KOM samenvatting + begrippenlijst Hester Koning Introductie Kenmerken sociaal-wet. onderzoek: Empirisch (= systematische waarneming hh-baarheid) Controleerbaar (peer review: tijdschrift stuurt anoniem door naar andere wet.schappers om te controleren) ⟹ kwaliteit hoog Probabilistisch (= op basis van kans, dus niet deterministisch > nat-wet) 1. Idee/theorie Theorie = onderlinge samenhang v denkbeelden, hypothesen en verklaringen toetsen Kenmerken goede wet.theorie: Ondersteund door data (uit wet. Onderzoek) Falsifieerbaar ontkracht/weerlegd worden ahv verzamelde gegevens Spaarzaam (parsimonious) > niet complexer maken 2. Onderzoeksvragen, 2 soorten: A. Fundamenteel (basic) nieuwe kennis opdoen B. Toegepast (applied) kennis omzetten in praktijk in concrete situatie 3. Onderzoeksontwerp Zijn de gegevens kwantitatief (cijfers) of kwalitatief (niet-cijfers) Bij wie worden empirische gegevens verzameld? + consequenties? 4. Hypothesen voorspellingen (soms wel/niet) 5. Dataverzameling + data-analyse publicatie! 2 situaties: 1. Ondersteunende data ⟹ versterking theorie 2. Niet-ondersteunende data ⟹ herziening theorie/verbeterd onderzoeksontwerp + waarom? Waarom kwalitatief onderzoek? o Sociale fenomenen begrijpen vanuit hun natuurlijke context (in hun schoenen) o om empirische patronen te vinden o kan startpunt zijn voor theorievorming: ontwikkeling nieuwe theorie of aanpassing/uitbreiding bestaande theorie patronen in: gesproken/geschreven teksten, observaties van gedrag en interacties, beeldmateriaal, etc kenmerken kwalitatief onderzoek: 1. onderzoeker is geïnteresseerd in natuurlijke omgeving vd respondent 2. onderzoeker heeft contextuele benadering 3. het perspectief vd respondenten staat centraal 4. via specifieke observaties probeert de onderzoeker de sociale werkelijkheid te omschrijven in al haar diversiteit en naar algemeenheden te zoeken die nieuwe theorieën vormen of bestaande theorieën aanpassen inductief onderzoek: op zoek naar bredere patronen om theorie te vormen onderzoeksvraag van kwalitatief onderzoek herkennen aan SPI(C)E: Setting: waar, in welke context Perspective: voor wie? Interest: wat? (Comparison: vergeleken met wat?) Evaluation: met welk resultaat wat wordt onderzocht? (ww), zegt iets over “I” Data-verzameling in kwalitatief onderzoek 2 dataverzamelingsmethodes: 1. kwalitatief interview = gesprek: interviewer stelt vragen en geïnterviewde (informant/respondent) geeft antwoord 2. focusgroep - interactie tussen deelnemers onderzoeker is geïnteresseerd, maar anonimiteit en vertrouwelijkheid moeilijk waar te borgen - onderwerp is specifieker - interviewer is moderator: stelt vragen van de onderzoeker, gesprek niet afdwalen, iedereen aan de beurt. - Groepssamenstelling: 1 moderator + 6-10 personen Homogene groep qua achtergrond, breed scala aan ervaringen (heterogeen) - soms buitenstander inhuren om barrière te verkleinen soorten interviews: A. ongestructureerd: alleen een onderwerp (weinig respondenten), vaak weinig info bekend B. semi-gestructureerd: meerdere (sub-)onderwerpen (meer respondenten), meer info bekend C. gestructureerd: alles vastgelegd in een survey met een steekproef verzamel je data, analyseren en koppel je het resultaat terug aan bredere populatie. Hoe participanten selecteren bij steekproef? - Eenvoudig bereiken - Al een groepje - Specifieke voorwaarden Verschillende soorten selecte steekproeven: Doelgerichte steekproef (purposive sample) Specifieke voorwaarden Case study logic: op zoek naar specifieke individuen met belangrijke info > elk