Betekenis van de marketing Marketing is de – op de markt afgestemde – ontwikkeling, prijsbepaling, promotie en distributie van producten, diensten of ideeën en alle andere activiteiten die de klanten toegevoegde waarde bieden; deze leiden systematisch tot een hogere omzet of andere gewenste respons, een goede reputatie van de organisatie en een duurzame relatie met de klant, waarbij alle partijen hun doelstellingen bereiken. Hoe beter het marketingbeleid wordt afgestemd op de voorkeur van de doelgroep, hoe meer succes het bedrijf heeft. Hierbij worden vier marketinginstrumenten (de vier P’s) ingezet. Deze marketingmix bestaat uit: 1. Productbeleid: producten en diensten die inspelen op de wensen en behoeften 2. van klanten. Prijsbeleid, waarbij gelet wordt op de prijzen van concurrenten en het effect van een verandering van de verkoopprijs. 3. Promotiebeleid: potentiële kopers attent maken op het product en de voordelen die het biedt. 4. Plaats- of distributiebeleid: de producten moeten op het juiste tijdstip op de juiste plaats verkrijgbaar zijn. Een veelgehoord commentaar op de vier P’s is dat ze niet bekeken zijn vanuit een consumentenperspectief. Een alternatief is het model van de vier C’s: een aantrekkelijke customer solution tegen acceptabele cost to the customer, verkrijgbaar via kanalen die de klant convenience bieden, ondersteund door effectieve wederzijdse communication. In onderstaande tabel zie je de relatie tussen het 4P-model en het 4Cmodel. Van 4P-model naar 4C-model Vier P's Vier C's Product Customer solution: oplossing voor de consument Prijs Cost to the customer: prijs-kwaliteitverhouding Plaats Convenience: gemak voor de consument Promotie Communication: wederzijdse communicatie tussen organisatie en klant Marketinggerichte bedrijven kiezen tevens een doelgroep oftewel het deel van de markt waarop de organisatie zich richt en dat zij tot klant wil maken. Commerciële economie of marketing? Het vak marketing – soms commerciële economie genoemd – heeft raakvlakken met diverse wetenschappen. Economie, maar ook psychologie, sociologie en statistiek hebben zinvolle bouwstenen geleverd voor de ontwikkeling van marketing en marktonderzoek. Door het multidisciplinaire karakter van het vakgebied zijn deskundige marketeers van alle markten thuis. Algemene economie (ofwel de leer van de keuzehandelingen – bestuderen van keuzevraagstukken van de mens in zijn streven naar welzijn) en bedrijfseconomie (houdt zich bezig met de economische aspecten van activiteiten binnen een ‘bedrijfshuishouding’ en hun onderlinge samenhang) hebben beide raakvlakken met commerciële economie. Invalshoeken van marketing We kunnen marketing bestuderen vanuit verschillende invalshoeken: Macromarketing: de maatschappij waarin het ruilproces plaatsvindt staat centraal. Mesomarketing: gezien vanuit een bedrijfstak, als schakel in de bedrijfskolom (de reeks personen en organisaties – van oerproducent tot consument – die zijn betrokken bij de productie, de distributie en het verbruik van producten en diensten). Micromarketing: het marketingbeleid van een organisatie (‘marketingmanagement’, de invalshoek van dit boek). Ontwikkeling van de marketinggedachte De ontwikkeling van de marketinggedachte volgt op de productie-, de product- en de verkoopgerichte fasen die de meeste bedrijfstakken hebben doorlopen. Verschillen tussen een verkoop- en marketingoriëntatie Bij een marketingoriëntatie vormen niet het bedrijf en zijn producten, maar de klanten het uitgangspunt van de strategieontwikkeling. Op hun wensen en behoeften moet de onderneming – conform het marketingconcept – doeltreffend inspelen. Via digitale duurzame marketing kunnen bedrijven consumenten stimuleren tot duurzame consumptie. In het verlengde daarvan acteert het maatschappelijk marketingconcept. Het maatschappelijk marketingconcept: evenwichtige belangen In tegenstelling tot transactiemarketing, speelt relatiemarketing een cruciale rol in de ontwikkeling van de marketinggedachte. Transactiemarketing Retailmarketing Kortetermijnoriëntatie Langetermijnoriëntatie Voortdurend nieuwe kopers zoeken Vaste klanten behouden én nieuwe klanten werven Voornamelijk eenmalige verkooptransacties Herhalingsaankopen en duurzame relaties Opppervlakkige relatie met klanten Sterke betrokkenheid bij de klant Succes is een hoge omzet Succes omvat herhalingsaankopen en mond-tot-mondreclame van trouwe klanten Kwaliteit is een zorg van de productieafdeling Kwaliteit is de verantwoordelijkheid van iedere medewerker Gemiddeld serviceniveau Uitzonderlijke service en maximale nazorg Het marketingconcept Het marketingconcept is een mindset van de manager die stelt dat het inspelen op de wensen en behoeften van de koper en het opbouwen van een langdurige relatie met de klant de sleutel is tot succes. De uitgangspunten zijn: Consumentgericht beleid: Creëer tevreden klanten door je in de consument te verplaatsen en perfecte klantenservice te bieden. Geï ntegreerde aanpak: Stem alle in het marketingplan omschreven activiteiten op elkaar af. Breed omschreven werkterrein: formuleer je business definition en missie niet vanuit je producten, maar ruimer, in termen van de behoeften van de klanten. Concurrentieanalyse: inzicht in de eigen sterktes en zwaktes en in de kansen en bedreigingen op de markt is noodzakelijk om je concurrentievoordeel te benutten. Marktonderzoek en doelgroepkeuze: voor het kiezen en bewerken van de juiste marktsegmenten is informatie over koopgedrag en voorkeuren essentieel. Winstbijdrage: voor de continuïteit en groei van het bedrijf is voldoende winst belangrijker dan een hogere omzet. Sleuteltaken van marketing 1. Marktonderzoek voor een beter inzicht in de wensen en behoeften op de markt en om te bepalen voor welke doelgroep we producten en diensten kunnen ontwikkelen. 2. Inspelen op de vraag met een uitgekiend marketingbeleid (de vier P’s) dat leidt tot de gewenste respons, een goede reputatie en een duurzame relatie met klanten. In het kader van lange termijn marketing spelen de drie R’s een belangrijke rol. Denk aan reputatie (het beeld dat de klant van het bedrijf en zijn merken heeft), relatie (voortdurende interactie met de klant, waarbij uiteindelijk een zekere binding of loyaliteit ontstaat, is bij het opbouwen van een relatie van grote waarde) en respons (loyale klant die gevarieerd aankopen bij je doet op basis van trouw) Een langdurige relatie met trouwe klanten leidt tot meer omzet en winst en verhoogt de life time value van individuele klanten. Dit verhoogt ook de customer equity: de financiële waarde van de klantenkring van het bedrijf. 2. Marketingplanning en strategiebepaling Marketingplanning Een manager geeft niet alleen leiding aan anderen in de organisatie, maar is ook verantwoordelijk voor de planning en uitvoering van het werk. In feite houden managers zich met vier zaken bezig: de analyse, de planning, de uitvoering en, ten slotte, de controle en bijsturing van de ondernemingsactiviteiten. Deze vier basistaken van het marketingmanagement zijn – in logische volgorde en beginnend met een analyse – te zien in de figuur De vier basistaken van het marketingmanagement. De vier basistaken van het marketingmanagement De figuur hierna vat de kenmerken samen van het strategisch marketingplan. De verschillen tussen de marketingstrategie en -tactiek zijn duidelijk. Terwijl een bedrijf in het strategisch marketingplan zijn voornaamste doelstellingen uiteenzet en de strategieën om ze te bereiken, geeft de tactiek in detail weer hoe de strategie in de praktijk moet worden uitgevoerd. Kenmerken van het strategisch marketingplan Bouwstenen voor een succesvolle marketingstrategie In de praktijk zijn bedrijven op lange termijn meer gebaat met het ontwikkelen van een duurzaam concurrentievoordeel– dat per definitie niet snel door concurrenten te imiteren is – dan bijvoorbeeld met reorganisaties die gepaard gaan met een lager marketingbudget en andere bezuinigingen. In de praktijk verkopen veel bedrijven grotendeels dezelfde producten als hun concurrenten. Zoals de figuur illustreert, vindt de strategieontwikkeling in een grote onderneming op drie niveaus plaats. We onderscheiden de concernstrategie, de ondernemingsstrategie en de marketingstrategie. Een grote organisatie bestaat uit verschillende Strategic Business Units. Die SBU’s hebben hun eigen management en strategie, en moeten over de nodige middelen beschikken om hun doelstellingen te bereiken. Planning en strategieontwikkeling vinden niet alleen plaats bij de diverse SBU’s (ondernemingsstrategie), maar ook op het niveau van de moedermaatschappij (concernstrategie) en – lager in de organisatie – voor individuele producten, productgroepen of merken (marketingstrategie). De vier hoekstenen van een marketingstrategie zijn: 1. merkimago, om de producten en diensten herkenbaar en aantrekkelijk te maken voor de klant; 2. kwaliteit van de producten, om ze te laten voldoen aan de verwachtingen van de kopers; 3. innovatie, zodat de producten unieke eigenschappen of nieuwe voordelen te bieden hebben; 4. duurzame relatie met de klanten, om optimaal te kunnen inspelen op hun behoeften. Het veelgebruikte marketingplanning en -managementmodel bestaat uit drie fasen: de analyse (ondernemingsmissie, visie en SWOT-analyse), marketingbeleidsvorming (strategieontwikkeling en planning op lange en korte termijn) en implementatie (uitvoering, controle en bijsturing). Ondernemingsmissie en visie De missie verwoordt het overkoepelend doel van de organisatie: wat zij wil bereiken op de markt of wat zij voor de buitenwereld kan betekenen (haar bestaansrecht). De missieomschrijving (mission statement) komt tot stand als het management uiteenzet waar het bedrijf voor staat (de normen en kernwaarden zoals integriteit en servicegerichtheid), op welke markten het wil concurreren (het werkterrein of de business scope) en met welke strategieën het zijn concurrentievoordeel kan benutten. Het verschil tussen de missie en de visie: de missie is waar het bedrijf voor staat, terwijl de visie is waar het bedrijf voor gaat. Een visie inspireert de betrokken medewerkers door een ambitieus beeld te schetsen van de toekomstige rol die de onderneming in de wereld (of in haar omgeving) wil spelen. Situatieanalyse Een situatieanalyse bestaat uit een interne analyse (van de sterktes en zwaktes van de onderneming) en een externe analyse (van de kansen en bedreigingen in de omgeving). Hulpmiddelen bij het in kaart brengen van de sterke en zwakke punten en van de kansen en bedreigingen – de ‘SWOT-analyse’ – zijn de SWOT-matrix en de confrontatiematrix. Met behulp daarvan bepaal je als manager wat je opties zijn en stippel je de beste strategieën uit. Marketingdoelstellingen Om iedereen die bij de marketinginspanningen betrokken is te blijven motiveren, moeten doelstellingen ambitieus, maar realistisch zijn. De geformuleerde doelen moeten ook logisch op elkaar aansluiten, dus onderling consistent zijn. Een handig ezelsbruggetje om de eisen aan doelstellingen te onthouden is: SMARTPC. Goed geformuleerde doelstellingen zijn specifiek, meetbaar, ambitieus, realistisch en tijdbegrensd. Ze worden in volgorde van belangrijkheid vermeld (prioriterend), zodat er een duidelijke hiërarchie van doelstellingen ontstaat. Ten slotte moeten ze onderling consistent zijn. Een doelstellingenhiërarchie leidt er in de praktijk toe dat de breed