military veterinary capacity has been very limited in the Royal
Netherlands Army (RNLA) for the past 40 years, an academic study was
done from a civilian viewpoint on the different areas of expertise to which a
military veterinarian could contribute. Starting point was the position of the
military veterinarian in the Swiss and French armed forces as an alternative
to the English or US model. This study has resulted in various suggestions
on how to apply veterinary expertise within the RNLA, which are also further
discussed in the light of the current situation.
“The evolution of the concept of
engaging troops is characterized by the
necessity for deploying forces to be
able to intervene abroad in different
state of affairs, such as preservation of
vital national interest, fighting against
terrorism, authorized law enforcement
and assistance in humanitarian
emergencies.
(…)
From reality and facts, the Armed
Forces should understand that it is in
their own interest to have professional
military veterinarians, well trained and
able to be sent abroad to support
forces during operations1.”
Introduction
“Coming out of the barracks, and
showing the people what the army
does for society” is one of the aims of
the Open Army Day 2014. Research
showed that the exact work of the
Armed Forces is unknown to most of
the Dutch population. It was therefore
surprising (and most welcomed) that
already in 2011 a young academic
from a well-known University showed
interest in the work of the army and
more specifically in that of the military
veterinarian.
As part of the Bachelor’s programme in
Veterinary Medicine at Utrecht
University, each student is required to
write a thesis, as a desk-top literature
study.
Ms Judith Gooijer, who had no military
background whatsoever, chose the
subject “The multi-facetted role of the
modern Army veterinarian” and
transformed it into her thesis entitled
“The Military Veterinarian; its future
position within Dutch Armed Forces”.
This is the more surprising given
the fact that at that time the
Royal Netherlands Army (RNLA)
seemed to have little or no veterinary
capacity. Despite the fact that there is
a great abundance of relevant material
from the English speaking countries,
Ms Gooijer chose to analyse the
position of the military veterinarian from
its position in the Swiss and in the
French army. Starting her thesis with
a historical background of the military
veterinarian, she analysed the French
and Swiss Army veterinary capabilities,
describing their current tasks. Based
on these findings a function profile was
developed, with relevance to the
Dutch Military Veterinarian.
This paper is based on the thesis
finalised by Ms Gooijer in early 2012.
The text has been revised to prevent
overlap with other papers in this
journal’s edition and more recent
information has been added. The
original thesis is available on request.
A short history on military veterinary
service
“The veterinarians have proved,
charging with sabre in hand each time
the occasion presented itself, that they
are horsemen and fighters. We
demand that they treat men or animals
indiscriminately, to carry orders under
fire, to assure the provisioning of the
assault troops, to command the porters
or the evacuation convoy after the
injured, to be an officer of topography
or a professor of agriculture. It is not
my place to judge their work but I must
point out that not even the
unfavourable conditions in which their
practitioners found themselves could
prevent these men from penetrating
and shining light on the mysterious
ensemble of tropical diseases which
they did with the power of their patient
labour and intelligent research 2.”
Over the centuries horses as well as
other animals have been used for a
great variety of tasks. As charger for
knights in armour or light hussars
relaying messages. As pack animal for
ammunition, food and forage. For
transporting artillery, soldiers,
engineering material and a thousand
other reasons. In these earlier days the
medical care for the horses was mostly
in the hands of farriers, saddlers and
skinners.
As medical science developed a more
scientific basis during the early 1700s
NMGT 67 - 1-44
4
JANUARI 2014
by Major (R) Joris J. Wijnker DVM PhDa
and Judith Gooijer BScb
and forced by several disastrous
outbreaks of cattle plague or
Rinderpest in Europe, the need for a
science-based veterinary education
was felt. This led to the opening of
the first veterinary college in Lyon,
France by Mr Claude Bourgelat in
January 17623.
When Napoleon marched his army into
Russia, it suffered great losses; many
soldiers died of famine, exposure to the
elements and on the battlefield. Many
horses died too, for the same reasons.
A Dutch cavalry officer in French
service, C.A. Geisweit van der Netten,
wrote in his journal (1815):
“The various campaigns we witnessed,
in particular the one in Russia,
provided us a lot to think about related
to the means that can be used to
maintain the health of the war horses.
That is because the poor condition of
the cavalry and the great loss of horses
can largely, if not entirely, be attributed
to a failure in keeping the horses
healthy. This took place in the French
armed forces and had a decisive
influence on the success of war (…)4.”
As a result of the disastrous Russian
campaign in 1812, Napoleon decided
there should be five veterinary schools,
of which one was to be established in
the Netherlands.
After a difficult start, in which various
riding schools were established in
different cities teaching equine care,
finally in 1821, the Imperial Veterinary
College (“Rijks Veeartsenijschool”) was
established at Utrecht.
Although one of the main reasons for
its foundation was the cattle plaque
from which the Netherlands suffered a
great deal, the Army was quick to
benefit as well.
Prior to 1821 a start was made by
hiring foreign veterinarians into its
service. For example, in 1815, the
German equine veterinarian
F.H.S. Dehne was brought to the
Netherlands.
a
Specialist RVAN Veterinary Public Health,
Institute for Risk Assessment Sciences, Division
Veterinary Public Health, University of Utrecht,
The Netherlands, supervising lecturer of
Ms Gooijer for her thesis.
Brigade veterinarian, Land Operation Support
Command, Royal Netherlands Army.
b
Institute for Risk Assessment Sciences,
Division Veterinary Public Health,
University of Utrecht, The Netherlands.
Article received October 2013.
Earlier that year, he had graduated in
Berlin. After passing his exams before
the Leiden Committee, he became the
first equine veterinarian commissioned
in the Netherlands Armed Forces.
1816 can therefore be regarded as the
year in which the Dutch Military
Veterinary Service was officially
established5.
The Military Veterinary Service
(Militair Diergeneeskundige Dienst /
MDD) was part of the Military Medical
Service and was under its command,
which meant that any Health Officer
could nullify a useful or necessary
treatment ordered by a military
veterinarian. In 1856, the MDD was
segregated from the Medical Service
and the Health Officer no longer could
influence the activities of a military
veterinarian. However, only 6 years
later this decision was revoked and
once again the MDD was under
supervision of the Military Medical
Service. Not until 1914 did the MDD
become functionally independent.
A decision that was formalised in 1923
and lasted until 1940 after which the
army was fully mechanised and the
MDD disbanded. With the retirement
in 1973 of Colonel-Veterinarian
A.J. Braak the last original equine
veterinarian left the army. One of his
last assignments was Commanding
Officer of the Military School for
Hygiene and Preventive Medicine at
Neerijnen, which was closed after his
retirement5,6,7.
France
The French Armed Forces
France has a long military history, next
to its long history of colonialism and
nationalism, requiring an important role
for the French Armed Forces in
maintaining its position as a global
power8. For decades, the French vision
of Europe was founded on
three principles: inter-governmentalism
that minimizes the infringement on
French sovereignty, French leadership,
and a European Europe that is not
influenced by the United States.
For a while, France therefore saw the
European Union as a “force multiplier”,
a means to exert and increase
influence on the world stage. Due to
the French ambitions at the political
level, there was always a great
preparedness to intervene, not only
through diplomatic means, but also in
the military field. Before France joined
NATO, it had some military
collaborations with other countries,
ranging from technical support to the
obligation of giving military assistance.
French leaders have used global
deployment and possible intervention
by the French Armed Forces as one of
their most important instruments in
their foreign policy.
However, since Operation Desert
Storm (1991), the command structure
has been changed to facilitate such
expeditionary operations. During the
last years the organisation and
execution of national operations has
also been modified extensively, mainly
due to a high level of unpredictability
on international levels, being a
continuous source of risks and possible
threats. Although after the Gulf War its
nuclear defence budget has been
reduced by 80%, France still derives
its status from its nuclear deterrence,
a cornerstone of its Defence and
Security Management. In 2008,
President Sarkozy announced that the
French Armed Forces had to become
smaller, more mobile and better
equipped in the fight against terrorism.
Identification and destruction of
terroristic networks is at present
one of the main tasks of the French
Armed Forces. In 2009, the French
Parliament agreed with a full return of
France in the NATO’s military
command structure, after it had left this
organisation in 1967. Due to these new
developments, the general goal of the
Ministry of Defence is to protect the
French territory, its population and
interests. This corresponds to other
missions in the framework of
international agreements (NATO)
and European defence. Besides
maintaining the peace and national
cohesion, French Armed Forces are
also involved in maintaining global
stability. Clear examples are the recent
deployment to Afghanistan and current
EU maritime missions off the African
coast and mission to Mali 9,10,11,12.
The French Military Veterinarian
Also in France, the image and
perception of the role of military
veterinarians are frequently connected
with veterinarians treating only horses.
This association stems from the
dominant presence of horses during
the wars until the First World War and
the necessity to have veterinarians to
care for them. In the beginning of the
XXI century, there are still military
horses present, but the role of the
military veterinarians is now completely
different. This is mainly due to
operational changes (fewer horses)
of the Armed Forces and different
deployment strategies which
include foreign intervention and
NATO / UN cooperation9.
The French Armed Forces have a
professional Military Veterinary Corps,
which participates in several overseas
NMGT 67 - 1-44
5
JANUARI 2014
operations. Military veterinarians are
able to join the Armed Forces in all
theatres of operation. Yearly,
10 - 20 veterinarians are deployed in
various missions, lasting 2 - 6 months.
In all, a fulltime equivalent of
50 months per year is provided. The
military veterinary activities are under
supervision of the Medical Service.
Veterinary support is given to the entire
French Armed Forces; each military
region is able to use veterinarians. The
Military Veterinary Corps includes
75 veterinary officers, in direct support,
in military research institutes and
studying at the military medical training
facilities. In addition, 35 veterinary
technicians, both military and civilian,
and 50 veterinarians from the
operational reserve (part-time work or
short duration missions) are available.
The French Military Medical Service
consists of 6 regional management
authorities and each of them has a
veterinary office with 2 officers. These
veterinarians are responsible for
coordinating veterinary activities in
18 veterinary sectors (each veterinary
sector is in charge of supporting forces
in its own territory) and 5 veterinary
services in specific military units, which
are specialised in providing veterinary
support to the units using military
animals. Five veterinarians are posted
overseas. They are under the
command of the French military
medical authorities of overseas
departments and territories (Figure 1).
The two main objectives in the field are
to support military personnel and
protect their health, requiring extensive
safety and quality checks of food and
water. In addition, military veterinarians
are appointed to conduct official food
inspections for units and services
under the authority of the Ministry of
Defence. The Ministry of Defence and
the Ministry of Agriculture also signed
an agreement for cooperation between
military veterinarians and civilian
veterinary inspectors. Besides food
safety, the veterinary tasks include
animal health care, curative and
preventive animal medicine.
Furthermore, they keep an eye on
animal welfare and laboratory animal
protection.
New ideas and perspectives are
developed for veterinarians due to new
objectives of the French Armed Forces,
such as combating terrorism. A recent
subject has been to provide veterinary
support for military animals, by training
dog handlers on first-aid. Additionally,
military veterinarians have been
receiving training in epidemiology and
veterinary public health to support
Ministry of Defence
Military Medical Service
Military Veterinary Corps
35 Veterinary technicians military & civilian
6 Regional management authorities /
per RAM:
50 Veterinarians Operational Reserve
1 Veterinary office /
2 officers
18 Veterinary sectors
75 Veterinary officers
Military research institutes
(6 vets)
Per sector 2 officers & 2 vet techs /
responsible for supporting forces in sector
Medical military training
school (4 vets)
5 Veterinary services in support of canine
and horse units
Supporting Forces
(65 vets)
5 Veterinary officers posted overseas
Switzerland “will exercise its neutrality
in a way that allows it to take the
Figure 1: Organogram of the French Veterinary Corps1.
tactical forces deployed in foreign
operations. In conclusion: closely
linked to the deployment of Armed
Forces, the French military
veterinarians contribute to the risk
management related to food safety,
water quality, prevention of epizootics
and zoonoses and protecting animal
health1.
Switzerland
The Swiss Armed Forces
Switzerland has a standing policy of
active neutrality, and will therefore not
be involved in conflicts abroad, nor can
it join NATO as a member. However,
NATO members and Switzerland share
some key values, such as international
humanitarian law. In line and within the
limits of its neutrality, Switzerland can
participate in peace-supporting
operations under UN or OSCE
mandate13.
Art. 54 (Bundesverfassung der
Schweizerischen Eidgenossenschaft):
“The Confederation shall ensure that
the independence of Switzerland and
its welfare is safeguarded; it shall in
particular assist in the alleviation of
need and poverty in the world and
promote respect for human rights and
democracy, the peaceful co-existence
of peoples as well as the conservation
of natural resources14.”
Art. 58: “Switzerland shall have armed
forces. In principle, the armed forces
shall be organised as a militia.
The armed forces shall serve to
prevent war and to maintain peace;
they shall defend the country and its
population. They shall support the
civilian authorities in safeguarding
the country against serious threats
to internal security and in dealing
with exceptional situations. Further
duties may be provided for by law.
The deployment of the armed forces
shall be the responsibility of the
Confederation8,15...”
Having a militia army, Switzerland
requires every able-bodied male in
the age of 19 to 26, to serve for at least
260 days. They receive 18 weeks of
mandatory training, followed by
seven 3-week intermittent recalls for
training during the next 10 years16.
Membership of the European Union
would be an option as the EU has no
military basis. Although Switzerland is
not a member, it has a special trade
agreement with the EU. Switzerland is
a country with many cultures and
religions, presenting the origin for its
opinion that if a country is not
externally neutral, it cannot be
internally cohesive.
NMGT 67 - 1-44
Since 1996 Switzerland participates in
the NATO programme: Partnership for
Peace (PfP). This partnership seeks to
intensify security policy and military
cooperation in Europe. The Swiss
participation in the PfP is compatible
with neutrality as there is no
requirement for NATO membership
and no obligation to provide military
support in the event of armed conflict17.
Recent developments like globalisation
and innovation create a whole new
geo-political situation. In 1993, the
Swiss Federal Council set out to
determine how it intends to continue its
neutrality under the changed
circumstances. According to the report,
neutrality alone cannot protect their
country against new dangers such as
terrorism, organised crime and
destruction of the environment. In
2001, the Swiss revised their Military
Act, which now regulates Swiss
participation in peace support
operations of the UN and provides the
basis for arming Swiss peace support
forces abroad for self-protection.
Operational support is compatible to
neutrality if it is based on a UN Security
Council mandate.
6
JANUARI 2014
necessary military precautions for its
own defence, also with respect to new
threats. Depending on the threat, this
could also entail international
cooperation in the preparation of
defensive measures17 .”
The Swiss Military Veterinarian
The primary task of graduated
veterinarians in the Swiss Armed
Forces is to secure the health of men
and animal. This includes curative
veterinary medicine of military animals
(horses, mules and dogs), but also
training and educating kitchen
personnel on food safety and strict civil
food legislation18.
The Swiss Armed Forces have many
animals serving in the army, first of all
the military working dogs (MWD).
These dogs are trained for surveillance
and protection, as rescue dogs and as
sniffer dogs for explosives and drugs19.
Horses and mules are also used, for
patrols and transport of material on
tracks impassable for motorized traffic.
These animals are used mainly in the
Alps and other mountainous areas4.
Horses and mules are also used in
“national operations”, such as clearing
away wood after storms and
avalanches20.
For training and working with these
animals different personnel is used,
such as dog handlers, veterinarians,
farriers and the “veterinärsoldat” or
military veterinary assistant / nurse
practitioner21.
To become an army veterinarian,
special training is required. After
graduation as veterinarian an
additional course of 16 weeks is
required16 to become
“Veterinärarztoffizier” or Veterinary
Officer. Veterinarians can complete
their compulsory army service in this
capacity18.
During the 16 week course, the
candidate army veterinarians are
trained on the following subjects:
curative medicine and deployment of
military dogs and horses, horse
shoeing, food safety, working in the
mobile animal clinic, dental surgery of
horses, feeding and day-to-day care. In
addition the candidates also receive a
military training, including shooting and
navigation, horsemanship and their
military driving license18.
In the “Kompetenzzentrum
Veterinärdienst und Armeetiere”
(Army Command Competence Centre
Veterinary and Animal Centre) there is
one fulltime veterinarian22. The other
veterinary officers have a part-time
position, as they work in private
practice. In total 600 days are served in
this capacity as part of their
compulsory army service, which
includes the 16 week course of extra
training. Each year army veterinarians
are recalled for training, and for this
purpose are assigned to different units:
Army food hygiene inspection team, a
veterinary company or a working dog
company23,24.
The inspection team is tasked with
food inspection, hygiene (measures
and compliance), training of army
kitchen personnel and development of
documents and procedures on food
hygiene & safety (Figure 2)23.
In case of national emergencies
involving animals, the army can
provide support to civilian areas,
especially in the field of the veterinary
service25.
The Netherlands
The Royal Netherlands Army (RNLA)
Article 97 of the Dutch Constitution
reads as follows:
“There shall be Armed Forces for the
defence and protection of the interests
of the Kingdom, as well as to maintain
and promote the international legal
order26.”
The RNLA can be deployed for
national security reasons, both at home
and abroad. National security is at
stake when vital interests of the
Dutch Government and/or society
are threatened or when there is
Army
Logistics training unit
Army Command Competence Centre Veterinary and
Animal Service
Admin / personnel
Training
Staff
Army kennel
Militia units
Basic training
Dog training
NCO / Veterinary Officer’s
training
Canine Unit training
Militia staff
Veterinary Service
3rd Veterinary company
9th Mounted supply train
Special courses
19th Mounted supply train
Search & rescue dogs
12th Mounted supply train
Guard dogs
13th Mounted supply train
Snidder dogs
14th Mounted supply train
Dog care
Figure 2: Organogram of the Swiss Veterinary Corps (assisted by Mr Suter of the Army Command Competence Centre Veterinary and Animal Service).
NMGT 67 - 1-44
7
JANUARI 2014
a potential social disruption.
Interests are: territorial security,
economic and ecological safety,
physical safety (including public health)
and social and political stability. The
task of the government is to ensure
and promote this national security, by
preventing disasters and crises.
However, in case of crisis, military
support can be provided to the
Dutch civil authorities as special
knowledge and capacity (e.g. mobile
field hospitals) are readily available in
response to the situation27.
Security Assistance Forces) supported
the Afghan government in maintaining
peace31. When deployed in a mission,
military personnel can also be
deployed in reconstructing a postconflict area32. To this end the
so-called “1 CMI Command” exists
(Civil Military Interaction Command),
interacting with local key players and
non-governmental organisations
(NGOs). The CMI unit has the specific
task to support a military mission or
assignment with non-kinetic expertise,
advising the Commander.
By stimulating global security, the core
reason for international crime and
migration diminishes. The main tasks
therefore of the RNLA focusses on
intelligence gathering (MIVD), security,
protection and deployment of Special
Forces. This usually results in taking
part in an international joined combined
effort for crisis management and
disaster relief, mostly under NATO or
UN command28,29,30.
1 CMI Command (1 CMI Co) is part of
the LOSC (Land Operation Support
Command / OOCL) and consists of,
apart from a small staff, fulltime military
personnel organised in CMI support
units (CSU) and reserve officers
organised in different network groups
according to the PMESII structure
(Political, Military, Economic, Social,
Infrastructure and Information). These
reserve officers consist of so-called
functional specialists: People with a
civil position requiring specific
expertise and skills31.
In the past, several veterinary
specialists have been deployed in
At this moment, the Armed Forces are
deployed in several missions, for
example in Mali. Recently in
Afghanistan, The ISAF (International
crisis management and national
disasters. They have also served in
Iraq and Afghanistan, for example
tending to local livestock32,33.
The military veterinarian:
organisation, expertise and skills
The position of a veterinarian in military
service has developed from an equine
practitioner to a multi-disciplined
professional, covering preventive and
curative veterinary medicine,
epidemiology, food safety, hygiene and
(veterinary) public health. Many
countries have responded to this
broadened scope by giving the military
veterinarian a clear basis within the
Armed Forces. Although the RNLA still
do not have a full-time position for a
military veterinarian, a substantial
veterinary capacity is under
construction by using reserve officers.
These officers are recruited and trained
by 1 CMI Co, but functionally
embedded with the combat brigades
and the LOSC (Figure 3). They work
closely with the preventive medicine
(PM) specialists, the medical
specialists, the staff veterinarian and
with the experts from CEAG (Expertise
Centre for Force Health Protection).
Parliament
Ministry of Defence
State Secretary
Defence Material
Organisation
Support Command
Commander of the Armed Forces
Army Command
11 Air Mobile Brigade
MV
PM
Navy Command
13 Mechanised Brigade
MV
Air Force Command
Land Operation Support
Command
43 Mechanised Brigade
PM
MV
PM
Military Police
MV
PM
1 CMI Co
MV
Figure 3: Organogram Dutch veterinary capacity. Based on: www.defensie.nl/landmacht/eenheden
NMGT 67 - 1-44
8
JANUARI 2014
Since 1996, PM specialists are
permanently deployed in all missions.
Their tasks are executive, but also
initiating inquiries and providing advice
to the medical staff and operational
command34. Many tasks are closely
linked to the areas of expertise of the
military veterinarian35. The way these
tasks can be further integrated will be
clarified later on in this chapter.
Though not exclusive, the following
areas of expertise have been identified
in which the military veterinarian can
be useful for the RNLA: Animal
Medicine, Emerging Diseases, Disaster
Control, Public Health and Hygiene
and Development Projects36. These
areas will be addressed in more detail
below, underlining their importance and
operational structure.
Animal Medicine
The first traditional area of expertise for
the military veterinarian is Animal
Medicine. Military animals, including
horses and dogs are used for a variety
of tasks. For example Military Working
Dogs (MWDs) are a valuable asset in
today’s missions37. They are used in
detecting roadside bombs (EIDs),
hidden caches of weapons or
ammunition, outdoors, indoors or in
vehicles, protecting the compound and
equipment and to explore landing
strips. In addition MWDs are used as
so-called “Less Lethal Weapons”, in
crowd control. These MWDs go out
with their handler on patrol, where they
serve as early warning system against
ambushes or for identification of armed
terrorist groups. Because of their
unique and versatile skills and their
expensive and difficult training, these
MWDs are regarded as high-value
assets to the Armed Forces37,38,39.
Prior to deployment, a disease risk
assessment should be made regarding
the theatre of operation in which the
animal will be serving40. Prior to and
during the mission the animals will be
checked for any diseases and other
disorders, the appropriate vaccination
scheme and parasite control will be
applied and the animals will receive
any required treatment for injuries
sustained during operations 38,40.
Besides direct assistance,
veterinarians can make this
assessment, they can instruct the
handlers on general care and
treatment and give specific
geographical information relevant for
the acclimatisation of the animals to
(extreme) warm or cold conditions1,40.
When the MWDs go on patrol with their
handler, there is no Dutch military
veterinarian present who can provide
medical care. In case of injuries, for
example after an attack, it is the
responsibility of the handler to be able
to administer first-aid. Veterinarians will
need to be in a position to train the
handlers for this important task.
During military deployment, there will
not only be the animals of the Armed
Forces for which the veterinarian may
be called upon. Animal Medicine can
also apply to local farm animals or local
wildlife surrounding the compound38.
Pest control (the extermination or
removal of any unwanted animal from
the compound) is done by the PM
specialists. A veterinarian can assist
them on policies and procedures, while
the executive tasks lie with the PM
specialists. This is mostly done using
baited traps (e.g. rodents) or specific
actions to localise, catch and remove
the targeted animal from the
compound. PM specialists may apply
deadly force to neutralise a specific
threat (e.g. rabid dog)35.
It is not uncommon that military
personnel adopt local stray dogs or
other animals and bring these into the
compound. These animals are
promoted to mascot status and treated
like pets. Seemingly quite harmless,
these animals, wildlife and
domesticated pets, can be a real
nuisance and more importantly, they
can be a potential carrier of animal
diseases, zoonotic pathogens, creating
a potential health risk to all military
personnel (men and animal!)1. Although
it is a standing order that all pets in any
shape or form are strictly forbidden
within the compound, exceptions to
this rule can be made by the
Commander, consulting a PM
specialist or military veterinarian. For
example cats can be used to suppress
a possible rodent infestation of the
compound or dogs can be used as
controlled animals to occupy the
natural territory within / surrounding the
compound, keeping out unwanted stray
animals. In all such cases each
requirement concerning the animal’s
health and welfare must be met.
Emerging Diseases
About 75% of the human emerging
diseases in appear to be zoonotic 41.
A wide variety of animal species, both
domestic and wild, can act as reservoir
or vector for these pathogens, which
may be viruses, bacteria or parasites38.
These pathogens can be a threat for
military personnel deployed, for the
health of the local people and local
farm animals. People can become
infected through contacts with live
animals, products of animal origin (e.g.
NMGT 67 - 1-44
9
JANUARI 2014
meat, milk), excreta or mediated by
airborne vectors such as flies and
mosquitoes42. Pathogens can also
enter the Netherlands using different
pathways, which also include all
returning military equipment and
vehicles used during the operations,
with pathogens embedded in mud,
manure or any form of dirt attached to
its surfaces34,43.
During their deployment, military
personnel come into contact with
different cultures and are exposed to
other environments, climatic conditions
and (un)known diseases, including
zoonoses. Rabies is a clear example of
an animal and zoonotic disease which
can be contracted via saliva (bites)
from e.g. bats, foxes, dogs and cats 44.
Officially the Netherlands is free of
rabies since 1923 (though some
incidents caused by illegal import of
dogs make this status questionable),
but in parts of Africa, in Eastern
Europe, India and Asia rabies is
endemic45. Veterinarians can train and
inform military personnel about these
diseases and underline the health risks
of certain ill-informed actions like
adopting local stray dogs as pets or
consuming locally produced foods of
unclear origin1,37.
Military veterinarians can therefore act
as gatekeepers, in the context of food
safety (discussed later) and the
exposure to diseases. Prevention,
detection and control of diseases are
clear parts of the main tasks of a
military veterinarian, also in the context
of repatriation. The transmission of
(zoonotic) pathogens from the theatre
of operation to the homeland (e.g.
foot-and-mouth disease or avian
influenza), is a real threat which must
be minimized due to its massive impact
on animal and public health, economic
damage and possible negative public
opinion for the mission itself1,42.
Leading example is rabies: When the
English soldiers returned home after
World War I, there was a clear
increase of animals infected in England
with rabies. Although a direct link could
not be established, a realistic scenario
shows how rabies was carried over by
the returning soldiers1.
Various NATO Standardization
Agreements (STANAGS)42 are already
in place or are in the process of being
finalised, covering these issues. In
addition, in the operational planning
phase of missions and exercises these
risks are now being considered,
supported by assessments drafted by
CEAG to which the military veterinarian
and other specialists can contribute.
Interestingly, these assessments can
also apply when material and
personnel are shipped to a third
country which has specific
requirements on reception from the
Netherlands. The system therefore
works two ways.
Disaster control
The RNLA can provide aid and
assistance in the case of (natural)
disasters or national emergencies,
e.g. large-scale outbreaks of animal
diseases, forest fires or floods. Recent
emergencies where assistance was
provided are the foot-and-mouth
disease outbreak in 2001, the
EL AL plane crash in the Bijlmer
(Amsterdam) in 1992, the great floods
in Zeeland province in 1953 and even
in 2012 in Friesland and Groningen
province when the water levels
exceeded the critical limits.
The 2010 brochure published by the
Dutch Ministry of Defence on National
Operations clearly describes how the
Armed Forces can provide support to
civil emergency response units in case
of large-scale emergencies. It also
describes how separate entities can
merge into fast acting response teams
with regular military personnel
supported by reservists and other
functional specialists46,47.
In addition to the National Operations,
Dutch military personnel can be
deployed to disaster areas in other
parts of the world or provide
humanitarian support in areas under
UN supervision. In these cases, the
deployment of military veterinarians is
of vital importance in matters
concerning water and food safety and
zoonotic disease risks.
Large-scale natural disasters
(tsunami’s, forest fires or droughts)
may also result in massive loss of
animal life (livestock and wild life),
which can turn into a serious health
risk for both men and animals surviving
in the same area due to the presence
of decomposing carcasses polluting
the environment. Pre-existing
emergency protocols and on-the-spot
assessments can be drafted by military
veterinarians, working closely together
with local authorities and other NGOs
deployed, to reduce or avert further
health risks and loss of life48,49.
Public Health and Hygiene
Over the years the objective of the
RNLA has developed into primarily
peace-keeping, stabilising and
rebuilding missions abroad. This
adapted scope has also changed the
circumstances and potential risks that
should be taken into account. At first
glance public health does not appear to
be in the veterinarian’s field of
operations, but as both water and food
safety & quality fall under public health
it becomes apparent that the military
veterinarian has an important
responsibility towards operational
readiness and personal health. Already
not a simple task in the Netherlands by
maintaining high levels of
microbiological safety and even more
challenging when facing the sometimes
harsh operational conditions under
which good hygiene and food safety
need to be managed.
As climatological conditions in mission
areas abroad can differ dramatically to
the domestic situation, a local
infrastructure is often non-existent
(destroyed, never developed) with little
sanitary resources and sewerage in
working condition. Local businesses
and markets are often low in hygienic
conditions and in all, there are many
microbial risks that face the military
personnel deployed in these
areas34,49,50.
In addition, when military personnel is
deployed to such inhospitable areas for
strategic or relief missions, fatigue and
operational stress may make them
more susceptible to increased
pathogen levels than intensive training
can prepare them for. Subsequently,
an increase in non-battle injuries may
result in reduced fighting strength and
operational capabilities.
Therefore it is of vital importance that
all factors involved are well known and
fully covered to ensure the success of
the mission at hand, requiring a high
degree of professionalism35.
Several areas in which PM specialists
and military veterinarians can
cooperate closely range from
assessing bioterrorism risks (CBRN
threats) to water and food safety
management in mission areas1,49,51.
Again, the PM specialists have a more
executive role in acquiring
local data, by doing for example
microbiological checks on water
and food supply or collecting insects
for further entomological
determination52,53. The role of the
military veterinarian will be to assist on
the interpretation of the data and
development or amendment of
protocols aimed to reduce the
exposure risks of military personnel.
For these tasks liaising with local
competent authorities, veterinarians or
available laboratory facilities is of vital
importance to ensure the required
assessment and management of
identified (potential) risks in the mission
areas.
NMGT 67 - 1-44
10
JANUARI 2014
Development Projects
The fifth area of expertise of the
military veterinarian is herd
management, animal health care and
husbandry (e.g. breeding, feeding,
housing) in host nation countries.
Healthy animals deliver safe food,
a better quality of life for the local
families and also impact on the
economies of those countries, as these
healthy animals can also be applied as
means of transport or in agriculture37,54.
As described earlier, the RNLA include
the 1 CMI Co, consisting of military
staff and functional specialists, which
can be deployed as part of a Provincial
Reconstruction Team (PRT). Within the
PRT, military personnel, civil personnel
(from e.g. the Ministry of Foreign
Affairs) and NGOs work together to
establish projects in the mission area
aiming to improve the quality of life of
the local population and acquiring a
level of self-sufficiency after the
PRT mission is terminated50,55,56,57,58.