verhaal is waardevol Sample for range: op zoek naar zo breed mogelijke scala aan ervaringen Gemakssteekproef (convencience sample) Eenvoudig bereiken, onderzoeker minste inspanning Quota steekproef (doelgericht) Vaststellen hoeveel respondenten met specifieke kenmerken Sneeuwbal steekproef Vorm doelgerichte steekproef Deelnemers bevelen anderen aan Sequentiële steekproef Criteria worden tijdens onderzoek aangepast Interviewen is moeilijk: veel in hersenen > geef respondent tijd Verloop gesprek hangt af van moderator: moderator bewust van eigen rol, en gesprek in goede banen leiden (focusgroep) Moderator kan doorvragen om achter te komen wat respondent echt bedoelt Moderator bewust van non-verbale signalen respondent (liegen?) Belang van verstandhouding (rapport) Gesprek opgenomen en volledig uitgetypt in transcript (nu: software + checken) Tijdens gesprek: field notes = aantekeningen > waardevol voor analyseren data Alternatieve dataverzamelingsmethode: observatie (waarnemen gedragingen, gebeurtenissen en interacties) tv-programma’s Keuze’s observatieonderzoek: 1. Participerend vs niet-participerend Deel groep vs buitenaf Participerend: onderzoeker kan fenomenen goed observeren > goede kwaliteit gegevens, maar: onderzoeker kan té betrokken raken (= going native) Niet-participerend: meer afstand > objectievere observaties, maar mogelijkheid tot misinterpretaties 2. Verhuld vs onverhuld Mensen weten niet dat ze geobserveerd worden vs wel 3. Systematisch vs niet-systematisch Fenomenen waar naar gekeken van te voren vastgelegd vs niet Kiezen site (plaats) van observatieonderzoek toegang verkrijgen via gatekeeper. Key informant = contactpersoon, wijst je de weg, geeft info Field notes: a. Directe observaties (chronologie, fysieke beschrijvingen) b. Inferentes (interpretatie onderzoeker) c. Eigen gevoelens (alleen CA) d. Analyse (koppeling observaties aan theorie) Aanwezigheid onderzoeker en het feit dat participanten weten dat ze geobserveerd worden gaan ze zich anders gedragen = reactiviteit > hawthorne effect: weten geobserveerd ⟹ slechte kwaliteit gegevens Daarom: op zoek naar alternatief: verzamelen van bestaande gegevens (niet-reactief) Gegevens van ander onderzoek (secundaire data): CBS, PISA Gegevens verzameld zonder als doel onderzoek (afval, insta) Bij analyseren van bestaand tekst-, geluid- of beeldmateriaal kijk je naar inhoud en betekenis - Steekproeven: in tijdperiode - Toegankelijkheid bestaande gegevens soms moeilijk: hoge kosten, moeilijk te gebruiken, ethische bezwaren > niet zomaar gebruiken wat je tegenkomt - Geschiktheid bestaande gegevens: komen gehanteerde definities overeen?, gegevens volledig? Kwalitatieve data-analyse Triangulatie = het combineren van verschillende dataverzamelingsmanieren (observatie + interview, bestaande gegevens + interview, kwalitatieve gegevens + kwantitatieve gegevens, deel onderzoek met meerdere onderzoekers doen). ⟹ kwali hoog en ondersteuning theorie. ETHIEK > richtlijnen binnen WS en wetgeving om misstanden te voorkomen Ethische principes: Belmont report Respect voor personen Autonomie deelnemers gewaarborgd (informed consent: participanten leren alles over onderzoek en alle risico’s en voordelen > geen misleading, geen oneigenlijke druk/dwang) = zelf kiezen of je mee wil doen Speciale bescherming voor kwetsbare personen (kids, beperking, gevangenen) Goeddoen (beneficence) Bescherming tegen schade (fysiek, psychisch, persoonsgegevens) Anonymous study: geen mogelijke identificerende info Confidential study: sommige identificerende