geformuleerde doelstellingen in de top van de onderneming – bijvoorbeeld voor het marktaandeel of rendement – worden vertaald in doelstellingen voor bepaalde afdelingen en personen. De ondernemingsdoelen bieden dus richtlijnen voor de hele organisatie. Strategiebepaling Een belangrijke taak van marketinggerichte managers is om ambitieuze plannen te ontwikkelen die de omzet, winst en het marktaandeel van het bedrijf verhogen. Die plannen moeten doeltreffende strategieën omvatten. De volgende modellen zijn een zinvol hulpmiddel bij het nemen van strategische beslissingen: 1. het Business Model Canvas (BMC) van de Zwitserse consultant Alexander Osterwalder; 2. de portfolioanalyse en investeringsstrategieën van de Boston Consulting Group; 3. generieke concurrentiestrategieën van de managementgoeroe Michael Porter; 4. groeistrategieën uit de product-marktexpansiematrix van de Russische Amerikaan Igor Ansoff. Marketingorganisatie Als een bedrijf zijn activiteiten die met marketing te maken hebben onder de verantwoordelijkheid van een marketeer of marketingafdeling brengt, ontstaat er een – in de organisatie geïntegreerde – marketingbenadering waarbij de medewerkers gezamenlijk naar hetzelfde doel toewerken. Voor het organiseren van de marketingafdeling kiezen veel bedrijven voor een productmanagementsysteem, waarbij één persoon – de productmanager – verantwoordelijk is voor het coördineren van alle activiteiten ten behoeve van een product of merk. Hierdoor kun je sneller op ontwikkelingen in de markt reageren. Productmanagers hebben meestal meer verantwoordelijkheden dan bevoegdheden. Hun resultaten zijn dan ook mede afhankelijk van de beslissingen van collega’s. Het marketingplan Het marketingplan omschrijft, goed onderbouwd, hoe een organisatie de beschikbare middelen en marketingmix inzet om de markt optimaal te bewerken en haar doelstellingen te bereiken. Ook zet het plan uiteen hoeveel de verwachte winst bedraagt. Omdat het marketingplan systematisch is ingedeeld, kan het management snel nagaan of de gebruikte marketinginstrumenten goed op elkaar zijn afgestemd en of alle activiteiten bijdragen aan het verwezenlijken van de ondernemingsdoelstellingen. Het marketingplan: maakt het mogelijk de logica en de haalbaarheid van het beleid te beoordelen; omschrijft de uit te voeren taken en wie daarvoor verantwoordelijk zijn; verduidelijkt hoeveel geld en welke andere middelen ervoor nodig zijn; geeft inzicht in de te verwachten resultaten; stelt – als werkdocument – managers in staat om de vorderingen te evalueren en, zo nodig, bij te sturen. Een systematische indeling van een marketingplan zien we in de tabel hierna. Het marketingplan Titelpagina Executive summary Inhoudsopgave Inleiding Situatieanalyse Ondernemingsstrategie en – doelstellingen Strategische opties Marketingdoelstellingen Marketingstrategieën Marketingprogramma’s Implementatie, budgetten en bijsturing Bijlagen Uitvoering, controle en bijsturing Deze laatste fase in de strategiebepaling en marketingplanning omvat drie stappen: 1. Formuleren van – zowel objectieve als subjectieve – maatstaven om de effectiviteit en efficiency van het marketingbeleid te beoordelen. 2. Meten en evalueren van de behaalde resultaten. 3. Aanpassen van de marketingmix. —————- 3. Marketingomgeving De marketingomgeving Een bedrijf opereert niet in een vacuüm, maar in een complexe omgeving met allerlei consumenten, concurrenten, distribuanten en andere organisaties. Marketingmanagers maken onderscheid tussen de interne en de externe omgeving. De interne omgeving wordt ook wel de micro-omgeving genoemd. Bedrijven kunnen de externe omgevingsfactoren – in tegenstelling tot de marketingmix en andere elementen van de interne omgeving – niet beïnvloeden. Omdat ze onbeheersbaar zijn, moet het bedrijf zich aan deze trends en gebeurtenissen aanpassen. Bij het ontwikkelen van een marketingstrategie houden we rekening met de interne mogelijkheden en beperkingen van het bedrijf. De interne omgeving bevat zowel de beschikbare middelen om een plan uit te voeren als de verschillende bedrijfsfuncties of afdelingen van de onderneming. Ook de organisatiestructuur en bedrijfscultuur maken er deel van uit. Onder de externe omgeving vallen alle onbeheersbare invloeden en groeperingen die van buiten de organisatie komen. Bij een omgevingsanalyse– een verkenning van de externe omgeving om de kansen en bedreigingen voor het bedrijf in kaart te brengen – beperken we ons echter tot het inventariseren van relevante omgevingsfactoren. Dit zijn de externe factoren die van invloed zijn op het functioneren – en uiteindelijk op de resultaten – van de onderneming. Om te overleven is het slagvaardig inspelen op veranderingen in de omgeving ook voor organisaties cruciaal. In dit kader zijn de volgende trends en ontwikkelingen van belang: Trend 1: Snelheid van technologische innovatie Trend 2: Transparantie Trend 3: Data Trend 4: Content Trend 5: Het Nieuwe Werken Trend 6: Overal en altijd ‘connected’ Trend 7: Globalisering Trend 8: Individualisering Trend 9: Interactie tussen klanten Meso-omgeving Het begrip ‘meso-omgeving’ slaat op de bedrijfstak of markt waarin de onderneming actief is. Deze directe omgeving van het bedrijf bestaat uit diverse stakeholders (belanghebbenden), zoals klanten en andere afnemers, toeleveranciers, intermediairs, concurrenten en belangengroepen (‘publieksgroepen’). Hoewel de mesoomgevingsfactoren extern en dus niet beheersbaar zijn, zijn ze vaak wel beïnvloedbaar. Macro-omgeving De bedrijfsresultaten worden niet alleen beïnvloed door allerlei factoren in het bedrijf zelf (micro-omgeving) en in de bedrijfstak (meso-omgeving), maar ook door voorvallen en ontwikkelingen in de maatschappij als geheel (macro-omgeving). Deze macroomgevingsfactoren zijn voor een bedrijf niet beheersbaar of beïnvloedbaar, maar hebben wel invloed op hoe het de markt bewerkt en met welk rendement. De macroomgeving kan worden geanalyseerd aan de hand van zes macro-omgevingsfactoren die op basis van hun eerste letter ook wel DESTEP-factoren worden genoemd: demografische, economische, sociaal-culturele, technologische, ecologische en politiekjuridische factoren. Demografische factoren Veelgebruikte demografische kenmerken zijn leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, inkomen, gezinsgrootte en urbanisatiegraad. Economische factoren De uitgaven van consumenten worden niet alleen beïnvloed door hun beroep en inkomen, maar ook door economische factoren. Zo is iemands koopkracht mede afhankelijk van macro-economische invloeden als de economische groei of krimp, werkgelegenheid, inflatie en rentestand. Sociaal-culturele factoren Sociaal-culturele factoren hebben betrekking op de waarden, gedragsnormen en leefgewoonten in de samenleving. Hoewel ze van land tot land variëren, beïnvloeden ze altijd de lifestyle van consumenten. En, omdat ze cultuurgebonden zijn, worden ze van generatie op generatie overgedragen. Dat geldt met name voor de consumptiegewoonten, het koopgedrag en de vrijetijdsbesteding. Technologische factoren Bij de analyse van de technologische factoren – of de technologische omgeving – kijken we niet alleen naar de producttechnologie, maar ook naar de mate waarin de aanwezige infrastructuur (waaronder deskundige medewerkers) ons in staat stelt om de technologie optimaal te gebruiken. Vanuit een marketingperspectief kunnen nieuwe technologieën leiden tot: nieuwe productiemethoden (zoals 3D-printing) die kleinere productieseries en lagere prijzen mogelijk maken; verbetering van bestaande producten (zelfrijdende auto’s en vrachtwagens); de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten (bijvoorbeeld flexibele touchscreens); betere dienstverlening (medische hulpverlening in ontwikkelingslanden via internet); efficiënte distributiesystemen (online verkoop en bezorging van levensmiddelen); nieuwe markten (biotechnologie) en verbeterde marketingtechnieken (zoals neuromarketing en marketing automation). Ecologische factoren Velen zijn bezorgd over beschadiging van de natuur en aantasting van het leefgebied van dieren. Door de overheidsmaatregelen, initiatieven van bedrijven en publiciteit die de milieubeweging krijgt, is de betrokkenheid van de bevolking groot. Zo zegt meer dan de helft van de Nederlanders bij hun aankopen rekening te houden met het milieu, zeker als er milieuvriendelijke alternatieven zoals herbruikbare boodschappentassen en navulverpakkingen beschikbaar zijn. Ook bedrijven letten bij de strategieontwikkeling op ecologische factoren. Daarmee beschermen ze niet alleen het milieu, maar ook hun eigen belangen. Geen bedrijf wordt graag geassocieerd met een onverantwoord gebruik van schaarse grondstoffen, geluidsoverlast en lucht-, water- of bodemverontreiniging. Politiek-juridische factoren Politiek-wettelijke factoren omvatten zowel de wet- en regelgeving van de Europese Commissie en de rijksoverheid, als de verordeningen van provincies of gemeenten (zoals vergunningen en beschikbare vestigingsplaatsen). Overheidsmaatregelen kunnen kansen scheppen op marketinggebied (bijvoorbeeld voor het betreden van nieuwe markten), maar ook bedreigingen vormen (zoals bij strengere milieueisen). Marketingethiek en sociale verantwoordelijkheid Marktgerichte managers stemmen hun strategie af op de externe omgeving, maar beseffen ook dat – andersom – de beslissingen die zij voor hun bedrijf nemen een effect kunnen hebben op de buitenwereld. Om problemen te voorkomen, houden zij zich niet alleen aan de wetten en regels, maar streven zij er ook naar om ethisch verantwoorde beslissingen te nemen. In hun besluitvorming hechten zij aan maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Persoonlijk kun je een beslissing of handeling pas als ethisch beschouwen als je niet alleen de wetgeving en de (niet in de wet vastgelegde) maatschappelijke normen en waarden in de besluitvorming betrekt, maar ook je eigen ethische principes. 