A very important task dedicated to the
hearts and minds of the people who
have suffered long and hard.
In conclusion
It is quite clear that the role of the
military veterinarian has evolved
dramatically from a dedicated equine
practitioner to a “Jack-of-all-trades”,
being a well-trained professional with
a practical mind-set focussed to tackle
and overcome any problem he or she
will encounter.
The position of the military veterinarian
is well established in most NATO
partners and other countries, whereas
the military veterinary capacity has
been minimal in the Netherlands
Armed Forces for several decades.
However, the organisational role of the
PM units with their specific tasks and
embedded in the operational units,
provides an excellent framework to
re-incorporate the military veterinarian
and his knowledge in The Netherlands
Armed Forces. Using the Swiss and
French Veterinary Services as possible
examples, the Dutch military
veterinarians are now becoming
organised in such a way to maximise
efficiency and synergy. The close
cooperation of these reserve officers
with other military and civil
professionals (e.g. PM, CEAG and the
Institute for Risk Assessment
Sciences) is a key element in their
current role. With their presence and
using these respective networks,
a broad scope of knowledge comes
easily available for the soldier in the
field. Although much remains to be
done, a clear start has been made to
create an optimal veterinary mix and
cost effectiveness for today’s Armed
Forces.
After much effort by Colonel (R)
Veterinarian Bas Steltenpool and
Professor Frans van Knapen
(IRAS Division Veterinary Public
Health, University of Utrecht) the
military veterinarian is now on its way
back to full operational status. Linked
to the PM units, 1 CMI Co and CEAG,
they are ready to go wherever the job
takes them.
S A M E N V AT T I N G
DE MILITAIRE DIERENARTS
Zijn positie en functie in de
Koninklijke Landmacht
Gezien het feit dat de rol van de
militaire dierenarts vrij beperkt was in
het Nederlandse leger gedurende de
afgelopen 40 jaar, is er gekeken naar
een mogelijke invulling van taken en
structuur. Vanuit een historisch
perspectief, met de Franse en
Zwitserse militaire veterinaire korpsen
als Europese voorbeelden en de wijze
waarop het Nederlandse leger thans
opereert, wordt een overzicht gegeven
van de aandachtsvelden waaraan de
veterinaire (reserve-)officier kan
bijdragen. Op het organisatorische vlak
is er over de afgelopen twee jaar veel
vordering gemaakt om de militaire
dierenarts weer in actieve dienst te
hebben.
References:
1.
Kervella J.Y., Marié J.L., Cabre O., Dumas E.:
(2011). Veterinary support in the Armed Forces.
Nederl Mil Geneesk T, 64, 96-100.
2. Davis D.K.: (2006). Prescribing Progress: French
Veterinary Medicine in the Service of Empire.
Veterinary Heritage, 29 (1), 1-7.
3. Egter van Wissekerke J.: (2010). Veterinair
onderwijs en militaire paardenartsen. Van kwade
droes tot erger (p. 183-236). Rotterdam:
Erasmus Publishing.
4. Egter van Wissekerke J.: (2010). De rol van het
militaire paard in oorlogsvoering.
Van kwade droes tot erger (p. 31-64).
Rotterdam: Erasmus Publishing.
5. Egter van Wissekerke J.: (2010). Veterinair
onderwijs en militaire paardenartsen.
Van kwade droes tot erger (p. 183-236).
Rotterdam: Erasmus Publishing.
6. Steltenpool B.A.: (2004). Dienaren van
Aesculaap en Mars. Mars et Historia, nr. 3,
47- 56.
7. Mossel D.A.A., Koolmees P.A.: (2003).
Veterinairen in militaire dienst. ARGOS,
nr. 29, 425-433.
8. Bundesverfassung der Schweizerischen
Eidgenossenschaft (1999, stand am
1 Januar 2011). Artikel 58. Geraadpleegd via:
http://www.admin.ch/ch/e/rs/101/a58.html
(Engels) en http://www.admin.ch/ch/d/sr/
1/101.de.pdf (Duits).
9. Homan K.: (2006). Verval en vernieuwing:
Het Franse buitenlands en veiligheidsbeleid.
Atlantisch Perspectief, 6, 9-14.
10. Ministère de la Défense et des anciens
combattants (10-07-2010). The Missions of
National Defense. Geraadpleegd via
http://www.defense.gouv.fr/english/portaildefense/ministry/missions/the-missions-ofnational-defence
11. United States Central Command. France.
Geraadpleegd via
http://www.centcom.mil/france/
12. 2009, 11 maart. Frankrijk wordt weer volwaardig
NATO-lid. Het NRC. Geraadpleegd via
http://vorige.nrc.nl/article2177615.ece
13. North Atlantic Treaty Organization (2012,
5 Maart). NATO’s relations with Switzerland.
Geraadpleegd via: http://www.nato.int/cps/
en/natolive/topics_52129.htm
14. Bundesverfassung der Schweizerischen
Eidgenossenschaft (1999, stand am
1 Januar 2011). Artikel 54. Geraadpleegd via:
http://www.admin.ch/ch/e/rs/101/a54.html
(Engels) en http://www.admin.ch/ch/d/sr/
1/101.de.pdf (Duits).
15. Eidgenössisches Departement für Verteidigung,
Bevölkerungsschutz und Sport (VBS), Schweizer
Armee: Chef der Armee CdA (2007). Strategie
Schweizer Armee 2007. Bern: Vorsteher
Eidgenössisches Departement für Verteidigung,
Bevölkerungsschutz und Sport (VBS).
16. Central Intelligence Agency (06-03-2012). The
World Factbook: Switzerland. Geraadpleegd via:
https://www.cia.gov/library/publications/
the-world-factbook/fields/2024.html
17. Federal Department of Defense, Civil Protection
and Sports (DDPS), Federal Department of
Foreign Affairs (DFA). Swiss Neutrality. Bern:
Communication DDPS.
18. Kompetenzzentrum Veterinärdienst und
Armeetiere (27-02-2012). Armeetiere:
Veterinärarzt: Vorteile Vet Az Of. Geraadpleegd
via: http://www.he.admin.ch/internet/heer/de/
home/themen/kompetenzzentrum/werde_
armeetierspezialist/veterinaerarzt/vorteile.html
19. Kompetenzzentrum Veterinärdienst und
Armeetiere (17-08-2011). Armeetiere: Einsatz:
Diensthunde. Geraadpleegd via:
http://www.he.admin.ch/internet/heer/de/
home/themen/kompetenzzentrum/Einsatz/
milizhundefuehrer.html
20. Kompetenzzentrum Veterinärdienst und
Armeetiere (17-08-2011). Armeetiere: Einsatz:
Tragtiere. Geraadpleegd via:
http://www.he.admin.ch/internet/heer/de/
home/themen/kompetenzzentrum/Einsatz/
trainsoldat.html
21. Kompetenzzentrum Veterinärdienst und
Armeetiere (14-07-2011). Armeetiere:
Veterinärsoldat. Geraadpleegd via:
http://www.he.admin.ch/internet/heer/de/
home/themen/kompetenzzentrum/werde_
armeetierspezialist/0.htm
22. Eidgenössischen Departement für Verteitigung,
Bevölkerungsschutz und Sport VBS (2011,
12-04). Kurativer Vet D: Befehl kuratiever
Veterinärdienst Komp Zen Vet D & A Tiere.
Bern: VBS.
23. Kompetenzzentrum Veterinärdienst und
Armeetiere (17-08-2011). Armeetiere:
Lebensmittelsicherheit in der Armee - das
Lebensmittelhygiene-Inspektorat der Armee
(LIA) Geraadpleegd via: http://www.he.admin.
ch/internet/heer/de/home/themen/kompetenzzen
trum/veterinaerarzt.html
24. Kompetenzzentrum Veterinärdienst und
Armeetiere (23-02-2012). Armeetiere:
Veterinärarzt: Diensttage. Geraadpleegd via:
http://www.he.admin.ch/internet/heer/de/
home/themen/kompetenzzentrum/werde_
armeetierspezialist/veterinaerarzt/diensttage.html
25. Gesellschaft Schweizer Tierärztinnen und
Tierärzte (2005). Berufsbild Tierärztin/Tierärzt.
Thörishaus: Gesellschaft Schweizer
Tierärztinnen und Tierärzte GST.
26. Artikel 97 van de Nederlandse Grondwet,
geraadpleegd via:
http://www.denederlandsegrondwet.nl/
9353000/1/j9vvihlf299q0sr/vgrndb9f5vzi
27. Ministerie van Defensie bestuursstaf (2010).
Brochure: Nationale operaties en (inter)nationale
noodhulp. Den Haag: Ministerie van Defensie.
28. Ministerie van Defensie (2010, 23-11). Taken:
Nationale Taken. Geraadpleegd via: http://
www.defensie.nl/nationale_taken/introductie/
29. Ministerie van Defensie. Taken: Missies.
Geraadpleegd via: http://www.defensie.nl/
missies/uitgezonden_militairen/
30. Ministerie van Defensie. Taken: Internationale
Reactiemacht. Geraadpleegd via:
http://www.defensie.nl/taken/internationale_
reactiemacht/
NMGT 67 - 1-44
11
JANUARI 2014
31. Ministerie van Defensie. Onderwerpen: CIMIC:
Organisatie 1 CIMIC bataljon. Geraadpleegd via:
http://www.defensie.nl/onderwerpen/cimic
32. Ros A.: (2012). Dierenartsen leveren belangrijke
bijdrage aan buitenlandse missies. Tijdschrift
voor Diergeneeskunde, 137 (7), 464-465.
33. Van der Kloet I.E.: (2011). Provinciale
Reconstructie Teams: de veterinair als schakel
in de reconstructieketen.
Nederl Mil Geneesk T, 64, 108-111.
34. Van Schaik B.: (2011). Nieuw:
West Nile Virus! ….. of niet?
Nederl Mil Geneesk T, 64, 117-120.
35. Landmacht, OOCL Sectie GZHZ, Bobeldijk N.
(2012). HPG: In dienst van de commandant.
(Presentatie)
36. Van Knapen F.: (2011). One Health, one
medicine. Nederl Mil Geneesk T, 64, 93-95.
37. Cates M.B.: (2007). Healthy Animals, healthy
people. Army Medical Department Journal, July
2007, 4-7.
38. NATO (2009) Animal Care and Welfare and
Veterinary Support during all phases of military
deployments.
39. Steltenpool B.A.: (2009). Gastcolumn:
Overpeinzingen van een dierenarts.
Militaire Spectator, 178 (9), 2-3.
40. NATO Standardization Agreement (STANAG):
Welfare, care, and veterinary support for
deployed military working animals.
41. RIVM Emzoo 2011.
42. NATO. Veterinary Guidelines on major
transmissible animal diseases and preventing
their transfer. AMedP-26.
43. Koster J.: (2011). Volksgezondheids- en
veterinaire risico’s door versleep van
pathogenen bij militaire operaties.
Nederl Mil Geneesk T, 64, 121-122.
44. Ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport.
LCI richtlijn: Rabies. Geraadpleegd
via:http://www.rivm.nl/Bibliotheek/
Professioneel_Praktisch/Richtlijnen/
Infectieziekten/LCI_richtlijnen/LCI_richtlijn_
Rabies
45. http://web.oie.int/wahis/public.php
46. Ministerie van Defensie. Personeel: Reservisten:
Reservist Militaire Taken. Geraadpleegd via:
http://www.defensie.nl/landmacht/personeel/
reservisten/reservist_militaire_taken/nationale_
operaties
47. Ministerie van Defensie bestuursstaf (2010).
Brochure: Nationale operaties en (inter)nationale
noodhulp. Den Haag: Ministerie van Defensie.
48. Vroegindewey G.: (2007). Emerging Roles of the
US Army Veterinary Service. Army Medical
Department Journal, July-Sept 2007. 8-11.
49. Headquarters, Department of the Army (1997).
Veterinary Service: Tactics, Techniques, and
Procedures. Washington D.C.: Department of
the Army.
50. Van der Kloet I.E.: (2011). Provinciale
Reconstructie Teams: de veterinair als schakel
in de reconstructieketen. Nederl Mil Geneesk T,
64, 108-111.
51. Vogelsang R.: (2007). Special Operations
Forces Veterinary Personnel. US Army Medical
Department Journal, July-Sept 2007. 69-70.
52. Ministerie van Defensie. Functiebeschrijving
Defensie 1.0.0: HFD HPG / STOFF
ARBEIDSHYGIENE. Den Haag: MvD.
53. Ministerie van Defensie. Functiebeschrijving
Defensie 1.0.0: HLP HPG / CH VAU MZ.
Den Haag: MvD.
54. Ministerie van Defensie. CIMIC:
Economy & Employment. Geraadpleegd via
http://www.defensie.nl/onderwerpen/cimic/
economy__employment
55. Smith J.C.: (2007). Stabilization And
Reconstruction Operations: The Role Of The US
Army Veterinary Corps. US Army Medical
Department Journal, July-Sept 2007, 71-80
56. Ministerie van Defensie. Onderwerpen: CIMIC.
Geraadpleegd via
http://www.defensie.nl/onderwerpen/cimic
57. Ministerie van Defensie. Missies: Export van
PRT Expertise. Geraadpleegd via:
http://www.defensie.nl/missies/actueel/isaf/
2010/08/16/46171100/Export_van_PRT_
expertise
58. Ministerie van Defensie (2007). Eindevaluatie
Provinciaal Reconstructie Team Baghlan. Den
Haag: Ministerie van Defensie.
OORSPRONKELIJK ARTIKEL
Het begint allemaal met hygiëne
door Hanneke Wijnker
Interview met prof. dr. Frans van Knapen
“Ik vraag altijd aan mijn eerstejaarsstudenten of ze weten wat handen wassen is. De functie van water, zeep,
desinfecteren? Dan zie je ze kijken. Maar goed handen wassen is zó belangrijk. Bij ‘ons’ telt maar één woord:
hygiëne.” ‘Ons’ is de Divisie Veterinaire Volksgezondheid van de Faculteit Diergeneeskunde Universiteit Utrecht,
de enige opleiding in Nederland voor dierenartsen. Aan het woord Frans van Knapen, hoogleraar
Levensmiddelenhygiëne en Veterinaire Volksgezondheid.
Veterinaire Volksgezondheid (VPH)
De discipline veterinaire volksgezondheid bevindt zich op het raakvlak tussen
diergeneeskunde en humane geneeskunde en richt zich in het bijzonder op microbiële
en niet-microbiële contaminanten (water, bodem, lucht) die een potentieel risico
vormen voor de mens. De Divisie Veterinaire Volksgezondheid (VPH) vormt een
onderdeel van het interfacultaire Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van
de Universiteit Utrecht. Binnen de drie hoofdactiviteiten onderwijs, onderzoek en
dienstverlening houdt de Divisie zich met name bezig met de bescherming van de
mens waar die mogelijk in gevaar komt door contacten met dieren (zoönosen) of het
nuttigen van voedingsmiddelen (vlees, vis, eieren, melk, kaas).
Afb. 1: Prof. dr. Frans van Knapen.
Zijn taak bij de faculteit zit er na
bijna negentien jaar zowat op. Op
13 december 2013 was zijn
afscheidssymposium. Dan heeft hij op
het gebied van de veterinaire
volksgezondheid een hoop bereikt.
Eén van zijn belangrijkste verdiensten?
“Dat er al weer zes dierenartsen in de
krijgsmacht actief zijn. Niet op fulltime
basis, maar wel als reservist. Daar ben
ik echt apetrots op. Er zitten nu
dierenartsen die het leuk vinden om
met gezondheidsbescherming bezig te
zijn. Er is weer goed toezicht.
Overigens had ik dat nooit alleen voor
elkaar kunnen krijgen. Vanuit Defensie
heb ik veel hulp gehad van reserve
kolonel-dierenarts Bas Steltenpool.
En vóór mij is heel veel voorbereidend
werk gedaan door prof. dr.
David Mossel, emeritus hoogleraar
Voedingsmiddelenmicrobiologie bij de
Faculteit Diergeneeskunde. Hij was
adviseur bij Defensie en na zijn
overlijden, heb ik zijn taak
overgenomen.”
Gezondheidsbescherming
Frans van Knapen is indertijd gevraagd
voor de functie van hoogleraar
Levensmiddelenhygiëne en Veterinaire
Volksgezondheid. “Ik heb de functie
aanvaard op één voorwaarde: dat het
vak aangepast zou worden aan de
moderne tijd en dat het niet meer over
vleeskeuring zou gaan, maar over
veterinaire volksgezondheid. Voor
dierenartsen was volksgezondheid
bijna hetzelfde als vleeskeuring. Maar
vleeskeuring had helemaal geen effect
meer, want sinds 1994 zitten er geen
zieke dieren meer in de voedselketen.”
Die aanpassing had alles te maken
met waar hij vandaan kwam. Van
Knapen had namelijk twintig jaar bij het
RIVM gewerkt. Daar hield hij zich
vooral bezig met zoönosen,
infectieziekten die overgedragen
kunnen worden van dier op mens.
“En dan gaat het niet alleen over vlees,
melk en eieren, maar ook over bodem,
water en lucht. Infectieziekten
verspreiden zich op heel veel manieren
en een dierenarts weet als geen ander
hoe hij met de risico’s om moet gaan.
Zijn taak is gezondheidsbescherming,
dat wil zeggen dieren, en daarmee ook
mensen, gezond houden.”
Exotische bacterie
Is gezondheidsbescherming voor
iedereen in ons land belangrijk, voor
militairen is bescherming van de
volksgezondheid zo mogelijk nog
belangrijker. Van Knapen heeft er jaren
energie in gestoken om Defensie
daarvan te overtuigen. Waarom? De
taken van de landmacht, luchtmacht,
marine en marechaussee liggen
tegenwoordig vooral buiten Nederland.
Zo zijn er missies geweest in
Afghanistan (Kunduz en Uruzgan),
Congo, Irak, Bosnië, Libië, Soedan en
Tsjaad. De antipiraterijmissie in
Somalië loopt nog. Dit is stressvol
werk, de militairen zitten er vaak met
veel op een hoopje en hun
leefomstandigheden zijn niet zoals ze
die in Nederland gewend zijn. “Als je
dan weet dat we in Nederland al aan
de diarree kunnen gaan omdat we
gewoon onze handen niet goed
wassen, dan kun je je voorstellen hoe
gemakkelijk daar iemand flink ziek kan
worden van een exotische bacterie.
Bijvoorbeeld van de geit van de lokale
markt die zo grappig is als mascotte.
Daarom is het heel handig als je
mensen bij je hebt die je kunnen
NMGT 67 - 1-44
12
JANUARI 2014
helpen met het zoeken van een plek
waar je veilig je kamp op kunt zetten,
die alles weten over veilig voedsel en
veilig water, van welke beesten je af
moet blijven, die alles weten over
hygiëne en wat je moet doen als je met
veel mensen langere tijd bij elkaar
bent. Dat zijn de HPG’ers. Die zorgen
ervoor dat de mensen gezond blijven.”
HPG staat voor Hygiëne en
Preventieve Gezondheidszorg en is
onderdeel van de Militair
Geneeskundige Dienst.
Ogen en oren
Waar zit dan de rol van de dierenarts?
“Het is de dierenarts die de HPG’ers
adviseert over hygiëne en
besmettingsrisico’s. Dierenartsen gaan
vooralsnog niet mee met de missie
zelf, maar mogelijk wel met de
verkenning. Ze weten dus waar het
kampement komt en wat de
leefomstandigheden zijn. Daar
adviseren ze op. Tijdens de missie zijn
de HPG’ers de ogen en oren van de
dierenarts en als het nodig is, is er ook
direct contact.”
Zwerfhonden
Wat de inzet van dierenartsen in het
leger betreft, neemt Nederland een
aparte positie in. “Wij hebben net als
Canada binnen de NAVO geen
dierenartsen fulltime in dienst bij de
krijgsmacht. Terwijl het juist bij
buitenlandse missies zo belangrijk is
dat onze mensen goed beschermd
worden tegen infectieziekten. Anders
kunnen ze gewoon hun werk niet doen.
Freelance tekstschrijver Asterisk* Tekst
(www.asterisk-tekst.nl).
Artikel ontvangen oktober 2013.
Dierenartsen zijn gewend om in te
schatten wat de gezondheidsrisico’s
zijn van ongedierte, wateroverlast, de
aanschaf van lokaal voedsel van
dierlijke herkomst of contact met
zwerfhonden en zwerfkatten.
Veterinaire volksgezondheid is dus
buitengewoon belangrijk.” Overigens
adviseren dierenartsen ook over
hygiëne bij de inzet van militairen
dichter bij huis. Of wanneer militair
materieel terugkomt na een
buitenlandse missie. Uiteindelijk
moeten die voertuigen op dezelfde
manier worden ontsmet als de tractor
van de Nederlandse boer bij een
uitbraak van mond-en-klauwzeer.
Allemaal de expertise van een
dierenarts.
Zingen
Het werk van Frans van Knapen bij de
Divisie Veterinaire Volksgezondheid
van de Faculteit Diergeneeskunde zit
erop. Zijn (voorlopige) opvolger is
dr. Len Lipman met wie hij al jaren
nauw heeft samengewerkt op het
gebied van onderwijs en onderzoek
binnen de Divisie. Maar weg is niet
helemaal weg, want er zal geen
student zijn die zich niet herinnert hoe
hij heeft leren handen wassen terwijl hij
‘Lang zal ie leven’ zingt…
SUMMARY
IT ALL STARTS WITH HYGIENE
Interview with
Prof. Frans van Knapen
The Royal Netherlands Army once
again employs veterinarians. Not on a
fulltime basis, but as reservists. In this
interview, Prof. Van Knapen describes
his vision on how the military
veterinarian can contribute to the
health of military personnel, often in
close cooperation with the Force
Health Protection specialists. Both
during international missions and
national operations.
MEDEDELING
Netherlands School of Public &
Occupational Health
Inlichtingen www.nspoh.nl, telefoon (020) 4097000, e-mail [email protected]
Geneesmiddelen, rijvaardigheid en werk
Leer hoe en welke geneesmiddelen het reactievermogen kunnen beïnvloeden. Welke
inschatting van risico's kunt u maken ten aanzien van het werk, rijvaardigheid en diverse
juridische aspecten? Welke interventiemogelijkheden heeft u?
Doelgroep: bedrijfs- en verzekeringsartsen (geregistreerd en in opleiding),
arboverpleegkundigen, huisartsen en medisch adviseurs
Datum:
dinsdag 11 februari 2014
Kosten:
€495
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=338
malariaprofylaxe. U krijgt praktische informatie over de organisatie van een
reizigersspreekuur. LCR geaccrediteerd.
Data:
donderdag en vrijdag 13 en 14 maart 2014
Kosten:
€ 770
Locatie:
Rotterdam
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=394
Clinic bewegingsapparaat
Update uw praktijkkennis en oefen lichamelijk onderzoek van de arm, schouder, nek,
rug, knie en enkel. Interventies conform de richtlijnen, diverse behandelvormen,
prognoses en de relatie met arbeid staan centraal.
Doelgroep: bedrijfs- en verzekeringsartsen, medisch adviseurs en medisch
specialisten, bedrijfsverpleegkundigen en andere professionals die hiermee
in hun werk te maken hebben.
Data:
maandag 17 en 24 maart 2014
Kosten:
€ 825
Locatie:
Amsterdam
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=410
STIMEDIC Intensief
Training, die voortbouwt op STIMEDIC Basis, waarin u uitgebreid oefent met
communicatieve vaardigheden. De focus ligt hierbij vooral op communicatie volgens de
"motiverende gespreksvoering".
Doelgroep: praktijkondersteuners, verpleegkundigen, doktersassistenten, huisartsen,
sociaal geneeskundigen en longartsen
Datum:
vrijdag 14 februari 2014
Kosten:
€325
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=683
Je werkdruk de baas!
Druk, druk, druk? Blijf uw werkdruk de baas en houd plezier in uw werk. Met veel
handige inzichten en tools.
Doelgroep: professionals werkzaam in de public en occupational health
Datum:
dinsdag 18 maart 2014
Kosten:
€ 385
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=483
Leer uzelf beter kennen via MBTI
Wat voor karaktertype bent u volgens MBTI? Maak kennis met de
persoonlijkheidstypologieën van Jung en verbeter de samenwerking en communicatie
met uw cliënt of collega.
Doelgroep: artsen, zowel uit de sector Public Health als Arbeid en Gezondheid, en
arboprofessionals die zich als professional willen verdiepen in zichzelf of de
ander (manager, partner, cliënt) voor beter contact.
Data:
dinsdag 4 en 11 maart 2014
Kosten:
€ 895
Locatie:
Amersfoort
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=495
Bij- en nascholingscyclus voor de reizigersgeneeskundig arts en
reizigersverpleegkundige
Interactieve driedaagse bij- en nascholingscyclus over actuele en belangrijke thema's in
de reizigersadvisering. U kunt elke dag apart volgen. LCR accreditatie wordt
aangevraagd. Onderwerpen: Hoogteziekte, duiken en medische aspecten van het reizen
per vliegtuig (nieuw).Gaat een reiziger vliegen, duiken of een berg beklimmen? Zorg dat
uw advies op maat is voor het reizen onder deze bijzondere omstandigheden.
Datum:
donderdag 20 maart 2014
Kosten:
€ 385 per dag
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageID=33&welkelijst=clph&id=20
Spoedeisende hulp en AED in bedrijf
Dé kans om weer echt te 'dokteren'! Kom in actie en leer volgens de nieuwste richtlijnen
en protocollen systematisch en verantwoord eerste hulp verlenen, reanimeren en
omgaan met de AED. Hoe houdt u het hoofd koel en toont u professionele meerwaarde
bij een ongeval op het werk?
Doelgroep: bedrijfsartsen, verzekeringsartsen, sociaal geneeskundigen, artsen M&G,
arboverpleegkundigen en artsen uit het NSPOH keuzeonderwijs die in hun
werk te maken kunnen krijgen met spoedeisende patiënten.
Datum:
woensdag 12 maart 2014
Kosten:
€ 450
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=309
Straling en werk
Met de kernramp in Japan in het geheugen, de opmars van de mobiele telefoons,
tablets, detectiepoortjes, toegangspas- en streepjescodelezers, zendmasten, laser en
UV, is dit hét moment om uw kennis over straling op te frissen.
Doelgroep: bedrijfsartsen. Deze module is ook relevant voor artsen M&G, in het
bijzonder de artsen Medische Milieukunde.
Datum:
dinsdag 25 maart 2104
Kosten:
€ 395
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=670
Basismodule reizigersadvisering voor doktersassistenten en
praktijkondersteuners
Hoe organiseert u een reizigersspreekuur? Welke infectieziekten kunnen mensen op reis
oplopen? Hoe worden de LCR protocollen gehanteerd? Na deze module weet u hoe u
mensen betrouwbaar advies geeft.
Doelgroep: doktersassistenten en praktijkondersteuners werkzaam in een
huisartsenpraktijk met geen of weinig ervaring in de reizigersadvisering.
Datum:
donderdag 13 maart 2014
Locatie:
Rotterdam
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=391
STIMEDIC Basis
Stoppen met roken is de belangrijkste bijdrage die rokers aan hun gezondheid kunnen
leveren. U speelt als professional een essentiële rol in het bespreekbaar maken van
rookgedrag en het begeleiden bij stoppen. Hoe u dat doet, leert u in deze module.
Doelgroep: praktijkondersteuners, verpleegkundigen, doktersassistenten, huisartsen,
sociaal geneeskundigen en longartsen
Datum:
donderdag 27 maart 2014
Kosten:
€ 325
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=709
Basismodule reizigersadvisering voor huisartsen
Praktijkgerichte module waarin u inzicht krijgt in de achtergronden van de belangrijkste
infectieziekten op reis. Er wordt ingegaan op immuniseren, adviseren en
NMGT 67 - 1-44
13
JANUARI 2014
OORSPRONKELIJK ARTIKEL
Assessment of the kitchen hygiene
and food safety standards
at Kamp Heumensoord
Summary
In Kamp Heumensoord, a temporary kitchen is operational to support
around 6000 military personnel during the annual International Four Day
Marches Nijmegen. As part of a veterinary Master’s degree education
programme, this kitchen was audited and evaluated on maintaining the
required hygiene and food safety standards applicable to military kitchen
facilities. The audit included an assessment of these standards and a
sample survey of the kitchen’s hygiene including a microbiological analysis
of some of the food served during the Marches. Overall the required food
safety standards were well maintained, especially in view of the temporary
nature of the Kamp, the amount of food prepared in a short period of time
and the challenging environmental conditions. However, some
recommendations can be made to improve on hygiene and food quality.
This article is based on the
Master’s thesis completed by
Aniek Lotterman in September 2013.
The full thesis, including all references
and annexes, is available on request.
Introduction
During the annual International Four
Day Marches Nijmegen, the Royal
Netherlands Army (RNLA) sets up
Kamp Heumensoord to accommodate
around 6000 participating military
personnel with approximately
30 different nationalities. Kamp
Heumensoord functions similar to a
temporary base offering facilities such
as housing, sanitation, food and
medical care. Although it is a
temporary base, the same food safety
standards manual applies to this facility
as any other (permanent) location in
use by the Armed Forces, catering to
military personnel. This manual
describes a HACCP-based system,
providing a detailed hazard
identification, analysis and assessment
resulting in a prerequisite programme,
control measures and (critical) control
points (CCP). Subsequent procedures
are developed including work
instructions and control / verification
sheets, all dedicated to reduce the
exposure of (military) personnel to
food- or waterborne risks to an
acceptable minimum.
The main purpose of this study was
three-fold: firstly to familiarise a
veterinary student during the final
stages of her Master’s degree with the
practical (im)possibilities of organising
and conducting a field audit; secondly,
by doing such an audit to assess the
HACCP system implemented at this
temporary base and thirdly, by making
a sample survey of the kitchen’s
general hygiene including a
microbiological analysis of one of the
meals served during the event, a
verification is done on how the required
hygiene and food safety standards are
maintained.
Audit and sampling
Having conducted an analysis of the
documentation in place, the main
control measures identified focussed
on hygiene and temperature control.
Maintaining adequate hygiene is a
prerequisite for preparing foodstuffs
under any condition. Temperature
control will depend on the storage
requirements of the product and
preparation steps prior to consumption.
A sampling plan was developed and
executed to confirm an adequate
hygiene status, using agar dip slides
and swabs, covering randomly chosen
surfaces in the food preparation area of
the kitchen (including pans and ladles)
and different buffets from where the
food was distributed.
At Kamp Heumensoord, apart
from certain dietary exceptions
(e.g. halal / gluten-free) all food served
is pre-prepared (Culivers, Eindhoven),
requiring only temperature
regeneration prior to serving.
All foodstuffs arrive during the night
prior to the day of consumption and
remain stored under controlled cooled
conditions (CCP) until final preparation
for consumption. The regeneration
process is also temperature controlled,
requiring a final temperature of 80 qC.
This is another CCP and is confirmed
using the temperature registration of
the food regenerators.