info vragen voor contact, maar ervoor zorgen dat ze niet naar buiten komen. Balans tussen (kans op) schade en mogelijke opbrengst Rechtvaardigheid (justice) Balans tussen deelnemers en personen die profiteren vd uitkomsten Ethische principes: toevoeging APA Betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid (fidelity en responsibility) - Vertrouwensrelatie tussen onderzoeker en deelnemer - Accepteren van verantwoordelijkheid om professioneel te gedragen Integriteit (integrity) - Streven nauwkeurig, waarheidsgetrouw (niet liegen) en eerlijk (alles vertellen) Data fabrication = het maken van je eigen data dat past bij je hypothese Data falsification = het beïnvloeden van de resultaten door sommige dingen weg te laten. Informed consent = deelnemer vooraf geïnformeerd - over onderzoek - welke gegevens wel/niet worden verzameld - mogelijke risico’s en/of voordelen - Hoe privacy gewaarborgd Kwetsbare groepen ondertekenen niet zelf Onderdeel van onderzoeksprotocol > goedgekeurd door ethische commissie Hoe zien verzamelde data eruit? Interviews/focusgroepen transcripten, field notes Observaties field notes Bestaande gegevens archiefstukken, nieuwsberichten, dagboeken Dit worden (digitale) tekstbestanden Doel kwalitatieve data-analyse: sorteren, zodat specifieke processen/patronen onderscheiden kunnen worden. inductie: observaties/data > patronen > theorie 5 stappen in kwalitatieve data-analyse: 1. Data management en voorbereiding ◊ Data management (plan) (DMP) o Data opslag tijdens en na afloop vh onderzoek o Delen van data met andere onderzoekers ▫ Doel: ▫ Transparantie, controleerbaarheid, reproduceerbaarheid ▫ Waarborgen privacy vd deelnemers (“principe van goeddoen”) - Anoniem onderzoek: bij dataverzameling geen persoonsgegevens verzamel - Vertrouwd onderzoek: onderzoekers voorkomen dat persoonlijke data bekend worden (bijv door de-identificatie (pseudoniemen). 2. doornemen en reduceren vd data ◊ transcriberen vd data ◊ (evt) samenvatten interviews ◊ Arceren belangrijke passages tekst ◊ Herlezen, digitaliseren en ordenen field notes 3. Coderen vd data ◊ Coderen: labels toekennen aan betekenisvolle tekstdelen ◊ 3 typen codes: 1. Attribute codes = achtergrond- of demografische info respondent Functie: op kenmerken zoeken of sorteren 2. Index codes = grote stukken tekst en geven brede/algemene onderwerpen aan Functie: vereenvoudigt het zoeken naar relevante fragmenten 3. Analytic codes = betekenis van specifieke (kleine) stukken tekst en komen deels uit literatuur, deels uit verzamelde gegevens Functie: gebruikt voor data-analyse Inconvenience sample = verzameling gebeurtenissen/mensen die maken dat de onderzoeker de interpretaties in twijfel moet trekken (“mensen die niet passen in je verhaal”) Voldoende gegevens? sample for range = proberen saturatie te bereiken (= niet meer tot nieuwe ervaringen komen). Kwalitatief onderzoek is iteratief (/cyclisch proces) = data verzamelen > analyseren > meer mensen toevoegen tot saturatiepunt 4. memo’s schrijven Memo’s = aantekeningen voor jezelf bij data-analyse (verschil field notes) Koppelingen van codes aan literatuur (stap 3) Complexiteiten vd onderzoeksvraag Beslissingen Software Memo’s later bruikbaar voor schrijven onderzoeksrapport > ondersteunen onderzoeksproces 5. construeren en toetsen van modellen Zo sociale werkelijkheid omschrijven en zo zoeken naar algemeenheden die nieuwe theorieën vormen of bestaande theorieën aan te passen Verkaringsmodellen: beschrijvingen/visuele weergaven van theorieën Verklaringsmodellen moeten