4. Koopgedrag Koopbeslissingsproces Managers die niet in staat zijn of geen zin hebben om koopbeslissingen met behulp van marktonderzoek verder te analyseren, gaan te werk volgens het zogenoemde black box-model. Zij gaan ervan uit dat de niet waarneembare mentale processen in de besluitvorming zich in een ‘zwarte doos’ (het brein van de consument) afspelen. Zie de figuur hieronder voor dit (simpele en weinig informatieve) black box-model. Black box-model van de besluitvorming van de consument De enige activiteiten die aanhangers van het black box-model in de gaten houden zijn de – vaak meetbare – prikkels (stimuli) aan de inputzijde (zoals het aantal keren dat hun website wordt bekeken of een promotiefilmpje wordt gedownload) en de eveneens meetbare gedragsrespons van de consument aan de outputkant (zoals extra aankopen). De stappen die de consument neemt bij de beslissing om een product te kopen of van een dienst gebruik te maken noemen we het koopbeslissingsproces. De figuur hieronder laat zien dat dit proces uit vijf fasen bestaat: behoefte beseffen, informatie zoeken, alternatieven evalueren, de aankoopbeslissing en een evaluatie na de koop. Koopbeslissingsproces van de consument Het beslissingsproces van de consument begint dus voordat het besluit tot de aankoop wordt genomen, en gaat vervolgens nog door. Het bestaat uit vijf fasen: 1. behoefte beseffen; 2. informatie zoeken; 3. alternatieven evalueren; 4. aankoopbeslissing; 5. evaluatie na de aankoop. Oriëntatie- en koopgedrag Als je het koopgedrag wilt voorspellen of beïnvloeden, verdiep je je niet alleen in hoe consumenten keuzes maken maar ook in hun zoek- en communicatiegedrag (welke informatiebronnen raadplegen ze?) en hun gebruiksgedrag (hoe wordt het product gebruikt en later afgedankt?). We onderscheiden drie vormen van oriëntatie- en koopgedrag: uitgebreide besluitvorming, beperkte besluitvorming en routinekoopgedrag. Uitgebreide besluitvorming komt voor bij high-involvement-producten, waarvan de aanschaf in de ogen van de consument van groot belang is. Dit is een vorm van besluitvorming onder hoge betrokkenheid. Het gaat om producten waarvan de aankoop veel risico met zich meebrengt (bijvoorbeeld een huis) of die het zelfbeeld of zelfconcept van de consument tot uitdrukking brengt (zoals sieraden). Als marketeer vergemakkelijk je het leerproces van de koper door hem informatie te geven over de voornaamste productkenmerken en voordelen in vergelijking met andere merken. Als de koper al enige ervaring met het product heeft en dus ook bekend is met de productcategorie, is een beperkt probleemoplossend aankoopgedrag toereikend. Denk aan regelmatig gekochte diensten en producten zoals het eten in restaurants, huishoudelijke apparaten, tuingereedschap en meubilair. De consument hoeft hier niet alle fasen in het besluitvormingsproces te doorlopen. Meer dan de helft van de producten die consumenten kopen, zijn gebaseerd op hun gewoontes of eerdere ervaringen met een product. Die snelle koopbeslissingen maken deel uit van het routinekoopgedrag. De consument hoeft niet lang over de aankoop na te denken omdat hij eigenlijk al weet wat hij wil hebben. De consument koopt dit soort producten zonder uitgebreid beslissingsproces. Routinekoopgedrag weerspiegelt besluitvorming onder lage betrokkenheid. Persoonlijke omstandigheden Hoewel iedereen uniek is, wordt het gedrag van consumenten – inclusief hun koopgedrag – beïnvloed door persoonlijke omstandigheden, waaronder hun demografische kenmerken, lifestyle en situationele factoren. Iemands leeftijd, inkomen, geslacht en burgerlijke staat zijn van invloed op het koopproces. Ook andere demografische kenmerken, zoals opleidingsniveau, geloof, beroep, cultuur en gezinsgrootte hebben een effect op de besluitvorming. De lifestyle van consumenten heeft betrekking op hun: activiteiten: hoe zij hun tijd en geld besteden (zoals werk, hobby’s, sport); interesses: wat zij in hun omgeving belangrijk vinden (gezin, samenleving, mode); opinies: wat zij van zichzelf en de wereld om hen heen vinden (politiek, cultuur, de toekomst). Factoren zoals waar, wanneer, hoe en waarom consumenten winkelen – de zogenoemde situationele invloeden – hebben dikwijls meer effect op hun koopgedrag dan de eigenschappen van een product of van de koper zelf. Als marketeer houd je bij de strategiebepaling dan ook rekening met vijf situationele factoren die de koopbeslissing beïnvloeden: fysieke omgeving: de locatie en het weer, maar ook de winkelaankleding, sfeer, verlichting, temperatuur, muziek, geur en drukte in de winkel; tijd: seizoen (vakantie?), tijdstip van aankoop (voor of na de maaltijd?) en tijdsdruk waaronder de koper een beslissing moet nemen; sociale omgeving: de aanwezigheid van andere personen, en met name hun rol, gedrag en opmerkingen; aankoopreden: de keuzecriteria voor een cadeau (bijvoorbeeld merkimago en vormgeving) zijn anders bij eigen gebruik (prijs en duurzaamheid); toevalligheden: tijdelijke en niet-voorspelbare factoren, zoals iemands bui (blij, moe of depressief?) en het beschikbare budget. Psychologische factoren De psychologische factoren die het gedrag van consumenten beïnvloeden zijn hun behoeften en motieven, percepties, leerprocessen, persoonlijkheid en attitudes. Hiervan vormen de eerste twee factoren – behoeften en motieven – het ‘waarom’ van ons gedrag. Wat de mens uniek maakt, is dat zijn houding en gedrag door allerlei behoeften en motieven worden beïnvloed. De bekende psycholoog Abraham Maslow onderscheidt verschillende typen behoeften die hij in zijn behoeftehiërarchie (zie de figuur hierna) heeft ingedeeld op vijf niveaus. Maslows behoeftehiërarchie Een motief is een innerlijke drang (een prikkel of stimulus) die de consument aanzet tot actie, dat wil zeggen: tot gedrag om een bepaald doel te bereiken, zoals een behoefte bevredigen. De sleutelvraag voor marketeers is: wat motiveert consumenten om mijn product te kopen? Zijn het voornamelijk rationele of emotionele motieven? Iemand die gemotiveerd is, wil graag tot actie overgaan. Zijn gedrag wordt echter beïnvloed door zijn perceptie of persoonlijke waarneming. Perceptie is het proces waardoor iemand zich (via de vijf zintuigen) van zijn omgeving bewust wordt en daaraan een zekere betekenis toekent. Veel van het consumentengedrag is aangeleerd. Leren is een proces waarbij we – door informatieverwerking, nadenken en herhaalde ervaringen – ergens inzicht in krijgen en op basis daarvan onze houding bepalen of ons gedrag aanpassen. Als een product ons bevalt, is die ervaring belangrijk genoeg voor ons om bij een vervangingsaankoop hetzelfde merk te kiezen. Ieder mens is een uniek individu: een persoonlijkheid. Met persoonlijkheid bedoelen we het geheel van psychologische kenmerken en karaktertrekken waarmee iemand zich van anderen onderscheidt. Ondernemers gaan ervan uit dat er een verband is tussen iemands koopgedrag en persoonlijkheid. Omdat iemands houding en gedrag in elkaars verlengde liggen, is inzicht in de attitudes van kopers van grote waarde bij het voorspellen of beïnvloeden van hun gedrag. Dat blijkt ook uit onze definitie: een attitude is de (aangeleerde of op ervaring gebaseerde) neiging om steeds op dezelfde manier te reageren op een bepaald idee of ander attitudeobject, zoals een product, merk, reclamethema of bedrijf. Sociale invloeden op het consumentengedrag We definiëren cultuur als het geheel van waarden, ideeën, attitudes, gewoontes en symbolen die de leden van een gemeenschap hebben ontwikkeld om vorm te geven aan hun levenswijze en gedrag. Cultuur is niet aangeboren, maar aangeleerd en wordt van generatie op generatie overgedragen. Een cultuur is dynamisch en past zich aan belangrijke veranderingen in de maatschappij aan. Als marketeer houd je de culturele omgeving dan ook in de gaten zodat je met je marketingstrategie doelbewust kunt inspelen op veranderende behoeften, waarden en gedragspatronen. Ook de sociale klasse waartoe iemand behoort, beïnvloedt het consumentengedrag. De zes bevolkingsgroepen die het SCP onderscheidt zijn de volgende (het percentage van de bevolking staat tussen haakjes): 1. De gevestigde bovenlaag (15%): deze mensen bezitten de meeste hulpbronnen, zijn hoog opgeleid, hebben partners met hetzelfde opleidingsniveau, een koopwoning (met overwaarde), een goed sociaal netwerk, zijn van middelbare leeftijd, nagenoeg autochtoon, en hebben een 2. 3. geluksgevoelscore van 8,1. De jongere kansrijken (13%): hebben de één na hoogste opleiding, (nog) een laag inkomen en weinig vermogen, vaak een huurwoning, zijn fysiek gezond, digitaal vaardig, spreken goed Engels, hebben een groot sociaal netwerk, en onder hen zijn veel jonge alleenstaanden, relatief veel niet-westerse migranten, en ze hebben een geluksgevoelscore van 7,7. De werkende middengroep (27%): heeft een bovengemiddeld economisch kapitaal, de hoogste arbeidsdeelname, is vaak in loondienst, bezit een koophuis (met weinig overwaarde), een redelijk sociaal netwerk, is jonger dan 65 (gemiddeld 42 jaar), en telt veel gezinnen met kinderen, en heeft een geluksgevoelscore van 7,6. 4. De comfortabel gepensioneerden (17%): zijn laag opgeleid, hebben een redelijk inkomen, vaak een koophuis (hypotheek afgelost), pensioen als inkomen, een hoog sociaal kapitaal, zijn fysiek minder, hebben een laag cultureel kapitaal (geringe digitale ontwikkeling), een redelijk luxe leefstijl, en een geluksgevoelscore van 7,6. 5. De onzekere werkenden (14%): zijn gemiddeld opgeleid, hebben een lager inkomen, een onzekere positie op arbeidsmarkt (tijdelijk contract, werkloos), een laag vermogen, vaak een huurhuis, een redelijk sociaal kapitaal, zijn van middelbare leeftijd, en tellen relatief veel migranten en eenoudergezinnen, en hebben een geluksgevoelscore van 6,1. 6. Het precariaat (15%): is laag opgeleid, heeft vaak een uitkering of alleen AOW, een huurhuis, nauwelijks vermogen, een slechte fysieke conditie, is vaak te zwaar, weinig digitaal ontwikkeld, heeft een klein sociaal netwerk, is gemiddeld 62 jaar, telt veel alleenstaande ouderen en migranten, en heeft een geluksgevoelscore van 6,3. Een referentiegroep is een groep personen die veel invloed heeft op iemands houding en gedrag, omdat deze persoon zich met die groep verbonden voelt of zich ermee vergelijkt. De gezinslevenscyclus omschrijft de fasen die een traditioneel gezin doorloopt, van samenwonen of trouwen en gezinsuitbreiding tot en met het overlijden van een van de partners. Door een geboorte, het uitvliegen van de kinderen, pensionering en andere mijlpalen ontstaan er drastische veranderingen in de behoeften en het bestedingspatroon van een gezin. Elke fase in de gezinslevenscyclus brengt lucratieve marketingkansen met zich mee. B2b-marketing Nederland telde in 2020 het recordaantal van 2 miljoen bedrijven. Marketeers richten zich daarom niet alleen op eindverbruikers, maar ook op zakelijke klanten. De zakelijke markt is het werkterrein van business-to-businessmarketing. Net als consumentenaankopen omvat ook de aanschaf van zakelijke producten verschillende fasen. De tabel hierna omschrijft de voornaamste stappen in het koopproces van organisaties. In de praktijk houdt een bedrijf niet altijd aan deze volgorde vast en vinden sommige fasen gelijktijdig plaats. Fasen Omschrijving of voorbeeld 1 Probleemherkenning Een bedrijf zoekt een reeks nieuwe volautomatische verpakkingsmachines voor de introductie van een nieuw product. 2 Behoefte omschrijven De productieleider formuleert – in samenwerking met de inkoper – de functionele specificaties: de gewenste kenmerken van het verpakkingssysteem. 3 Productspecificatie Formuleren van de technische specificaties o.b.v. de eisen en normen waaraan de machines moeten voldoen en het bepalen van het budget, de communicatielijnen en bestelprocedures. 4 Leveranciers zoeken De inkoper stelt, samen met andere leden van de DMU en met gebruik van online informatie, een short list op van geschikte leveranciers die aan de geformuleerde eisen kunnen voldoen. 5 Offertes aanvragen en evalueren De geselecteerde leveranciers brengen – op basis van een gedetailleerde briefing – hun offertes uit die op technische, financiële en commerciële criteria worden vergeleken. Na onderhandelingen over de prijs, 6 Onderhandelingen en selectie van leverancier leveringsvoorwaarden, installatie-, service- en onderhoudsvoorzieningen kiezen leden van de DMU een of meer leveranciers. 7 Koopovereenkomst opstellen Vastleggen van leveringsdata en – bij langlopende overeenkomsten in een raamcontract – principeafspraken, waarna details (zoals de hoeveelheid per order) later worden ingevuld. 