Subsequent samples for
microbiological analysis were taken
from the daily menu (beef soup, beef
burger, potato croquettes, wok mix and
salad) right before serving, including
registration of the product’s core
temperature at the serving buffets.
NMGT 67 - 1-44
14
JANUARI 2014
by Aniek Lotterman DVMa,
Warrant Officer Eric de Haanb and
Major (R) Joris J. Wijnker DVM PhDc
All samples taken were analysed at the
laboratory of the Division Veterinary
Public Health, Institute of Risk
Assessment Sciences in Utrecht
(VPH Laboratory) in accordance to
approved in-house standard
procedures, which are based on
ISO Standards. Total aerobic counts
and enterobacteriaceae where
determined in the kitchen hygiene
assessment and for the food samples,
whereas the food samples were also
tested on the presence / absence of
Salmonella, Campylobacter, E. coli and
Listeria monocytogenes.
Results
Kitchen hygiene assessment
The hygiene assessment, using the
total aerobic count as indicator,
showed that halve of the sampled
surfaces scored excellent or good and
the other halve poor, unsatisfactory or
bad (Table 1). All surfaces sampled
were, with one exception, free from
enterobacteriaceae.
Microbiological risk assessment
All food samples tested either negative
on the microbiological criteria with the
exception of the pre-packed salads,
which had total aerobic counts in
excess of maximum tolerable levels.
The core temperature of some samples
at the serving buffet were below the
required temperature limit of 80 qC.
Discussion and conclusions
In order to determine the outcome of
the audit, the following information
should be considered together with the
results of the sample survey: the
review of the HACCP manual and
related documentation at Kamp
Heumensoord, a previous visit to
Culivers assess the production of
foodstuffs which are served from
Kamp’s kitchen and available
inspection reports from 2012 and 2011.
a
Veterinarian, Institute for Risk Assessment
Sciences, Division Veterinary Public Health,
University of Utrecht, The Netherlands.
b
Member of Staff NCO Preventive Medicine,
Land Operation Support Command,
Royal Netherlands Army.
c
Specialist RVAN Veterinary Public Health,
Institute for Risk Assessment Sciences,
Division Veterinary Public Health,
University of Utrecht, The Netherlands,
supervising lecturer of Ms Lotterman for her
Master’s thesis.
Brigade veterinarian, Land Operation Support
Command, Royal Netherlands Army.
Article received November 2013.
The HACCP manual was complete and
up-to-date, including all required
checklists. To verify the implementation
of the HACCP manual, samples for the
kitchen’s hygiene assessment and food
samples for microbiological analysis
were taken.
The hygiene assessment showed that,
although adequate cleaning
procedures are in place, the actual
cleaning and subsequent checks do
not meet the required standard. A
recommendation for improving the
execution of these procedures will be
made.
Temporary, civilian catering employees
were recruited for this event. Some
employees were seen to wear jewellery
and others were apparently not
sufficiently familiar with the correct food
handling practices at the serving
buffets. This could, at least potentially,
pose a possible hygiene or food safety
risk. A recommendation will be made to
better instruct temporary employees
and maintain a better supervision of
required procedures.
Furthermore, the garbage disposal was
placed quite near to the kitchen and
already on the second day of the
Marches a bad stench arose from it.
Although relocation was considered no
better suitable alternative was available
for the edition. A recommendation will
be made to improve on the garbage
disposal procedures.
A comment can be made on the core
temperature checks of the food at the
serving buffets. Most of these
temperature readings were below
80 qC. It should be noted that this
requirement is applicable directly after
the regeneration process is finished.
There was no minimum temperature
requirement applicable at the serving
buffets. The lower temperatures could
be explained by the fact that the
Photo 1: Restaurant Kamp Heumensoord.
Number of colonies
Per slide*
Per cm2**
Class
Score
<3
<1
0
Excellent
3 till 9
1 till 2
1
Good
10 till 29
2 till 5
2
Poor
30 till 90
6 till 20
3
Unsatisfactory
> 90
> 20
4
Bad
* for the agar dip slides, ** for the swabs
Table 1: Scoring categorization aerobic counts hygiene assessment.
Kamp’s kitchen had only just opened
for the evening meal and only a few
people had been served at the time of
sampling. It is very well possible that
when more people come to eat and the
turnover at the serving buffet is higher
that the core temperatures will remain
higher as more freshly regenerated
food is served. However, a
recommendation can be made, from a
culinary, taste perspective to maintain
adequate food temperatures at all
times.
Samples taken from the pre-packed
salads had total aerobic counts that
exceeded the upper limit (< 107 colony
forming units per gram salad, as stated
in the MoD requirements to suppliers)
while enterobacterial counts remained
below maximum tolerable levels.
However, as all other microbiological
parameters tested negative it is not
clear which organism was responsible
for this unwanted increase. A
recommendation will be made to keep
the salads under cooled conditions
while in the serving buffet, to further
reduce the risk of bacterial outgrowth.
In conclusion: the outcome of the
microbiological assessment of the
foodstuffs served on the day of the
audit indicated that the food production
and regenerating process, involving
both Culivers and the Kamp’s kitchen,
is sufficiently robust and well organised
to produce a wholesome meal for the
participants of the
Marches. Some minor
discrepancies were
found, but overall the
applied procedures
provided the required
level of instruction and
control, allowing the
kitchen and the
restaurant at Kamp
Heumensoord to
perform well with
sufficient hygiene and
acceptable low
foodborne disease risk.
A great performance
especially considering
the dry, warm and dusty
NMGT 67 - 1-44
15
JANUARI 2014
environmental circumstances during
the 2013 International Four Day
Marches Nijmegen.
Acknowledgments
Words of appreciation are in order to
the people that have helped make this
Master’s thesis project possible. Firstly,
the food quality and hygiene inspectors
from the ministry of Defence,
Aad Struijk and Philip de Rooij.
Secondly, the laboratory staff at the
Division Veterinary Public Health and
in particular Ali Eggenkamp and
Angèle Timan. Furthermore: captain
Nico Bobeldijk and lieutenant colonel
Jacques Wennekes MD, Hans Kool
(Paresto), Joop van der Aa and
Bianca Vis (Culivers), dr Len Lipman
and Tineke Kramer from the IRAS
Division Veterinary Public Health.
Thank you for your help and support.
S A M E N V AT T I N G
BEOORDELING VAN DE
KEUKENHYGIËNE EN VOEDSELVEILIGHEIDSSTANDAARDEN IN
KAMP HEUMENSOORD
Tijdens de jaarlijkse Vierdaagse van
Nijmegen is er een tijdelijke keuken
operationeel op Kamp Heumensoord
voor ongeveer 6000 militairen. Als
onderdeel van het veterinaire Master’s
onderwijs is de keuken van het Kamp
geaudit en geëvalueerd op het
handhaven van de vereiste hygiëne en
voedselveiligheidsstandaarden, welke
van toepassing zijn op militaire
keukens. Deze standaarden werden
beoordeeld inclusief hygiënecontrole
van de keuken en een
microbiologische analyse van een
steekproef van het voedsel wat tijdens
de Vierdaagse wordt geserveerd.
Algemeen kan worden gesteld dat aan
de vereiste
voedselveiligheidsstandaarden wordt
voldaan, een knappe prestatie zeker
gezien het tijdelijke karakter van het
Kamp, de grote hoeveelheid voeding
geserveerd in een korte tijd en de
zware weersomstandigheden. Wel
kunnen enkele aanbevelingen gemaakt
worden om hygiëne en voedselkwaliteit
te verbeteren.
OORSPRONKELIJK ARTIKEL
Assessing the waterborne risk of a
norovirus infection for military
personnel in the Netherlands
by Major (R) Joris J. Wijnker DVM PhDa
and Heleen de Man MScb
Summary
Norovirus (NoV) infection outbreaks are known to occur when people occupy limited space, often under poor
hygienic conditions. These situations have been described for both civilians (e.g. cruise ships) or military personnel
in operational situations. However, little is known regarding the NoV infection risk for military personnel during
training, exercise or even recreational activities. This paper describes a quantitative analysis of the NoV infection
risk potential, improving on the risk awareness of this disease under various conditions.
Introduction
Various reports and papers have been
published over the years describing
how deployed military personnel are at
a particularly high risk of epidemic
gastroenteritis. Especially crowded
conditions that facilitate rapid personto-person transmission of viral
pathogens and poor hygienic
conditions can be identified as
important risk factors1.
Between 1992 and 1997, four
gastroenteritis outbreaks on board
US aircraft carriers (crews ranging
between 4200 - 5600 head) involving
norovirus (NoV) have been described
by McCarthy et al.1 Up to 44% of the
different crews had been affected,
during outbreaks which have lasted
between 13 days and 5 weeks, putting
an enormous strain on day-to-day
operations aboard these ships.
During Operation Enduring Freedom
and Operation Iraqi Freedom,
predominantly land-based operations,
various NoV outbreaks also occurred,
especially during the major combat
phase of the conflict when hygiene was
poor and access to potable water
limited (Table 1)2. Although the
US Marine Corps in Iraq had only
30 registered cases of NoV outbreaks
in 2003, a conservative estimate would
be that thousands of cases of
NoV illness occurred in the
First Marine Expeditionary Force in
April through May 2003, as case
registration was sparse and contact
between units limited2,3. In 2003, during
the first month of the British invasion in
Iraq, 1340 cases were registered, from
which 73% required hospital
admission. 36% of these cases were
hospital personnel and fresh local
produce was identified as a likely
source2, underlining the contagious
character of NoV and risks of
uncontrolled foodstuffs.
NoV family, symptoms and
infectivity
In their review, Donaldson et al.4
describe how NoVs belong to the
family of Caliciviridae and are small
non-enveloped icosahedral viruses
with a single-stranded RNA genome,
making them more adaptable to
specific circumstances than DNA
viruses. The NoV genus contains more
than 40 different strains, divided into
five genogroups. Genogroup I (GI),
GII and GIV are primarily human
pathogens, whereas GIII and GV infect
bovine and murine species
respectively. The majority of outbreaks
are linked to the GII.4 genocluster and
a pandemic spread was first
recognized in the mid-1990s. Different
substrains have subsequently been
confirmed in various countries and
regions. Human immunity to NoV is
limited by the fact that no long-term
immunity occurs (re-infection after
challenge with the same virus
27- 42 months later) and there is
limited or no cross-strain immunity. In
addition, humans are often exposed to
other circulating NoV strains, making it
very difficult to develop or implement
specific preventive, immunological
means.
The clinical symptoms usually last for
12-72 hours, with an incubation period
of 24-48 hours. Symptoms include
vomiting (69%), diarrhea (66%),
nausea (79%), fever (37%) and cramps
(30%). Virus shedding can continue for
up to 3-5 weeks after original infection3.
It is clear that the debilitating effect of a
NoV infection and the strong reduction
of combat readiness can have serious
consequences for operational
capabilities. In addition, it places a
great strain on logistical resources and
troop morale1.
NoV outbreaks have also been
recorded in civilian settings, ranging
from outbreaks on board cruise ships
(e.g. Celebrity Cruise Lines in
April-May 2013 / www.cdc.gov), after
Hurricane Katrina5 in New Orleans or
contaminated flood water affecting
77% of a tourist group of 64 people in
Salzburg Germany, who were stranded
in a flooded hotel. In addition, 6 out of
10 firemen who pumped water from the
NMGT 67 - 1-44
16
JANUARI 2014
affected hotel fell ill to a NoV infection 6.
Overall it is estimated that NoVs cause
up to half of all global outbreaks of
gastroenteritis, making this the most
common cause of sporadic diarrhea in
community settings7.
Apart from tactical situations, it is quite
obvious that military personnel can
also be exposed to potentially
contaminated water or poor hygienic
conditions during training and
relaxation, deployment for
humanitarian aid or evacuating people
from flooded areas. In all scenarios a
reduction in operational capability due
to illness is undesired and should be
avoided. However, tactical situations
as described for the US aircraft carriers
or Iraqi conflict are likely to carry a
higher priority to obtain the mission’s
objective than to avoid a possible
exposure to contaminated water.
Nonetheless, improving risk awareness
can always assist in preparing for a
worst-case scenario, even when it is
non-kinetic.
NoV presence in the Netherlands
In 2013 a quantitative risk assessment
was published by de Man et al.8 on the
infection risk from exposure to
waterborne pathogens in urban
floodwater in the Netherlands. A critical
factor was whether the water originated
from combined sewers, storm sewers
or rainfall generated surface runoff.
The concentration of NoV was found to
be similar to concentrations found in
floodwater in Jakarta by Phanuwan
et al.9, ranging from 610-3300 pdu/ L
(PCR detectable units) for NoV GI, to
530-40.000 pdu/ L for GII.
a
Specialist RVAN Veterinary Public Health,
Institute for Risk Assessment Sciences,
Division Veterinary Public Health,
University of Utrecht, The Netherlands.Brigade
veterinarian, Land Operation Support
Command, Royal Netherlands Army.
b
PhD-student, Institute for Risk Assessment
Sciences, Division Veterinary Public Health,
University of Utrecht, The Netherlands.
Article received October 2013.
Table 1: Reported NoV outbreaks in military forces during Operation Enduring Freedom and Operation Iraqi Freedom2.
In 2005 Lodder and De Roda Husman10
published a study on the presence of
NoV in sewage and surface water in
the Netherlands. Concentrations of
NoV found ranged from 4900 pdu/L for
river water samples to 8.5x105 pdu/L
for sewage samples. Schets et al.11
reported in 2008 on the presence of
waterborne pathogens in surface
waters in Amsterdam. Samples taken
from the IJmeer, Amstel, Herengracht
and Prinsengracht contained amounts
of NoV ranging between 103-104 pdu/L.
A clear relation was found between
increased NoV concentrations and high
intensity rainfall, when dirt from the
streets is washed into the canal,
sewage systems overflow and
discharged water from nearby polders
containing runoff from agricultural land
is transported into the canals. These
studies clearly showed that even
exposure to river and surface waters in
the Netherlands during training or
recreation is not without risk of a NoV
infection, let alone when military
personnel is deployed in flooded areas
when river water and sewage can
become mixed. Based on the above
mentioned concentrations and given
the fact that already 10 NoV PCR
detectable units10 may lead to infection,
a volume of 0.1 mL to 1.0 mL
contaminated water is already
sufficient to cause a disease
outbreak4,8.
NoV contaminated water ingestion
Parallel to the actual virus
concentrations, the importance of the
amount of water ingested has become
apparent. Studies done by Schijven
and De Roda Husman in 200612 and
Schets et al. in 201113 focused on
quantifying these ingested amounts.
They surveyed both occupational &
sport divers, swimmers and surfers,
taking into account, i.e. diving
equipment used, marine or recreational
water, age and time spent in water.
Quantities varied between ~10 mL per
dive for divers up towards 170 mL per
day for surfers. Recently de Man et al.8
added to these parameters, by
presenting data on water ingestion via
hand-mouth exposure became
Afb. 1 en 2: Voorbeelden van risico op besmetting door water.
NMGT 67 - 1-44
17
JANUARI 2014
available, indicating a range between
0.02 mL (adults - hands wet when
clearing floodwater) and 1.7 mL
(children - swallowing droplets /
mouthful).
In addition, the actual mean infection
risk after exposure was calculated by
de Man et al8. These calculations took
into account various other pathogens
that are present in contaminated
floodwater (e.g. Campylobacter jejuni
and Giardia spp.). However, the
contribution of NoV to the overall risk
was relatively high (> 50%), allowing
for a mean NoV infection risk based on
the overall risk. The mean risk of
infection when exposed to floodwater
originating from combined sewers was
3.9%, storm sewers, 0.58% and from
rainfall generated surface runoff
0.039%. Although these risk
percentages seem relatively low, they
are calculated using the average water
volume ingested via hand-mouth
exposure (0.02 mL). When a more
plausible range of water volume
ingestion is used (1-10 mL) as
described when swallowing droplets or
swimming / diving, the actual mean
infection risks increase dramatically:
ingestion of 1 mL water originating
from combined sewer leads to a 100%
infection risk; 1 mL water from storm
sewers leads to a 29% infection risk;
1 mL water originating from rainfall
runoff leads to a 2% infection risk. As
NoV concentrations found by de Man
et al.8 in water from storm
sewers(~3300 pdu/L) are comparable
to those found by Lodder and
De Roda Husman10 for river water
samples (~4900 pdu/L), an infection
risk of approximately 20% (> 50%
contribution of NoV to the overall
infection risk, being 29%), or 1 every
5 persons, can be estimated.
Potential NoV infection risk
For calculation purposes, several
assumptions had to be made, including
the assumption that each host (person
ingesting a sufficient quantity) would be
equally susceptible to a waterborne
infection8. Although the mean value
used to define this parameter is based
on various studies using test subjects,
it does not account for the specific host
factors linked to each individual,
determining whether a person actually
falls ill after infection. However, the
survey done by Schijven and
De Roda Husman12 differentiated
between occupational and sport divers
and listed specific health complaints
(nausea, vomiting, diarrhea), which can
be contributed to a gastroenteritis.
Assuming the level of physical fitness
of an occupational diver is comparable
to that of the average military
professional, 30 to 60% of the people
interviewed reported one or more of
these complaints during a one year
period. In all, it becomes clear that
there is a potential risk for a NoV
infection when military personnel is
training, exercising or operating in
water, even in the Netherlands.
Therefore, the information provided in
this report can be used to create an
improved risk awareness of
uncontrolled water and select
appropriate measures to reduce the
impact of a potential NoV outbreak.
Preferably, these measures should be
taken into account in the planning
stage of an operation or exercise in
order to avoid an unforeseen reduction
of operational capacity. Taking the
different scenarios (tactical / aid /
evac / training & recreation) under
which military personnel can be
deployed, the focus should lie on
maintaining high hygiene standards,
access to sufficient potable water and
controlled food supplies, available
medical treatment and quarantine
capacity in case of an outbreak,
(personal) equipment decontamination
and having sufficient operational
capacity in reserve to complete the
mission if required.
3.
4.
5.
6.
7.
S A M E N V AT T I N G
RISICOBEOORDELING OP EEN
DOOR WATER OVERGEBRACHTE
NOROVIRUSBESMETTING VOOR
MILITAIREN IN NEDERLAND
Norovirus (NoV)-uitbraken zijn berucht
wanneer er veel mensen op een klein
oppervlak verkeren, vaak onder slechte
hygiënische omstandigheden. Deze
situaties zijn beschreven in zowel
civiele omstandigheden (bijv. aan
boord van cruiseschepen) alsook voor
militairen tijdens operaties. Echter, er is
weinig bekend over het mogelijke
NoV-infectierisico voor militairen tijdens
training, oefeningen of zelfs recreatie.
Dit rapport beschrijft een kwantitatieve
analyse van het NoV-uitbraakpotentieel
en draagt daarmee bij aan het
risicobesef van deze aandoening onder
verschillende omstandigheden.
8.
9.
10.
11.
12.
References:
1.
2.
McCarthy M., Estes M.K., Hyams K.C.: Norwalklike virus infection in military forces: epidemic
potential, sporadic disease, and the future
direction of prevention and control efforts.
The journal of infectious diseases 2000 (181)
S387-391.
Armed Forces Health Surveillance Centre:
Historical perspective: Norovirus gastroenteritis
13.
outbreaks in military forces. Medical Surveillance
Monthly Report 2011 (18 / 11) 7-8.
Thornton S.A., Sherman S.S., Farkas T.,
Zhong W., Torres P., Jiang X.: Gastroenteritis in
US Marines during Operation Iraqi Freedom.
Clinical Infectious Diseases 2005 (40) 519-525.
Donaldson E.F., Lindesmith L.C., Lobue A.D.,
Baric R.S.: Norovirus pathogenesis:
mechanisms of persistence and immune evasion
in human populations. Immunological Reviews
2008 (225) 190-211.
Morbidity and Mortality Weekly Report - CDC:
Infectious disease and dermatologic conditions
in evacuees and rescue workers after Hurricane
Katrina 2005 (54 / 38) 961-964.
Schmid D., Lederer I., Much P., Pichler A.M.,
Allerberger F.: Outbreak of Norovirus infection
associated with contaminated flood water.
Euro Surveillance 2005 (10 / 24) 2727.
Rockx B., De Wit M., Vennema H., Vinjé J.,
De Bruin E., Van Duynhoven Y., Koopmans M.:
Natural history of human Calicivirus infection:
a prospective cohort study. Clinical Infectious
Diseases 2002 (35) 246-253.
De Man H., Van den Berg H.H.J.L.,
Leenen E.J.T.M., Schijven J.F., Schets F.M.,
Van der Vliet J.C., Van Knapen F.,
De Roda Husman A.M.: Quantitative
assessment of infection risk from exposure to
waterborne pathogens in urban floodwater.
2003. http://dx.doi.org/10.1016/j.watres.
2013.09.022
Phanuwan C., Takizawa S., Oguma K.,
Katayama H., Yunika A., Ohgaki S.: Monitoring
of human enteric viruses and coliform bacteria in
waters after urban flood in Jakarta, Indonesia.
Water Sci. Technol. 2006 (54 / 3) 203-210.
Lodder W.J., De Roda Husman A.M.: Presence
of noroviruses and other enteric viruses in
sewage and surface waters in The Netherlands.
Appl. Environ. Microbiol. 2005 (71 / 3)
1453-1461.
Schets F.M., Van Wijnen J.H., Schijven J.F.,
Schoon H., De Roda Husman A.M.: Monitoring
of waterborne pathogens in surface waters in
Amsterdam, the Netherlands, and the potential
health risk associated with exposure to
Cryptosporidium and Giardia in these waters.
Appl. Environ. Microbiol. 2008 (74 / 7)
2069-2078.
Schijven J., De Roda Husman A.M.: A survey of
diving behavior and accidental water ingestion
among Dutch occupational and sport divers to
assess the risk of infection with waterborne
pathogenic microorganisms. Environ. Health
Perspect. 2006 (114 / 5) 712-717.
Schets F.M., Schijven J.F.,
De Roda Husman A.M.: 2011. Exposure
assessment for swimmers in bathing waters and
swimming pools. Water Resarch 2011 (45 /7)
2392-2400.
MEDEDELING
25 korte verhalen - 25 short stories
Dr. L(eo) van Bergen heeft als medisch historicus, werkzaam bij het
Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) te Leiden,
vele publicaties en boeken op zijn naam staan over tussen oorlog en
geneeskunde zoals: Zacht en Eervol - Lijden en sterven in een
Grote Oorlog. Voor het Nederlands Militair Geneeskundig Tijdschrift
(NMGT) heeft hij diverse artikelen geschreven en boekbesprekingen
verzorgd.
In de afgelopen jaren heeft dr. Van Bergen 25 korte fictieve, doch zeer
realistische verhalen geschreven over de Eerste Wereldoorlog met als
titel "Onder stervenden". De onderwerpen variëren van soldaat tot
generaal, van brancardier tot chirurg, van een soldaat met shell shock
tot een gezichtsmismaakte en van een kind van een soldaat tot zijn
vader. Deze verhalen zullen bij voldoende voorinschrijvingen worden
gepubliceerd in een tweetalige editie, Nederlands en Engels,
geïllustreerd door de Amsterdamse kunstenaar Henk Fakkeldij.
Het boek zal ongeveer twintig (€ 20,-) euro gaan kosten, exclusief de
verzendkosten.
Medical historian Dr L(eo) van Bergen, working at the Royal
Netherlands Institute of South East Asian and Caribbean Studies,
Leiden, has published many articles and books on war and medicine,
such as: Before My Helpless Sight. Suffering, Dying and Military
Medicine on the Western Front 1914-1918. He also has regularly
published articles and reviews in the Netherlands Military Medical
Review.
In the last few years Van Bergen has written 25 short fictional, but very
realistic stories on World War I, titled: ‘Among the Dying’. The themes
vary from common soldier to general, from stretcher-bearer tot surgeon,
from a shell-shocked soldier to a facially disfigured, from the child of a
soldier to his father. In the case of a sufficient number of prescriptions,
these stories will be published in a two-language edition (Dutch and
English), illustrated by the Amsterdam artist Henk Fakkeldij.
The costs will be around €20 (excl. postage costs).
Those who are interested can contact Dr Van Bergen by e-mail:
[email protected]
Geïnteresseerde lezers kunnen voor de voorinschrijving contact
opnemen met dr. Van Bergen via zijn e-mailaccount:
[email protected]
NMGT 67 - 1-44
18
JANUARI 2014
OORSPRONKELIJK ARTIKEL
Militair gebruik van lastdieren
door reserve kolonel-dierenarts
B.A. Steltenpoola en
De dierenarts als docent militair gebruik pakpaarden reserve majoor-dierenarts J. Kosterb
Samenvatting
De traditionele rol van de militaire veterinair is die van paardenarts. Momenteel wordt deze functie op bescheiden wijze
nieuw leven ingeblazen bij de inzet van militaire lastdieren. Voor het Korps Mariniers is een cursus pakpaarden ontwikkeld
die ook bruikbaar is voor andere eenheden. Ontwikkeling, doctrine en veterinaire inbreng worden kort beschreven.
Inleiding
De traditionele rol van de militaire
dierenarts is die van geneesheer voor
paarden en andere evenhoevigen,
zoals ezels en muildieren. Elders in dit
tijdschrift vindt u daar voorbeelden van.
In Nederland is deze traditionele rol de
laatste decennia beperkt gebleven tot
het veterinair begeleiden van bereden
ere-escortes tijdens bijvoorbeeld
Prinsjesdag.
Momenteel vindt op zeer bescheiden
schaal een hernieuwde inzet plaats
van paarden voor de krijgsmacht. Deze
keer in de vorm van draagdier voor
lichte infanterie-eenheden, special
forces of voor bevoorrading. Bij een
nadere beschouwing is dat niet zo
vreemd als dat het op het eerste
gezicht lijkt. In moeilijk begaanbaar
terrein zoals jungle of in het
hooggebergte blijken lastdieren als
ezels en muildieren nog steeds hun nut
te bewijzen. Zo hebben de Duitsers
pakpaarden ingezet in Kosovo om
afgelegen posten te bevoorraden
(bijvoorbeeld tijdens perioden van mist
of omdat ze te hoog lagen voor
helikopters). Amerikaanse en Britse
Special Forces hebben lastdieren
gebruikt in onder andere Afghanistan
en ook Nederlandse mariniers hebben
daar incidenteel ezels gebruikt.
Analyse van deze recente ervaringen
bracht de commandant van het
Opleidingscentrum Mariniers er toe om
de Nederlandse militaire dierenartsen
te verzoeken een cursus pakpaarden
voor de mariniers op te zetten.
Koninklijk Nederlands-Indisch Leger
(KNIL) is een syllabus geschreven voor
de Nederlandse situatie. Duitse en
Britse instructeurs hebben hun
ervaringen overgebracht en in het
voorjaar van 2013 kon de eerste pilot
cursus al van start. Doel is om
militairen op een verantwoorde manier
te leren omgaan met paardachtigen, bij
gebruik als lastdier. De cursus staat
onder supervisie van een reservistdierenarts en een instructeur van de
mariniers en duurt een week. In die
week worden onder andere de
volgende zaken behandeld:
x De veilige omgang met het lastdier
en hoe het lastdier te verzorgen, op
stal en te velde;
x Het op een veilige en verantwoorde
manier geleiden van een lastdier
over gebaande paden maar ook door
het terrein. Dit wordt overdag en bij
duisternis geoefend;
x Het gebruik van een pakzadel en
hoe een lastdier op de juiste manier
beladen dient te worden;
x Het plannen van een route voor een
sectie lastdieren;
x Eerstehulpverlening aan lastdieren.
Doctrine
Conceptueel is voortgeborduurd op wat
de Britten doen. Het idee is om in het
missiegebied dieren aan te kopen.
Tijdens voorbereiding en verkenning
van een missie zal men al rekening
moeten houden met een mogelijke
inzet van lastdieren, indien de logistiek
of operationele commandant hier
gebruik van wil/moet maken. Lokaal
Werkwijze
aangeschafte dieren zijn
Na uitgebreide bestudering van
geacclimatiseerd aan het terrein en
voorschriften van het Amerikaanse,
klimaat en hebben geen
aanpassingsperiode nodig. Iets wat wel
Britse, Duitse, Oostenrijkse en
het geval zou zijn als
men dieren vanuit
Nederland in zou willen
zetten. Ook heeft men in
het laatste geval met
im- en exporteisen te
maken. Allemaal zaken
die men, als er lokale
dieren gebruikt worden,
gemakkelijk kan
vermijden.
Daarnaast blijkt uit
ervaringen in het
verleden opgedaan dat
inzet van dieren die niet
aan het lokale rantsoen
Afb. 1: Lastdier te velde bepakt met 81mm mortier.
NMGT 67 - 1-44
19
JANUARI 2014
zijn gewend tot veterinaire problemen
zoals koliek kunnen leiden.
Veterinaire zaken
Bij de aanschaf van lokale lastdieren
zal een veterinair betrokken moeten
worden. Deze kan de gezondheid van
het dier beoordelen, de bruikbaarheid
voor het doel vaststellen en een
voorspelling maken over de
duurzaamheid van de inzet. Bij de
veterinaire keuring wordt onder andere
naar de volgende zaken gekeken:
x Aanwezigheid van zoönosen zoals
malleus;
x Leeftijd van de dieren;
x Aanwezigheid van gebreken;
x Voedingstoestand;
x Algemene verzorging.
Bij het keuren van de dieren moet
uiteraard rekening worden gehouden
met wat er lokaal gebruikelijk is. Het
zou kunnen dat de dieren qua
verzorgings- en voedingstoestand niet
helemaal aan de Nederlandse
standaard voldoen, maar dat hoeft niet
meteen te betekenen dat deze dieren
niet inzetbaar zijn.
Uit Noorwegen en België is al
belangstelling getoond voor de opzet
en uitvoering van deze cursus. De
militaire dierenarts draagt met deze
cursus bij aan een extra operationele
inzetmogelijkheid voor de
commandant, beheert de noodzakelijke
kennis en zorgt ervoor dat het op een
verantwoorde, diervriendelijke manier
gebeurt.
SUMMARY
MILITARY USE OF PACK ANIMALS
The veterinary surgeon as pack
animal instructor
The traditional role of the military
veterinarian is as an equine doctor.
Currently this role is revived on a small
scale for the use of military pack
animals. For the Royal Marines a pack
animal course has been developed that
is also available for other units.
Development, doctrine and veterinary
contributions are described.
a
Stafofficier dierenarts Gezondheidszorg
Commando Landstrijdkrachten.
Brigade dierenarts 11 Luchtmobiele Brigade.
Artikel ontvangen oktober 2013.
b
OORSPRONKELIJK ARTIKEL
Military veterinary services
Looking back, looking forward: from one Canadian’s perspective
by Major Andrew G. Morrison
BSc, MVB, MDS, CD
Abstract
Military veterinary services originated with human domestication of the horse. From these humble origins, there
developed the modern military veterinary services that first emerged in the late eighteenth century, and reached their
zenith during the First World War. Afterwards, and with the rise of the gasoline engine, the military veterinarian was
no longer required for the care of the military horse. Consequently, since the second half of the twentieth century,
military veterinarians look after much smaller numbers of service animals, but have also become active in
international development work, food and water safety programmes, and preventive medicine. The Canadian Armed
Forces (CAF) currently does not have a veterinary service, having disbanded its veterinary corps after the First World
War. However, military veterinary services remain active in the majority of North Atlantic Treaty Organisation (NATO)
countries (among others), and given their diverse range of skills, are still highly relevant in the modern world.