een sterke basis hebben in empirische gevens Onderzoeker moet alternatieve verklaringen evalueren Onderzoeker moet bij dataverzameling actief opzoek gaan naar personen wiens ervaringen de voorlopige conclusies ontkrachten (inconveniece sample?) ⟹ kwaliteit vd bevindingen vergroot Correlationeel onderzoek 1 C A P S Onderzoeksvraag correlationeel: relatie tussen 2 theo begrippen. Constructs: theo begrippen > kenmerken v mensen Association: verband/relatie tussen 2 theo begrippen Kan pos/neg zijn = richting vd relatie Oorzaak-gevolg verband = causaliteit Voorwaarden voor causaliteit: 1. Covariance (covariantie): relatie oorzaak-gevolg (verandering x = verandering y) 2. Temporal precedence (volgorde tijd): oorzaak voorafgaan aan gevolg 3. Internal validity (interne validiteit): alternatieve verklaringen uitgesloten Population: groep mensen/dieren/objecten Setting: locatie Data verzamelen cor.: (systematische) observaties (> natuurlijke setting) > hoe-vraag, weinig bekend Bestaande gegevens/big data/administratieve data Vragenlijsten (survey) (verschillende vormen) - je meet nauwkeurig - verschillende aspecten van hetzelfde theo begrip meten kenmerken 2 soorten: 1. fysieke kenmerken (vb: lengte, gewicht, reactietijd) 2. theoretische begrippen (constructs) moeten meetbaar (in variabele) gemaakt worden = operationalisatie I. begrippen definiëren = conceptuele definitie II. meetinstrument kiezen = operationele definitie likert schaal = 3 punten toekennen aan: strongly disagree – disagree – agree – strongly agree categorische variabelen = geven geen hoeveelheden, maar categorieën aan kwantitatieve variabelen = getallen geven wel hoeveelheden aan Kwantitatieve variabelen Categorische variabelen Nominaal meetniveau Ordinaal meetniveau Interval meetniveau Ratio meetniveau (namen/woor den/categorie ën) (kwali/kwanti met logische ordening van slecht naar beter) (nat. Ordening > gelijke verschillen hebben dezelfde betekenis (interval tussen verschillen 1= appel, 2 = peer… 0 = strongly disagree, 1 = disagree, 2 = agree, 3 = strongly agree >wordt interval (gem: 3,6) geen absoluut nulpunt Wel absoluut nulpunt Generaliseren > uitspraak over grote groep op basis van kleine groep = inferentie steekproef! - Externe validiteit betrouwbaarheid: kan je wel die uitspraak over kleine groep over grote groep zeggen? Selecte SP Niet gebaseerd op kansen (vertekend = biased) Generalisatie nauwelijks mogelijk Lage ext. Validiteit Doelgerichte steekproef (purposive sample) Specifieke voorwaarden Case study logic: op zoek naar specifieke individuen met belangrijke info > elk verhaal is waardevol Sample for range: op zoek naar zo breed mogelijke scala aan ervaringen Gemakssteekproef (convencience sample) Eenvoudig bereiken, onderzoeker minste inspanning Quota steekproef (doelgericht) Vaststellen hoeveel respondenten met specifieke kenmerken Sneeuwbal steekproef Vorm doelgerichte steekproef Deelnemers bevelen anderen aan Sequentiële steekproef Criteria worden tijdens onderzoek aangepast Aselecte SP Evenveel kans op meedoen Representatief hele populatie Generalisatie mogelijk Hoge ext. Validiteit Enkelvoudige aselecte SP Random mensen kiezen (computer) Gestratificeerde aselecte SP Verdeling van deelpopulatie, van elke deelpopulatie een deel in je SP (1: op basis van populatieverhouding, of 2: oversampling = expres bepaalde strata vaker laten voorkomen) Cluster SP (random clusters (vb: scholen) kiezen, iedereen vd cluster doet mee) Getrapte (multistage) SP (als binnen elk cluster random wordt gekozen) Gecombineerde