8 Orderbewaking en evaluatie De inkoper volgt de vorderingen in het productieproces, beoordeelt het product en de ervaringen van gebruikers als basis voor feedback aan de leverancier en voor eventuele vervolgorders. Degenen die deel uitmaken van een Decision Making Unit bij een bedrijf spelen tijdens het aankoopproces elk een verschillende rol (en soms meerdere rollen). Als marketeer of accountmanager moet je zo vroeg mogelijk in het verkoopproces uitzoeken wie er in welke rol je presentatie gaat bijwonen, zodat je je verkoopinspanningen kunt afstemmen op de interesses en verwachtingen van de teamleden. De rollen zijn: beslisser, initiatiefnemer, beïnvloeder, gatekeeper, koper en gebruiker. B2b e-commerce en e-procurement Veel organisaties maken gebruik van geautomatiseerde of elektronische oplossingen voor het ondersteunen en uitvoeren van inkoopactiviteiten, zoals electronic data interchange. In B2b wordt ook veel gebruikgemaakt van online marketplaces. Inkopen via internet wordt e-procurement genoemd. De belangrijkste voordelen van eprocurement ten opzichte van het traditionele inkoopproces zijn: verbetering van de efficiëntie: bijna het gehele proces van inkoop en facturering verloopt elektronisch; kortere doorlooptijden: de organisatie verstuurt alles elektronisch en dus direct; lagere voorraadkosten: het bedrijf hoeft minder voorraad aan te houden omdat bestellingen sneller op de plaats van bestemming zijn; lagere inkoopprijs: de organisatie benut de contracten beter doordat iedereen digitaal op de hoogte is van de aanwezige contracten; permanente beschikbaarheid: via internet kan de organisatie 24 uur per dag, 7 dagen per week bestellen bij de leveranciers. Het e-commercekanaal geeft inkopers wereldwijd toegang tot nieuwe leveranciers waarmee zij kunnen samenwerken en een relatie opbouwen. Tegelijkertijd brengt het aanbieders van producten en diensten in contact met potentiële klanten. Omdat deze vorm van marketingcommunicatie de verkoop- en transactiekosten verlaagt en het koopproces – ook op de internationale markt – efficiënter maakt, levert dit ook voor de aanbieder vaak een besparing op van tientallen procenten. Ook leidt online inkoop tot een snelle orderverwerking en levering van de aangekochte goederen. Bovendien bieden marketinggerichte leveranciers de klant via hun websites productinformatie, updates over de status van een bestelling, technische ondersteuning (bijvoorbeeld door handleidingen die te downloaden zijn) en andere vormen van klantenservice. ———- 6. Marktsegmentatie en positionering Analyseren van de markt Vanuit een marketingoptiek omschrijven we markten meestal als klanten: groepen personen of organisaties met behoeften en voorkeuren waarop we met het marketingbeleid inspelen. Het accent ligt op de vraagzijde. Immers, ‘markten zijn mensen’, ieder met hun eigen behoeften. Bij het schatten van de marktomvang betrekken we niet alleen de huidige consumenten of bezitters van het product, maar ook hen die het nog niet gebruiken. Daarom wordt in strategische plannen ook aandacht besteed aan het marktpotentieel of de potentiële markt: de maximale verkopen van een product die alle leveranciers gezamenlijk – met een optimale marketinginspanning – in een bepaalde periode zouden kunnen boeken. De effectieve vraag omvat de totale hoeveelheid van een product die per jaar wordt gevraagd. De potentiële vraag omvat het aantal producten boven deze huidige afzet dat bij een optimale marketingmix door de gezamenlijke leveranciers kan worden verkocht. De som van de effectieve en de potentiële vraag vormt het marktpotentieel. De initiële vraag komt van niet-bezitters die het product voor de eerste keer aanschaffen. De herhalingsvraag is de vraag naar een product door een consument die dat product al eens eerder heeft gekocht. De vervangingsvraag komt van bezitters die hun oude product afdanken en door een nieuw vervangen. Maar als de bezitters hun huidige product houden en een extra product (zoals een tweede espressomachine voor in het tuinhuis) aanschaffen, spreken we van additionele vraag. De som van de initiële vraag en de additionele vraag naar een product in een bepaalde periode noemen we uitbreidingsvraag. Als je de uitbreidingsvraag bij de vervangingsvraag optelt, dan krijg je de totale vraag naar het product, ofwel de totale afzet. Wat is marktsegmentatie? Marktsegmentatie is het opsplitsen van de totale markt voor een product in kleinere groepen kopers met eenzelfde gedrag of voorkeur, waardoor je de producten en marketingstrategie perfect kunt afstemmen op de wensen en behoeften van bepaalde doelgroepen, in plaats van de totale markt te bedienen. Zoals de figuur illustreert, bestaat een marktsegmentatiestrategie uit drie stappen. Segmentatie, doelgroepbepaling en positionering: het SDP-model 1. 2. segmentatie: opdelen van de markt; doelgroepbepaling: evalueren hoe aantrekkelijk de onderscheiden marktsegmenten zijn en daar een of meer doelgroepen uit kiezen om die op maat te bewerken; 3. positionering: het in de markt zetten van een product of merk door er in de beleving van de consument een bepaald beeld van te creëren ten opzichte van concurrerende producten. De meeste bedrijven gebruiken vier criteria om te beoordelen of een bepaalde segmentatiestrategie wel zin heeft: de meetbaarheid, de omvang, de bereikbaarheid van de segmenten en de haalbaarheid van de segmentatiestrategie. Segmentatiecriteria Markten kunnen op verschillende manieren worden gesegmenteerd. De meest gebruikte segmentatiecriteria zijn: demografische criteria: inkomen, sociale klasse, leeftijd, gezinslevenscyclus en sociaaleconomische variabelen; geografische criteria: de consumentenvoorkeur in verschillende regio’s hangt samen met de cultuur, het klimaat, de bevolkingsdichtheid en tradities in de omgeving; psychografische criteria: de indeling van consumenten op basis van hun attitudes, type persoonlijkheid, lifestyle en interesse in bepaalde benefits (voordelen) dat een product biedt; gedragscriteria: de verbruiksintensiteit, mate van merktrouw of koopbereidheid van klanten. Doelgroepbepaling Als je de markt eenmaal hebt geanalyseerd en in zinvolle marktsegmenten hebt verdeeld, neem je beslissingen over de marketingstrategie en de doelgroepen die je gaat bewerken. Twee sleutelvragen daarbij zijn: 1. Bewerk je de markt – of de onderscheiden marktsegmenten – met dezelfde marketingmix of met verschillende marketingstrategieën? 2. Welke marktsegmenten bevatten de beste doelgroepen voor het bedrijf? We verdiepen ons nu in drie strategieën om de markt te bewerken en in de beslissing hoeveel – en welke – marktsegmenten we als doelgroep willen bedienen. Een bedrijf dat zich oriënteert op wat consumenten met elkaar gemeen hebben, in plaats van op hun onderlinge verschillen, volgt een ongedifferentieerde marketingstrategie. Het behandelt de markt als één geheel en wil een brede groep mensen aanspreken. Bij geconcentreerde marketing bewerkt een bedrijf slechts één marktsegment (of hooguit enkele segmenten), in plaats van een zo groot mogelijk deel van de totale markt. Dit is een gewilde strategie voor start-ups met gebrek aan kapitaal omdat je de producten en promotie alleen richt op kopers die je het beste en op de meest lucratieve manier kunt bedienen. Een bedrijf dat zich op slechts op één segment concentreert, volgt een nichestrategie. Met een strategie van gedifferentieerde marketing probeer je een groot deel van de markt – of zelfs de hele markt – te bereiken door voor elk segment een unieke marketingmix te ontwikkelen. Hiermee boek je een hogere omzet dan wanneer je maar één product en marketingstrategie gebruikt of je tot één doelgroep beperkt. Drie marktbewerkingsstrategieën Het segment kopers dat een onderneming als haar markt kiest en waarvoor zij doorgaans speciale marketingactiviteiten ontplooit, noemen we de doelgroep. Bij een geconcentreerde of gedifferentieerde marketingstrategie moeten we de ontdekte segmenten systematisch evalueren om de aantrekkelijkste eruit te halen. Een bruikbaar analytisch hulpmiddel bij het kiezen van doelgroepen is de deelmarktmatrix, waarbij iedere cel een kleinere, relatief homogene markt voorstelt. Positionering Met een positioneringsstrategie creëer je een duidelijk en krachtig imago voor je merk – ten opzichte van concurrerende merken – zodat dit een unieke positie inneemt in het brein van de klant. Vanuit de consument gezien is positionering het geheel van de indrukken, percepties en emoties dat een merk of product oproept. Dit vereist een thema dat een concurrentievoordeel van het bedrijf belicht, maar ook aansluit op wat kopers belangrijk vinden. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de positioneringsgrafiek. Dit is een assenstelsel met de producteigenschappen als dimensies. In deze positioneringskaart tekenen we de posities van het eigen product en die van de concurrenten met betrekking tot deze factoren in. Zo wordt goed zichtbaar hoe de producten op de markt worden gezien en welke merken het meest op elkaar lijken. Ook blijkt in hoeverre de huidige positie van het merk in het brein van de afnemer afwijkt van de beoogde positionering. In de praktijk zijn veel positioneringscampagnes gebaseerd op instrumentele producteigenschappen, zoals de toegepaste techniek of vormgeving. Andere campagnes benadrukken expressieve producteigenschappen, zoals de status, het plezier of de gezelligheid die het product verschaft en gebruikers de kans geeft om hun lifestyle tot uitdrukking te brengen. ————————- 1. 2. 3. GRONDSLAGEN VAN DE MARKETING - EDITIE 10 Grondslagen van de marketing - editie 10 Productmanagement en merkbeleid Samenvatting 7. Productmanagement en merkbeleid Wat is een product? Een product is meer dan een fysiek voorwerp. Het is een combinatie van tastbare en niet-tastbare eigenschappen waarmee een artikel of dienst in een bepaalde behoefte van de klant voorziet. Wanneer je als marketinggerichte manager voor een product een strategie uitstippelt, moet je daarbij drie niveaus van dat product voor ogen houden die elk meerwaarde toevoegen voor de klant. Deze drie niveaus (of onderdelen) van een product zijn het kernproduct, het tastbaar product en het uitgebreid product. Het kernproduct slaat op de basisfunctie van het product: de probleemoplossende, niet-tastbare voordelen die het biedt. Op dit meest fundamentele productniveau luidt de sleutelvraag: wat koopt de klant nu eigenlijk? Het tastbare product slaat op de eigenschappen of functies die consumenten ervan verwachten. Daarbij wordt aandacht geschonken aan de kwaliteit, vormgeving, merknaam, verpakking en speciale functies. Met de juiste combinatie daarvan ontstaat een product dat de gewenste voordelen van het kernproduct voor de koper waarmaakt. Het uitgebreide product omvat de niet-tastbare, psychologische voordelen en serviceverlening die in de ogen van de koper waarde aan het product toevoegen. Deze toegevoegde eigenschappen of extra’s zijn vaak diensten die deel uitmaken van het prijs-, distributie- of promotiebeleid, zoals een gunstige betalingsregeling. Typen consumentenproducten Producten worden onderverdeeld in twee typen: Consumentenproducten (consumptiegoederen): deze worden verkocht aan individuele klanten en hun gezinnen voor hun persoonlijke consumptie of eigen gebruik. Zakelijke producten (industriële producten): deze worden geleverd aan organisaties die ze doorverkopen of gebruiken voor hun eigen productieproces of dienstverlening. Consumentenproducten worden ingedeeld in: convenience products (gemaksproducten): dagelijkse gebruiksartikelen (frequent gekochte producten), spontaan