Introduction
Military veterinary services originated
with human domestication of the horse,
for military, agricultural and other uses.
From these humble origins, modern
military veterinary services first
emerged in the late eighteenth century,
and during the First World War
reached their zenith (in terms of size,
but not of sophistication; today’s
military veterinary services are smaller,
but as will be discussed in this paper,
have a much broader range of duties).
Afterwards, and with the rise of the
gasoline engine, the military
veterinarian was no longer required in
any great number for the care of the
few remaining military horses.
Consequently, since the second half of
the twentieth century, military
veterinarians look after much smaller
numbers of service animals, dogs in
particular, but also have become active
in international development work, food
and water safety programmes, and
preventive medicine. The Canadian
Armed Forces (CAF) currently does not
have a veterinary service, having
disbanded its veterinary corps after the
First World War. This article will show
that military veterinary services are still
highly relevant in the modern world,
and that the return of the Royal
Canadian Army Veterinary Corps
(RCAVC) is supportable.
transformed into a mythical character.
The scholar Walter Hausmann
suggests he was a tribal chief who
invaded northern Greece on horseback
around 1300 BCE. It is about this time
that horses with riders appeared in
Greek records. Chiron is thought to
have taught healing of man and
animals from a cave in the Pelethronic
valley. In 1981 Hausmann, by tracing
ancient texts and local folklore, wrote
of his discovery of this cave7. The
Greek mythological character of the
centaur is a commonly-used symbol of
veterinary medicine and is found on the
hat badges of the Royal Army
Veterinary Corps and the Royal
Canadian Army Veterinary Corps,
among others.
The Ancient World and Middle Ages
Historical sources point to a thriving
awareness of veterinary issues over
several millennia. Where there were
humans and horses, there were
soldiers and cavalry, and there was
some degree of medicine. Scholarly
perspectives on the horse in warfare
can be found in Jones1, Hildinger2,
Christon3, McNeill4 and Griess5.
The Greek philosopher, poet and
warrior Xenophon wrote
De Re Equestri (On Horsemanship)
around 500 BCE8. Though it deals
mostly with the care and employment
in battle of the horse, the chapter that
covers the medical assessment of the
horse is not dissimilar to any prepurchase exam conducted by the
modern veterinarian where the health
and soundness of the animal are
verified. The Indian Emperor Ashoka
the Great of the Maurya Dynasty
(269-232 BCE) noted in one of his
edicts: [I] made provision for two types
of medical treatment: medical
treatment for humans and medical
treatment for animals. Wherever
medical herbs suitable for humans or
animals are not available, I have had
them imported and grown. Wherever
medical roots or fruits are not available
I have had them imported and grown.
Along roads I have had wells dug and
trees planted for the benefit of humans
and animals9.
References to healers of animals are
found in some of the oldest texts in the
West. Chiron (or Kheirôn) the centaur,
a character from Greek mythology, is
referred to by Homer in The Iliad6, and
is believed by some to have been a
real person, who over time was
The use of cavalry by Hannibal, and by
many other warring states, is wellknown and was often a key asset in
many battles. The Battle of Cannae on
the 2nd of August 216 BCE used
cavalry as a significant part of the
double envelopment of the Romans by
NMGT 67 - 1-44
20
JANUARI 2014
Hannibal’s forces10. Given their
importance in providing speed and
manoeuvrability on the battlefield,
military horses had great value and
logically should have received
whatever level of veterinary care was
available. Archaeologists have
discovered what appear to be
veterinary artifacts from the ancient
world, including: “the Vindolanda tablet
(TV II, 320) which mentions the
veterinarian Virilis and a forfex, and the
Aix-en-Provence altar depicting a
veterinarian at work.” A forfex is a Latin
term for a pair of shears11. Additionally,
the earliest written records of
veterinary medicine can be found in the
Egyptian Papyrus of Kahun (1900 BCE)
and Vedic literature in ancient India 12.
In addition to the Roman professional
veterinarii depicted in ancient
documents, a recent work by Latin
scholar J.N. Adams provides one of the
first studies of Latin veterinary
language: Pelagonius and Latin
Veterinary Terminology in the Roman
Empire13. There is some suggestion
that the veterinarii were classed as
immunis and were not subject to
regular duties (such as ditch digging
and rampart patrol), likely recognition
of the nature of their specialty and their
value14.
The veterinary knowledge of the
Greeks and Romans was preserved
and expanded on during the Middle
Ages, both in the West and in the
Arab world.
The author is a Reserve Intelligence Officer of
|the Canadian Army currently serving as the
Officer Commanding of 5 Squadron,
36 Signal Regiment, 36 Canadian Brigade Group,
5 Canadian Division. He is also a civilian
veterinarian engaged in mixed practice.
This is a truncated version of the research paper
presented in autumn 2013 for the degree of
Master of Defence Studies from the
Royal Military College of Canada (supervisor:
Dr Cheryl DesRoches). Portions of this work were
also developed from a previously-published
article in the Canadian Military Journal
(http://www.journal.forces.gc.ca/vol12/no2/28morrison-eng.asp).
Article received October 2013.
In Europe, the first attempts to
organize and regulate the practice of
treating animals tended to focus on
horses because of their economic
significance. The great Islamic libraries
maintained knowledge of hippiatry (the
medicine of horses, from the Greek
hippo - horse) and Arab horse
hospitals employed stablemen called
baytars. These men were involved in
both the training and the healing of the
horses in their care15. Similar men were
referred to in medieval England as
“marshals” (as opposed to farriers,
who were responsible only for
shoeing horses); for example, Master
Thomas de Bardeney was marshal to
Queen Eleanor of Castile in the late
1200s16. Farriers combined their work
in shoeing and generally caring for
horses' hooves with “horse doctoring”.
In 1356, the Lord Mayor of London,
concerned at the poor standard of care
given to horses in the city, requested
that all farriers operating within a
seven-mile radius of the City of London
form a “fellowship” to regulate and
improve their practices17.
Between the late 1200s and the early
1700s medicine in general continued to
advance in step or just a step behind
human medicine, albeit slowly as
compared with the tempo of today. The
major advance into the modern period
started in the mid-eighteenth century.
The Modern Period (1700 - )
The modern period of veterinary
medicine is inexorably linked with a
shift in military needs that began in the
eighteenth century. Though agriculture
was the major use of animals, the
investment in veterinary medicine was
tied to the military need to care for the
military horse. The origin of the modern
veterinary profession is associated with
the opening of the first modern
veterinary school on 4 August 1761 at
Lyons, France by Claude Bourgelat.
The opening of L’École Royale
Vétérinaire de Lyon was followed in
1766 by another in Alfort, a Paris
suburb18. This formalising of the
profession in Europe, and the great
reliance of militaries of the time on
horses and other beasts of burden, led
to the creation of the military veterinary
services as we think of them today.
It should be noted that the above
mentioned farriers were the progenitors
of modern veterinarians. Though today
they are associated with hoof trimming
and shoeing of the horse, the farrier of
half a millennium ago also would have
been involved in practices of
bloodletting, drenching (administering
oral fluids and medications), etc.
The other related profession noted is
the saddler, thus covering two critical
areas for a cavalry horse: contact with
the ground and contact with the rider.
In the previously-noted history of the
Royal Army Veterinary Corps
1796-1919, the entire second chapter is
devoted to the topic of the Army Farrier
from 1600-1796.
Beginning in the late eighteenth century
Britain, like France, began to make
great strides into the field of military
veterinary services. In 1793,
Edward Coleman became the sole
professor of the London Veterinary
College and two years later, he was
charged with the creation of the Army
Veterinary Service of Great Britain.
During the following century, the Office
of the Principal Veterinary Surgeon and
a system of Regimental veterinary
surgeons and farriers evolved into the
Army Veterinary Department. The
regimental veterinary surgeon was
usually authorised by Army
establishments, but locally sourced by
the Commanding Officer of the
Regiment. A Corps system of training
standards, administration, promotion,
continuing education, etc., was not
necessarily a component of the
Regimental system19. By the
nineteenth century Britain developed
specific Regulations for the Army
Veterinary Department and by the early
twentieth century this had gradually
evolved into the Army Veterinary Corps
(AVC). King George V conferred the
much-coveted title of “Royal” upon the
AVC in November 1918 as recognition
of the service provided by the corps
during the First World War. Since that
time, Britain’s military veterinary corps
has been known as the Royal Army
Veterinary Corps (RAVC).
Britain provided a model for the
development of military veterinary
services that shaped the development
of veterinary service in its colonies and
those of other imperial powers.
Great Britain, as the mother country,
ensured that the British model became
the standard throughout its empire and
given that horses were common to all
colonial powers, military veterinarians
were likely included. The lack of local
veterinary colleges in the colonies
meant that for some time there was a
close relationship between Britain and
local colonial military veterinary
services, with the local services staffed
by graduates of the British educational
system.
The United States Army Veterinary
Service followed a similar pattern to
that of Britain, with the army farrier first
NMGT 67 - 1-44
21
JANUARI 2014
authorised in 1792; a subsequent
regimental system of farriers,
veterinary sergeants and veterinary
surgeons was developed. During the
mid-nineteenth century, the United
States was gripped by its own
Civil War, between the northern Union
states and southern Confederate
states. It has been suggested that the
US Confederacy’s approach to their
horses - which saw troopers supplying
their own mounts rather than being
government-supplied, and providing no
regimental veterinary service - may
have been a contributing factor that
cost them the war. According to
historian Walter Heiss: “Their efforts to
salvage their cavalry needs however
nobly pursued were too late to defer
the inevitable.”20 However, the
inclusion of a category titled “hire of
veterinary surgeons”, which appeared
in the Confederate Quartermaster’s
Budget of January 1865, just three
months before the Confederate
surrender, shows that they had
eventually recognized the need for
veterinary services. By way of contrast,
the Union forces clearly identified the
importance of centralised management
and veterinary services having both
government-supplied mounts, and a
regimental veterinary service21. Though
military historians debate the various
factors leading to the defeat of the
Confederates, given that millions of
horses and mules were used and died
during the conflict (4.7 million available
in the Union and 2.8 million available in
the Confederacy), veterinary care
would have been a significant factor.
The financial and property rewards for
a Confederate soldier may have led
some to sacrifice their mount in battle,
before it was lost to disease, since the
Confederates did not compensate for
losses due to illness. The
Confederates suffered such loss of
horse that if they removed the horse
from ploughing the field and used it for
military service, they could not produce
sufficient forage to feed the military
horse. With Union victory, the British
model was proven effective and its use
continued. On 3 June 1916, US
congressional legislation authorised
the creation of the US Veterinary Corps
as a permanent part of the Medical
Department of the Army22.
Within the British Empire, Australia,
New Zealand and India all saw their
veterinary services develop based on
the British pattern. Each of these three
countries formed an initial Regimental
system, manned by British graduates,
followed by the opening of national
veterinary schools and the creation of
an Army Veterinary Corps.
The Australian Army Veterinary Corps
(AAVC) emerged from the Veterinary
Department of the Commonwealth
Military Forces in 1909, and served in
both World Wars. By 1946, in spite of
their success and with the triumph of
the gasoline engine, the AAVC was
effectively disbanded and officially
disappeared on 27 February 194723.
Currently, there are a few veterinarians
serving with the Australian forces,
though not in an organised corps. Army
reservists who have a different Army
career, but who are also civilian
veterinarians, may be seconded to
military veterinary duties24. Similarly,
the New Zealand Army Veterinary
Corps was established in 1907, and
served in both World Wars before
being disbanded in 194725,26. India’s
Remount Veterinary Corps (RVC) has
a history spanning over two centuries,
having evolved from a Board formed in
1794 by the British for horse breeding.
The RVC contributed to both World
Wars as part of the British Empire, and
since Indian independence continues
to serve within India and abroad27.
Given the establishment of military
veterinary capabilities around the
world, a version of the British pattern
was replicated wherever any other
imperial power (France, Russia, Spain,
Portugal, the Netherlands) deployed its
military power or advised on the
development of a local military force.
Of those powers, only the Dutch
subsequently disbanded its Corps.
However, within the last decade the
Netherlands have re-established their
military veterinary capability and it
currently has seven army reserve
veterinarians28.
It is beyond the scope of this paper to
detail the histories of every modern
military veterinary service, but a good
number of European-influenced, and in
particular British-influenced, countries
followed a pattern of a Regimental
system becoming a Corps system
during the First World War. In parallel,
most militaries of the world, from the
late eighteenth- to the mid-twentieth
centuries, established a veterinary
service of some calibre. Given
language barriers as well as the
limitations of digital collections suitable
for automated translation, this paper
cannot go into great detail on many of
the histories of non-English language
military veterinary services. However,
searches do indicate that there is
literature on the topic. It is possible
to find documentation of services in
the Imperial Japanese Army, the
German Armies of both World Wars,
the Soviet Army, etc29.
Brief History of the Royal Canadian
Army Veterinary Corps
Beginning in the early twentieth
century, Canada’s initial development
of military veterinary services was
predicated on the British model, but
they gradually incorporated some
unique features such as the veterinary
services of the North West Mounted
Police (the progenitor of the Royal
Canadian Mounted Police or RCMP).
Prior to 1910, veterinary support to the
military forces in Canada was provided
by a British regimental system.
Veterinary practitioners from the
Regiment’s home region would hold a
commission and would leave practice
for ten to fifteen days per year to train
with and supervise the regiment’s
horse. Only one or two regiments had
permanent veterinary officers30. In
1910, there began a gradual move to
replace the Regimental Veterinary
Service with the Canadian Army
Veterinary Service, which included the
Canadian Permanent Army Veterinary
Corps (CPAVC - the regulars or
full-time) and the Canadian Army
Veterinary Corps (CAVC - the
reservists or part-time)31. By the start of
the First World War, this reorganisation
had not yet been completed, but
sections from Winnipeg and Montréal
were sufficiently developed to form the
backbone of the Canadian
expeditionary veterinary services,
referred to as the Canadian Army
Veterinary Corps (CAVC) - Canadian
Expeditionary Force (CEF) (See
Table 1 for CAVC - CEF organisation).
In addition to the hospitals, veterinary
support extended to the field forces,
where 221 officers and sergeants
cared for the 23,484 horses of the
Canadian Expeditionary Forces, as
well as other horses of the Imperial
forces. Their role was not only to treat
minor illnesses, but also to provide
supervision and preventive measures
to ensure the fitness of the fighting
horse. More serious cases were
transferred to the Veterinary Hospitals
and replacements were provided
through the Remount Units. Mobile
veterinary sections provided additional
services and a link to the Veterinary
Hospitals35.
During the initial move to England in
October 1914, at the outbreak of war,
the CAVC supervised the shipping of
At this formative time in its history, the
role of the military veterinary service as
a whole was to reduce animal wastage.
7,636 horses in 14 ships, with the
SS Montezuma carrying the largest
number at 973. During the crossing,
only 86 horses (about 1%) were lost32.
In time, two Canadian veterinary
hospitals were set up in Europe:
No. 1 Canadian Veterinary Hospital in
Le Havre, France, and No. 2 Canadian
Veterinary Hospital in Shorncliffe,
England. The latter eventually housed
the Canadian Veterinary School and
the Instructional School for Farriers.
No. 1 Canadian Veterinary Hospital
was one of 18 Imperial Veterinary
Hospitals on the Lines of
Communication and supported not just
Canadian but all horse of the Imperial
Army33. At its peak, No. 1 Canadian
Veterinary Hospital had stabling for
1,364 horses, though at one point the
number of horses under care exceeded
2,00034.
CEF Army Veterinary
Corps
CAVC/CPAVC Source
Served In
“A” Canadian Mobile
Veterinary Section
No 1. Canadian Mobile
Veterinary Section
Recruited from No 2. Canadian
Veterinary Hospital, Shorncliffe
No. 10 Section CAVC
(Winnipeg)
Canadian Calvary Brigade
(5th Division)
1st Canadian Division
No 2. Canadian Mobile
Veterinary Section
Recruited from No 2. Canadian
Veterinary Hospital, Shorncliffe
2nd Canadian Division
No 3. Canadian Mobile
Veterinary Section
Montreal
3rd Canadian Division
No 4. Canadian Mobile
Veterinary Section
No 5. Canadian Mobile
Veterinary Section
No 6. Canadian Mobile
Veterinary Section
Recruited from No 2. Canadian
Veterinary Hospital, Shorncliffe
4th Canadian Division
No 1. Canadian Veterinary
Hospital
Petawawa
No. 3 Section CAVC
(Montreal)
Formed in England (Witley)
but did not see service.
Siberian Expeditionary Force
Le Havre, France
No 2. Canadian Veterinary
Hospital
Shorncliffe, England
Canadian Corps Veterinary
Evacuating Station
Ecoivres, France
Table 1: CAVC - CEF Organisation. Note that there were many reorganisations and renamings
during the initial deployments so the sources of personnel are more complex than what is
represented here. However, this was the final organisation for the CAVC - CEF36,37.
NMGT 67 - 1-44
22
JANUARI 2014
During the entire First World War, the
Canadian gross wastage rate
(including animals evacuated to
hospital, missing and dead) was 26%,
where the dead wastage (those who
died, were killed or destroyed) was
9.5%. During the war, the Corps
returned 80% of injured horses back to
the line, where they continued to move
soldiers, ammunition, food, water,
guns, etc. into combat38. In November
1919, the CPAVC received the “Royal”
designation due to its excellent
performance in the First World War,
a title later extended to the CAVC in
193639.
The interwar years brought about the
mechanisation of the Canadian Army,
as well as reorganisation and
rationalisation. For studies that
consider the impact of mechanization
on the art of warfare see: Griess40,
Parker41 and Preston42. For a
consideration of the shift towards
mechanization by the Canadian Military
during the First World War see
Chartrand43, who provides an in-depth
analysis of the shift from horses to
mechanization that included rolling
artillery barrage, aircraft, tanks at
Amiens and motorcycles. The result
was a smaller RCAVC, whose role was
accordingly diminished like that of
other units. However, the twilight years
of the Corps were characterised by a
leadership (including that of the
RCAVC itself) which did not foresee a
role for the veterinary corps beyond the
welfare of the military horse. As a
result, on 1 November 1940 the
RCAVC was disbanded by a
recommendation of the Government of
Canada’s Treasury Board, which was
approved by the then-GovernorGeneral, the Earl of Athlone. The
annual cost savings achieved was just
$10,33444. Note that according to the
Bank of Canada, this amount would
equal $160,896.46 in 2013 Canadian
dollars45. The demise of the Corps was
lamented by contemporaries in
editorials appearing in The Canadian
Journal of Comparative Medicine and
Veterinary Science46. In one such
editorial, the decision-makers were
characterised as suffering from
“muddle-headedness”47.
North West Mounted Police
Veterinary Service
Separate from the RCAVC, but in a
para-military copy of the British military
model, Canada had the North West
Mounted Police (NWMP), the precursor
to the RCMP. The NWMP employed
John Luke Poett as their first veterinary
surgeon, who was possibly the first
qualified veterinarian in the
Northwest48. Here too the British
influence can be seen, as Poett was
a graduate of the Class of 1860,
Edinburgh Veterinary College
(popularly known as the “Royal Dick”).
After a brief engagement with the
British Army and private practice in
Ontario, he was appointed to the
NWMP on 29 April 1874. As a mounted
para-military organisation, officers of
the NWMP travelled great distances,
relying on Poett and subsequent
veterinarians to care for the horses that
were fundamental to the NWMP’s
duties48. The horse is still an iconic
image of the RCMP, as honoured in
the Musical Ride49, as reflected in the
red serge uniform with its riding boots
and bloused trousers, and as found in
the contemporary detail of marked
RCMP vehicles.
The First World War: the zenith of
traditional military veterinary
services
At an international level, the First World
War is symbolic of a golden age for the
traditional military veterinarian, where
all combatants had millions of horses,
donkeys and oxen carrying men and
materials to and from battle. Though
there have been millennia of wars and
conflicts using the horse, and a few
centuries of modern military
veterinarians tending to these animals,
nothing compares to the First World
War for a near-global use of both.
As the number of service animals
increased throughout the course of the
war, so too did the overall number of
military organisations responsible for
their care. As the prime mover in the
field, the healthy horse was keenly
important, forming a vital link between
the troops and the major shipping
modes of the railway and the
steamship. There were several military
organisations involved in maintaining
the horses, irrespective of the army
employing them. Remount units were
responsible for the procurement and
training of horses and donkeys. Horses
would have to be acquired to counter
attrition, selected on the basis of their
planned employment, tested for
temperament, and trained for their task
under battle conditions. It should be
noted that the physical characteristics
of horses vary with species. Warm
bloods are lean and fast, suitable for
cavalry work. Draft horses have the
power to pull great weights such as
artillery pieces and supply trains, but
with less speed. Donkeys are tough,
small and nimble, making them good
pack animals for mountain and jungle
operations. The UK War Office noted:
“Over the course of the war, a total of
NMGT 67 - 1-44
23
JANUARI 2014
468,323 horses were purchased in the
United Kingdom, 428,608 horses and
275,097 mules in North America,
6,000 horses and 1,500 mules came
from South America, and 3,700 mules
from Spain and Portugal.”50 What
makes these numbers incredible is that
over 700,000 horses and donkeys
would have been shipped across either
the Atlantic or the Pacific Oceans after
they were purchased. A standard
ocean-going transport was capable of
carrying 600-900 horses. To move
these remounts would require about a
thousand trans-oceanic shipments.
On the other side of the fighting,
remounts were difficult to purchase by
the Central Powers given that they
were geographically surrounded by
their enemy, and it was only through
capturing enemy territory that they
could gain significant numbers of
horses - a difficult task. Local horse
production would have been severely
diminished, given that a foal is carried
for 11 months’ gestation and generally
requires 2-3 years to mature. This
meant a horse conceived in the spring
before the outbreak of the First World
War would only come into service in
the spring of 1917 or 1918. Therefore
the horses alive at the beginning of the
conflict would not be a significant
renewable resource given the numbers
used. Nevertheless, in spite of such
obstacles, reliance on horses during
the war required an increase in military
efforts to obtain remounts on all sides
of the oceans.
Once obtained, service animals
required a substantial investment in
subsistence and military personnel.
Unit Quartermasters provided the food
and water for all the animals used. This
was a challenging task since horses
consume a great quantity of forage
(dried grasses) which can only be
made in the summer, but must be
provided year-round. This created a
necessity for safe, dry and secure
storage. Due to its dryness, the forage
was vulnerable to fire, but if allowed to
get wet, it became vulnerable to
moulds and disintegration. British
colonial records are replete with
discussions concerning the need to
procure forage for service animals in
North America. In several
correspondences from the Secretary of
State, the problem of ensuring that
forage was kept dry and free from
mould was a predominant theme51. A
working horse might consume a square
bale of hay each day, supplemented
with grain-based rations. Considering
that British forces used about half a
million horses on the Western Front at
any one time (Canadians used about
23,500), the quartermaster would have
to supply half a million bales of hay per
day, or 15 million bales per month. Add
to that a grain ration, and clean, safe
water, and it was no easy feat to
supply the service animals.
Finally, the veterinary and farrier
services were responsible for
maintaining the health of the horses,
ideally through preventative measures,
but also through treating disease and
injury as it occurred. Staying with the
British example, the Army Veterinary
Corps during the First World War
included 1,668 officers, and
41,755 other ranks. These statistics
appear to be only for the RAVC;
however, the historical record often
muddles forces from Great Britain itself
and those joining from the colonies. In
this case, it is likely the numbers are
accurate since the corps history is
distinct from the expeditionary force
histories52. These numbers
nevertheless comprised a very small
percentage of the overall British Army
(less colonial and other forces), roughly
one half of one percent. However, it
represents about one Corps member
for every 28 horses and one
veterinarian for every 1,000 horses.
Not unlike the current concepts of
medical care deployed in roles (or
echelons), with increasingly more
capable services as the patient moves
from the battlefield, veterinary services
were also organised into roles. NATO
medical doctrine assigns roles to their
medical facilities. Role one would be
the medic in the field at unit level, role
two a field hospital in theatre at
formation level, role three a major
surgical hospital at theatre level, and
role four specialist hospitals outside of
theatre53.
The Canadian experience during the
First World War provides a good
understanding of how veterinary
services were gradually organised into
more articulated roles within military
operations, and in particular as it
functioned within the greater Imperial
Army organisation. As discussed
above, the responsibilities of the two
Canadian veterinary hospitals set up in
Europe included the treatment of minor
illnesses, and the provision of
supervision and preventive measures
to ensure the fitness of the fighting
horse. The execution of these
responsibilities included daily rounds to
ensure the horses were properly cared
for by the troops to whom they were
assigned. Though injury due to combat
was the first thought of many, more
mundane but equally serious problems
with disease, nutrition and husbandry
occupied much of the veterinarian’s
time. Through the process of triage, the
unit military veterinarian (role 1) could
have more serious cases transferred to
the mobile veterinary sections (role 2)
and then on to the Veterinary Hospitals
(role 3) by horse ambulance or other
means - or if warranted, ensured the
humane destruction of the horse
beyond medical care. Replacements
were provided through the previouslydescribed Remount Units. Mobile
veterinary sections provided additional
services and formed part of the link to
the Veterinary Hospitals. Throughout
the course of the war, each of the roles
developed and expanded to provide
specific services within the broader
area of military veterinary services.
The Canadian experience is
representative of the development and
expansion of new and more
specialized roles in military veterinary
services globally. All the forces that
participated in the First World War
could be expected to have had the
same requirements to maintain their
equine resources as Canada did,
though each may have been organised
somewhat differently. For all sides, the
horse was a finite resource and critical
to the war effort. Despite increasing
mechanisation, cavalry charges were
still common, artillery pieces were still
towed by horses, and though trains
carried major supplies forward, it still
fell on the horse and donkey to move
the supplies over the last hurdle.
Many factors led to the defeat of the
Central Powers; the great restrictions
on acquiring remounts, continual loss
of active duty horses, and reduced
farmland for the production of forage
were obstacles that not even the best
veterinary service could overcome.
Towards the end of the war, a shortage
of horses would have hampered
artillery movement and logistics and
would have been a contributing factor
to the defeat of the Central Powers.
For the Allies, access to the remounts
and farm land of North America, India
and Oceania, and the good work of the
Allied veterinary services to minimise
wastage, gave the Allies a significant
advantage.
The technological advancements of the
First World War, and specifically the
gasoline engine replacing the horse as
the prime mover, fuelled a post-war
shift from service animals to
mechanization, to the detriment of the
field of military veterinary medicine.
Mechanization meant the disbanding of
veterinary corps, or retention in a
NMGT 67 - 1-44
24
JANUARI 2014
scaled-down version to support military
working animals, public health, military
research and food security.
The post-horse era of military
veterinary service
Globally speaking, since the end of the
First World War, the work of the
military veterinarian has transformed
from traditional to more contemporary
roles within the military - comparable to
civilian veterinary roles. Military
veterinarians no longer look after the
health and welfare of the cavalry and
artillery horse, nor the logistics donkey,
to any great extent. So what is the
military veterinarian doing in modern
warfare? The US Army Field Manual
4-02.18, Veterinary Service Tactics,
Techniques and Procedures (TTPs),
specifies three broad functions for the
military veterinarian:
1. food safety, food security, and
quality assurance;
2. veterinary medical care; and
3. veterinary preventive medicine54.
These three functions are also the core
of civilian veterinary medicine
everywhere. The Canadian Veterinary
Medical Association echoes the US
Army functions in its statement:
“Veterinarians are educated to protect
the health of both animals and
humans. Not only do they address the
health needs of a wide variety of
animal species, they also play a critical
role in environmental protection, food
safety, animal welfare and public
health.”55 The first function, that of food
safety, food security, and quality
assurance, does not have much of a
public profile, but in fact food supplies
are secured and monitored in large
part by veterinarians (meat inspectors
being the best-known example).
Anyone with pets would be familiar with
the second function, that of veterinary
medical care. The third function,
veterinary preventative medicine,
prevents disease in animal populations
(e.g. via vaccination, proper nutrition
and effective breeding), but is also an
important part of the human medical
system that identifies and helps
prevent transmission of zoonoses
(diseases that pass from animals to
humans)56.
All of these veterinary functions also
constitute a vital contribution to the
“One Health” concept - an emerging
field of study which connects
veterinary, human and environmental
health (see Figure 1) into a
comprehensive, synergistic approach
to planetary health. The One Health
Initiative started in the United States
when the American Veterinary Medical
Figure 1: The One Health concept, illustrating
the interconnections of animal, human and
environmental health.
Association approached the American
Medical Association in an effort to
encourage cooperation across multiple
disciplines within the scientific
community57. It has since garnered US
and international support from the
Centers for Disease Control, the
European Union and the World Bank,
among others. One Health promotes
the tenet that the environmental,
medical and veterinary health
disciplines must be linked in order to
provide a solid foundation for progress.
It is: “a movement to forge co-equal,
all-inclusive collaborations between
physicians, veterinarians, and other
scientific-health and environmentallyrelated disciplines.”58,59 Over millennia,
the study of medical, veterinary and
environmental health has diverged
considerably. This initiative attempts to
have them converge again for the
benefit of all involved. Additionally for
military planners, acceptance of the
One Health concept, even at the scale
of the individual soldier or small task
force, allows for cross-training and
reductions in troop deployments60. The
United States Special Forces also has
some aspects of One Health in their
training. The medical courses listed in
their Academic Handbook include
many veterinary and environmental
topics in addition to traditional medic
training. The scope of the Civil Affairs
Medical Sergeant Course is described
as follows: Recognize the relevance of
medical threats for field forces;
environmental health programs;
medical threat briefing prep and
presentation; assess/conduct/advise
HN in waterborne illness/disease
identification, investigation and
prevention; assess/conduct/ advise HN
in water analysis, sampling, testing,
purifying; assess/conduct/advise HN in
foodborne illness/disease,
identification, investigation and
prevention; assess/conduct/advise HN
in arthropod borne illness/disease
identification, investigation, prevention
and control; veterinary emergency and
preventative care for large and
domestic animals; simple farm systems
(animal/crop), environmental factors
impacting HN livestock/crops; and
dental disease recognition and
emergency treatment61.
This senior-level medic incorporates
within a single individual the elements
of three disciplines: the medic, the
veterinary technician and the
environmental technician. By adopting
a One Health approach, staffing is
reduced from three soldiers to one, an
important factor when considering
small special forces teams.
The modern military veterinarian can
employ these three functions in support
of three broad military roles:
1. support to conventionally-deployed
forces;
2. support to civil authorities; and
3. support to foreign powers.