SP: 2 soorten gecombineerd Non-response = niet meedoen/beantwoorden van vragen Item non-response = mensen beantwoorden bepaalde vragen niet Correlationeel onderzoek 2 Data laten zien in grafieken, maar welke hangt af van meetniveau (noir) Nominaal meetniveau Beschrijvende statistieken: percentage, modus (= meeste) Grafiek: staafdiagram Interval/ratio (1) Beschrijvende statistieken: gemiddelde, standaardafwijking Grafiek: histogram (continue variabele) Interval/ratio (2) Beschrijvende statistieken: mediaan, interkwartielafstand (IQR) Grafiek: boxplot Interval/ratio met 2 variabelen Beschrijvende statistieken: Pearson’s correlatiecoëfficiënt (bij lineaire relatie) Grafiek: spreidingsdiagram (scatterplot) Hoe verder van 0, hoe sterker R = onder 0 = negatief verband Ordinaal Beschrijvende statistieken: spearman’s correlatiecoëfficiënt (bij kromme lijn) = rs Onderzoek beoordelen kan via: interne validiteit, begripsvaliditeit, statistische validiteit en externe validiteit. begripsvaliditei t Subjectief (voor verzamelen) Indruks- (face validity) = experts Inhouds(content validity) = alle aspecten Empirisch (na verzamelen) Convergent = zelfde metingen, andere instrumenten Divergent (discriminant) = andere metingen, andere instrumenten (je wilt dat ze niet overeenkomen) Criterium = hangen metingen samen van wat we weten dat er een verband is Groepsparadigm a = criterium in groepen Betrouwbaarheid (reliability) “meet ik elke keer hetzelfde?” 1. Test-hertest meerdere keren, consequente scores > stabiel over tijd 2. Interbeoordelaars- verschillende onderzoekers, consequente scores (obser.) 3. Interne betrouwbaarheid soortgelijke (logische) antwoorden Gemeten met Cronbach’s Alfa Correlationeel onderzoek 3 Theoretische verwachting = verwachting relatie tussen theo begrippen Onderzoekshypothese = stelling over correlatie tussen variabelen. (eigenlijk gwn preciezer) Je gaat van theo verwachting naar onderzoekshypo Hoe doe je onderzoek met SP???? NHST Stap 1: nullhypothese - Er is GEEN relatie - Er is GEEN verschil - Er is GEEN effect Stap 2: hoe waarschijnlijk is de geobserveerde waarde in SP hetzelfde als nullhypo (je kiest tussen onderzoekshypo en nullhypo > wat is meer waarschijnlijk) SP-spreiding: het feit dat waarden verschillen per SP SP-verdeling: hoe de waarden vd SP-correlatie verschillen/variëren SP-fout = het verschil tussen de SP en de populatie Meten met standaardafwijking Standaardfout = gemiddelde grootte SP-fout “Hoe groter de SP, hoe kleiner de standaardfout” Overschrijdingskans = in hoeverre komt de waarde vd SP overeen met Nullhypo = kans dat de waarde van SP nog verder van nul ligt = opp curve = P !!!!!! Correlatie Klein Groot P-waarde Groot Klein Overeenkomst met situatie onder nullhypo Veel Weinig n (= grootte SP) Klein Groot P-waarde Groot klein P-waarde bij gelijke r Groot klein Experimenteel onderzoek 1 Voorwaarden causaliteit: 1. Covariance (relatie X en Y) 2. Temporal precedence (X vooraf aan Y) 3. Internal validity (andere verklaringen uitgesloten) Internal validity is moeilijk, daarom: gerandomiseerd experiment - Door randomisatie worden 2 groepen als hetzelfde verondersteld - Onderzoeker manipuleert 1 variabele bij 1 groep - Onderzoeker meet die ene variabele en vergelijkt Random mensen worden in 2 groepen gesplitst: experimental group & control group Soms randomiseren niet helemaal goed gegaan… - Design confounds Manipulatie enige verschil? - Selectie effects Waren de 2 groepen wel hetzelfde? TYPE GROEPEN IN BOEK OPZOEKEN Doel van randomisatie: Gem scores