gekochte impulsproducten en noodproducten; shopping products (winkel- of keuzeproducten): homogene en heterogene producten; specialty products (speciale producten) met hoge merkvoorkeur en consumentenbetrokkenheid; unsought products (onbekende of niet-gewilde producten). Assortimentsbeleid Het assortiment van een bedrijf bestaat uit alle productgroepen, producten, productvarianten en merken die het aanbiedt. Beslissingen over het totale assortiment worden meestal op een hoger niveau in de organisatie genomen. Bij die strategische beslissingen neemt het management verschillende dimensies in overweging: de assortimentsbreedte en -diepte en ook de lengte, hoogte en consistentie van het assortiment. assortimentsbreedte: het aantal productgroepen dat een bedrijf voert; assortimentsdiepte: het productaanbod binnen een bepaalde productgroep; assortimentslengte: het totale aantal artikelen dat een bedrijf in al zijn productgroepen voert; assortimentsconsistentie: de mate van samenhang tussen de producten; hoogte van het assortiment: gemiddelde prijsniveau van de artikelen. Door de producten volgens de 20/80-regel (circa 20% van de gevoerde artikelen zorgt voor 80% van de totale omzet) te splitsen in een kernassortiment (artikelen met een hoge omloopsnelheid) en een randassortiment (artikelen met een lage omloopsnelheid) kun je beslissen over een eventuele sanering of uitbreiding van het assortiment. Een assortimentsuitbreiding heeft implicaties voor de merkenstrategie. Een line extension of lijnextensie (waarbij de merknaam wordt gebruikt voor nieuwe producten in dezelfde productgroep) is mogelijk door het assortiment op te vullen (line filling) of uit te rekken (line-stretching); dat laatste kan door producten te introduceren met een hogere prijs (trading-up) of een lagere prijs (trading-down). Ten slotte wordt bij een brand extension of merkextensie de huidige merknaam gebruikt voor producten in een andere productcategorie. Productlevenscyclus De productlevenscyclus (PLC) is – grafisch weergegeven – het verloop van de afzet van een product in de tijd. Hierin doorloopt het de volgende fasen: 1. Introductiefase: er wordt nog niet veel van het product verkocht. 2. Snelle groeifase: steeds meer consumenten ontdekken het product. 3. Afnemende groeifase (rijpheidsfase): de concurrentie wordt feller en het tempo van de omzetgroei daalt. 4. Volwassenheidsfase: de markt raakt verzadigd en de groei stopt. 5. Neergangsfase: veel kopers stappen over op andere producten en de omzet en winst dalen (het product wordt uit de markt genomen of door een nieuw model vervangen). De PLC is vooral bruikbaar bij analyses en prognoses op het niveau van het producttype (productvariant). De penetratiegraad is een belangrijk kengetal voor de PLC. Kwaliteit en klantenservice Omdat de factoren die aan de behoeftebevrediging van de koper bijdragen sterk uiteenlopen, letten we bij het verbeteren van de kwaliteit op twee dimensies: de technische kwaliteit en de consumentenkwaliteit. De technische kwaliteit slaat op de mate waarin het product naar behoren functioneert en omvat eigenschappen die je objectief kunt meten. Denk aan de snelheid of betrouwbaarheid van een apparaat, de veiligheid van de verwerkte materialen en de duurzaamheid ervan. Daarentegen houdt de consumentenkwaliteit verband met de afgeleide en vaak niettastbare kenmerken die consumenten van het product verwachten. Voor sommige klanten hangt de kwaliteit van het product samen met de kleur, garantiebepalingen, serviceverlening en – subjectief beoordeelde – eigenschappen als de smaak en geur van het product. Andere consumenten vinden het merkimago, design en het bedienings- of gebruiksgemak (de ‘ergonomische kwaliteit’) belangrijker. Voor de consument is de emotionele kwaliteit, zijn beoordeling van de niet-fysieke eigenschappen van een product, vaak minstens zo belangijk als de fysieke en functionele kwaliteit. Voor de meeste kopers is een product meer waard met een garantiebewijs erbij. Een garantie is een schriftelijke verklaring van wat een leverancier belooft te doen als zijn product – binnen een bepaalde periode na de aankoop – defect raakt of niet meer naar behoren functioneert. Met service bedoelen we elke vorm van dienstverlening vóór, tijdens en na de aankoop die het voor klanten makkelijker maakt om het product te kopen en te gebruiken en de kans op herhalingsaankopen vergroot. Met superieure service onderscheidt het bedrijf zich van concurrenten en bouwt het een duurzame relatie met zijn klanten op. Design en verpakking Een sleutelvraag in de marketing van een product is hoe dit op consumenten overkomt. Hun eerste indruk wordt niet alleen beïnvloed door het design (vormgeving) van het product, maar vaak ook door de verpakking waarin het wordt aangeboden. In die zin zijn het productontwerp en de verpakking nauw met elkaar verwant. Het productontwerp uit zich in de vormgeving (design) van het fysieke product. Een succesvol product is niet alleen functioneel, maar ziet er ook aantrekkelijk uit. De verpakkingsfuncties ondersteunen de communicatiefuncties die vroeger taken waren van een verkoper of winkelbediende. Managers beschouwen verpakkingen nu als strategisch instrument en kijken steeds kritischer naar de commerciële functies ervan. Al met al richten hun inspanningen zich op vier marketingfuncties die met de presentatie van het product verband houden: het geven van productinformatie, het overbrengen van een imago, het positioneren of onderscheiden van het product en het stimuleren van het verbruik. Merkenstrategie Een merk is een naam, beeld of symbool – of combinatie daarvan – waarmee een organisatie zichzelf en haar producten herkenbaar wil maken voor de consument en zich wil onderscheiden van de concurrentie. Voor de consument heeft een sterk merk duidelijke voordelen. Zo biedt het merkartikel de consument zekerheid (over de kwaliteit, dus weinig risico), gemak (minder zoektijd door een goede verkrijgbaarheid) en de mogelijkheid om zijn lifestyle te onderstrepen. Ook voor het bedrijf heeft een sterke merkidentiteit diverse voordelen: Het merkartikel onderscheidt zich van concurrerende producten, en wordt daardoor beter herkenbaar. Het merk krijgt een eigen identiteit of imago, en spreekt – met de juiste positionering – een bepaalde doelgroep aan. Dankzij het merk – met zijn unieke persoonlijkheid – kan het bedrijf een vertrouwensband met klanten opbouwen die tot herhalingsaankopen leidt. Een fabrikant met sterke merken is – vooral bij de introductie van nieuwe producten – minder afhankelijk van retailers. In de concurrentiestrijd tussen producenten en distribuanten (battle of the brands) worden de volgende wapens gebruikt: Fabrikantenmerken: A-merken (deze hebben een distributiespreiding van 75% of meer); B-merken (deze missen minstens een van de eigenschappen van Amerken); C-merken (deze zijn laag geprijsd); fancy merken (voor tijdelijke producten). Winkelmerken of distribuantenmerken of private labels: huismerk (merkartikelen met een fantasienaam); eigen merken (producten met de eigen naam van de winkelorganisatie). We spreken van een familiemerk of paraplumerk als een bedrijf verschillende producten uit z’n assortiment op de markt brengt onder de paraplu van één merknaam. Een bedrijf met een individuelemerkenstrategie brengt producten op de markt die elk hun eigen merknaam hebben. Daar zijn drie redenen voor: 1. bescherming van bestaande producten; 2. omzetverhoging door marktsegmentatie; 3. stimuleren van interne concurrentie. Als een merk ingeschreven is in een merkenregister om het wettelijk te beschermen, noem je het een (gedeponeerd) handelsmerk. Bescherming voor het exclusieve gebruik van het merk is alleen mogelijk als je het deponeert bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom in Den Haag. Bij het kiezen van een goede merknaam houd je rekening met drie vuistregels: 1. De merknaam moet origineel zijn en gemakkelijk te herkennen zijn. 2. De naam moet bij het product passen, dus het gewenste merkimago ondersteunen en (zo mogelijk) iets zeggen over een producteigenschap. 3. De naam moet kort en (ook in andere talen) gemakkelijk uit te spreken zijn, positief klinken en goed te onthouden zijn. Dankzij het Benelux-Verdrag voor de Intellectuele Eigendom kun je niet alleen de merknaam beschermen, maar ook afbeeldingen (beeldmerken) en de vorm van een product of verpakking. —————- 9. Marketingcommunicatiestrategieën Wat is marketingcommunicatie? Marketingcommunicatie omvat de combinatie van alle middelen die een organisatie inzet om haar doelgroepen en stakeholders te informeren, en klanten zo te beïnvloeden dat ze een positief beeld van de onderneming krijgen, haar ideeën accepteren of haar producten en diensten kopen. Bedrijven bouwen met behulp van hun marketingcommunicatiebeleid met hun klanten en andere belangengroepen een relatie op. Zij doen dit door de juiste combinatie van instrumenten te gebruiken (de marketingcommunicatiemix), waaronder reclame, sales, sponsoring, public relations, publiciteit, mobile, online en direct marketing. Communicatie is de overdracht of uitwisseling van informatie tussen organisaties en personen, vaak met als doel om hen te beïnvloeden. Deze informatieoverdracht vindt via twee typen kanalen plaats. Het ene kanaal – persoonlijke communicatie – bestaat uit personen. Het andere bestaat uit massamedia. Zie de voor- en nadelen van beide vormen in de tabel hierna. Persoonlijke communicatie Bereiken van een groot publiek Massacommunicatie Snelheid Laag Hoog Kosten per bereikte persoon Hoog Laag Mogelijkheid om aandacht te trekken Groot Beperkt Consistentie van de boodschap Laag Hoog Kans op interesse en respons Hoog Laag Duidelijkheid van de inhoud Hoog Middelmatig tot laag Richting van de berichtgeving Tweerichtingsverkeer Eenrichtingsverkeer Snelheid van de terugkoppeling Hoog Laag Nauwkeurigheid van de feedback Hoog Laag Invloed op het individu Feedback In het communicatiemodel (zie de figuur hierna) wordt communicatie weergegeven als een proces waarbij een bepaalde zender of bron (bijvoorbeeld de adverteerder of verkoper) een boodschap stuurt via een bepaald medium naar een ontvanger (de consument of communicatiedoelgroep). Communicatiemodel Om de kans op doeltreffende communicatie te vergroten, moeten we de boodschap zo goed mogelijk overbrengen. De eerste stap is dan ook coderen: het omzetten van het te communiceren idee in symbolische vorm, zoals woorden en illustraties. De ontvanger verwerkt en interpreteert de boodschap door deze te decoderen, dus er een betekenis aan toe te kennen. Hij ‘vertaalt’ de woorden en beelden in bepaalde informatie of ideeën. Vervolgens kan hij erop reageren. Zijn respons kan bijvoorbeeld de vorm aannemen van een aankoop, een grotere bekendheid met het merk of een verandering in houding. Door feedback of terugkoppeling (dat deel van de respons dat de zender kan meten) kunnen we nagaan of de boodschap goed bij de doelgroep is overgekomen of wellicht moet worden bijgesteld. Communicatiebeleid: doelgroepkeuze Bedrijven werken vaak met een communicatieplan. Dat bestaat uit vier essentiele stappen: 1. communicatiedoelgroep kiezen; 2. doelstellingen formuleren; 3. budget vaststellen; 4. communicatiemix bepalen. De communicatiedoelgroep is een groep personen of organisaties waarop de boodschap is gericht. Een bedrijf communiceert niet alleen met