The first role, of support to
conventionallydeployed forces, can
be executed by
providing care to
military working dogs
and other military
animals, support to the
military medical system
by providing veterinary
medical intelligence on
the zoonoses of a
particular area of
operations, and
advising and
supporting
commanders on the
safety of local food
Photo 1: Military personnel from CFB Gagetown and a group of
procurement. Training
farmers and veterinarians escort dairy cows on a barge on the
can be provided to
flood-swollen St. John River near Burton, N.B. on Friday, May 2,
soldiers on safe
2008. The river is at near record levels and several farm
practices around
communities are cut off with road closures.
indigenous animals.
Photo credit: The Canadian Press (Andrew Vaughan).
NMGT 67 - 1-44
25
JANUARI 2014
This role is largely part of force medical
care and force protection.
The second role, of support to civil
authorities, directly reinforces
provincial and federal veterinarians
during an emergency (which can be
executed in conjunction with the first
role, where the emergency is war, or
separately, such as in response to
natural disasters). This can be done by
operating in regions and conditions
where civilian veterinarians cannot, as
well as advising commanders during
domestic operations that involve
livestock (such as rafting of cattle in the
New Brunswick floods of May 2008 by
CAF Engineers62 [see Photo 1], and
assisting authorities during the 2001
outbreak of Foot and Mouth Disease in
the United Kingdom). Though animal
care and welfare may seem
unnecessary to military planners, it
must be acknowledged that the
evacuation of civilians from an area of
operations is more easily accomplished
if provisions have been made for the
care and transport of their animals
(whether pets or livestock). For
instance, it has been informally
estimated that as a result of Hurricane
Katrina in 2005, up to 50% of the
human fatalities could be attributed to
people refusing to evacuate without
their pets, or returning to the disaster
zone in an attempt to rescue their
pets63. A Zogby International poll found
that 61% of pet owners would refuse to
evacuate their homes if they could not
take their pets, implying that if
emergency plans assure pets are not
left behind, the pet owners are more
easily managed. Given that about
56% of households in Canada contain
at least one cat or dog, that there are
an estimated 8.5 million cats and
6 million dogs in Canadian
households64, and that many pets are
considered part of the family (even to
the point of being regarded as “furry
kids”), the human emotions involved
can be intense and therefore should be
a factor in planning for domestic
operations.
The third role, of support to foreign
powers (which can be executed in
conjunction with the first role of war, or
separately, such as in response to
natural disasters), is perhaps the most
relevant for Canada given that
Canadian Forces are, and likely will
continue to be, deployed to disaster
zones (such as Haiti) or to developing,
“failed/failing states” (such as
Afghanistan, Congo, and Sudan). It is
this work in international development
that distinguishes military veterinarians
from most of their civilian counterparts,
Mil Vet Task
Description
Surge
Augments existing veterinary capabilities during an emergency.
Bridging
Replaces a destroyed or ineffective capability until it can be reconstituted,
or another agency can take over.
Initiating
Provides the first wave of veterinary care where none existed before.
Requires planning of follow-on support by non-military agency (NGO/GO).
Targeted
Specific projects targeting a particular issue, e.g. once-off projects to
vaccinate a population against a known disease.
Training
Provides specific knowledge and skills to local veterinary services and
locals, which they will be able to sustain within their economic and
technological base, e.g. basic husbandry techniques, disease prevention,
breeding strategies.
Security
Operates in security situations where civilians cannot operate.
CBRNE
Assists with identification of biological agents, advises on animal
quarantine requirements, identifies at risk and not at risk species, provides
decontamination of herds and pets.
Health care standards, vaccination and other health protection for
deployments, medical care, selection of appropriate animal handlers.
Service animals
Research
Support
Food and Water
Safety
Emergency
slaughter
Laboratory, forensic, and other research support to military activities.
Ensuring food animals are fit for human consumption and that animal
pathogens are absent from food and water sources.
Assisting with state-ordered emergency slaughter of herds as part of a
foreign disease outbreak. Military Vets well suited given the firearms
training provided by the military. Trains and coordinates the use of military
personnel to support state-ordered slaughters.
Table 2: Proposed classification of military veterinary tasks.
with veterinary charities and certain
academics being the notable
exceptions. Canadian Army CounterInsurgency Operations recognise that
the military may be the only element of
power capable of working in such
environments65. The root of much civil
strife, though framed in ideological
arguments, is generally linked to
quality of life. Issues like lack of food,
disease, and a poor economy are often
the result of agricultural failure. By
improving the state of livestock health
through emergency, routine and
preventative medicine, and by
improving livestock hygiene, the
modern military veterinarian can assist
in improving food production and
reducing animal and human disease,
thereby establishing a base from which
Photo 2: “The Force Reserve Battalion (FRB) of UNMIS acting as an ambassador of goodwill in
the war-torn state has taken upon itself the task of helping the people of Sudan. A number of
projects have been undertaken which have brought UNMIS closer to Sudanese hearts. Providing
veterinary care is one such task being performed by the Battalion as the key CIMIC (Civil Military
Cooperation) Project. FRB has a vet detachment comprising of one Doctor and two nursing
assistants. The detachment is equipped with necessary equipment, vet medicines and vaccines.”
excerpted from “Improved Veterinary Care: A Gift From UNMIS to Sudan”, Lt. Col. Vishal Nanda,
Indian Army. Photo credit: Indian Army photographer.
NMGT 67 - 1-44
26
JANUARI 2014
to improve the economy through
increases in local market activity.
When working with non-governmental
organisations and government
agencies such as Foreign Affairs,
Trade and Development Canada
(DFATD), separate areas of operations
would usually be defined. International
development aid agencies such
EuropeAid or the development arm of
DFATD would not normally
contemplate directly-supported or joint
projects with the military. Rather, the
likely modus operandi would see the
military on the ground first, providing
veterinary services during the
stabilization period. Later66,
development aid programmes and
local resources could replace and
expand on the military veterinarians’
initial work. The military could provide
reconnaissance data to development
aid agencies and ensure a smooth
handover. All three of these military
roles can be supported by one or more
types of military veterinary tasks, as
outlined in Table 2.
The Role of Modern Military
Veterinarians for Canada’s Allies
and Other Militaries
The demand for military veterinary
services continues amongst Canada’s
allies and new capabilities within the
profession are developing. Historically,
as we have seen, the military
veterinarian was closely tied to the
horse, and in Canada, the move
towards adopting the “Iron Horse” led
in part to the disbandment of the
RCAVC. This move was mirrored in
Australia, New Zealand and other
countries, as discussed above.
However, many other militaries have
active veterinary services today, both
Regular and Reserve. Many militaries
maintain veterinary capability wholly as
a reserve capability, leveraging the
skills, training, experience and
continuing education of veterinarians in
private practice. Currently, the most
notable allied services include the
United States Army Veterinary Corps67
and the Royal Army Veterinary Corps
(UK)68. The 55th International Military
Veterinary Medical Symposium held in
2009 in Marseilles, France saw the
participation of military veterinarians
from Austria, Croatia, Slovenia,
Morocco, Denmark, the Netherlands,
the United States, France, Italy,
Germany, Poland, Belgium, Norway
and Finland69. The 19th annual
Asia-Pacific Military Medical
Conference held in 2009 in Seoul,
South Korea, had a total of 36 military
veterinarians participating from
Malaysia, Nepal, the Philippines,
South Korea and the United States 70.
Not only do these military veterinarians
serve in their home countries, but they
routinely deploy with their forces
around the world.
As examples of post-horse era
deployments to different regions, the
United States has deployed a
veterinary service in many conflicts,
including the Second World War,
Vietnam71,72, and Iraq73. Additionally,
the US74,75, German76, and British77
militaries have had veterinary services
in Afghanistan, where both the US78
and the UK79 have had members of
their veterinary services killed in action.
Both International Security Assistance
Force (ISAF) and NATO have used
veterinary programmes in
Afghanistan80,81. Civilian veterinary
programmes have also started in some
parts of Afghanistan82,83. The Indian
Army has had veterinary detachments
in the Sudan where they worked with
Canadian Civil Military Cooperation
(CIMIC) Officers (see Photo 2)84.
Clearly, in all these cases, the modern
military veterinarian has found varied
and valuable work to undertake, as
these armies and the conflicts they
participate in do not rely on the horse.
Indeed, the presence of military
veterinarians in the majority of NATO
countries as well as many other
non-NATO countries indicates that
the profession is still relevant.
Table 3 demonstrates how veterinary
services are incorporated in one of
the main documents used by the
United States Armed Forces in their
operational planning process, the
SN 4.3.3 Coordinate Health Services
Notes: This task includes: medical, dental, veterinary, optical, and ancillary
services.
SN 6.6.4 Expand Health Service Support
Description: To maintain and/or expand essential health services including:
medical, dental, optometry, veterinary, ancillary services, and preventive medical
support. M1: Of existing medical, dental, optometry, veterinary, and preventive
medical support, sufficient to meet deployment/employment requirements of force.
SN 8.1.5.1 Conduct Humanitarian and Civic Assistance (HCA)
Notes: Humanitarian and Civic Assistance (HCA) is a specific and distinct program
from Foreign Humanitarian Assistance. HCA generally includes activities such as
medical, dental, and veterinary care M17: Of noncombatants using health support
system, including veterinary support.
SN 9.4.6 Coordinate Medical Response to Weapons of Mass Destruction (WMD) Events
Description: Coordinate health service support (HSS) including, but not limited to
first responders, forward resuscitative surgery, theater care, enroute care,
preventive medicine, mental health, dental, and veterinary services. Notes: This
task addresses coordinating domestic and foreign CM activities with NGOs, HN
entities, and other government agencies and conducting public awareness
campaigns and policies for use of the strategic national stockpile (SNS). This task
also provides for integrating and coordinating national and DOD medical
surveillance systems, assessing foreign medical capabilities to identify shortfalls,
and ensuring that food and water supplies for DOD personnel are not
contaminated. It includes coordinating medical and veterinary care resources and
medical responder protection, performing mass mortuary activities, and
incorporating national plans for DOD and civilian medical support of WMD
incidents. This task involves identifying and assessing the capabilities of DOD
military treatment facilities to support patient care and treatment for the WMD
incident-affected population.
ST 4.2.2 Coordinate Health Service Support (HSS)
Description: Coordinate health service support (HSS) including, but not limited to
first responders, forward resuscitative surgery, theater care, enroute care,
preventive medicine, mental health, dental, and veterinary services, in preparing
and sustaining theater forces.
ST 4.2.2.3 Manage Medical, Dental and Veterinary Services and Laboratories and Supply
Description: To ensure an effective and consistent program, in peacetime and war,
of medical and dental services, across the area of responsibility, including the
provision of laboratory support and medical supply. This task also covers
responsibility for ensuring preventive medicine and veterinary services for all
Services on a theater-wide basis.
ST 8.2.4 Coordinate Humanitarian and Civic Assistance (HCA)
Notes: … Assistance is limited to: 1) Medical, surgical, dental, and veterinary care
provided in areas of a country that are rural or are underserved by medical,
surgical, dental, and veterinary professionals, respectively, including education,
training, and technical assistance related to the care provided.
OP 4.4.3 Provide Health Services
Notes: This task includes: medical, dental, veterinary, optical, and ancillary
services.
Table 3: Excerpts from the United States Universal Joint Task List (UJTL) that reference
veterinary services. Refer to the complete document for full details85.
NMGT 67 - 1-44
27
JANUARI 2014
Universal Joint Task List.
By having its capability enshrined in
such a fundamental document, the
United States confirms the validity of
the service within their scope of
operations. From a Canadian
perspective, there remains the
question of whether the military
veterinary service is valid within the
Canadian scope of operations.
The future relevance of military
veterinary services
Some of the Best Weapons for
Counterinsurgents Do Not Shoot
Counterinsurgents often achieve the
most meaningful success in garnering
public support and legitimacy for the
HN government with activities that do
not involve killing insurgents (though,
again, killing clearly will often be
necessary). Arguably, the decisive
battle is for the people’s minds; hence
synchronizing IO with efforts along the
other LLOs is critical. Every action,
including uses of force, must be
“wrapped in a bodyguard of
information.” While security is essential
to setting the stage for overall
progress, lasting victory comes from a
vibrant economy, political participation,
and restored hope. Particularly after
security has been achieved, dollars
and ballots will have more important
effects than bombs and bullets. This is
a time when “money is ammunition.”
Depending on the state of the
insurgency, therefore, Soldiers and
Marines should prepare to execute
many non-military missions to support
COIN efforts. Everyone has a role in
nation building, not just Department of
State and civil affairs personnel.
United States Army Field Manual:
Counterinsurgency86
Development/Force Protection
Perhaps the greatest value of military
veterinarians is their second-order
effect of force protection and economic
stability, derived from the first-order
effect of development work. Very basic
veterinary projects such as parasite
removal, vaccination, improved
nutrition and better breeding can
significantly improve animal production
amongst a given local populace. With
increased productivity comes more
food, better human health, more
economic activity, and ultimately a
greater number of locals who
experience higher levels of happiness,
satisfaction, and perhaps even
gratitude.
Consider also that two of the United
Nations’ Millennium Development
Goals are directly related to agriculture:
Eradicate extreme poverty and hunger
and Ensure environmental
sustainability. There is debate within
the development community on
whether these goals provide the right
framework, but they have broad
acceptance among many
governmental organisations. Both of
these goals must have a veterinary
component if they are to be
achieved87,88. Insurgents are not likely
to provide a veterinary service to the
community and local resources will
either be non-existent, severely
damaged or unable to operate in nonpermissive environments; therefore, in
an insurgency, the military veterinarian
provides an essential service that the
locals are unlikely to jeopardise. This
also has the potential to lead to better
intelligence, fewer tier two fighters and
a more stable community that sees
value in the military presence. The
insurgency then appears unable to look
after the needs of the locals and loses
legitimacy. At a more advanced level,
veterinary involvement in
Agra-Business Development Teams
(ADTs) 89 can assist in stabilising and
growing the agricultural economic base
of society, aiding the supported
community to increase its capacity to
meet its most basic of physiological
needs. Once the security situation has
improved, in small part due to
veterinary activities, the greater civilian
veterinary resources of governmental
and non-governmental organisations
can continue to build upon the
foundations established by military
veterinarians.
As a partner in global animal health
and security, the military veterinarian
also has a role to play in keeping
foreign disease out of Canada. Work
done overseas in identifying foreign
disease, and in the implementation of
appropriate decontamination or
quarantine procedures, can assist the
Canadian Food Inspection Agency
(CFIA) in preventing foreign disease
outbreaks in Canada that would
jeopardise the food on which our health
and economy depends. This becomes
particularly relevant when soldiers
return from theatre and contaminated
uniforms, foodstuffs, illegal animal
products, unofficial mascots, etc. can
find their way back to Canada. If this
can be prevented in theatre, then the
CFIA has an easier job defending
Canada from foreign animal disease.
Domestic Operations
The potential scope of Canadian
military veterinarians in Domestic
Operations is vast. The most likely
scenario would involve aid to civil
powers in response to a natural or
man-made disaster. Every disaster will
have an animal component, whether
pets, livestock or wildlife. The military
veterinarian would be a valued
resource in these operations, providing
liaison with other government
departments on animal issues and
providing service on the ground where
civilian resources are unable to
operate, or have been exhausted.
The Canadian Veterinary Medical
Association has recently established
the Canadian Veterinary Reserve
(CVR) as a civilian tool for
emergencies90. Initially, the CVR was
formed to give the Canadian Food
Inspection Agency a surge capacity in
the face of a foreign animal disease
outbreak on Canadian soil. It has
subsequently expanded to a point
where it can provide individual and
small veterinary team support both
domestically and abroad. Currently this
support is voluntary and provides only
the services of veterinarians, without
any equipment. A military veterinary
capability could support and even
serve as the vanguard for the CVR,
due to its faster deployability and the
greater acceptable risk assumed by
military personnel. A military veterinary
capability would also have its own
equipment and could access greater
resources through the military supply
system. In the case of a Domestic
Operation where the military is
supporting an evacuation (e.g. floods),
military veterinarians can be deployed
into the evacuation area to care for and
rescue pets and livestock prior to
transfer to civilian authorities.
Many animal rescue organisations now
provide mobile shelters to assist with
disasters, but their access to the
disaster area may be restricted for
security and mobility reasons.
Anecdotally, it has been suggested that
there have been instances in which
civilian organisations attempting to
rescue animals have been mistaken for
looters91. The military veterinarian can
serve as the bridge between these
civilian organisations that provide the
majority of care, and the secured area
of operations. The animal rescue world
is a highly complex environment
incorporating legally mandated SPCAs
and Humane Societies, charitable
organisations, emergency measures
organisations, well-meaning
individuals, etc; military officers
unfamiliar with this world would find it
difficult to integrate effectively with
these groups. A military veterinarian
would be expected to have some
mastery of the complexities
NMGT 67 - 1-44
28
JANUARI 2014
surrounding animal issues, and the
associated agencies including
government departments, official and
unofficial non-governmental
organisations, and well-meaning but
sometimes misguided individuals. The
military veterinarian could play a
valuable role as the Commander’s
liaison with this dynamic and often
emotional environment.
Arctic Sovereignty
Currently very few veterinarians work
in remote parts of Canada, especially
the North. Army veterinarians could
use these regions for training
exercises, achieving realistic training
by running triage facilities and quick
impact projects (i.e. vaccine clinics)
while providing service to currently
under-serviced communities. Adding
veterinarians to Arctic sovereignty
missions would add extra legitimacy to
Canada’s presence and additional
services to its citizens in the North.
During a recent exercise, Op
NUNALIVUT 10, CAF members
worked with the Danish forces’ SIRIUS
Dog Sledge team. The team was there
to conduct a familiarization patrol
around CFS Alert92. With a force of
military veterinarians, the Canadian
Forces might in future consider the use
of service dog teams in the North, in
conjunction with the Ski-doos and
ATVs currently used by Rangers and
other forces.
Research
Though this would admittedly be
beyond the likely scope of the
Canadian Forces, military veterinarians
can serve as important partners in
military research. Research into
biological defence - a component of
Chemical, Biological, RadiologicalNuclear, and Explosives (CBRNE) can be directly supported by military
veterinarians, as many biological
agents are of animal origin (i.e.
anthrax)93. The US Navy Marine
Mammal programme not only trains
marine mammals for service, but
conducts important research on their
health as well as methods of protecting
them from the effects of military
equipment94.
Service Animals
Several federal government
departments have active working dog
programmes, including the RCMP
Police Dog Service and the Customs
and Border Services Agency, whose
dogs detect narcotics, firearms,
currency and agricultural products. The
Canadian Forces also has working
animals, including the Military Police
Working Dog Trial95. In both Bosnia
Photo 3: Cpl. Scott King, 27, of Lamaline, Nfld, from 1 Combat
Engineer Regiment based in Edmonton, returns from grazing
Hughes, a two-year-old donkey the soldiers purchased from their
Afghan National Army counterparts, at a Canadian patrol base
west of Kandahar city, Afghanistan, Tuesday, April 2, 2008.
Hughes, the pint-sized Afghan donkey, clearly eases more than
just the physical burden of being a Canadian soldier in
Afghanistan. Photo credit: The Canadian Press/ James McCarten.
and Afghanistan, pack mules and
donkeys have been used by the CAF
where access by vehicles was difficult
(see Photo 3). Goats have been used
by CIMIC teams in Afghanistan as
reparation for damage and injury
caused by CAF actions (see Photo 4).
The CAF contracts with civilian
companies to provide explosive
ordinance detection dogs in
Afghanistan96,97,98,99 and an incident
with such a dog that resulted in a
soldier being bitten led to a Safety
Digest notice100.
Special Forces
In addition to the previously-described
training that Special Forces medics can
receive, US Army veterinarians have
been assigned to Special Forces
Groups to plan and run preventive
medicine tasks, run veterinary civic
action programmes (VetCAPs), assist
in training SOF medics, provide
technical advice to the Commander,
support military working dogs (MWDs),
assist in the purchase and care of pack
animals where vehicles were not
practical, and conduct neutering and
rabies vaccination programmes around
coalition bases to decrease the rabies
risk to humans. The VetCAPs in
particular can be quite varied.
Examples include lectures to Afghan
veterinarians on Highly Pathogenic
Avian Influenza, training of Afghan
laboratory workers on the Brucellosis
test card provided by the US
Department of Agriculture, and
vaccination and deworming
programmes. According to Col
Robert Vogelsang:
“Due to the sometimes remote
locations in which SOF operates, the
Photo 4: CIMIC Operator Capt Kent MacRae, a reservist with the PEIR, escorting
a sheep to an Afghan family. The goat was used to make reparations for
unintended Canadian Forces actions. Photo credit: Cpl Pop, Public Affairs.
unit Veterinary Corps
officer may be the only
veterinarian in a
particular area. As such,
they will work with the local Host
Nation public health personnel to
improve local capabilities.”101
The Bottom Line
To deny the intensity of human
emotion where animals are concerned,
because the object of the emotion is an
animal rather than another person, is
naïve and unrealistic. The reality is that
the emotion still originates in the
human; by managing the object, animal
or otherwise, stress is relieved in the
human and thus greater
responsiveness to emergency
management organisation instructions
is achieved. Not having a plan to cope
with the animals located in an area of
operations can make it more difficult
than necessary to assist the local
populace. There are also situations in
which only military or specially-trained
veterinarians could operate, such as
security and CBRNE environments.
Decontamination of animals is likely to
be necessary when civilians are being
decontaminated. Veterinary expertise
could be useful for the biological
portion of CBRNE, given that many of
the agents involved are of animal
origin.
In these operations, civilian veterinary
involvement must of necessity be
limited, especially in the initial phases
of disaster operations and over the
longer term in areas with security
problems. A military veterinarian can
be part of reconnaissance teams and
the Canadian Forces’ Disaster
Assistance Relief Team (DART), and
can undertake regular rotations
through theatres of operation. Some
military responsibilities in these areas
would include gaining support of the
NMGT 67 - 1-44
29
JANUARI 2014
local population for the mission,
mitigating some of the root economic
causes of the conflict, and enhancing
domestic services like water and food
supplies. The military veterinarian
provides a bridge until the security
situation permits civilian veterinarians
to resume or establish their practice.
By working with the communities within
an area of operations, providing basic
training for local veterinarians and
farmers, and facilitating the delivery of
supplies like vaccinations and deworming products, the military
veterinarian can start programmes
aimed at the well-being of agricultural
livestock that will increase the
productivity of local herds and flocks.
The improvement in overall conditions
of the people and through them, the
society itself, can assist the military
commander in shortening the period
between the commencement of military
operations and the handover of a
secure area of operations to civilian
authorities. Many of the projects
spearheaded by military veterinarians
can be relatively inexpensive and
short-term, but can also provide lasting
benefits even after the operational
forces depart. Handover to reputable
NGOs or development aid agencies
would allow for long-term sustainability.
Conclusion
To the typical layperson, the military
veterinarian was primarily a horse
doctor who had his heyday during the
First World War. The reality is that the
military veterinarian has been present
for millennia, practicing state-of-the-art
medicine, such as it was or is. Though
in early times the role may have been
combined with horse trainers, bloodletters and farriers, there was a
recognised requirement for a specialist.
That modern specialist now uses the
latest medical knowledge, the most
technologically-advanced equipment,
and the benefit of the knowledge of his
or her predecessors to investigate,
diagnose and treat a very wide number
of species (not limited to mammals), to
prevent disease in humans as well as
the rest of the animal kingdom, to
maintain and protect food and water
supplies, and to educate. In some
cases, the role of military veterinarians
is very general, going back to basics in
a developing country. In others, it is
working in a laboratory to provide
information back to commanders and
front line workers. They may be
involved in policy development that is
then executed by others. They may be
teachers in classrooms, preparing the
next generation. But in current world
affairs and in conflict zones around the
globe, military veterinarians still have a
place.
That place is not a large one; it is very
much a niche occupation in the
military. Despite the virtues extolled in
this paper, the military veterinarian still
serves but a small, supporting function.
The centre of effort for the military is
and always will be combat arms. It is
that application of hard power, or the
threat of it, that gives the military its
role. However, every mission, no
matter how hard, has elements of soft
power. Often militaries are leveraged
as international first responders due to
their logistical and administrative
capabilities, their training, their
cohesiveness and their unlimited
liability. It is within the sphere of soft
power that the military veterinarian is
most at home in the modern
battlespace. Whether it is providing
force protection through preventive
medicine, medical care to the military
animals that support the soldier, or
food and water safety, the military
veterinarian still directly supports the
soldier. Add to that the ability to
provide veterinary care in non-secure,
non-permissive environments, and it is
evident that the military veterinarian,
with other specialists, is ideally placed
to build or rebuild the agrarian
economy, the preventive medicine
infrastructure and policy, and the
civilian veterinary capability of failed
and failing states. These are among
the foundations of stability, and the
military veterinarian is one among
many that can speed the return to a
stable state, no longer requiring hard
military power.
Though many, even soldiers, would
argue that a civilian contractor and
agency can accomplish the same
function, ask that same soldier to have
to provide for the safety of that civilian
in an area like Afghanistan and their
tune is likely to change. Military
veterinarians are indoctrinated into the
ways and means of military life. They
are trained and equipped to provide
their own security and they are part of
the team, playing by the same rules.
This is perhaps the most valuable
aspect; they can and will go where
others cannot or will not.
There may come a time when medicine
has an easy treatment for every injury
and disease, when food animals are
replaced by factory-produced protein,
where economies do not place their
foundations on agriculture, where
conflict is replaced by harmony. Until
that time, the military veterinarian
maintains a small but important role in
military operations, including the CAF.
This paper demonstrates that it is past
time that the CAF formally reinstated
military veterinary services.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
S A M E N V AT T I N G
DE MILITAIR VETERINAIRE DIENST
Verleden en toekomst: vanuit een
Canadees perspectief
Militair veterinaire diensten vinden hun
oorsprong in de domesticatie van het
paard voor, onder andere, militair
gebruik. Vanuit dit bescheiden begin
ontwikkelde zich de moderne militair
veterinaire dienst zoals we die voor het
eerst zien eind achttiende eeuw en die
zijn hoogtepunt bereikt tijdens de
Eerste Wereldoorlog. Daarna, met de
opkomst van de verbrandingsmotor,
was de militaire dierenarts niet langer
nodig voor de veterinaire verzorging
van paarden. Sinds de tweede helft
van de twintigste eeuw is het aantal
militaire dieren onder de hoede van
dierenartsen in uniform, dan ook
afgenomen. Daarentegen vervullen
militaire veterinairen nu internationaal
gezien meer taken aangaande
voedsel- en waterveiligheid,
ontwikkelingswerk en preventieve
humane gezondheidszorg. Momenteel
heeft de Canadese krijgsmacht geen
veterinaire dienst meer, deze is
opgeheven na de Eerste Wereldoorlog.
Militair veterinaire diensten zijn actief in
bijna alle NAVO-landen, als wel bij
andere naties en gezien hun zeer
brede expertise gebied, nog steeds
bijzonder relevant in de huidige tijd.
15.
16.
17.
18.
19.
20.
21.
22.
23.
24.
25.
26.
27.
References:
1.
2.
Jones A.: Ancient Warfare. In The Art of War in
the Western World. New York: Oxford University
Press, 1987. p. 1-45.
Hildinger E.: Nomads. Horse and Bow. In
Warriors of the Steppe: A Military History of
Central Asia, 500 B.C. to 1700 A.D.
Cambridge: Da Capo Press, 2001.
NMGT 67 - 1-44
30
JANUARI 2014
28.
Archer C.I., Ferris J.R., Herwig H.H.,
Travers T.H.E.: World History of Warfare.
Lincoln: University of Nebraska Press, 2002.
McNeill W.H.: The Pursuit of Power. Chicago:
University of Chicago Press, 1982.
Griess T.E., editor: The Dawn of Modern
Warfare. New York: Avery Publishing Group inc.
1984.
Homer: The Iliad, trans. Robert Fitzgerald. New
York: Doubleday, 1989. p. 95.
Hausmann W., Jöchle W.: The Discovery of
Chiron’s Cave, a Prehistoric School of Medicine
for Animals and Humans, Canadian Veterinary
Journal 1988; 29: 857-860.
XENOPHON [Internet] [Place unknown]:
Shannon Leigh Stables [cited 2013 Oct 6].
Available from:
http://www.shannonleighstables.com/
XENOPHON
In the translation by Ven. S. Dhammika, editor,
The Edicts of King Asoka (Kandy: xx, yyyy), p. x.
nd
Liddel Hart B.H.: Strategy. 2 Ed, New York:
Meridian Printing, March 1991: 28-29.
Heeren S.: New Views on the forfex of Virilis the
veterinarian: shears, emasculator or twitch?
Journal of Archaeology in the Low Countries
[Internet] 2009 May [cited 2013 Oct 6]. Available
from: http://dpc.uba.uva.nl/jalc/01/nr01/a05
Thrusfield M.: Veterinary Epidemiology.
Wiley-Blackwell, 2007: 2.
Adams J.N.: Pelagonius and Latin Veterinary
Terminology in the Roman Empire, Leiden;
New York; Koln: Brill 1995. (Studies in ancient
medicine, vole 11)
Scott S.P.: trans. Digesta of Justinian (Bk 50.6.7)
to veterinaries being exempt more onerous
employments. [Cited 2013 Oct 6]. Available
from: http://www.constitution.org/sps/sps11.htm
History of medieval Arab veterinary medicine.
Available from:
www.univet.hu/sc1/feltoltott/23_1318404132.pdf
Clark J. ed.:The Medieval Horse and its
nd
Equipment: c. 1150-c. 1450. Rev. 2 edition.
London: The Boydell Press, 2004. 14.
Hunter P.: Veterinary Medicine: A Guide to
Historical Sources. Ashgate Publishing, Ltd,
2004: 1.
Railliet A.L.J., Moulé L.: Histoire de l'École
d'Alfort, par MM. Paris: Asselin et Houzeau,
1908.
French C.: A History of the Canadian Army
Veterinary Corps in the Great World War
1914-1919. Guelph: Crest Books, 1999. 1.
Heiss W.R.: Veterinary Service During the
American Civil War: A Compilation. Baltimore:
PublishAmerica, 2005. 63.
Miller E.B.: United States Army, Medical
Department. United States Army Veterinary
Service in World War II. 1961; Washington:
Office of the Surgeon General, Department of
the Army, 1986
United States Army, Medical Department. United
States Army Veterinary Service in World War II.
Washington: Office of the Surgeon General,
Department of the Army, 1986.
Tyquin Michael: Forgotten Men: the Australian
Army Veterinary Corps 1909-1946 (Newport,
Australia: Big Sky Publishing, 2011), p. 355.