en spreiding in scores gelijk Op alle variabelen, zowel gemeten als ongemeten Bij aanvang groepen vergelijkbaar Soms randomisatie niet mogelijk: - Niet-ethisch - Praktisch onhaalbaar (gevangenis, scheiden) Soms wel mogelijk, maar gaat mis… Contaminatie = exp. Groep vertelt controle groep Deelnemers niet meedoen aan behandeling Beïnvloeding onderzoeker P I C O Population: groep mensen Intervention: experimental group met de manipulatie Comparison: controle groep (zonder manipulatie) waarmee wordt vergeleken Outcome: uitkomst variabele (de gemeten variabele) NHST > in experimenteel onderzoek: verschillen meten tussen groepen 1. Onderzoekshypothese vs Nullhypothese opstellen + schrijven statistische hypothese: H0: µrevisie = µrecopy HA: µrevisie > µrecopy 2. Keuze & berkenen toetsingsgrootheid t-toets voor onafhankelijke groepen = onafhankelijke schaal & meet alles op dezelfde schaal t = (M1-M2)/SE = gestandaardiseerde score experiment/relatieve verschil groep 1 & 2 Experimenteel onderzoek 2 (M1 – M2) ↑ ⟹ t ↑ ⟹ p ↓ (meer correlatie) SD1,2 ↑ ⟹ SE ↑ ⟹ t ↓ ⟹ p ↑ (minder correlatie) N1,2 ↑ ⟹ SE ↓ ⟹ t ↑ ⟹ p ↓ (meer correlatie) Kleine P-waarde: weinig ondersteuning voor H0 H0 verwerpen (kans op type I-fout) Hoge P-waarde: Veel ondersteuning voor H0 H0 niet verwerpen (kans op type II-fout) Type I-fout (alfa) = H0 is waar, maar wordt bij kleine P-waarde toch verworpen (onterecht H0 verwerpen) Type II-fout (beta) = H0 is niet waar, maar wordt bij grote P-waarde toch behouden (onterecht H0 behouden) Power/onderscheidingsvermogen = kans dat onderzoekers juiste beslissing hebben genomen. Kans op het juist verwerpen van H0 (1 – beta) - grootte n, grootte verschil (M1-M2), grootte α. (allemaal positief verband) Kans op type I-fout = α = significantieniveau Selection effect > probeer je te voorkomen met randomisatie > verbetering ext.vali t-toets gebruiken bij: Gerandomiseerd experiment Niet randomiseren, wel manipuleren (quasi-experiment) > zelf groepen kiezen Niet randomiseren, niet manipuleren Experimenteel onderzoek 3 en 4 Soorten validiteit: 1. Externe validiteit = generaliseren populatie - Type SP (select > lage ext.vali.) - Setting experiment > mate van overeenkomsten werkelijkheid en experimentele setting = ecologische validiteit 2. Interne validiteit = vaststellen causaliteit 3 bedreigingen: - Design confounds (alternatieve verklaringen) > geen besmetting (contaminatie) tussen beide groepen. - Selectie effect (waren groepen vergelijkbaar bij aanvang experiment?) Specifieke bedreigingen bij within-subjects designs (herhaalde meting) De manier waarop condities worden aangeboden heeft invloed… (order effects) Herhaling (practice effects), vermoeidheid (fatigue), volgorde (1e x heeft invloed op 2e x (carryover effects). 3. Begripsvaliditeit = verschillende soorten validiteit en betrouwbaarheid meetinstrumenten 4. Statistische validiteit = zijn de conclusies (van onderstaande) afleidbaar? Significantie toetsingsgrootheid t en overschrijdingskans p Relevantie effectgrootte: Cohen’s D (= standardized mean difference) D = (M1-M2)/SDpooled (= schatting SD van beide groepen). D bij een grote D (effect is dus sterk), beleid maken 0.20 Nauwkeurigheid betrouwbaarheidsinterval (BI) 0.50 Gemiddelde grootte SP-fout = standaardfout 0.80 Na het trekken van SP weten we (M1-M2) = puntschatting interval van waarschijnlijke waarden (=BI) Bovengrens: +2SE, ondergrens: -2SE Sterkte Klein Medium Groot Kijk of BI ook negatief kan zijn (of positief) > dat moet opvallen (???) Onderzoekers willen smal interval. De