potentiële klanten en personen die hen beïnvloeden, maar ook met andere belangengroepen, zoals de partners in het distributiekanaal, kapitaalverschaffers en werknemers. Daarom maken we onderscheid tussen de primaire doelgroep (waarin we het meest zijn geïnteresseerd) en de secundaire doelgroep. Die laatste is van minder direct belang, maar speelt toch een rol bij het realiseren van de ondernemingsdoelstellingen. Een producent of marketeer kan zijn marketingcommunicatie afstemmen op de consument of op de tussenhandel. Afhankelijk daarvan volgt hij een pullstrategie of een pushstrategie, elk met een eigen communicatiemix. Uit onderzoek is bekend dat veel informatie en ideeën een doelgroep bereiken via opinieleiders. Dit zijn personen die door hun persoonlijkheid of deskundigheid op bepaalde gebieden de houding en het gedrag van anderen beïnvloeden. Het 'two-step flow'-model van het communicatieproces geeft aan dat de invloed van de massamedia op het consumentengedrag beperkt is en dat marketingcommunicatie vaak beter kan worden gericht op opinieleiders of influencers die de informatie doorgeven aan het grote publiek. In die zin vormen opinieleiders een belangrijke groep voor marketeers. Onderstaand de stappen in de ontwikkeling van een communicatiebeleid. Stappen in de ontwikkeling van een communicatiebeleid Een effectief marketingcommunicatiebeleid kan alleen worden ontwikkeld als we precies weten wie de doelgroep is. Afhankelijk van de vraag of we ons als producent primair op de consument richten dan wel op het eerstvolgende niveau in het distributiekanaal, ligt het accent op een pull- of een pushstrategie. Bij een pullstrategie zijn reclamecampagnes een efficiënt middel, terwijl bij een pushstrategie een gemotiveerd verkoopapparaat de hoofdrol speelt. Pullstrategie versus pushstrategie Conform het tweetrapsmodel van het communicatieproces probeert de marketeer vooral de opinieleiders of influencers te bereiken. Zij geven op hun beurt de informatie door aan het grote publiek en beï nvloeden – via mond-tot-mondreclame – de koopbeslissingen van andere consumenten beter dan de massamedia dat kunnen. Communicatiedoelstellingen Een bedrijf moet de communicatiedoelstellingen niet uitdrukken in de gewenste omzet, maar in wat het met de communicatie wil bereiken. Een hulpmiddel daarbij is het AIDAmodel. Het AIDA-model van Strong omschrijft de stadia die iemand achtereenvolgens doorloopt voordat hij een aankoopbeslissing neemt. Dit zijn attention (aandacht), interest (belangstelling), desire (de wens om het product te bezitten) en action (leidend tot een aankoop). Het AIDA-model is een klassiek hiërarchisch model. Dit soort modellen gaat ervan uit dat de consument, voordat hij iets koopt, altijd in een vaste ‘dwingende’ volgorde bepaalde leerstadia doorloopt: eerst verwerft hij kennis (cognitie), vervolgens ontstaat waardering (affectie) en ten slotte de bereidheid om, in de gedragsfase, tot actie (conatie) over te gaan. Bedrijven kunnen via hun communicatiebeleid het beslissingsproces van de consument beïnvloeden door hem op de ladder van kennis naar gedrag steeds een trede verder te brengen. Uit onderzoek naar het koopgedrag weten we dat consumenten de cognitieve, affectieve en conatieve fasen niet altijd per se in die volgorde doorlopen. Soms wordt deze standaardleerhiërarchie niet automatisch gevolgd, met name in situaties waarin: de betrokkenheid van de consument bij de aankoop gering is; de producten waartussen de consument moet kiezen in zijn perceptie sterk op elkaar lijken en de consument cognitieve dissonantie ervaart. Communicatiebudget Als de doelstellingen zijn vastgelegd moet je als marketeer beslissen hoeveel je het best aan marketingcommunicatie kunt besteden. Dit is een lastige beslissing. Veel managers hanteren bij de budgettering dan ook hun eigen veronderstellingen en vuistregels. De meesten gaan er wel van uit dat herhaling van de reclameboodschap nodig is voordat een campagne enig effect heeft. Maar ze gebruiken verschillende manieren om het communicatiebudget te bepalen. De meest gangbare technieken zijn de omzetpercentagemethode, de sluitpostmethode, de concurrentiemethode en de taakstellende methode. omzetpercentagemethode: vast percentage van de behaalde of de verwachte omzet; sluitpostmethode: het budget bedraagt niet meer dan het bedrijf zich kan veroorloven; concurrentiemethode: op basis van het budget van de grootste concurrent in verhouding tot het marktaandeel; taakstellende methode: budget bepaald naar de doelstelling die je wilt bereiken en de taken die daarvoor nodig zijn (verdient de voorkeur). Communicatiemix Als het budget eenmaal vaststaat, moet dit zo gunstig mogelijk over de communicatiemiddelen worden verdeeld. Een sleutelvraag bij het samenstellen van de juiste communicatiemix is wat we met de campagne willen bereiken en hoe. Afhankelijk van onze doelstellingen kiezen we voor themacommunicatie of voor actiecommunicatie. Bij het gebruik van themacommunicatie zijn (online) reclame, pr en sponsoring ideale middelen om de kennis en houding van consumenten te beïnvloeden, met als doel het creëren van een positief merkimago en het vergroten van de koopbereidheid op lange termijn. Het doel van actiecommunicatie is daarentegen om op korte termijn de afzet te vergroten door het stimuleren van aankopen met behulp van sales promotion. Ook de doelgroep, de productkenmerken en de fase in de productlevenscyclus spelen een belangrijke rol bij het vaststellen van de communicatiemix. Online marketingcommunicatie Online marketing is de marketing van producten, diensten of ideeën met behulp van internet. Online marketing is namelijk een verzamelnaam van allerlei – aan het internet gerelateerde – activiteiten en technieken, waaronder zoekmachinemarketing, emailmarketing, display advertising, linkbuilding en socialmediamarketing. Ook het gebruik van games, virals, affiliate marketing en contentmarketing maken deel uit van online marketing. Bij het overbrengen van hun boodschap aan de doelgroep kiezen bedrijven steeds vaker voor online communicatiemiddelen. In dat kader willen zij met hun online communicatiestrategie de doelgroep bewust maken van hun merk, er sympathie voor kweken, potentiële klanten tot een aankoop stimuleren, klantenbinding bevorderen en een loyale community opbouwen. Specifieke doelstellingen hierbij zijn bijvoorbeeld om consumenten te bewegen een webshop te bezoeken, een app te downloaden of zich in te schrijven voor een nieuwsbrief. Social media Social media zijn online platformen waarbij de gebruikers zelf verantwoordelijk zijn voor de regie en ze hun berichten, beeldmateriaal (zoals foto’s en video’s) en geluid (muziek en podcasts) op informele wijze met elkaar delen. Veelgebruikte media zijn Instagram, Facebook, LinkedIn, Snapchat, YouTube and Twitter. Bedrijven gebruiken social media om diverse redenen: naamsbekendheid en merkkennis verhogen; interactie met de doelgroep; adverteren; websitebezoek stimuleren; influencers inzetten. Public relations In veel organisaties vervullen public relations een ondersteunende rol voor de reclame-, sales-, sponsoring- en online activiteiten waarmee het bedrijf de markt bewerkt. Succesvolle organisaties volgen een systematische aanpak bij de analyse, planning, uitvoering en controle van hun marketingcommunicatie-inspanningen, waaronder ook pr valt. Public relations omvatten een scala van marketingcommunicatieactiviteiten om systematisch een positief imago van de organisatie en haar beleid te creëren en een goede relatie met diverse publieksgroepen te onderhouden. Door een zorgvuldige planning van de public-relationstaken worden allerlei kwesties routinezaken en kunnen zelfs onverwachte gebeurtenissen – zoals een product-recall (het terughalen van defecte of bedorven producten door de leverancier) – volgens een plan van uitvoering worden afgehandeld. Public relations (pr) vervullen zowel een interne functie (bijvoorbeeld het inspireren van werknemers) als een externe functie (zoals het creëren en overdragen van een positief imago). Interne publieksgroepen bestaan uit het personeel (inclusief de directie en ondernemingsraad), maar ook uit de gezinnen van personeelsleden, oud-werknemers en andere betrokkenen. Deze groepen worden regelmatig op de hoogte gehouden van interessante bedrijfsactiviteiten om hun betrokkenheid, motivatie en onderlinge samenwerking te vergroten. Veel van de interne communicatie over de ondernemingspraktijken heeft betrekking op het presenteren van de corporate identity of persoonlijkheid van de onderneming. De medewerkers moeten zich daarin thuis voelen en die identiteit ook in hun houding en gedrag uitdragen. Populaire interne communicatiemedia zijn intranet, social media, personeelsbladen, nieuwsbrieven, email, prikborden, posters en brochures. Externe publieksgroepen waarop pr zich richt zijn onder meer de klanten, tussenhandel, leveranciers, brancheorganisaties en aandeelhouders. Andere doelgroepen buiten de organisatie zijn relevante ngo’s, sollicitanten en zelfs – in verband met de publieke opinie – de gehele bevolking. Een belangrijke externe prfunctie is het overdragen van een bepaald imago op het publiek. Dat gebeurt onder meer via corporate advertising. Een alternatief is om via persberichten gratis – en geloofwaardige – publiciteit in de media te krijgen. Markeer als gelezen ———————- 12. Prijsbeleid De prijsbeslissing Er is een fundamenteel verschil tussen de prijs en de rest van de marketingmix: de prijs zorgt voor opbrengsten, terwijl de andere variabelen kosten met zich meebrengen. Maar net als bij andere marketingbeslissingen is ook bij de prijszetting de klant het ideale vertrekpunt, omdat de koper van grote invloed op het prijsniveau is. De sleutelvraag is hoeveel geld een product of dienst de koper waard is. Vanuit een marketinginvalshoek kunnen we de prijsbeslissing dan ook het beste zien als de kunst om de waarde van het product in de ogen van de koper te vertalen in het juiste bedrag. Vanuit de koper gezien is de prijs namelijk de ruilwaarde van het product uitgedrukt in geld, ofwel het bedrag dat hij bereid is in ruil voor het product te betalen. Inzicht in de waardeperceptie van de consument is niet alleen nodig voor het opbouwen van een aanlokkelijk merkimago, maar ook voor het bepalen van het prijsplafond. Om de juiste prijsbeslissingen te kunnen nemen, moeten we inzicht hebben in verschillende soorten kosten. De laagste prijs waarvoor een artikel in principe kan worden aangeboden, is gelijk aan de variabele kosten (zoals de kosten van grondstoffen). Variabele kosten zijn kosten die afhankelijk zijn van het productieniveau. Op de lange termijn moet een bedrijf uiteraard ook zijn vaste of constante kosten dekken. Dit zijn de productiekosten die niet met de grootte van de productie variëren. Constante kosten zijn dus onafhankelijk van de productie. Het prijsbeleid moet altijd worden afgestemd op de ondernemingsdoelstellingen en marketingstrategie. In een ondernemingsstrategie die gericht is op het bewerken van een segment statusbewuste consumenten past bijvoorbeeld een exclusief product met een relatief hoge prestigeprijs. Hoe groter de concurrentie, hoe zorgvuldiger we prijsbeslissingen moeten nemen, vooral als er – in de ogen van de klant – weinig verschillen tussen concurrerende producten zijn. De prijs wordt dan een toonaangevend wapen in de