“Vietnam veterinary adventure”, Australian Army,
accessed October 14, 2013,
http://www.army.gov.au/Our-work/News-andmedia/News-and-media-2012/News-and-mediaAugust-2012/Vietnam-veterinary-adventure
Reakes C.J.: “Chap IX: New Zealand Veterinary
Corps” in The War Effort of New Zealand
(Auckland: Whitcombe and Tombs Limited,
1923), pp. 149-162, accessed October 14 2013,
http://nzetc.victoria.ac.nz/tm/scholarly/tei-WH1Effo-t1-body-d9.html;
Gilberd Jim G.: “NZ Veterinary Corps”. Boot and
Saddle (1989), accessed October 14, 2013,
http://riv.co.nz/rnza/hist/boot/bs17.htm
For a history of the Indian Army Remount
Veterinary Corps (RVC), see: “Official Website of
Indian Army - Remount And Veterinary Corps”,
accessed October 14, 2013
(http://indianarmy.nic.in/Site/FormTemplete/frm
TempSimple.aspx?MnId=fes+8u1fKh491avlB/
Uylg==&ParentID=klFaNb6BboTm2l79syUowA
==&flag=wCvDBK9flg28LVKJMvPiRg).
Steltenpool B.A.: Chief Army Veterinarian, The
Netherlands, email message to author, August 4,
2013.
29. “List of Military Veterinary Services”. Accessed
October 14, 2013. http://en.wikipedia.org/wiki/
List_of_Military_Veterinary_Services
30. French C.: A History of the Canadian Army
Veterinary Corps in the Great World War
1914-1919. Guelph: Crest Books, 1999, p. 1.
31. Ibid., p. 2.
32. Ibid., p. 6.
33. Ibid., Chapters 5&6, passim.
34. Ibid., p. 34.
35. Ibid., p. 84.
36. Ibid., passim.
37. Library and Archives Canada. Guide to Sources
Relating to Units of the Canadian Expeditionary
Force: Canadian Army Veterinary Corps
undated. pp. 2-17. [cited 2013 Oct 6]. Available
from: www.collectionscanada.gc.ca/the-public/
005-1142.29-e.html
38. French C.: A History of the Canadian Army
Veterinary Corps in the Great World War
1914-1919. Guelph: Crest Books, 1999. p. 80.
39. Ibid., pp. 186 & 190.
40. Griess T.E. ed.: The West Point Military History
Series, The Dawn of Modern Warfare. Jersey:
Avery Publishing Group Inc.; 1984.
41. Parker G. ed.: Section Four, “The Age of
Mechanized Warfare” in Cambridge Illustrated
History Warfare. New York: Cambridge
University Press, 1995. 216-340.
42. Preston R.A., Wise S.F.: Men in Arms: A History
of Warfare and its interrelationships with
Western Society. USA: Holt, Rinehart and
Winston, 1979.
43. Chartrand R.: Canadian Military Heritage,
Volume III. [cited 2013 Oct 6]. Available from:
http://www.cmp-cpm.forces.gc.ca/dhh-dhp/his/
docs/CMH_vol3_e.pdf . 92
44. French C.: A History of the Canadian Army
Veterinary Corps in the Great World War
1914-1919. Guelph: Crest Books, 1999, p. 199.
45. http://www.bankofcanada.ca/rates/related/
inflation-calculator/.
46. “Royal Canadian Army Veterinary Corps” in
The Canadian Journal of Comparative Medicine
and Veterinary Science, Vol. 5, No. 4 (1941),
pp. 92-93.
47. “Canadian Army Veterinary Corps” in
The Canadian Journal of Comparative Medicine
and Veterinary Science, Vol. 7, No. 10 (1943),
p. 290.
48. Loew F.M., Wood E.H.: Vet in the Saddle.
John L. Poett: First Veterinary Surgeon of the
North West Mounted Police. Saskatoon:
Western Producer Prairie Books, 1978.
49. RCMP Musical Ride [Internet] [updated 2007
April 18; cited 2013 Oct 6]. Available from:
http://www.rcmp-grc.gc.ca/mr-ce/index-eng.htm
50. War Office, The. Statistics of the Military Effort of
the British Empire during the Great War,
1914-1920. London: HMSO, 1922. p 396.
51. Letter from Kingston, Upper Canada,
th
July 29 1815. Colonial Office, Original
Correspondence, Secretary of State, Vol. 356,
Mic Reel B-296, National Archives and Library of
Canada.
52. Smith Frederick: A History of the Royal Army
Veterinary Corps 1796-1919. London: Baillière,
Tindall and Cox, 1983, p. 240.
53. NATO Logistics Handbook, Oct 2007,
Chapter 16.
54. Headquarters, Department of the Army,
FM 4-02.18 Veterinary Service - Tactics,
Techniques and Procedures. Washington, DC,
2004. 1-1 and 1-2.
55. A Career in Veterinary Medicine [Internet][cited
2013 Oct 6]. Available from:
http://www.canadianveterinarians.net/
about-veterinary-medicine/career.aspx
56. Fogelman et al.: The Role of Veterinary Public
Health and Preventive Medicine During
Mobilization and Deployment: in Military
Preventive Medicine: Mobilization and
Deployment, Volume 1. Washington DC,
TMM Publications, 2003. Chapter 30 passim.
57. American Veterinary Medical Association. One
Health: A New Professional Imperative One
Health Initiative Task Force : Final Report
July 15, 2008 [cited 2013 Oct 6]. Available from:
https://www.avma.org/KB/Resources/Reports/
Documents/onehealth_final.pdf
58. One Health Initiative will unite human and
veterinary medicine. [cited 2013 Oct 6]. Available
from: http://www.onehealthinitiative.com
59. One Health [Internet][cited 2013 Oct 6].
Available from:
http://en.wikipedia.org/wiki/One_Health
60. Burke R.: One Health and Force Health
Protection During Foreign Humanitarian
Assistance Operations: 2010 Pakistan Flood
Relief. Army Medical Department Journal
PB 8-13-1/2/3 (Jan-Mar 2013): 81-85.
61. U.S. Army John F. Kennedy Special Warfare
Center and School, Academic Handbook 2012,
p 50.
62. 140 cows rescued from flood. [Internet]
[cited 2012 January 3]. Available from:
http://www.cbc.ca/canada/new-brunswick/
story/2008/05/03/cow-rescue.html
63. Email from Dr Heather Case, American
Veterinary Association, 4 May 2010.
64. Perrin T.: The Business of Urban Animals
Survey: The Facts and Statistics on Companion
Animals in Canada. The Canadian Veterinary
Journal, Vol. 50, No. 1, pp. 48-52.
65. Canada, Department of National Defence,
B-GL-323-004/FP-003 Counter-Insurgency
Operations. Director of Army Doctrine,
2008-12-13. 513 para 2.
66. Personal communication Jean McCardle,
Canadian International Development Agency,
Feb 2010
67. US Army Veterinary Service. [Internet]
[cited 2013 Oct 6]. Available from:
http://veterinarycorps.amedd.army.mil/index.htm
68. Royal Army Veterinary Corps. [Internet]
[cited 2013 Oct 6]. Available from:
http://www.army.mod.uk/medical-services/
veterinary.aspx
69. Report of the 55th International Military
Veterinary Symposium. [Internet]
[cited 2013 Oct 6]. Available from:
http://www.cimm-icmm.org/page/anglais/
rapportcongresvetoANG2009.php
70. Military veterinarians meet in South Korea,
France. [Internet][cited 2013 Oct 6].
Available from:
https://www.avma.org/News/JAVMANews/
Pages/090715o.aspx
71. United States Army, Medical Department. United
States Army Veterinary Service in World War II.
Edited by Lt Col Everett B Miller. 1961;
Washington: Office of the Surgeon General,
Department of the Army, 1986
72. Clark W.H.H.: The History of the United States
Army Veterinary Corps in Vietnam 1962-1973
Roswell, GA: privately printed, 1991.
73. Brunell M.: A Veterinary Service Squad
Deployment In Support of Operation Iraqi
Freedom. Army Medical Department Journal PB
8-09-1/2/3 (Jan - Mar 2009): 21-24
74. Rodriguez P.: Veterinarian Ryan K. Miller Helps
Heal Afghanistan. Veterinary Practice News,
Vol 22, No 10, p 55 [Internet][cited 2013 Oct 6].
Available from:
http://www.veterinarypracticenews.com/
vet-industry-people/profiles-in-medicine/
healing-afghanistan.aspx
75. Army vets wage unconventional campaign
abroad. [Internet][cited 2013 Oct 6]. Available
from: https://www.avma.org/News/JAVMANews/
Pages/060615g.aspx
76. Marjan, The Lion of Kabul, Afghanistan Kabul
Zoo Euthanized. [Internet][cited 2013 Oct 6].
Available from:
http://animom.tripod.com/kabulzoo.html
77. EXCLUSIVE: A lasting legacy from the Herriot of
Helmand [Internet][cited 2013 Oct 6]. Available
from: http://ukforcesafghanistan.wordpress.com/
page/234/?archives-list&archives-type=cats
78. U.S. Army veterinarian killed in action.
[Internet][cited 2013 Oct 6]. Available from:
https://www.avma.org/News/JAVMANews/
Pages/060715c.aspx
79. Army dog handler killed in Afghanistan named.
[Internet][cited 2013 Oct 6]. Available from:
http://www.telegraph.co.uk/news/worldnews/
asia/afghanistan/2461765/Army-dog-handlerkilled-in-Afghanistan-named.html
80. Afghan Veterinarian, Civil Affairs Team Help
Ranchers. [Internet][cited 2013 Oct 6].
Available from: http://www.defenselink.mil/
news/newsarticle.aspx?id=49561
81. ISAF provides veterinary care to nomadic tribes.
[Internet][cited 2013 Oct 6]. Available from:
http://www.nato.int/isaf/docu/pressreleases/
2008/10-october/pr081031-577.html
NMGT 67 - 1-44
31
JANUARI 2014
82. Afghan veterinary association finds its way.
[Internet][cited 2013 Oct 6]. Available from:
https://www.avma.org/News/JAVMANews/
Pages/071115c.aspx
83. U.S. veterinarians help jump-start Afghan animal
health clinic. [Internet][cited 2013 Oct 6].
Available from: https://www.avma.org/News/
JAVMANews/Pages/060315a.aspx
84. Personal email from Maj Alex Brennan,
Canadian Army, 4 March 2009.
85. Joint Electronic Library, UJTL Tasks, Accessed
October 30, 2013, http://www.dtic.mil/doctrine/
training/ujtl_tasks.htm
86. Headquarters, Department of the Army, FM 3-24
Counterinsurgency. Washington: December,
2006. p. 1-27.
87. United Nations Millennium Development Goals
[Internet][cited 2013 Oct 6]. Available from:
http://www.un.org/millenniumgoals/
88. Tamas A.: Warriors and Nation Builders,
Development and the Military in Afghanistan.
Kingston: Canadian Defence Academy Press,
2009. pp. 5-8
89. Center for Army Lessons Learned, “Agribusiness
Development Teams in Afghanistan Tactics,
Techniques, and Procedures” Handbook No 1010, Nov 2009. [Internet][cited 2013 Oct 6].
Available from: http://usacac.army.mil/cac2/call/
docs/10-10/10-10.pdf
90. Canadian Veterinary Medical Association and
Canadian Food Inspection Agency Establishing
Veterinary Reserve. [Internet][cited 2012 Jan 3].
Available from:
http://www.canadianveterinarians.net/
Documents/Resources/Files/508_newsreleaseCVR_E.pdf
91. Personal communication from
Dr. Ben Weinberger, a veterinarian who
volunteered in New Orleans after Hurricane
Katrina, March 2010.
92. Dog gone it! The Maple Leaf, 28 April 2010,
Vol. 13, No. 14, p. 1. [Internet][cited 2012 Jan 3].
Available from: http://www.forces.gc.ca/site/
commun/ml-fe/vol_13/vol13_14/1314_full.pdf
93. Veterinarians needed to develop comprehensive
animal protection, decontamination plans.
[Internet][cited 2013 Oct 6]. Available from:
https://www.avma.org/News/JAVMANews/
Pages/050701m.aspx
94. US Navy's Marine Mammal Program.
[Internet][cited 2012 Jan 3]. Available from:
http://www.spawar.navy.mil/sandiego/
technology/mammals/veterinary.html
95. Boot D.N.: Briefing note for CFD, Military Police
Working Dog (MPWD) Trial, 17 Mar 2008.
96. Canadian military seeks more bomb-sniffing
dogs for Afghan mission. [Internet][cited 2013
Oct 6]. Available from:
http://www.capebretonpost.com/Living/World/
2010-01-05/article-777188/Canadian-militaryseeks-more-bomb-sniffing-dogs-for-Afghanmission/1
97. Bomb-sniffing dogs a key part of Afghan military
team. [Internet][cited 2013 Oct 6]. Available
from: http://www.canada.com/story_print.html?
id=2367240&sponsor
98. Canadian soldier hurt in bomb blast in
Afghanistan. [Internet][cited 2013 Oct 6].
Available from: http://www.cbc.ca/world/story/
2007/03/20/soldier-injured.html
99. Maguire K.J.: VCSi Statement of Capabilities
and Experience (rev 1.6), Las Vegas: Vigilant
Canine Services International, n.d. p. 13
100. K-9 Canines Aren't Pets. [Internet][cited 2010
Oct 16]. Available from:
http://www.vcds-vcemd.forces.gc.ca/
dsafeg-dsg/pi/sd-dsg/1-07/article-11-eng.asp
101. Vogelsang R.: Special Operations Forces
Veterinary Personnel. Army Medical Department
Journal PB 8-07-7/8/9 (July - Sept 2007): 69-70.
OORSPRONKELIJK ARTIKEL
Voorkomen is beter dan genezen:
praktische maatregelen voor de
preventie van tekenencefalitis
bij militairen en werkhonden
door reserve majoor-dierenarts
dr. Joris J. Wijnkera en
dr. Len Lipmanb
Samenvatting
Zowel militairen als hun werkhonden lopen het risico geïnfecteerd te
worden met tekenencefalitis in endemische gebieden. Voor werkhonden
zijn verschillende praktische preventieve maatregelen beschikbaar om dit
risico te verkleinen. Het verdient aanbeveling om tijdens de voorbereidingen
van oefeningen en uitzendingen stil te staan bij de verschillende
dierziekterisico’s die in het beoogde operatiegebied kunnen worden
aangetroffen.
Introductie
Tijdens de voorbereidingen voor de
oefening Peacock Reloaded
(mei 2013, MTA Boletice, Tsjechië)
is er uitgebreid stilgestaan bij de
mogelijke bacteriële, virale en
parasitaire ziekterisico’s die de
beoogde oefenomgeving met zich mee
zou kunnen brengen. Tekenencefalitis,
ook bekend als Tick-borne encephalitis
(TBE) of Früh Sommer Meningo
Encefalitis (FSME), is hierbij als
relevante ziekte besproken daar deze
endemisch is voor de regio.
Uit de opgenomen informatie komt
naar voren dat de tekendichtheid in dit
Tsjechische gebied 37.4 / 100m2 is, en
dat 70% van de gevangen teken in het
gebied besmet waren met TBE1.
Gezien de aard van de geplande
oefening, met veel militairen op de
grond in een tekenrijk gebied, was er
sprake van een verhoogd
besmettingsrisico op TBE en zijn er
verscheidene preventieve maatregelen
genomen gericht op de deelnemende
militairen.
Echter, de mogelijkheid bestaat dat
tijdens dergelijke grote oefeningen ook
militaire werkhonden en/of lastdieren
worden ingezet. In die gevallen dient
ook al tijdens de voorbereiding
rekening te worden gehouden met de
mogelijke dierziekterisico’s in het
oefengebied.
Als praktisch voorbeeld wordt
hieronder het TBE-risico voor honden
besproken, welke ziekteverschijnselen
kunnen optreden na infectie en welke
preventieve maatregelen er genomen
kunnen worden om het infectierisico
zo beperkt mogelijk te houden.
TBE
‘Tick-borne ecephalitis’ (TBE), wordt
veroorzaakt door een flavivirus dat
wordt overdragen via teken.
Flavivirussen zijn bolvormige
RNA-virussen. Het TBE-virustype dat
voorkomt in endemische gebieden in
Europa (zie tabel 1) is nagenoeg overal
hetzelfde en wordt daarom het
Europese of westelijke subtype
(TBEV-Eu) genoemd.
Het Europese subtype wordt met name
overgedragen door de Ixodes ricinusteek, waarbij het oosterse subtype
wordt overgedragen door I. persulcatus.
Albanië
Noorwegen
Oekraïne
Duitsland
Oostenrijk
Estland
Polen
Finland
Rusland
Frankrijk
Servië
Griekenland
Slovenië
Hongarije
Slowakije
Italië
Tsjechië
Kroatië
Zweden
Letland
Zwitserland
Tabel 1. Endemische TBE-gebieden in
Europa2.
Teken raken besmet als ze bloed
zuigen bij viremische gastheren. Bij het
bloedzuigen op een nieuwe gastheer
kunnen zij het virus vervolgens
overdragen op nog niet geïnfecteerde
dieren of mensen. Mensen kunnen ook
worden geïnfecteerd door het
consumeren van rauwe,
ongepasteuriseerde melk of kazen
gemaakt van rauwe melk afkomstig
van geïnfecteerde koeien, geiten of
schapen. Verder zijn er incidentele
TBE-gevallen beschreven na het
slachten van vermoedelijk viremische
geiten en via bloedtransfusies, via
borstvoeding en door
laboratoriumaccidenten2,3.
Besmetting na een tekenbeet is veruit
de belangrijkste transmissieroute. Na
een beet van een geïnfecteerde teek
vindt binnen enkele minuten
virustransmissie plaats (via speeksel).
Vroegtijdig verwijderen van de teek kan
TBE dus niet voorkomen. Het virus kan
worden overgebracht naar de mens of
andere gastheren door larven, nimfen
of volwassen teken.
Specialist Veterinaire Volksgezondheid
Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde (KNMvD),
Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS),
Divisie Veterinaire Volksgezondheid,
Universiteit Utrecht.
Brigade-dierenarts Operationeel
Ondersteuningscommando Land (OOCL).
b
Specialist Veterinaire Volksgezondheid KNMvD,,
IRAS, Divisie Veterinaire Volksgezondheid,
Universiteit Utrecht.
Diplomate European College of Veterinary
Public Health (ECVPH).
Artikel ontvangen oktober 2013.
Fig. 1. Distributiemap van de westerse en oosterse subtypes van het TBE-virus.
Bron: Baxter AG Austria, March 2007, Project Number BS-VA-007 Monograph TBE.
32
Bosnië
Denemarken
Liechtenstein
a
NMGT 67 - 1-44
Litouwen
JANUARI 2014
In Noord- en Midden-Europa begint de
tekenactiviteit in maart/april, wanneer
de grondtemperatuur stijgt naar 5-7 °C.
Zo eindigt deze in oktober/november
bij dalende temperaturen. In
Centraal-Europa zijn er pieken in
activiteit in mei/juni en in
september/oktober. In Noord-Europa
en in bergachtige gebieden valt de
hoogste piek van de tekenactiviteit in
de zomer. In de Mediterrane gebieden
is deze piek tussen november en
januari2, 3.
Ziekteverschijnselen
Bij de mens verloopt de ziekte in
ongeveer 75% bifasisch, waarbij in de
eerste, viremische fase met name
koorts (99%), vermoeidheid/malaise
(60%) en hoofdpijn/gegeneraliseerde
pijn (50%) wordt geconstateerd. De
gemiddelde duur van de eerste fase
van de ziekte is 5 dagen (range:
2-10 dagen). Het symptoomvrije
interval tussen de eerste en de
tweede fase duurt 1-21 dagen
(gemiddeld 7 dagen). In de
tweede fase varieert het klinische
spectrum van een milde meningitis
tot een ernstige encefalitis, met of
zonder myelitis. Een verband met
de aanwezigheid van een
postencefalitisch syndroom en het
Europese subtype TBEV-Eu is
inmiddels aangetoond. Verder zijn
neurologische restverschijnselen
geassocieerd met een verslechtering
?
(rarely)
transstadial
transmission
Ixodes ricinus
Ixodes spp.
transstadial
transmission
transstadial
transmission:
low importance
Fig. 2: Overzicht van de transmissiecyclus van TBE–virus. Bron: Pfeffer and Dobler, 2011.
van kwaliteit van leven en
restverschijnselen die aanwezig zijn na
één jaar, geven een slechte prognose 3.
Op basis van een beperkt aantal
beschikbare case reports bij de hond
kan worden aangenomen dat een
TBE-infectie op vergelijkbare wijze
verloopt als bij de mens. Echter, in die
gevallen waarbij een TBE-infectie ook
is bevestigd door middel van
(aanvullend) laboratoriumonderzoek,
verliep de ziekte zeer ernstig met
meestal een fatale
10. HET TEKENPROTOCOL
afloop.
- In gebieden waar teken voor kunnen komen (hoog gras e.d.) dient u
Beschreven
uzelf en uw buddy te controleren op teken (visueel; elke 8 uur)
incubatieperiodes
- Bij de controle speciaal aandacht voor vochtige plaatsen van het
lichaam (oksels, liezen d.d.)
varieerden van minder
De teek dient z.s.m. te worden verwijderd.
dan
één week tot meer
Zie voor details afbeelding op volgende bladzijde.
- Voor het verwijderen gebruik maken van een tekentang of
dan twee weken. Een
tekenpincet (1,2).
algemeen verschijnsel
- Pak de teek beet zo dicht mogelijk bij de huid, LET OP teek NIET
was het ontstaan van
samenknijpen (3).
- De teek met een continue wrikkende bebeging recht omhoog trekken
koorts (tot wel 41.4 qC)
(4).
en duidelijke afwijkingen
- Na het verwijderen beetplek desinfecteren.
- Laat het verwijderen van een teek opnemen in uw medisch dossier.
in gedrag:
voedselweigering,
toegenomen agressie,
schrikreacties of
apathie.
Alle zieke honden
vertoonden
neurologische
problemen via een
vertraagde proprioceptie
(voetstandcorrectiereflex bij
dubbeltreden) en
hyporeflexie in voor- en
achterpoten. Aanvullend
klinisch-neurlogisch
onderzoek toonde onder
andere aan (tetra-)
parese, algemene
ataxie, strabismus
Fig. 3: Instructiekaart tekenprotocol 8-1 (1e druk).
(vestibulair syndroom),
NMGT 67 - 1-44
33
JANUARI 2014
gevoelloosheid aan de kop maar
overgevoeligheid aan hals
(riem/correctie!) en
oogstand / ooglidafwijkingen.
Typische afwijkingen bij klinische
TBE-gevallen die gevonden kunnen
worden bij aanvullend bloedonderzoek
zijn een verhoogde telling van
leukocyten en monocyten en
toegenomen eiwitconcentraties in de
liquor. Verdere bevestiging van een
TBE-infectie kan door middel van
beschikbare Polymerase Chain
Reaction (PCR)-technieken4.
Preventieve maatregelen
Daar zowel militairen als werkhonden
ingezet kunnen worden in gebieden
endemisch voor TBE, en beiden
geïnfecteerd kunnen raken zowel
vanuit de omgeving als ook vanuit de
hondengeleider-hond relatie (hond als
vector van geïnfecteerde teek), dienen
preventieve maatregelen ook voor
beiden genomen te worden.
Als uitgangspunt voor te nemen
preventieve maatregelen bij zowel
mens als hond kan de bestaande
Instructiekaart (IK) 8-1 (1e druk)
worden toegepast.
Hierbij dient dan te worden opgemerkt
dat honden preventief behandeld
kunnen worden om tekenbeten te
voorkomen met middelen geregistreerd
op basis van permethrin, fipronil,
methopreen, propoxur, flumethrine,
pyriprole, bendiocarb en deltamethrin.
Deze kunnen worden ingezet als
poeder, shampoo, ‘spot-on’ of
halsbanden2.
In IK 8-1 is een specifiek tekenprotocol
opgenomen dat ook bij een hond
gevolgd kan worden:
- Visuele controle van de huid
(iedere 4 uur), van kop tot staart.
Speciale aandacht aan huid onder
halsband of borsttuig;
- De teek dient z.s.m. verwijderd te
worden. Werkwijze identiek als bij
de mens;
- Na het verwijderen de beetplek
desinfecteren;
- Registreer het verwijderen van de
teek in het veterinair dossier van de
hond (datum/tijdcode).
Eventueel kan voor aanvullend
onderzoek de teek na verwijdering
worden opgestuurd naar het
Centrum voor Teekgebonden Ziekten
(Utrecht Centre for Tick-borne
Diseases (UCTD), Departement
Infectieziekten & Immunologie van de
faculteit Diergeneeskunde in Utrecht,
onder vermelding van de details
omtrent waar/wanneer de teek is
verwijderd.
Indien wordt vermoed dat er een
infectie met TBE in een hond is
opgetreden, op basis van ontstane
klinische symptomen, dient
onmiddellijk contact gezocht te worden
met de aan de eenheid verbonden
(civiele) dierenarts. In een uitzend- of
oefengebied kan ook contact worden
opgenomen met de lokale dierenarts
die tijdens de verkenning al is
benaderd voor mogelijke inzet. Er is
echter geen gerichte behandeling
tegen TBE-infectie bij honden
beschikbaar; enkel bestrijding van
symptomen en het onderhouden van
belangrijke lichaamsfuncties4.
Als aanvullende preventieve maatregel
kunnen militairen gevaccineerd worden
tegen TBE. Een volledige serie
vaccinaties bestaat uit drie doses
waarna een beschermingsduur van
drie jaar geldt. Na het verlopen van de
beschermingsduur kan revaccinatie
plaatsvinden door middel van
één boosterinjectie5. Op dit moment
zijn de in Europa beschikbare vaccins
tegen TBE (Novartis en Baxter) nog
niet geregistreerd voor gebruik in
dieren. Eerdere resultaten toonden
echter al wel aan dat deze vaccins in
honden gebruikt zouden kunnen
worden4.
Conclusie
Naast de militair loopt de werkhond
ook een infectierisico wanneer deze
wordt ingezet in gebieden endemisch
voor TBE. Praktisch uitvoerbare
preventieve maatregelen zijn
vergelijkbaar tussen mens en dier met
dat verschil dat de militaire werkhond
in deze geen invulling kan geven in zijn
rol als buddy van de hondengeleider.
SUMMARY
PREVENTION IS BETTER THAN A
CURE: PRACTICAL CONTROL
MEASURES TO PREVENT TICKBORNE ENCEPHALITIS IN
MILITARY PERSONNEL AND
WORKING DOGS
Both military personnel and their
working dogs run the risk of getting
infected with tick-borne encephalitis in
endemic regions. Different practical
and preventive measures are available
for working dogs to reduce this risk. It
is recommended to assess the
possible animal disease risks present
in the foreseen theatre of operations
during the planning phase of an
exercise or mission.
Referenties:
1. Koninklijke Landmacht, 43 Gemechaniseerde
Brigade BHK Sectie GMED, FHP: Peacock
Reloaded MTA Boletice (CZE) GMED
Verkenningsverslag 2013 31-39.
2. Groenveld H., Jager J., Otte C., Gaastra W.,
Lipman L.: Wat de praktiserende dierenarts
moet weten over ‘Tick borne Encephalitis’
Tijdschrift voor Diergeneeskunde 2010
(135 / 11) 458-459.
3. LCI/CIb/RIVM-richtlijn infectieziektebestrijding:
Tekenencefalitis 2010.
4. Pfeffer M., Dobler G.: Tick-borne encephalitis
virus in dogs - is this an issue?
Parasites & Vectors 2011 (4) 59.
5. Koninklijke Landmacht, 43 Gemechaniseerde
Brigade BHK Sectie GMED: Nota maatregelen
FSME oefening Bohemian Peacock
26 nov 2012.
MEDEDELING
Netherlands School of Public &
Occupational Health
Inlichtingen www.nspoh.nl, telefoon (020) 4097000, e-mail [email protected]
Doelgroep: professionals werkzaam op het gebied van arbeid en gezondheid, met
veranderkunde vraagstukken. Dat zijn onder andere: bedrijfsartsen,
arbeids- , HRM-, veiligheids-, arbeids- en organisatiedeskundigen,
beleidsmedewerkers, arbeidshygiënisten, bedrijfsmaatschappelijk werkers,
bedrijfsverpleegkundigen, bedrijfsfysiotherapeuten, bedrijfspsychologen en
preventiemedewerkers.
Data:
vrijdag 4 en 11 april, 9, 16 en 23 mei, 6 juni 2014
Kosten:
€ 2750
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=737
Soa: theorie en achtergronden voor doktersassistenten
Vergroot uw kennis over soa en oefen vaardigheden in het gebruik van triagesystemen.
Doelgroep: doktersassistenten werkzaam op een soa polikliniek van een GGD
Data:
vrijdag 28 maart en 4 april 2014
Kosten:
€ 625
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=755
SOLK en somatoforme stoornissen; beoordelen en begeleiden
Regelmatig wordt een gevoel van machteloosheid of ergernis beschreven bij confrontatie
met mensen met SOLK (somatisch onverklaarde lichamelijke klachten). Is het mogelijk
mensen met dergelijke problematiek actief, systematisch en proces- dan wel
tijdscontingent te begeleiden? Ontwikkel praktische skills.
Doelgroep: bedrijfs- en verzekeringsartsen (zowel geregistreerd als in opleiding). Ook
voor andere arbo- of re-integratieprofessionals die direct contact hebben
met cliënten met SOLK en die 'somatiseren' is deze module interessant.
Datum:
maandag 31 maart 2014
Kosten:
€ 425
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=21
Verslaving en werk
Leer meer over verslavingsproblematiek op de werkplek, juridische aspecten, preventie
en uw rol als arts en professional, het implementeren van efficiënt en doeltreffend
verslavingsbeleid en effectief begeleiden bij het stoppen met problematisch gebruik.
Doelgroep: bedrijfs- en verzekeringsartsen (geregistreerd en in opleiding),
A&O psychologen, A&O deskundigen, beleids- en preventiemedewerkers,
P&O’ers en geneeskundig adviseurs
Data:
vrijdag 4 en 11 april 2014
Kosten:
€ 770
Locatie:
Eindhoven
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=312
Opfrissen richtlijn psychische problemen
Korte en deels filevrije module om uw kennis en vaardigheden van de
NVAB-richtlijn psychische problemen te updaten.
Doelgroep: verzekerings- en bedrijfsartsen
Data:
donderdag 3 en 24 april 2014
Kosten:
€ 525
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=14
Motiverende gespreksvoering in de public health
Interpersoonlijke gespreksvoering blijkt de sleutel tot succes als u mensen wilt stimuleren
tot gezond gedrag. Oefen gesprekstechnieken om te komen tot een innerlijk verankerd
besluit, dat stand houdt ondanks twijfel en teleurstelling.
Doelgroep: preventiemedewerkers, artsen, patiëntenvoorlichters en andere professionals
die zich bezighouden met het motiveren van de ander tot gezonder gedrag.
Het kan hierbij gaan om gesprekken direct met een cliënt, maar ook om het
trainen van intermediairen op dit onderdeel.
Data:
maandag 7 en 14 april 2014
Kosten:
€ 925
Locatie:
Utrecht
Link:
http://www.nspoh.nl/page.ocl?pageid=32&id=363
Veranderkunde
Adviseert u over het implementeren van een vernieuwing rondom arbeid & gezondheid?
In deze module komen uw advies- en veranderkundige vaardigheden bij elkaar. U
analyseert een eigen praktijkcase. Na afloop weet u hoe u een theoretisch onderbouwde
keuze maakt voor een veranderkundige interventie.