breedte BI hangt af van: - SP-grootte (kleine standaardfout => smal interval) - Mate spreiding populatie (grote scores SP => meer onzekerheid => brede interval) - Gekozen betrouwbaarheidsniveau (90%/95%/99%) > hangt samen met α “hoe hoger betrouwbaarheidsinterval, hoe breder de interval, hoe meer onzekerheid, hoe minder nauwkeurigheid, hoe kleiner alfa, hoe meer kans op type I-fout” Geschiktheid - SP is aselect Methodedeel > hoe participanten geselecteerd? niet altijd prioriteit bij experimenten (meer int.vali.) Voordeel: aselecte SP resulteert in onafhankelijke observaties - Meetniveau afhankelijke variabele Methodedeel > hoe theo begrippen geoperationaliseerd Anders andere toets gebruiken - Onafhankelijke groepen Methodedeel > deelnemers willekeurig ingedeeld 2 groepen Anders andere toets gebruiken - Normaal verdeelde scores Histogram: moet klokvormig zijn Anders andere toets gebruiken - Gelijke spreiding Boxplots (zijn IQR’s in groepen ong gelijk?) Anders andere toets (Welch’s toets) (maar: minder power) Voorwaarden correlatie => betere statistische vali 1. SP aselect Ext/vali 2. Variabelen interval/ratio Mogelijkheid 1: beide variabelen nominaal gebruik andere toets Mogelijkheid 2: een/beide variabelen ordinaal spearman’s 3. Relatie is lineair (want Pearson’s) Spearman’s Zijn de resultaten goed geïnterpreteerd? - Eenzijdig (gericht): 5% aan 1 kant R 0.10 0.30 0.50 - Tweezijdig (ongericht): 2,5% per kant 3 soorten replicatie: 1. Direct: heel goed vergelijkbaar, maar: foutjes worden dan ook gekopieerd 2. Concept: design verbeteren (foutjes uithalen), maar: minder goed vergelijken 3. Replicatie + uitbreiding: aanvullende vragen Daarom: tip! Meta-analyses Integriteit & Open Science Grote schendingen wetenschappelijke integriteit: Fabricage = data verzinnen, bewust schending Plagiaat = werk anderen kopiëren, bewuste schending Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit: (1) Eerlijkheid: – Resultaten en gegevens moeten correct en zonder misleiding worden gepresenteerd. onzekerheidmarges (2) Zorgvuldigheid - Wetenschappers moeten nauwkeurig en transparant te werk gaan. ontwerp, uitvoering, verslaglegging, disseminatie, rol externe partijen. (3) Transparantie - Onderzoeksmethoden en resultaten moeten controleerbaar zijn. (4) Onafhankelijkheid - Onderzoek moet vrij zijn van externe beïnvloeding. (5) Verantwoordelijkheid - Wetenschappers moeten de ethische en maatschappelijke impact van hun werk in acht nemen. mensen/dieren, relevantie Ethische principes: toevoeging APA Betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid (fidelity en responsibility) - Vertrouwensrelatie tussen onderzoeker en deelnemer - Accepteren van verantwoordelijkheid om professioneel te gedragen Integriteit (integrity) Streven nauwkeurig, waarheidsgetrouw (niet liegen) en eerlijk (alles vertellen) Rol beroep als onderzoeker/docent/etc Integriteitsbelofte uu: promovendus eed afleggen Subtiele schendingen (maar wel bewust!): Falsifying > niet rapporteren bepaalde bevindingen, aanpassen data, foutief interpreteren data File-drawer problem niet-significante bevindingen worden zelden gepubliceerd (=> mensen meer in de verleiding om te falsifyen). Vertekening literatuur, want disbalans: meer sign. Resultaten = publication bias. Daar komt bij: confirmation bias > resultaten komen overeen met verwachtingen Questionable Research Practices (QRP) Grens tussen goed onderzoek en fraude Zo masseren zodat je krijgt wat je wil = p-hacking > bv: ongeplande analyses uitvoeren. Zoeken naar verbanden mag, mits