concurrentiestrijd. Een belangrijke overweging bij de prijsbepaling is of de prijs een positief of een negatief effect heeft op de verkoop van de andere producten in het assortiment. Het effect van de prijs van een product op de verkoop van andere artikelen die ermee verband houden, speelt vooral een rol bij complementaire goederen, producten die de koper in combinatie met elkaar moet gebruiken, zoals een Canon-printer (te koop voor een lage prijs) en de relatief dure inktpatronen van hetzelfde merk. Een ander voorbeeld is Gillette, die de Fusion Power- en Venus Breeze-scheermesjeshouders beneden de kostprijs verkoopt, maar veel winst maakt op de scheermesjes die bij dat scheersysteem horen. De meeste producten worden eerst aan de groothandel, detaillisten of andere intermediairs verkocht. We moeten bij de prijszetting dan ook rekening houden met de belangen van de tussenhandel. Bij de prijsonderhandelingen met de distribuanten gaan marketeers in eerste instantie uit van de gangbare marge voor hun producten. Vraagt de producent of importeur extra inspanningen of diensten van de wederverkoper (zoals gratis installatie of onderhoud), dan moet de marge daarin voorzien. Aanbieders ontkomen bij hun prijsbeslissingen uiteraard niet aan de wet- en regelgeving van de overheid. Zo probeert de overheid op basis van de Nederlandse Wet op de economische mededinging én wetgeving van de Europese Unie te voorkomen dat door afspraken of economische machtsconcentraties die de concurrentie beperken – zoals kartels– het ‘algemeen belang’ wordt geschaad. De vraag inschatten De prijs is zowel van invloed op de vraag als op het aanbod. Bij een hoge prijs is er minder vraag, maar – door het winstmotief – veel aanbod. De concurrentie neemt dan toe. Dit leidt tot lagere prijzen, waardoor meer klanten het product kunnen kopen. Dat resulteert in een hogere vraag. Voor bedrijven leidt de prijsdaling echter tot lagere marges, waardoor sommige bedrijven afhaken en het aanbod op de markt vermindert. Dit verschijnsel noemen we het prijsmechanisme. In macro-economisch opzicht vervult het prijsmechanisme drie functies: Vergelijkingsfunctie. De prijshoogte en prijsfluctuaties stellen de kopers en aanbieders in staat de waarde en eventuele schaarste van verschillende producten met elkaar te vergelijken. Stimulerings- en afremmingsfunctie. De prijs van een product kan zowel de productie van aanbieders stimuleren als de vraag van de gebruikers afremmen. Vraag en aanbod worden zo met elkaar in evenwicht gebracht. Verdelingsfunctie. Het prijsmechanisme bepaalt grotendeels wie wat koopt. Als een product duurder wordt, kunnen minder mensen het kopen. Zo leidt de prijs tot een spreiding van de vraag naar schaarse producten en diensten in de maatschappij. Om – vanuit een marketingoptiek – een beter inzicht te krijgen in het verband tussen de prijs van een product en de vraag ernaar, kunnen we dit in een grafiek met een vraagcurve illustreren. De vraagcurve geeft aan hoeveel er van een product bij een aantal verschillende prijzen wordt gevraagd als alle overige factoren gelijk blijven. Prijszetting van nieuwe producten Het op de markt brengen van een nieuw product vraagt om een prijsintroductiestrategie met als doel het snel terugverdienen van investeringen. Daarvoor zijn twee mogelijkheden: 1. Afroomprijsstrategie: het product wordt met een kunstmatig hoge prijs geïntroduceerd en vervolgens wordt de prijs geleidelijk verlaagd. 2. Penetratieprijsstrategie: het product wordt met een lage prijs geïntroduceerd om de markt open te breken en een groot marktaandeel te veroveren. Prijsdoelstellingen Omdat de prijs van invloed is op de verkoop en de winst, en dus op de continuïteit van het bedrijf, speelt deze in het marketingbeleid een strategische rol. Bij het ontwikkelen van dat beleid moeten we dan ook zorgvuldig beslissen over de prijsdoelstellingen die aanduiden wat we met de prijs van onze producten willen bereiken. Hoewel veel bedrijven met onzuivere prijsdoelstellingen werken, formuleren we de prijsdoelstellingen in het marketinglan bij voorkeur zo specifiek mogelijk in termen van wat we precies met de prijsbepaling willen bereiken. Er moet dus een directe, meetbare relatie tussen de prijsdoelstelling en de prijs zijn. Daarom drukken marketinggeoriënteerde bedrijven hun prijsdoelstellingen uit in termen van de gewenste veranderingen in prijsperceptie (of factoren die daarmee verband houden). Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen: Prijskennis: in welke mate is de koper zich van de prijs bewust? Prijsacceptatie: ervaart de klant de prijs als redelijk? Prijsgevoeligheid: hoe reageert de klant op een prijswijziging? Prijstactiek Veel producten hebben vaste prijzen. Toch geven fabrikanten soms een (tijdelijke) korting op de normale verkoopprijs. Op de consumentenmarkt blijven die meestal beperkt tot introductie-, tijdelijke aanbiedings- en inruilkortingen. Omdat veel kopers op prijsacties reageren, verhogen ze de verkoop. Op de b2b-markt zijn kortingen op de basis- of catalogusprijs eerder regel dan uitzondering. Bij het bepalen van de uiteindelijke prijs (de ‘onderhandelingsprijs’) is de marge die de fabrikant de wederverkopers gunt een belangrijk criterium. Die (extra) marge – ook wel functionele korting genoemd – is een vergoeding voor de verkoopinspanningen, het transport, het risico, de financiering, de serviceverlening, de voorraadvorming en andere distributiefuncties. De hoogte van de korting of het rabat hangt niet alleen af van de functies of de taken die de distribuant voor zijn rekening neemt, maar ook van de aard en de lengte van het verkoopkanaal en zijn positie daarin. Marges of functionele kortingen zijn een vergoeding van de fabikant aan distribuanten voor de functies of taken die zij voor hun rekening nemen, onder te verdelen in: sturende kortingen, waaronder: prestatiekortingen (bij extra prestaties), zoals een betalings-, seizoens- of kwantumkorting; verkapte kortingen zoals een promotiebijdrage, special deal of samenwerkingskorting. Kostengeoriënteerde prijsstrategieën Bedrijven die de prijzen van hun producten op de kostprijs baseren volgen een kostengeoriënteerde methode van prijszetting. Hierbij zijn de reacties van kopers en de prijzen van concurrenten van minder belang. We onderscheiden de volgende methoden: Kostprijs-plusmethode: de verkoopprijs wordt berekend door de integrale kostprijs van het product te verhogen met een vast opslagpercentage voor de winst. Direct-costing: alleen de variabele kosten zijn de basis voor de verkoopprijs. Break-evenanalyse: het break-evenpunt (het punt waarop de kosten en opbrengsten gelijk zijn) bepaalt de verkoopprijs. Rendementsmethode: door berekening van het target-return break-evenpunt wordt een bepaald rendement op investeringen zeker gesteld. Vraaggeoriënteerde prijsstrategieën De methode van prijsbepaling waarbij een bedrijf zijn verkoopprijs voor de tussenhandel afleidt van een goed in de markt liggende consumentenprijs door daar de handelsmarges van af te trekken, noemen we afnemer- of vraaggeoriënteerde prijszetting. Het uitgangspunt kan het prijsniveau van concurrerende artikelen zijn, going-rate pricing, of de waarde van het product in de ogen van de klant. Dat laatste staat bekend als perceived-value pricing. Een vraaggeoriënteerde prijsstrategie heeft alleen zin als we de vraag naar het product bij een bepaalde prijs kunnen inschatten. Een nuttig hulpmiddel daarbij is inzicht in de prijsgevoeligheid van kopers of de prijselasticiteit van de vraag. Deze brengt tot uitdrukking in hoeverre de vraag naar het product verandert als gevolg van een prijswijziging. Hieronder zijn de effecten van een prijswijziging op de omzet weergegeven voor de verschillende maten van elasticiteit. Prijswijziging Mate van prijselasticiteit Prijsstijging Prijsdaling Elastisch (Ep < −1) Omzet daalt Omzet stijgt Neutraal (iso-elastisch) (Ep = −1) Omzet blijft gelijk Omzet blijft gelijk Inelastisch (0 < Ep < −1) Omzet stijgt Omzet daalt In de linkerkolom staat telkens de prijselasticiteit vermeld. Houd daarbij in gedachten dat de prijselasticiteit een verhoudingsgetal is dat weergeeft wat de procentuele verandering in de gevraagde hoeveelheid is als gevolg van een prijsverandering met 1%. Price lining Bij price lining wordt het hele assortiment, ongeacht de kostprijs van de diverse producten, voor een beperkt aantal prijzen aangeboden zonder tussenliggende prijsniveaus. Deze strategie vereist marktgerichte beslissingen over de hoogste en de laagste prijs in de productgroep en over de prijsverschillen tussen alle andere producten in dezelfde categorie. Zo ontstaat een harmonische prijsopbouw die het voor de klant makkelijker maakt – als hij eenmaal heeft bepaald hoeveel hij aan een product wil besteden – om te kiezen tussen uiteenlopende kwaliteitsniveaus. Voor het bedrijf werkt het ook omzetverhogend. Prijsdiscriminatie Sommige bedrijven brengen bepaalde klanten een lagere prijs in rekening dan andere klanten. We noemen dit prijsdiscriminatie: de verkoop van een product voor verschillende prijzen op verschillende markten, zonder dat er verschillen in kostprijs zijn. Prijsdiscriminatie is mogelijk als de markt bestaat uit gescheiden segmenten (om doorverkopen en kannibalisatie te voorkomen), elk met een verschillende prijsgevoeligheid. Het product wordt voor een hoge prijs aangeboden in marktsegmenten met een inelastische vraag en voor een lagere prijs in de segmenten met een elastische vraag. Psychologische prijszetting Met behulp van een psychologische prijszetting proberen marketeers in te spelen op de motieven van de kopers en hun prijsbeleving – de perceptie van de klant met betrekking tot de prijs van een product – te beïnvloeden om het voor hen aantrekkelijker te maken. De voornaamste toepassingen hiervan zijn het gebruik van prestigeprijzen en onafgeronde eindprijzen. Sommige producten worden vooral uit statusoverwegingen gekocht. Die statusproducten zijn alleen interessant voor de zogenoemde prestigekopers zolang ze buiten het bereik van het grote publiek vallen. De aanbieder moet boven een bepaald minimum blijven om kwaliteits- of statusbewuste consumenten aan te trekken. In de winkel zien we meer prijzen met onafgeronde bedragen (zoals €9,95) dan ronde bedragen (zoals €10). De niet-afgeronde bedragen, waarvan de optische illusie uitgaat dat het product goedkoper is dan in werkelijkheid, noemen onafgeronde eindprijzen. Deze psychologische prijsbepalingstactiek is populair in allerlei branches, van levensmiddelen tot duurzame consumptiegoederen zoals auto’s (‘al vanaf €16.995’). Concurrentiegeoriënteerde prijsstrategieën In veel branches is de concurrentie zo groot dat ondernemers hun prijzen niet zelfstandig kunnen vaststellen. Ze moeten hun prijs afstemmen op de marktprijs: het algemene prijsniveau in de bedrijfstak. Als ondernemingen hun prijzen voornamelijk baseren op die van hun grootste concurrenten, in plaats van op hun eigen kosten of de vraag van afnemers, voeren zij een strategie van concurrentiegeoriënteerde prijszetting. Bij deze prijsstrategie wordt de prijs afgestemd op die van de concurrenten, met als opties: premium-pricing (een hogere prijs) en discount-pricing (een lagere prijs). In hoeverre een bedrijf zijn eigen prijzen kan vaststellen, hangt ook af van de marktvorm of mededingingsstructuur waarin het opereert. De marktvorm wordt bepaald door het aantal concurrenten in de branche dat met elkaar concurreert om aan de vraag te voldoen. In dat licht onderscheiden we vier marktvormen: 1. Monopolie: er is één aanbieder van een product of dienst. 