NMGT 67 - 1-44
34
JANUARI 2014
OORSPRONKELIJK ARTIKEL
“Levende mascottes”; voors en tegens
door reserve tweede luitenantEen nuancering dierenarts Bram van Schaik
Samenvatting
Een levende mascotte heeft vele voordelen; ze geven genegenheid, treden
op als waakdier en kunnen functioneel zijn (bijv. kippen die schorpioenen
oppikken in de compound). Conform CDS-aanwijzing A-477 is het verboden
om een levende mascotte tijdens langdurige oefeningen en uitzendingen te
hebben.
Toch zijn er vaak mascottes. We kunnen vast blijven houden aan het feit dat
het niet mag of we kunnen tips geven om de kans op het oplopen van een
zoönose of verwondingen door deze mascottes zo klein mogelijk te maken.
Daarvoor is veterinaire expertise onontbeerlijk. Daarom een pleidooi voor
een “nee, tenzij”-beleid aangaande het hebben van mascottes; het mag niet,
tenzij een aantal zaken aangaande de dieren en de militairen strak in acht
wordt genomen. En dit vereist voor iedere langdurige oefening en
uitzending een nieuwe inschatting, waardering en advisering van risico’s
door de militaire dierenarts. De eindbeslissing ligt dan uiteindelijk bij de
commandant.
Inleiding
Gedurende oefeningen en missies is
het in beginsel niet toegestaan om
levende have mee te voeren of lokaal
in het kamp op te nemen. De hieraan
ten grondslag liggende reden is dat
dieren bepaalde pathogenen bij zich
kunnen dragen die ziekten kunnen
veroorzaken bij de mens. Daarnaast
kunnen ze verwondingen veroorzaken
door bijt- en krabincidenten met bijna
altijd wondinfecties tot gevolg.
Maar waarom worden we in het veld
toch regelmatig met mascottes
geconfronteerd en wat zijn de voor- en
nadelen van een ”levende mascotte”?
Behoefte aan contact
Veelal zijn oefeningen kortstondig van
duur, van maandag tot vrijdag, soms
met een weekend aansluitend. Tijdens
dat soort oefeningen is de behoefte
aan sociale omgang snel gestild, mede
door interactie met collegae en het
vooruitzicht op het thuisfront aan
het einde van de oefening.
Gedurende langere oefeningen zoals
twee maanden schiet- of bergtraining,
drie maanden wintertraining bij het
Korps Mariniers en bij uitzendingen
van drie tot zes maanden, is de
ervaring dat naar verloop van tijd een
sterke behoefte aan sociale interactie
ontstaat. Maar met wie of wat
eigenlijk?
Tegenwoordig zijn er vanzelfsprekend
de “sociale” media, waardoor men
goed met de buitenwereld kan
communiceren. Dit lijkt echter eerder
bij te dragen aan de individualisering
van de gemeenschap. Dit is niet de
warmte en genegenheid die bewust of
onbewust wordt gezocht. Voornamelijk
onbewust natuurlijk, want militairen zijn
geen watjes, maar stoere kerels en
vrouwen die niet snel blijkgeven af en
toe te willen knuffelen. Een dier wordt
als militaire mascotte geadopteerd
door een militaire eenheid voor
ceremoniële doeleinden of als
embleem van een eenheid, zoals
Kees de Bok van het Regiment
Stoottroepen. Een dier dat wordt
gehouden als mascotte is vaak niet
opgeleid om te dienen in
oorlogsgebieden of om als
transportmiddel te worden ingezet, in
tegenstelling tot een dier dat wordt
gebruikt voor militaire doeleinden.
Bovendien zijn de dieren vaak
afkomstig uit het wild of uit een
zwerfdierenpopulatie.
De rol van huisdieren op het welzijn
van de mens in het algemeen
Dieren worden door 80% van de
eigenaren in Nederland beschouwd als
volwaardig lid van het gezin. Ze
kunnen een belangrijke rol spelen bij
de ontwikkeling van kinderen, het
verminderen van ziekteverzuim en
huisartsbezoek en de behandeling van
gedragsproblemen. Gezelschapsdieren
bevorderen de socialisatie, vormen een
doel in het leven en reduceren stress.
Het uitlaten van de hond heeft een
positieve invloed op de gezondheid
van hart- en bloedvaten door de
beweging en levert meer sociale
interacties op met andere mensen.
Het huisdier vormt namelijk een goede
aanleiding om een gesprek aan te
knopen. Een andere aangetoonde
positieve invloed betreft een
bloeddruk- en hartslagverlagend effect
dat optreedt bij het aaien van een
vriendelijk uitziende hond. Honden- en
kattenbezitters blijken bij een
hartaanval een significant grotere
overlevingskans te hebben dan
mensen zonder huisdier. Dieren
worden ook bij verschillende
therapieën gebruikt. Ze spelen onder
andere een belangrijke rol in
NMGT 67 - 1-44
35
JANUARI 2014
‘Warrior in transition programs’, die
zijn opgezet om het posttraumatisch
stresssyndroom (PTSS) bij militairen
en ex-militairen te verminderen.
Hierover zullen wij op een later
moment nog een artikel schrijven.
De band tussen mens en dier kan zelfs
zo sterk zijn dat er militaire ‘noncombattant’-evacuaties zijn stil gelegd
tot de dieren mee konden komen.
Huisdieren tijdens uitzendingen
Steven Baan, kapitein der mariniers
vertelt: “Een (zwerf)hond die komt
aanlopen bij de compound, wordt al
snel aangehaald en gevoerd. Het dier
krijgt vaak snel een ludieke naam,
gebaseerd op het uiterlijk en
karaktertrekjes en een hondenhok is al
snel een feit. In Cambodja waren er in
1992 bijvoorbeeld honden met namen
als “Relus” (naar Relus ter Beek, de
minister van Defensie destijds), “Ien”
(naar Ien Dales, destijds minister van
Binnenlandse zaken) en “Tinus” (die
per ongeluk werd overreden door een
rupsvoertuig en kwispelend verder
liep…). Dergelijke honden liepen (als
enigen) vrij de compound in en uit en
blaften vrolijk als een eenheid
terugkwam van patrouille en gromden
en blaften naar vreemden en andere
levende wezens. Er werd niet blind op
vertrouwd, maar ze gaven wel een
gevoel van een beetje extra veiligheid.
De honden gingen zelfs vaak mee op
patrouille. Ze waren van niemand,
maar iedereen diende er wel vanaf te
blijven; kwam je aan de hond, dan
kwam je aan iedere betrokken soldaat!
Ook uit het voormalig Nederlands-Indië
zijn gevallen bekend waarbij lokale
honden gebruikt werden om een
compound te beveiligen.
De honden sliepen ergens buiten, nooit
binnen. De medics keken geregeld of
er eventuele ziekten aanwezig waren.
De dieren werden naar behoefte
gevoerd waardoor ze niet dik werden.
Soms worden er andere dieren
gehouden. Voorbeelden zijn een
python, een wurgslang (gifslangen
werden natuurlijk niet gehouden)
genaamd “Jake the Snake” en een
varaan. Er werd streng op gelet dat er
op correcte wijze werd omgegaan met
de beesten.
De auteur is Functioneel Specialist - Dierenarts
1 Civiel en Militair Interactiecommando (1 CMI Co),
Operationeel Ondersteuningscommando Land.
Voor vragen: e-mail [email protected]
Kapitein Baan is trainingsofficier Mobility van het
Mariniers Training Commando (MTC).
Artikel ontvangen oktober 2013.
Ondanks dat veelal wordt gedacht dat
militairen in den vreemde
“verwilderen”, is er juist een enorme
sociale controle op normen en
waarden. De “mascottes” blijken
daarbij een essentiële rol te vervullen.
Amerikaanse collega’s voeren een
Engelse Bulldog als mascotte
(“Chesty XIV”). Deze hond heeft,
buiten zijn eigen registratienummer op
zijn dogtag, ook zijn eigen verzorgers
en uniform.”
Baan gaat verder: “Op Aruba liepen op
een bepaald moment veel
zwerfhonden op het kamp. Dat was
onwenselijk omdat ze een agressieve
roedel vormden tegen de militairen. Die
honden zijn toen opgehaald, maar een
drietal jonge honden uit een nest
kwamen weer terug. Toen ook die
verwijderd zouden worden, bleken ze
ineens een halsband te hebben als
teken dat ze toch echt van iemand
moesten zijn. Daarop prijkten de
namen “Rataplan”, “Ratjetoe” en
“Ratatouille”. Uiteindelijk werd er geld
ingezameld om ze te laten steriliseren.
Ze werden centraal gevoerd, sliepen bij
de botenloods en hielden andere
honden uit het kamp.”
Tegenwoordig worden honden ook
weer gebruikt bij tactische operaties
als waakhond of speurhond.
Het Korps Mariniers heeft weer
lastdieren geïntroduceerd. Niet alleen
het werken met de lastdieren, maar
vooral de verzorging krijgt uitgebreide
aandacht, waarbij het opvalt dat de
grote stoere verzorgers al snel iets
langer borstelen en vaker een extra
appeltje of wortel schijnen te eten.
Risico’s van huisdieren tijdens
uitzendingen
Zoals hiervoor vermeld, wordt het
aantrekken en houden van onbekende
huisdieren en andere dieren ontraden
vanwege de mogelijke aanwezigheid
Afb. 1 en 2: Rabiës ‘awareness’ campagne; een bewustwordingscampagne van US Army over de
risico’s van hondsdolheid. Bron: USAPHC.
van infecties die een risico kunnen
vormen voor de mens. Het gaat dus
om risico’s bij directe contacten met de
dieren. Veruit de belangrijkste daarvan
is hondsdolheid (rabiës) bij hond en
kat. Vooral in de verschillende
uitzendingsgebieden komt deze
virusaandoening nog regelmatig voor,
ook bij andere diersoorten.
Dieren die het rabiësvirus bij zich
dragen, kunnen dat op mensen
overbrengen door bijten, krabben,
maar ook door bijvoorbeeld het likken
van een hand waar een wondje op zit.
Het virus zit in het speeksel van
besmette dieren. Als mensen besmet
worden met hondsdolheid en niet op
tijd met medicijnen behandeld, dan
komen ze vrijwel zeker te overlijden ten
gevolge van de ziekte. Bij dieren kan
rabiës herkend worden aan agressie of
plotseling veranderend gedrag, maar
ook dieren die zich (nog) niet vreemd
gedragen, kunnen echter al langere tijd
met het virus besmet zijn. De beste
Afb. 3: Levenscyclus Echinococcus granulosus. Bron: The Lancet Infectious Diseases 2007; 7: 385-94.
NMGT 67 - 1-44
36
JANUARI 2014
manier om te voorkomen dat men
besmet raakt is om geen loslopende
dieren aan te halen en mee te nemen
naar het kamp, aangezien die altijd
plotseling kunnen krabben of bijten.
Bijtwonden zijn de meest voorkomende
ongelukken met (onbekende) honden
en katten. Gezien de aanwezige
bacteriën in de bek van deze dieren en
de aard van de verwondingen zijn
wondinfecties in bijna alle gevallen het
gevolg, soms met dodelijke afloop.
Bij de hond komt in grote gebieden van
de (derde) wereld een voor het dier
onschuldige lintworm voor, de
Echinococcus granulosus. Dit is een
broertje van de in Nederland bekende
vossenlintworm.
De eitjes van deze wormen worden via
de ontlasting uitgescheiden en kunnen
op de vacht van de hond terecht
komen. Ze zijn direct besmettelijk voor
tussengastheren, zoals schapen,
geiten en de mens. Bij het aaien van
de dieren worden deze eitjes via de
handen overgebracht naar de mond.
In het lichaam van de mens vormt zich
een langzaam groeiende blaasworm in
de lever. In sommige gevallen kan
deze ook in andere organen, zoals
longen of hersenen, worden gevonden.
Honden en katten kunnen ook vlooien,
luizen en teken bij zich dragen die als
vector diverse infecties kunnen
overbrengen op de mens. Hoewel deze
parasieten ook buiten het kamp
opgelopen kunnen worden, is het
ongewenst ze via huisdieren binnen
een compound te brengen omdat daar
door de lossere kledingstijl een groter
risico bestaat om belaagd en gebeten
te worden.
Tenslotte kunnen honden en katten
huidschimmel- of schurftinfecties
hebben die bij de dieren niet altijd tot
(gele slijmvliezen) hebben, niet braken,
geen diarree, geen koorts (> 39 °C). Dit
zijn slechts algemene tips.
Afb. 4: (Zichtbare) schimmelinfecties bij kat, hond en paard.
Bron: http://www.medicinenet.com/ en www.bokt.nl
Afb. 5: Ringworm (Tinea corporis) bij de
mens. Bron: www.huidziekten.nl/
klinische klachten leiden (zogenaamde
dragers). Dit geldt ook voor paarden
die als lastdieren gebruikt worden.
Persoonlijke hygiëne na contact met
dergelijke dieren en hun huisvesting is
noodzakelijk om infecties te
voorkomen.
Ook bij andere diersoorten, in met
name derdewereldlanden, kunnen
infecties aanwezig zijn die een risico
vormen voor de mens. Het is van
essentieel belang dat deze risico’s in
de voorbereiding op een uitzending of
langdurige oefening door militaire
dierenartsen in kaart gebracht worden
en op waarde geschat. Op deze
manier kan er gericht advies gegeven
worden om de kans op het oplopen
van een zoönose tot een minimum te
beperken.
Aanbevelingen
In een militair kampement mogen bij
voorkeur geen lokale (zwerf)dieren
binnenkomen conform CDS-aanwijzing
A-477. Mocht de commandant van de
eenheid, bijvoorbeeld om operationele
redenen, anders besluiten, dan kan dat
te allen tijde.
Momenteel wordt er gewerkt aan een
standaardprotocol waarin de
Als reptielen als mascotte worden
voorbereidingsactiviteiten worden
gehouden, dan moet er rekening mee
opgenomen voor militaire honden die
worden gehouden dat deze
meegaan op uitzending. Dit kan
salmonellabacteriën uitscheiden die in
aangepast worden indien zich een
sommige gevallen ook bij de mens
situatie voordoet van operationele aard
infecties kunnen veroorzaken. In het
zoals hiervoor bedoeld. Op het
algemeen zijn personen met
moment dat dit protocol gereed is, zal
verminderde weerstand hier extra
dit in een artikel met de lezers worden
gevoelig voor. Dat kunnen ook
gedeeld. Als men een plaatselijk dier
militairen zijn als die onder extreme
wil opnemen, dan is het dringende
omstandigheden leven en werken.
advies om goed op de
gezondheidsstatus van
het dier te letten. De
dierenarts is hiervoor in
eerste instantie de
meest aangewezen
persoon. Met een
scherp klinisch oog kan
de kans op ellende
verminderd worden; zo
mag het niet te mager
zijn, geen huidlaesies
hebben, geen
ectoparasieten
bevatten, geen
bloedarmoede (te bleke
Afb. 6: Wees scherp tijdens de selectie van levende mascottes op
slijmvliezen) of icterus
verschillende gezondheidsaspecten.
Bij huidcontacten met de dieren,
bijvoorbeeld aaien en knuffelen, kan
een infectie gemakkelijk worden
overgedragen en bij de mens
huidinfecties (zoals ringworm)
veroorzaken. Deze zijn ongevaarlijk,
maar kunnen langdurig ernstige
jeukklachten veroorzaken.
NMGT 67 - 1-44
37
JANUARI 2014
Vervolgens dient men er zeker van te
zijn dat dit dier niet besmet is met
rabiës; dit kan vastgesteld worden met
behulp van bloedonderzoek. Verder
gelden ook voor deze dieren de
genoemde eisen m.b.t. vaccineren en
ontwormen. Idealiter zou er rekening
gehouden moeten worden met een
quarantaineperiode totdat de
vaccinaties daadwerkelijk bescherming
bieden (3-4 weken). Dit alles onder
supervisie van een dierenarts.
Naast de verzorging van het dier is een
goede persoonlijke hygiëne (handen
wassen na contact met dieren en het
niet laten likken van het gezicht of
verwonde handen) essentieel om een
aantal zoönosen te kunnen
voorkomen. Wees voorzichtig in de
omgang met (onbekende) dieren.
Voorkom altijd dat deze kunnen bijten,
krabben of likken en wees bedacht op
plotseling agressief gedrag.
Het verdient aanbeveling om in de
voorbereiding op een langdurige
oefening of uitzending een militaire
dierenarts de lokale veterinaire situatie
in kaart te laten brengen, risico’s te
laten benoemen, deze op waarde te
schatten en concrete adviezen te laten
geven voor dieren met het oog op de
(militaire) (volks)gezondheid.
SUMMARY
LIVE MASCOTS; PROS AND CONS
There are many advantages to keep
live mascots in the compound; they
provide comfort and affection, they can
be held as guard dogs. Besides those
facts, some mascots have some
practical advantages, such as eating
scorpions in the compound. According
to CDS A-477 it is forbidden to keep
live mascots in the compound during
exercises and operations.
But we know that mascots are kept
quite often. We could stick to the fact
that it is forbidden to keep them or we
could give some leeway accompanied
by advice to reduce the risk of getting
wounded or infected by those animals.
Therefore veterinary expertise is
essential.
The author pleads for a “No, unless”
principle; it is not permitted, unless
some strict rules are taken into account
about both the animals and the military
personnel.
This principle requires a new
consideration, evaluation and advice
by a military veterinarian for each
major exercise and mission abroad.
The final decision is always up to the
Commander.
OORSPRONKELIJK ARTIKEL
War Horse
door ir. John C. Carp
Een persoonlijke geschiedenis
Samenvatting
2012 was een jaar waarin binnen het Verenigd Koninkrijk veel belangstelling
was voor de rol van het paard tijdens de Eerste Wereldoorlog. De film War
Horse, van Steven Spielberg, het gelijknamige theaterstuk en een grote
tentoonstelling in Londen; “War Horse: Fact & Fiction” , trokken veel
aandacht. De werkelijkheid voor de paarden tijdens de oorlog was een
grimmige. Niemand kon dat beter weten dan Major-General-Veterinarian
John Moore, Director van de Britse (Imperial) Veterinary Services aan het
Westfront. Zijn kleinzoon heeft na ontdekking van de dagboeken van zijn
grootvader er dit artikel over geschreven. De rol van het militaire paard, de
belangrijke bijdrage van deze aan de eindoverwinning, de militaire
dierenarts en de veterinaire verzorging komen allemaal ter sprake.
Voorwoord
In 2014 is het 100 jaar geleden dat de
Eerste Wereldoorlog begon. Tijdens
het Operational Seminar van het
Commando Landstrijdkrachten is hier
al aandacht aan besteed. De
Eerste Wereldoorlog was een tijdperk
waarin de dierenarts zijn traditionele rol
als paardenarts vervulde. Toch vonden
er ook veel innovaties plaats. Zo leerde
de militaire veterinair dat hij, net als nu,
vooral preventief op moest treden. Met
aandacht voor hygiëne, logistiek en
echelonnering van patiëntenafvoer. Het
artikel is eerder verschenen in
"Chiron Calling", het bulletin van de
Royal Army Veterinary Corps. Maar er
is een bijzondere link met Nederland
en daarom wilden we u dit artikel niet
Afb. 1: John Moore.
onthouden. De Nederlandse auteur is
namelijk de kleinzoon van MajorGeneral John Moore, die als Britse
paardenarts een zeer belangrijke rol
vervulde aan het Westfront.
Kolonel-dierenarts (R)
B.A. Steltenpool
Introductie
Begin 2012 draaide onder grote
belangstelling “War Horse”, de laatste
film van regisseur Steven Spielberg, in
de Nederlandse bioscopen. Gelijktijdig
en tot augustus 2012, was in het
National Army Museum (NAM) te
London, de tentoonstelling “War Horse,
Fact & Fiction” te bezichtigen en was
eveneens in Londen de veelbesproken
theaterproductie
“War Horse” te zien
met fantastische
levensgrote
paardenmarionetten.
Voor al die activiteiten
vormde het
gelijknamige boek van
Michael Morpurgo, dat
ook in het Nederlands
is vertaald, de grote
inspiratiebron1.
In het kinderboek
“War Horse” is een
paard de hoofdpersoon
in een fictieve
geschiedenis uit de
Eerste Wereldoorlog.
Het boek, de film en de
theaterproductie
concentreren zich op
de lotgevallen van één
paard, Joey, waarvan
de levensloop wordt
gevolgd tegen de
achtergrond van de
dramatische - en
geromantiseerde oorlogshandelingen. In
de tentoonstelling van
het NAM wordt de rol
van paarden in
oorlogstijd veel
NMGT 67 - 1-44
38
JANUARI 2014
uitgebreider belicht, maar op een
manier die voor het algemene
museumpubliek, waaronder veel
kinderen, toegankelijk is.
Vooral in de film wordt de grimmige
werkelijkheid zichtbaar, maar in feite
was die werkelijkheid nog veel
navranter: Het ging om miljoenen
paarden die vaak onder afschuwelijke
omstandigheden moesten werken.
Het is daarom nodig dat naast de
“fiction” ook de “facts” aandacht
krijgen, zoals door de “Director
Veterinary Services, British
Expeditionary Force, France” in het
voorwoord van zijn essay uit 1934,
“Our Servant the Horse”2:
“Indeed, it may truthfully be claimed
that the ultimate defeat of the Central
Powers, Germany and Austria, was in
a large measure due to their inability to
obtain horses for remounting their
Armies.”
De vijand was eerder door zijn paarden
heen, en had mede hierdoor diens
nederlaag tot gevolg.
Het toeval wil, dat deze woorden
werden geschreven door
Major-General Sir John Moore, de
Engelse grootvader van de auteur3.
Boerenafkomst
John Robert Moore, 1864-1940,
geboren in het boerendorpje Longhirst
in Northumberland, was de vierde zoon
in een groot gezin met twee
welvarende boerenbedrijven.
De oudere broers kwamen als eersten
in aanmerking om de boerderijen voort
te zetten en John moest iets anders
verzinnen. Hij werd toegelaten tot de
faculteit diergeneeskunde van het
New College, Edinburgh University,
waaraan hij al in 1885 afstudeerde. Hij
kon zijn studie voor een deel zelf
bekostigen met het prijzengeld, dat
verbonden was aan goede
studieresultaten. Hiervan getuigen een
aantal penningen met opschriften als
“To John Moore for Horse Pathology,
New Veterinary College Edinb. 1885”.
Na zijn afstuderen was hij 4,5 jaar
werkzaam bij een
diergeneeskundepraktijk in
Manchester, gespecialiseerd in
paarden.
Bouwkundig ingenieur/architect.
De auteur had een Engelse grootvader die
dierenarts was en een hoge positie bekleedde in
het Britse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Artikel ontvangen oktober 2013.
Afb. 2: Condities aan het front.
In 1889 trad hij als dierenarts in
dienst van het Britse leger, bij het
Army Veterinary Corps, waar hij een
bliksemcarrière maakte, en in 1918
werd beloond met een hoge functie in
de rang van Major-General, vooral
vanwege zijn grote verdiensten tijdens
de Great War, de periode van
“War Horse”.
Militaire campagnes
Voor de oorlog participeerde hij in
belangrijke militaire campagnes van de
“British Empire”, bijvoorbeeld in de
Slag bij Dongola in1896 en Omdurman
in1898 in Sudan, onder aanvoering van
de bekende generaal Kitchener.
De bekendste veldtocht waaraan hij
deelnam was de “Relief of the Seige of
Mafeking” in Zuid-Afrika, die in 1900
het keerpunt vormde van de
Tweede Boerenoorlog,
Hij diende ook in Brits-Indië, waar hij
betrokken was bij campagnes in
Waziristan in het grensgebied met
Afghanistan. John Moore’s
“Military Record” vermeldt dat hij het
Hindustani meester was en hij zal zich
zeker hebben ingespannen voor de
opleiding van de lokale
veeartsenijkundige kaders.
Veterinaire activiteiten
Het Army Veterinary Corps (AVC) als
zelfstandig legeronderdeel, bestond
toen nog niet. De Veterinary Officers
waren toegevoegd aan de regimenten
en zij droegen dan ook de uniformen
van hun onderdeel. Het Corps zou pas
na de Boerenoorlogen zelfstandig
worden. De verliezen waren toen
enorm. Van de 669.275 paarden en
muildieren die hebben deelgenomen
aan deze oorlogen stierven er 400.575,
waarbij moet worden aangetekend dat
het merendeel als gevolg van ziekte
stierf. In 1903 kreeg de omvorming
haar beslag. Men mag aannemen dat
John Moore aan deze omvorming heeft
meegewerkt.
John Moore’s voornaamste werk was
de zorg voor paarden in het algemeen
en voor de grote stoet trainers,
verzorgers en veterinair personeel.
Hier toonde hij zijn wetenschappelijke
en organisatorische talenten,
ondermeer door te zorgen voor nieuw
bloed in de Britse paardenstand. Hij
kocht paarden in de USA, Canada,
Mexico en Argentinië - en vanuit
Brits-Indië, in Australië. Met zijn grote
praktische en wetenschappelijke
kennis had hij een goed oog voor
welke eigenschappen van belang
waren voor de verschillende
categorieën paarden in het Britse
leger.
The Great War
De belangrijkste periode van zijn leven
was ongetwijfeld de Great War4; hij
behoorde in 1914 tot de eerste groep
militairen die overstak naar Frankrijk.
Gedurende de gehele oorlog was hij
“Director of Veterinary Services”.
Volgens zijn necrologie, na zijn
overlijden in 1940 opgenomen in
The Veterinary Journal5, is het feit dat
hij nooit werd teruggeroepen of
vervangen, een bewijs van zijn goede
functioneren. Hij zag zijn
verantwoordelijkheid groeien voor
uiteindelijk 767 veterinaire officieren en
16.400 manschappen. De door hem
gestichte paardenhospitalen vingen
gemiddeld 35.000 zieke en gewonde
dieren op per jaar. De necrologie
vermeldt dat hij ieder van zijn officieren
en zelfs vele manschappen persoonlijk
kende. Hij had een zeer goede relatie
met zijn superieuren en collegae van
andere legeronderdelen en ook met die
van de geallieerden. Zijn goede
beheersing van het Frans, zoals
NMGT 67 - 1-44
39
JANUARI 2014
vermeld in zijn Military Record, zal
hieraan zeker hebben bijgedragen.
Volgens de necrologie was de Army
Veterinary Service één van de weinige
onderdelen van de militaire machinerie,
die haar reputatie en discipline
ongeschonden tot het eind van de
oorlog wist te bewaren.
Veterinaire basisdepots namen de
paardenpatiënten over van de
vooruitgeschoven depots aan het front.
Al snel bleek de behoefte aan
chemisch en bacteriologisch
onderzoek, mede voor het
vervaardigen van vaccinatiemateriaal.
Vergiftiging kwam veel voor door het
drinken van besmet open water. Het
bacteriologisch basislaboratorium in
Rouen was uitgerust met de modernste
apparatuur, geschonken door de
RSPCA, de “Royal Society for the
Prevention of Cruelty to Animals”.
Deze organisatie zorgde ook voor de
uitrusting van kleine laboratoria
verbonden aan de vijf veldhospitalen
voor dieren.
Enorme aantallen
Tussen augustus 1914 en midden
1918 werden nog eens ruwweg
450.000 dieren in het Verenigd
Koninkrijk bijgekocht. Op een gegeven
moment had de Expeditionary Force in
Frankrijk 475.000 dieren onder haar
hoede, waarvan 89.000 muildieren. Het
totale verlies aan dieren tot december
1919, als gevolg van sneuvelen, sterfte
en vermissing was echter gigantisch en
bedroeg ongeveer 250.000. Nog
afgezien van slachtoffers van
oorlogsgeweld, stierven paarden - en
mensen - ook door de ontberingen van
de winterse kou en barre
omstandigheden.
Voorafgaand aan de demobilisatie
in 1918 waren in Frankrijk reeds
25.000 dieren verkocht om de
agrarische sector aldaar op de been te
houden, maar later zou dit nog een
hogere vlucht nemen. Ook het
Franse leger werd door het Britse leger
van dieren voorzien, mede om het
enorme verlies te compenseren.
Tegen november 1917 waren
1.188.539 paarden gekocht in de VS
en Spanje om alle verliezen van de
geallieerde legers goed te maken. Het
ging hierbij vooral om trekpaarden. In
zijn boek “Army Veterinary Services in
War”6 waaraan deze gegevens zijn
ontleend, schrijft John Moore dat we
het zwakke gestel van het paard ten
opzichte van dat van de mens in
gedachten moeten nemen, om ons
erover te verwonderen dat de uitval
van paarden niet nog veel groter is
geweest. Een apart chapiter vormt de
problematiek van het adequaat
voederen en te drinken geven van de
paarden. Veel prachtige trekpaarden
legden het loodje door uitputting en
ondervoeding, vanwege de problemen
om het voer op tijd bij de linies te
krijgen. Bij de opsomming van alle
oorzaken voor uitval krijgen de
besmettelijke ziekten, zoals stomatitis
(qua symptomen gelijkend op
mond-en-klauwzeer) en schurft,
speciale aandacht. Deze noopte de
Veterinary Service tot grote
oplettendheid, doortastendheid en
inzet van specifieke kennis: “It is par
excellance the Veterinary Officer’s
war”, zo schrijft hij.
De Veterinaire Hospitalen en
Herstellingsoorden
De Veterinaire Hospitalen en
Herstellingsoorden vormden de kern
van de veterinaire dienst. De
chirurgische ervaring opgedaan in
deze voorzieningen heeft naar zijn
mening de veeartsenij van het
Verenigd Koninkrijk in zijn
algemeenheid op een hoger plan
gebracht. Van augustus 1914 tot
januari 1919 werden 725.216 paarden
opgenomen, 529.064 werden genezen,
18.975 stierven, 127.741 moesten
worden afgemaakt, 29.524 verkocht
aan agrariërs en 19.912 moesten nog
revalideren. De gedetailleerdheid van
de getallen is een indicatie van de
administratieve kwaliteiten van
John Moore, zonder welke het leiden
van deze gigantische operatie niet
mogelijk zou zijn geweest7. Bij het
begin van de oorlog in 1914 had
de Expeditionary Force
6 paardenhospitalen, ieder goed voor
250 paarden en verder 11 mobiele
units en 2 basis veterinaire
opslagcentra, bemand door
122 officieren en 797 manschappen.
Dit ten behoeve van de
53.000 paarden van de oorspronkelijke
Expeditionary Force. Na ruim 3 jaar
was de voorziening gegroeid tot:
‡ 18 hospitalen en
4 herstellingsoorden, tezamen
voor 39.800 zieke dieren;
‡ 17 evacuatiestations;
‡ 66 mobiele units;
‡ 5 depots voor veterinaire opslag;
‡ 1 bacteriologisch laboratorium en
‡ 7 (economische gerichte)
kadaververwerkingsunits.