2. Oligopolie: enkele grote bedrijven hebben het leeuwendeel van de markt in handen. 3. Monopolistische concurrentie: veel leveranciers bieden elk een gelijksoortig, maar enigszins afwijkend product aan. 4. Volledige mededinging: er zijn veel concurrenten en kopers op de markt. Markeer als gelezen ————- GRONDSLAGEN VAN DE MARKETING - EDITIE 10 1. 2. 3. Grondslagen van de marketing - editie 10 Distributiebeleid Samenvatting 13. Distributiebeleid Belang van distributiekanalen Hoewel een uitstekend product, positieve marketingcommunicatie en een aantrekkelijke prijs de belangstelling van de doelgroep wekken, zijn alle marketinginspanningen zinloos als (potentiële) klanten het product niet kunnen kopen waar en wanneer zij dat willen. Dit onderstreept het belang van een goed functionerend distributiekanaal; een netwerk van onafhankelijke bedrijven die elk bij de distributie van producten en diensten een belangrijke functie vervullen in hun gezamenlijke inspanningen om de leverancier en kopers met elkaar in contact te brengen. De figuur hierna geeft enkele van de meest gebruikte kanalen in de consumentenmarkt weer. Deze kanalen variëren qua lengte, dat wil zeggen in het aantal tussenschakels. Distributiekanalen in de consumentenmarkt Er zijn in grote lijnen twee soorten kanalen. Directe distributie of een direct kanaal omvat de levering van producten en diensten van producenten aan consumenten zonder de inschakeling van onafhankelijke intermediairs. In veel kanalen wordt ten minste één distribuant ingeschakeld voordat het product de consument bereikt. We spreken dan van indirecte distributie. De kanaalkeuze, waarbij de gewenste lengte en samenstelling van het distributiekanaal een sleutelrol spelen, hangt samen met de kenmerken van de markt, het product en het bedrijf. Een overzicht van de factoren die de keuze tussen een lang en een kort kanaal beïnvloeden, zien we in de volgende tabel. Marktfactoren Lang distributiekanaal Kort distributiekanaal Grote markt (b2c) Geografisch verspreid Kleine markt (b2b) Geografisch geconcentreerd Lage aankoopfrequentie Grote bestellingen Hoge aankoopfrequentie Kleine bestellingen Verkoop/service van weinig belang Goede verkooporganisatie essentieel Productfactoren Duurzame producten Lage prijs Standaardproduct Bederfelijke producten Hoge prijs Hightechproduct/maatwerk Bedrijfsfactoren Controle over kanaal niet vereist Breed assortiment Voldoende middelen Controle over kanaal cruciaal Smal assortiment Beperkte middelen Een bedrijf hoeft zich bij het bewerken van de markt niet te beperken tot één kanaaltype. Met een duale kanaalstrategie schakelt het voor de marketing van zijn producten en diensten gelijktijdig verschillende kanalen in om zijn marktbereik te vergroten en beter maatwerk te kunnen leveren. Dit vergroot het omzet- en winstpotentieel. Een product dat het distributiekanaal van producent tot consument doorloopt, wisselt een aantal keren van eigenaar, waarbij onafhankelijke organisaties bepaalde taken uitvoeren waarin zij gespecialiseerd zijn; dit noemen we distributiefuncties. Deze taken zijn samengevat in de tabel hierna. Functies Taken Relatievorming Marketingactiviteiten met betrekking tot de verkoop, serviceverlening en het contact houden met klanten Promotie Stimuleren van de vraag door klanten informatie en service te bieden via marketingcommunicatie, inclusief het gebruik van social media Assortimentsopbouw Sorteren en opsplitsen van grote hoeveelheden producten in kleinere, uitgekiende zendingen voor een efficiënte doorverkoop Voorraadbeheer Het – door transport en opslag – in het magazijn houden van voldoende producten voor de verkoop, dicht bij hun eindbestemming Financiering Kredietverstrekking aan distribuanten en het financieel ondersteunen van leveranciers door tijdig orders te plaatsen en facturen te betalen Marktonderzoek Verzamelen en doorgeven van relevante marktinformatie aan leveranciers en klanten over trends, concurrenten en andere omgevingsfactoren Distributieanalyse Bij het uitstippelen van een effectieve distributiestrategie besteden we enerzijds aandacht aan de gewenste intensiteit van de distributie (een kwalitatieve maatstaf) en anderzijds (kwantitatief) aan diverse distributiekengetallen. Met de intensiteit van de distributie wordt het aantal verkooppunten in een bepaalde markt bedoeld. De onderneming moet in principe kiezen tussen intensieve en ‘beperkte’ distributie van haar producten. We spreken van intensieve distributie als het product op zo veel mogelijk punten te koop is. Door de consument in elke winkel waarin hij dit verwacht met het product te confronteren en zo de aankoop te vergemakkelijken, probeert de producent zijn verkoop – ook door impulsaankopen – te maximaliseren. Vooral convenience products moeten intensief worden gedistribueerd. Bij selectieve distributie kiest de producent uit alle in aanmerking komende detaillisten een beperkt aantal dat aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet. Hij selecteert ze onder meer op locatie, het assortiment, de deskundigheid van de bedrijfsleiding, het imago van de zaak en de kwaliteit van de klantenservice. Alleen winstgevende verkooppunten – met een voldoende hoge omzet en omloopsnelheid – worden benaderd; marginale retailers worden vermeden. Op de consumentenmarkt is selectieve distributie vooral geschikt voor shopping products. Bij exclusieve distributie is een product slechts bij één of enkele retailers per verzorgingsgebied verkrijgbaar. Door slechts weinig retailers het recht op alleenverkoop te geven, houdt de fabrikant zijn distributiekosten laag. Omdat veel kopers alleen al in het reizen naar een verkooppunt de nodige tijd moeten investeren, is een exclusieve distributiestrategie eigenlijk alleen geschikt voor specialty products waarvoor een sterke merkvoorkeur bestaat. Distributiekengetallen De numerieke distributie is een getal dat weergeeft in hoeveel procent van de – als mogelijk verkooppunt in aanmerking komende – winkels een bepaald merk verkrijgbaar is. De gewogen distributie geeft aan hoeveel de winkels die hetmerk voeren in de desbetreffende productcategorie (of ‘productklasse’) omzetten in verhouding tot de totale omzet van het product bij alle verkooppunten in Nederland (primaire vraag). Ofwel: het marktaandeel van de ingeschakelde winkels voor het desbetreffende product. Het marktbereik is een distributiemaatstaf die aangeeft hoeveel de winkels die het bewuste merk voeren in de desbetreffende productklasse (of ‘productcategorie’) omzetten in verhouding tot alle (potentiële) verkooppunten. De waarde van de selectie-indicator geeft de verhouding aan tussen het marktbereik en de distributiespreiding. Het getal verschaft inzicht in de (relatieve) grootte van de huidige verkooppunten op basis van hun gemiddelde omzet in de productgroep. De ratio kan met twee formules worden berekend. Als de selectie-indicator groter is dan 1, heeft de aanbieder relatief grote winkels geselecteerd. Het omzetaandeel geeft antwoord op de volgende vraag: ‘Welk aandeel heeft ons merk in de totale omzet van de productgroep of -categorie in de betreffende winkel of, als het om het gemiddelde omzetaandeel gaat, bij de ingeschakelde winkels?’ We kunnen nu verder een verband leggen naar de bepaling van het marktaandeel. Dat kan met behulp van kengetallen worden vastgesteld volgens de formule: Marktaandeel = Gewogen distributie × Omzetaandeel Immers, de gewogen distributie geeft inzicht in het ‘marktaandeel’ van de eigen wederverkopers, terwijl het omzetaandeel het ‘marktaandeel’ van het bewuste merk in hun winkels weerspiegelt. Als we beide gegevens met elkaar vermenigvuldigen, krijgen we als uitkomst het marktaandeel van het merk. Leiderschap en macht Een bedrijf dat deel uitmaakt van een distributiekanaal heeft kanaalmacht als het in staat is om andere organisaties in dat kanaal tot gedrag te bewegen dat ze anders niet zouden ontplooien. Fabrikanten gebruiken zowel incentives (bijvoorbeeld prestatiepremies of bijdragen aan coöperatieve reclame) als sancties (zoals een dreiging om de levering te vertragen of de relatie te beëindigen) om de medewerking van de intermediairs te verkrijgen. Tegelijkertijd moet de kanaalleider blijven benadrukken dat alle partijen in het kanaal in principe partners zijn in de gezamenlijke poging om aan de wensen en behoeften van de eindafnemers tegemoet te komen. Een vrij nieuwe ontwikkeling in de distributie is de opkomst van een verbeterd systeem om leiderschap uit te oefenen en de relaties in het kanaal te managen. We noemen dit een verticaal marketingsysteem (VMS). Dit is een professioneel geleid en centraal opgezet netwerk van organisaties, waarbij de diverse schakels nauw met elkaar samenwerken dankzij het feit dat een van hen, als machtigste partij – de channel captain – de leiding van het kanaal op zich neemt. Dankzij die samenwerking kunnen de betrokken partijen beter concurreren met andere distributiekanalen en zo hun invloed op de markt vergroten. De meeste consumentenproducten en -diensten worden tegenwoordig via een verticaal marketingsysteem op de markt gebracht. Groothandel De groothandel is meer dan de schakel tussen de producent en de detaillist. Minder dan een derde van de groothandelsomzet komt bij detaillisten terecht. De rest wordt geleverd aan de industrie, grootverbruikers en buitenlandse klanten. In feite is een groothandelaar een specialist in de inkoop en wederverkoop van producten aan bedrijven – zoals producenten, importeurs, grossiers of detaillisten – die ze op hun beurt weer aan andere distribuanten of aan gebruikers doorverkopen. De groothandel vervult – als tussenschakel in het distributieproces – een collecterende functie door van verschillende aanbieders partijen in te kopen en een distribuerende functie door detaillisten in relatief kleine hoeveelheden met het juiste assortiment te bevoorraden. Twee typen zijn: limited-servicegroothandel, zoals de zelfbedieningsgroothandel; full-servicegroothandel, zoals de service merchandiser. Marketinglogistiek Een marketinggericht bedrijf zorgt ervoor dat zijn producten in de gewenste hoeveelheden en op het afgesproken tijdstip bij de juiste klanten terechtkomen. En het probeert dit te bereiken tegen de laagst mogelijke kosten. Dit is de essentie van marketinglogistiek, ook wel fysieke distributie genoemd. Een goed werkend logistiek systeem vereist weloverwogen beslissingen over drie logistieke functies: orderverwerking, voorraadbeheer en transport van de grondstoffen en eindproducten. Deze onderdelen van het distributiebeleid zijn van strategisch belang omdat ze het bedrijf de toegevoegde waarde kunnen bieden om de concurrentiepositie te verbeteren. De integrale logistieke benadering draait om het vinden van een evenwicht tussen het minimaliseren van de kosten van magazijn-, voorraad- en transportbeheer en het maximaliseren van het serviceniveau bij de distributie en aflevering van producten. Markeer als gelezen
0
You can add this document to your study collection(s)
Sign in Available only to authorized usersYou can add this document to your saved list
Sign in Available only to authorized users(For complaints, use another form )