De overzeese Britse gebiedsdelen
droegen daaraan nog 2 hospitalen bij,
ieder voor 1250 paarden,
2 evacuatiestations en 11 mobiele
units. De personeelssterkte van de
Britse Veterinary Service was gegroeid
tot 765 officieren en 16.446
manschappen8. De Canadese,
Australische en Nieuw-Zeelandse
veterinaire diensten waren volledig
Afb. 3: Paardenhospitaal De Demobilisatie.
georganiseerd volgens het Britse
model, zelfs wat betreft communicatie
en procedures. John Moore noteerde
dit als een aandachtpunt voor de
toekomst wanneer de veterinaire dienst
van Brits-Indië zou worden opgezet.
Daarmee zou hij later worden belast.
Ten slotte mag de demobilisatie van
het enorme aantal paarden niet
onvermeld blijven. Hierover geeft de
essay “Our Servant The Horse”
informatie, waarbij ook de
economische kant aandacht krijgt:
‡ Verkocht aan boeren en fokkers
112.132, opbrengst £ 3.778.907
‡ Verkocht aan Parijse paardenslagers
8.664, opbrengst £ 160.474
‡ Verkocht aan lokale paardenslagers
20.679, opbrengst £ 414.919
‡ Afgenomen t.b.v. krijgsgevangenen
3.903, opbrengst £ 76.665
‡ Afgenomen t.b.v. bijproducten
6.699, opbrengst £ 26.796
‡ Totaal van de hand gedaan
152.077, opbrengst £ 4.457.761
Alles in de ponden van toen9.
Het verhaal gaat, dat hij na de oorlog in
de adelstand is verheven, niet alleen
voor zijn verdiensten tijdens de oorlog,
maar ook voor de goede en lucratieve
manier waarop de overtollige paarden
hun nieuwe c.q. eindbestemming
kregen. Zijn onderscheidingen waren
de KCMG - Knight Commander of
St. Michael and St. George, de CB
- Gold Commander of the Bath en de
FRCVS - eigenlijk geen onderscheiding
maar een zelden toegekend eerbetoon
nl. Fellow of the Royal College of
Veterinary Surgeons. Verder ontving hij
de British War Medal 1914-1918 en de
Victory Medal. Wel heel bijzonder is de
zeer eervolle Franse onderscheiding
de Legion d’Honneur, de ster met de
vijf gevorkte stralen.
NMGT 67 - 1-44
40
JANUARI 2014
De Army Veterinary Service als
opleidingsinstituut
De plotselinge grote behoefte aan
veterinair personeel en de rekrutering
van militairen met totaal geen
achtergrond in het onderhouden,
managen, laat staan genezen van
paarden, stelde het AVC voor een
groot probleem. Basiskennis van de
fysiologie, anatomie en gedrag van het
paard was nodig en kennis ter
voorkoming van ziekten. Dit dwong tot
het formaliseren van de instructies over
de zorg en management van paarden.
Die werden georganiseerd in
tiendaagse cursussen in klaslokalen bij
de belangrijkste hospitalen, waar alle
nodige voorbeelden direct voorhanden
waren. Op deze wijze werden, tot mei
1918, 850 jonge veterinaire officieren
en 4500 man overig personeel
opgeleid. De studenten vroegen al snel
om uitbreiding van de cursus, omdat
deze als te oppervlakkig werd ervaren
voor het vergaren van de benodigde
kennis. Dit leidde tot een voorstel bij de
legerleiding voor een cursus van drie
weken aan een “School of Animal
Management”, geleid door voltijds
aangestelde docenten. Helaas stond
de druk van de omstandigheden niet
toe dat dit voorstel werd gehonoreerd,
maar na de oorlog constateerde
John Moore toch met voldoening dat
dit idee alsnog werd opgepakt en tot
onderdeel werd gemaakt van “Classes
of Agriculture and Animal Husbandery”,
bestemd voor gedemobiliseerde
militairen die kozen voor een
burgerbestaan in de landbouw. In zijn
boek besteedt hij aandacht aan deze
onderwerpen in hoofdstukken over:
- Instruction during Peace;
- Instruction during War en
- Instruction in view of men taking their
discharge from the army10.
ezels, pony’s, ossen,
yaks, kamelen en
olifanten11. Uit de
vier laatste
categorieën blijkt dat
hij hierbij ook zijn
ervaringen in Sudan
en Brits-Indië heeft
betrokken.
Afb. 4: Gedenkstenen.
De verdiensten en beperkingen van
de verschillende soorten dieren in
oorlogstijd
Het verlies aan dieren in oorlogstijd
deed bij hem vanzelf de vraag rijzen
over de intrinsieke waarde van de
verschillende soorten en rassen voor
de functies die zij te vervullen hebben.
De militaire efficiency was gediend met
onderzoek, rapportage,
fokprogramma’s en aankoopbeleid van
de meest geschikte soorten en
bloedlijnen voor de gewenste functies.
Na de oorlog verzocht de Generale
Staf om een rapport van de
“British Expeditionary Force, France”
over deze materie. Dit rapport zou ook
aandacht moeten schenken aan de
dieren die in Brits Indië in de strijd in
de grensgebieden opereerden. Het
onderzoek zou moeten leiden tot
aanbevelingen over de inzet van dieren
met eigenschappen die
beantwoordden aan de
omstandigheden waarin zij zouden
verkeren. Dit zou moeten omvatten:
‡ Kennis over het management van
dieren in het bijzonder wat betreft
voedsel en voeding, water en
drinkgedrag en lichamelijke
hygiëne.
‡ Vermogen tot acclimatiseren.
‡ Aard van de te verrichten
werkzaamheden en geschiktheid
daarvoor.
‡ Besmettelijke en soortspecifieke
ziekten.
John Moore concludeert dat misschien
wel de belangrijkste factor de
begeleidende mens is, immers de
verdiensten en beperkingen van het
dier hangen nauw samen met wat zijn
meester verwacht op grond van diens
bekwaamheid en inzicht. Vervolgens
bespreekt hij de verschillende
categorieën dieren en hun
bijbehorende rassen: Zware
trekpaarden, lichte trekpaarden,
rijtuigpaarden, rijpaarden, muildieren,
Naschrift
Dit artikel is vooral
gebaseerd op het
boek waaruit
hierboven zoveel
mogelijk informatie is
samengevat. Dit
boek is op internet
slechts te vinden bij
twee Amerikaanse
universiteitsbibliotheken, waarbij bij
één, t.w. de Cornell University Library,
ook als e-book. Zelfs het NAM, het
National Army Museum, is niet in het
bezit van dit boek12.
John Moore heeft zich na zijn actieve
dienst voor het inmiddels Royal AVC
(RAVC) gestort in een veelheid aan
bestuurlijke activiteiten op het gebied
van diergeneeskunde en paardensport.
Maar hij bleef zich ook inzetten voor
het dagelijkse lot van het paard en
diens verzorger. In 1932 werd mede op
zijn initiatief de “War Animals
Dispensary” geopend te Kilburn13,
waarbij hij als voormalig directeur van
de Veterinary Services een veel
bewonderde rede heeft gehouden. De
inhoud hiervan komt overeen met het
essay “Our Servant The Horse”14,
waarvan in dit artikel eveneens veel
gebruik is gemaakt. Tegen de gevel
van het gebouw van de “War Animals
Dispensary” zijn twee gedenkstenen
geplaatst, ter nagedachtenis aan de
vele dieren die in de Great War het
leven lieten: niet alleen paarden,
muilezels, kamelen en ossen maar ook
honderden honden en postduiven.
Op de site van de huidige RAVC staat
een foto van een soldaat met een
hond, behorende tot één van de vijf
Military Working Dog Squadrons. Zoals
het de ossen, yaks, kamelen en
olifanten is vergaan, zo verging het
tenslotte ook de paarden: ook die zijn
uit het leger verdwenen, behalve dan
enkele voor ceremoniële doeleinden.
Daardoor richt de RAVC zich nu op
speuracties met honden naar vermiste
en gesneuvelde personen, in oorlogs-,
aardbevings- en andere rampgebieden.
Paarden maken geen deel meer uit
van de actieve krijgsdienst15.
Bij John Moore’s dood in 1940 was
de voornamelijk gemechaniseerde
Tweede Wereldoorlog begonnen.
De romantiek van War Horse was
NMGT 67 - 1-44
41
JANUARI 2014
verleden tijd, maar gelukkig ook het
lijden en verscheiden van zo vele
dieren, zoals zo welsprekend wordt
verwoord op de gedenkstenen van de
War Animals Dispensary.
SUMMARY
WAR HORSE
A personal history
2012 was a year in which the role of
the military horse during the Great War
draw a lot of attention. The movie
War Horse from Steven Spielberg, the
theatre production War Horse and the
major exhibition War Horse in the
National Army Museum (UK) all
attracted much public interest. The
reality for the military horse during
the Great War was a grim one.
Nobody was better informed then
Major-General John Moore, Director
Veterinary Services of the British
Expeditionary Force in France. After
discovery of his diaries, his grandson,
a Dutch national, wrote this article. The
role of the military horse, it’s major
contribution to the victory, the military
veterinarian and the military veterinary
services are all described.
Noten:
1. Morpurgo Michael: Engelse schrijver van
romans, poëzie, toneelstukken en libretto’s
Vooral bekend door zijn kinderboeken en
historische romans. “War Horse”, 1982,
recente uitgave 2006, Egmont UK Ltd.
ISBN978 1 4052 2666 0.
2. Moore John: “Our Servant The Horse, An
Appreciation of the part played by animals
during the War 1914-1918,”, 1934, H. & W.
Brown, London, 31p.
3. John Robert Moore, 1864-1940,
gehuwd met Adelaide Murphy, dochters Joy,
Marjorie en Patricia; Marjorie, 1907-1998,
in 1938 gehuwd met de Nederlander
Jacob Arnoud Carp, 1907-1992, zonen John,
Arnoud en Robert; John Christiaan, 1939,
bouwkundig ingenieur, schrijver dezes.
4. Moore John: , “Army Veterinary Service in
War”, 1921, H. & W. Brown, London, 191 p.
5. The Veterinary Journal, vol. 96 No. 3, March
1940, Obituaries: Major-General Sir John
Moore , K.C.M.G., C.B., F.R.C.V.S., Bailière,
Tindall & Cox, London; p126-129
6. Ibidem nr. 4, Deel 1, hoofdstuk VI, Veterinary
Hospitals, Convalescet Horse Depots, p. 22.
7. Ibidem nr. 4, Deel 1, hoofdstuk1, General,
p.7.
8. Ibidem nr. 2, hoofdstuk Economy Effected,
Tabel B, p. 27.
9. Ibidem nr. 4, Deel III, hoofdstuk 1 General,
p. 90. en volgende hoofdstukken.
10. Ibidem nr. 4, Deel IV, hoofdstuk 1 General,
p. 98. en volgende hoofdstukken.
11. Ibidem nr. 4, Deel IV, hoofdstuk XI, Camels,
p.152.
12. “War Horse Fact & Fiction, a tale of true
friendship/ Stories from history”
http://www.nam.ac.uk/microsites/war-horse/
13. The Animal World, December 1932, Opening
of the War Animals Dispensary, p.178 e.v.
14. Ibidem nr. 2.
15. http://ravc-association.org/
MEDEDELINGEN VAN DE COMMANDANT DEFENSIE GEZONDHEIDSZORG ORGANISATIE
Nieuwsbrief Defensie Gezondheidszorg
Nummer 11, november 2013
Landenadvies t.b.v. Mali (Noord en Centraal)
Omdat Nederland op korte termijn, in het kader van de missie
Multidimensional Integrated Stabilisation Mission in Mali (MINUSMA),
militairen zal inzetten in Mali, is voor dit gebied een nieuw
missiespecifiek landenadvies opgesteld. Dit advies beschrijft de
preventieve maatregelen die genomen moeten worden ter voorbereiding
op deze uitzending. Daar waar voor individuele uitzendingen maatwerk
benodigd is, dient de Verantwoordelijk Militair Arts contact op te nemen
met de in het advies genoemde contactpersonen van de afdeling
Force Health Protection van het Coördinatiecentrum Expertise
Arbeidsomstandigheden en Gezondheid of te overleggen met
kapitein ter zee-arts Stijnis, tropenspecialist van het Academisch
Medisch Centrum. Het landenadvies is via bijgevoegde link te openen:
http://intranet.mindef.nl/cdc/images/Mali%20%5BNoord%20en%20
Centraal%5D%20getekende%20versie_tcm4-1082110.pdf
Sanofi Pasteur MSD heeft onlangs aangekondigd dat er een tijdelijke
uitvoorraad situatie is ontstaan van het in Nederland geregistreerde
gelekoortsvaccin Stamaril® (in mono-dosis verpakking). Er is
(inter)nationaal op dit moment geen alternatief voor Stamaril®
beschikbaar. Dit heeft tot gevolg dat er een mogelijk tekort aan vaccins
tegen gele koorts ontstaat. De batches Stamaril® die al op de markt zijn
gebracht kunnen overigens gewoon worden gebruikt. Sanofi heeft
daarom van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) toestemming
gekregen om Stamaril® in een multi-doses verpakking (10 doses per
verpakking) voor de Nederlandse markt beschikbaar te stellen via de
groothandel Europort Pharmaceuticals. Het niet-geregistreerde
Stamaril® in multi-doses flacons mag enkel met een artsenverklaring
worden geleverd. De multidoses vaccins zijn inmiddels ook beschikbaar
(in verpakkingen van 10x10 doses) bij Europort Pharmaceuticals, waar
ze direct dienen te worden besteld. De Operationele Commando's zijn
inmiddels geïnformeerd over de te volgen procedure voor het bestellen
van de vaccins. Facturering loopt wel via de reguliere farmaceutische
groothandel Alliance Healthcare. Aangezien een verpakking van
10 doses slechts 6 uur na openen gebruikt mag worden, is het wel
belangrijk te vaccineren militairen zoveel als mogelijk, te clusteren,
teneinde verspilling van het kostbare multidoses vaccin te voorkomen.
Het is nog niet duidelijk wanneer de reguliere, in Nederland
geregistreerde, mono-dosis vaccins weer beschikbaar komen voor de
Nederlandse markt.
AMV draagspeld
Om onderscheid te kunnen weergeven tussen de civiele en militaire
verpleegkundigen is door het Instituut Defensie Geneeskundige
Opleidingen (IDGO) een embleem voor Algemeen Militair
Verpleegkundigen ontwikkeld. Dit heeft erin geresulteerd dat het
Kleding en Persoonlijke Uitrusting (KPU) bedrijf sinds kort de
beschikking heeft over de draagspeld Algemeen Militair
Verpleegkundige (AMV) (NSN 17-121-9114). Deze draagspeld wordt
op het moment van diplomering bij het IDGO verstrekt aan de
verpleegkundige die de volledige ‘Aanvullende Deelkwalificaties
(ADK’s)’ met succes heeft gevolgd. Op 19 november vindt de
ceremoniële uitreiking van de eerste exemplaren van de draagspeld
plaats bij het IDGO. Na deze datum kunnen diegenen die alle ADK’s al
gevolgd hadden en in het bezit zijn van het AMV-diploma de draagspeld
alsnog verkrijgen en via de webwinkel van het KPU-bedrijf bestellen.
Randvoorwaarde hierbij is wel dat hiervoor de competentiecode - zoals
gebruikt bij het embleem vaardigheid AMV 17-121-8855 - in Peoplesoft
aan de betreffende persoon is toegekend. Voor zover dat nog niet is
gebeurd zullen de tenuevoorschriften per krijgsmachtdeel aangepast
moeten worden om daarin het draagrecht en de draagwijze vast te
leggen. De krijgsmachtdelen zijn door de Commandant Defensie
Gezondheidszorg Organisatie (C-DGO) geadviseerd het draagrecht van
de civiele verpleegkundige speld (niveau 4 of 5) te laten vervallen.
Vooronderzoek vervanging Geneeskundig Informatiesysteem
DefenSie (GIDS)
Het Geneeskundig Informatiesysteem DefenSie (beter bekend als
GIDS) is het huidige elektronische patiëntendossier. GIDS is een
complex systeem vanwege de diverse functionaliteiten die zijn
ingebouwd: zoals ondersteuning van de geïntegreerde zorg,
bedrijfsgeneeskundige zorg voor burgers, apotheek- en
voorraadmodule, ondersteuning voor keuringen en vaccinaties e.d. Een
systeem dat niet ‘kant-en-klaar’ van de markt aangekocht kan worden.
Daarnaast moet het systeem overal ter wereld en altijd beschikbaar zijn.
Eind oktober is het vooronderzoek gestart voor de vervanging van
GIDS. In dit vooronderzoek zullen de wensen en eisen in kaart gebracht
worden, zal worden onderzocht of binnen de NATO een systeem
beschikbaar is dat aan de eisen voldoet en zal worden bezien wat de
mogelijkheden op de civiele markt zijn gebruik makend van de nieuwe
technieken om verschillende civiele systemen te integreren. Volgens
planning zal dit vooronderzoek in april 2014 worden afgerond met een
advies over een implementeerbare oplossing en een business case
voor de daadwerkelijke vervanging van GIDS. In 2017 moet GIDS uit
gefaseerd zijn.
Eigen bijdrage MGGZ over 2012 voor militairen niet terecht
Door een interne fout bij Univé tijdens de verwerking van de declaraties
Militaire Geestelijke Gezondheidszorg (MGGZ) over 2012, heeft een
aantal militairen ten onrechte een brief ontvangen waarin wordt vermeld
dat ze een eigen bijdrage van € 100,00 of € 200,00 moeten betalen. De
Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht gaat alle militairen die
een dergelijke brief hebben ontvangen, een nieuwe brief sturen en gaat
de fout corrigeren.
Magazine n.a.v. Symposium Gezondheidsraad
‘Grenzen aan gezondheid’
Op 1 november 2013 vond, ter ere van het 111-jarig bestaan van de
Gezondheidsraad het symposium ‘Grenzen aan gezondheid’ plaats. De
drie thema’s van deze dag waren: ‘Leefstijl’, ‘Gezondheid in mondiaal
perspectief’ en ‘Gezond of wel zijn?’ Naar aanleiding van dit symposium
is een magazine samengesteld waarin een en ander is na te lezen. Het
magazine is via internet te downloaden: http://www.gr111.nl/
Gewijzigde beschikbaarheid tuberculine PPD
In eerdere berichtgeving en vervolgens in de beleidsnota DGO
(http://intranet.mindef.nl/cdc/images/2013078312%20Nota%20TB%20
Screening_tcm4-1065926.PDF) zijn medewerkers reeds geïnformeerd
over de werkwijze van de gewijzigde afhandeling van de tuberculose
screening, als gevolg van een tekort aan tuberculine Purified Protein
Derivative (PPD). Inmiddels is er een wijziging in beschikbaarheid van
tuberculine PPD. Ondanks dat de voorraad nog niet volledig is
genormaliseerd, is afgelopen dinsdag bekend geworden dat de eerste
deellevering van het product inmiddels bij het Rijksinstituut voor
Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is binnen gekomen. Het gaat om
flacons van 1.5 ml (tuberculine PPD RT23 SSI injectievloeistof 20 TE/ml
flacon; ALH-nummer 2936836; ZI-nummer 15916820). Het RIVM heeft
met de eerste deellevering alle backorders kunnen uitleveren en
daarnaast is nog een beperkte voorraad overgebleven. De voorraad zal
was pas volledig zijn genormaliseerd als de tweede deellevering (naar
verwachting in week 52) weer beschikbaar zal komen.
Gezondheidscentra kunnen daarom de tuberculine PPD weer bestellen
bij de groothandel Alliance Healthcare (cave reeds bestaande
backorders c.q. naleveringen), zodat de screening weer kan worden
aangevangen. De tijdelijke DGO uitvoeringsrichtlijn in de link is daarom
tot nader order opgeschort. Indien de voorraden weer op peil zijn zal de
uitvoeringsrichtlijn ook formeel per nota door CDC/DGO worden
ingetrokken.
Grootschalige oefening Calamiteitenhospitaal afgebroken vanwege
een ongeluk
Op 2 november vond in het Calamiteitenhospitaal een oefening plaats in
de grootschalige opvang van gewonden. De oefening kreeg kort voor
het einde een andere wending, toen op de A1 bij Muiden, een groot
ongeval met een aantal touringcars plaatsvond. In korte tijd werd het
Calamiteitenhospitaal vanuit de oefenmodus paraat gesteld voor de
opvang van meerdere slachtoffers. Uiteindelijk heeft het
Calamiteitenhospitaal 33 slachtoffers van het ongeluk opgevangen.
Veelgestelde vragen EGB
De lijst van veel gestelde vragen over het Eerstelijns Gezondheidszorg
Bedrijf (EGB) is uitgebreid. U vindt de vragen en antwoorden via
bijgevoegde link terug:
http://intranet.mindef.nl/cdc/divisie_defensie_gezondheidszorg_
organisatie/staf_dgo_home/Herinrichting/faq/EGB/EGB.aspx
ICMM-conferentie St. Petersburg
De door de International Committee of Military Medicine conference
(ICMM) georganiseerde conferentie voor militaire gezondheidszorg
werd van 28 t/m 30 oktober in St. Petersburg gehouden. Er waren
deelnemers uit diverse landen aanwezig. Door dr. Geuze van de MGGZ
werd een presentatie gegeven over ‘Neurobiological and psychological
Tijdelijk leveringsprobleem gelekoortsvaccin (mono-dosis)
Stamaril®
Gelekoortsvaccinatie maakt onderdeel uit van het aanvullende
vaccinatiepakket voor militairen. De farmaceutische producent
NMGT 67 - 1-44
42
JANUARI 2014
determinants of adverse mental health following military deployment’.
Dit onderwerp mocht rekenen op de warme belangstelling van de
aanwezige conferentiegangers.
De nieuwsbrief (e-bulletin) van en voor de militaire gezondheidszorg is een maandelijkse uitgave van de Staf Defensie Gezondheidszorg Organisatie (DGO).
Reacties of onderwerpen kunt u mailen naar [email protected]
Deze nieuwsbrief en meer informatie over (militaire) gezondheidszorg is te vinden op het intranet: http://intranet.mindef.nl/portaal/pp/mgz/index.aspx en op de startpagina
Gezondheidszorg Defensie: http://intranet.mindef.nl/portaal/pp/gezondheidszorg_defensie/index.aspx
Aan- of afmelden voor de nieuwsbrief kan via Paulien Burema, tel: 030-218 4247 of per e-mail: [email protected]
Nieuwsbrief Defensie Gezondheidszorg
Nummer 12, december 2013
Levering beeldschermbril hervat
In de oktobereditie van dit E-bulletin werd gemeld dat de
beeldschermbril tijdelijk niet aangevraagd en niet geleverd kon worden,
omdat het contract met de leverancier in oktober afliep. Inmiddels is er
een nieuw contract afgesloten en kunt u weer een aanvraag indienen.
Onder het kopje ‘bestelinformatie’
(http://cdcdirect.mindef.nl/gz/product_dienst/catalogus/gz/ceag/
Beeldschermbrillen/Beeldschermbrillen.aspx) in CDC Direct, is na
te lezen aan welke voorwaarden voldaan moet worden om voor
een beeldschermbril in aanmerking te komen en is het juiste
aanvraagformulier (http://cdcdirect.mindef.nl/images/magema%20
beeldschermbril_tcm7-597441.docx) te downloaden. Om stagnatie of
fouten bij aanvragen, leveringen en betalingen te voorkomen, dient u de
nieuwe formulieren zoals deze bij CDC Direct zijn gepubliceerd, te
gebruiken.
Militaire Bloedbank opnieuw ISO-gecertificeerd
Dinsdag 3 december vond bij de Militaire Bloedbank (MBB) een
hercertificatie audit plaats. De audit richtte zich op het verwerven,
bewerken, vrijgeven, opslaan en uitgeven van bloedproducten.
Daarnaast kwam de borging van risico’s tijdens transport van
bloedproducten aan bod. Als laatste werd de bewerking van
bloedproducten en de toepassing in het missiegebied onderzocht. De
complicatieregistratie bij transfusies maakt daar deel van uit.
De MBB heeft de processen goed ingeregeld. Deze zijn voorzien van
meerdere kwaliteitscontroles. Het management- en kwaliteitssysteem
wordt adequaat onderhouden. Daarom is de
ISO 9000:2008 hercertificatie toegekend tot 2016. Toch is er ruimte voor
verbetering. De MBB dient structureler interne audits uit te voeren. Dit
punt krijgt de aandacht tijdens volgende audits.
De MBB verzorgt ook trainingen aan de eindgebruikers van
bloedproducten (artsen, apothekers en verpleegkundigen). Zij worden in
de operationele setting van de veldhospitalen opgeleid in het
transfusiegereed maken van bloedproducten. De training is tijdens deze
audit nog buiten beschouwing gelaten. De ambitie is om deze activiteit
op te gaan nemen bij de vervolgaudits.
Landenadvies Somalië (Mogadishu)
In januari zal een aantal Nederlandse militairen als trainer worden
ingezet in Somalië (Mogadishu). De preventieve adviezen en benodigde
vaccinaties kunt u in het landenadvies Somalië (Mogadishu)
(http://intranet.mindef.nl/cdc/images/20131202%20
Landenadvies%20Somalie_Mogadishu%20tbv%20EUTMSOM_
tcm4-1096100.PDF) nalezen.
13-15 oktober 2014 ‘State-of-the-art in Research of Medical
Countermeasures Against Biological Agents’
Het NATO-panel STO/HFM-239 organiseert van 13-15 oktober 2014 in
Vilnus (Lithuania) het symposium ‘State-of-the-art in Research of
Medical Countermeasures Against Biological Agents’
(http://intranet.mindef.nl/cdc/divisie_defensie_gezondheidszorg_
organisatie/Startpagina_Gezondheidszorg/kalender/2014/oktober_
2014/13-10_symposium_medical_countermeasures.aspx).
Dit symposium is bestemd voor iedereen die geïnteresseerd is in
de laatste ontwikkelingen op het gebied van diagnostiek, vaccins en
therapeutic tegen biologische wapenagentia. Het Coördinatiecentrum
Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG) nodigt
defensiemedewerkers uit een presentatie tijdens dit symposium te
verzorgen (mondeling of
via een poster). De termijn voor de zgn. ‘Call for Papers’ sluit
15 maart 2014.
Het definitieve programma van het symposium zal in april via
de internetsite: http://www.cso.nato.int bekend gesteld worden. Voor
meer informatie over o.a. aanmelding en locatie kunt u ook
op deze internetsite terecht.
Landenadvies Caribisch gebied
Militairen die op de Caribische eilanden gestationeerd worden kunnen
tijdens deze plaatsing voor de Quick Reaction Force (QRF) in dit gebied
ingezet worden. Het is van belang dat deze militairen voorafgaand aan
deze stationering conform het landenadvies Caribisch gebied
gevaccineerd worden. Het advies is via intranet
(http://intranet.mindef.nl/cdc/images/Landenadvies%20Caribische
%20regio_tcm4-1090943.PDF) terug te vinden.
SAP-gebruik MGLC
Woensdag 20 november jl. vond de Resultaat-6 vergadering voor het
SPEER-migratieproject Militair Geneeskundig Logistiek Centrum
(MGLC) plaats. In deze vergadering hebben de projectleider,
C-MGLC en vertegenwoordigers van CDC, HDFC, JIVC en de Transitie
Management Organisatie (HDBV) verklaard dat de nazorg van het
project met succes is afgerond. Dit betekent dat de lijnorganisatie van
de DGO en in het bijzonder het MGLC in staat is - zonder hulp - het
SAP-gebruik bij de ondersteuning van de bedrijfsvoering aan te
wenden. Met het overdragen van het project in de lijnorganisatie zijn
nog niet meteen alle bestaande bedrijfsvoeringproblemen opgelost. Het
MGLC zal zich tot het eind van dit jaar richten op het verder wegwerken
van de achterstanden in combinatie met de uitvoering van een
gelijktijdige voorraadinventarisatie. Hiermee wordt de basis
gestabiliseerd en kan er sneller en adequater op de klantvraag
ingespeeld worden. Daarnaast zal de data van alle artikelen die in SAP
zijn ingevoerd planmatig worden geschoond in de loop van 2014.
Marieke Langemeijer (MGGZ) wint prijs voor
‘Beste Praktijkopleider’
Op 21 november kreeg Marieke Langemeijer, werkzaam bij het
Kenniscentrum van de MGGZ, de prijs voor Beste Praktijkopleider 2013.
Ze viel op bij de jury van het Kenniscentrum Beroepsonderwijs
Bedrijfsleven ECABO doordat ze zich zo in haar stagiaires verdiept en
hun komst bij haar collega’s vooraf aankondigt. Daarnaast plaatst ze
vacatures op ‘stagemarkt.nl’ welke zijn afgestemd op de
belevingswereld van jonge mensen en gebruikt ze haar kennis over het
brein van jongeren om haar manier van begeleiden vorm te geven,
bijvoorbeeld als het gaat om leren organiseren en structureren. Het aan
de prijs verbonden geldbedrag is bestemd voor een maatschappelijk
relevant onderwijsproject.
Samen met de winnaars van 16 andere kenniscentra gaat
Marieke Langemeijer nog de strijd aan om de titel ‘Beste Leerbedrijf en
Praktijkopleider van Nederland’. De MGGZ is opgenomen in het register
van ECABO als erkend leerbedrijf.
Geldigheidsduur DMG/010 ‘Richtlijn RF-straling Defensie’ verlengd
tot 1 november 2014
De ARBO-catalogus Kunstmatige Optische Straling (KOS) en de ARBOcatalogus Elektromagnetische (EM) velden vervangen op termijn de
richtlijn RF-straling Defensie. Ter overbrugging naar de verschijning van
deze catalogi is de geldigheidstermijn van de huidige aanwijzing
verlengd tot 1 november 2014. De aanwijzing is via bijgevoegde link op
intranet te vinden:
http://intranet.mindef.nl/cdc/images/DMG%20010%20Richtlijn%20
RF%20straling%20Defensie_tcm4-963102.pdf
De nieuwsbrief (e-bulletin) van en voor de militaire gezondheidszorg is een maandelijkse uitgave van de Staf Defensie Gezondheidszorg Organisatie (DGO).
Reacties of onderwerpen kunt u mailen naar [email protected]
Deze nieuwsbrief en meer informatie over (militaire) gezondheidszorg is te vinden op het intranet: http://intranet.mindef.nl/portaal/pp/mgz/index.aspx en op de startpagina
Gezondheidszorg Defensie: http://intranet.mindef.nl/portaal/pp/gezondheidszorg_defensie/index.aspx
Aan- of afmelden voor de nieuwsbrief kan via Paulien Burema, tel: 030-218 4247 of per e-mail: [email protected]
NMGT 67 - 1-44
43
JANUARI 2014
1('(5/$1'60,/,7$,5*(1((6.81',*7,-'6&+5,)7
0,1,67(5,(9$1'()(16,('()(16,(*(=21'+(,'6=25*25*$1,6$7,(
(PDLOQPJW#PLQGHIQO
Download
Related flashcards

Dog diseases

40 cards

Dog diseases

53 cards

Meat

22 cards

Sausages

22 cards

Animal viral diseases

18 cards

Create Flashcards