gepresenteerd in exploratief onderzoek. HARK-ing = ‘Hypothesizing After Results are Known’ = achteraf je hypotheses aanpassen aan resultaten Oplossingen: Retractie zelfcorrectie achteraf Nadelen: reputatieschade onderzoeker & WS, vaak lange tijd tussen publicatie en retractie Post Publication Peer Review (PPPR) online discussie platform publicaties Replicatie (hoort al bij onderzoekscyclus) Pre-registratie vooraf precies vertellen wat je gaat doen in onderzoek, publicatie is onafhankelijk van uitkomst > sowieso gepubliceerd! Open Science = beweging na problemen in WS-publicatie Iedereen moet toegang hebben tot WS Tegen oneerlijkheid! Open Access gratis en open online toegang tot Wet. Info Maar: kwaliteit (nog) beperkt onderzoeker moet betalen FAIR-richtlijnen > beschrijven, bewaren en delen v data Findable, Accessible, Interoperable, Reusable Begrippenlijst Empirisch = systematische waarneming hh-baarheid Controleerbaarheid dmv peer review = tijdschrift stuurt anoniem door naar andere wetenschappers om te controleren ⟹ hoge kwaliteit Probabilistisch = kans is groot uitspraken op maken Falsifieerbaar = theorie moet weerlegd kunnen worden Spaarzaam (parsimonious) = theorie zo simpel mogelijk Fundamenteel (basic) = nieuwe kennis opdoen Toegepast (applied) = kennis omzetten in de praktijk, specifieke situatie Kwantitatief = cijfers Kwalitatief = niet-cijfers Sociale fenomenen = Inductie = SPI(C)E = acroniem voor een goed kwalitatief onderzoek Kwalitatief onderzoek = 1 moderator stelt vragen, informant/respondent geeft antwoord Focusgroep = 6-10 mensen met moderator hebben gesprek Respondent = geïnterviewde Moderator = interviewer Doelgerichte steekproef = specifieke voorwaarden Gemakssteekproef = Quota steekproef = Sneeuwbal steekproef = Verstandhouding (rapport) = Transcript = uitgetypt interview Field notes = aantekeningen tijdens interview/observatie Observatie = waarnemen en registreren van gedragingen, gebeurtenissen en interacties Site = plaats van observatie Gatekeeper = via hem krijg je toegang tot site Key informant = contactpersoon tijdens observatie-tijd Reactiviteit = gedrag beïnvloed door aanwezigheid onderzoeker en/of het feit dat participanten weten dat ze geobserveerd worden (= hawthorne effect) Secundaire data = data wat verzameld was voor ander onderzoek > weer gebruikt Triangulatie = het combineren van dataverzamelingsmanieren Ethiek = in hoeverre mag alles zomaar onderzocht worden? Betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid (fidelity en responsibility) = Integriteit (integrity) = streven nauwkeurigheid, waarheidsgetrouw (niet liegen) en eerlijk (alles vertellen) Informed consent = deelnemer vooraf geïnformeerd Inductie = observaties/data > patronen > theorie Transparantie = Controleerbaarheid = Reproduceerbaarheid = Anoniem onderzoek = bij dataverzameling geen persoonsgegevens verzameld Vertrouwelijk onderzoek = voorkomen persoonlijke data bekend zijn (dmv de-identificatie (pseudoniem) Codes = labeld die worden gegeven aan tekstdelen Attribute codes = achtergrond/demografische info Index codes = grote stukken tekst > brede/algemene onderwerpen Analytic codes = beschrijven betekenis van specifieke (kleine) stukken tekst Inconvenience sample = verzameling gebeurtenissen/mensen > onderzoeker twijfelt Sample for range = kijken of je genoeg gegevens hebt door te streven naar saturatie (= niet meer tot nieuwe ervaringen komen) Iteratief/cyclisch proces = van dataverzameling naar data-analyse steeds gaan Memo’s = aantekeningen voor jezelf bij data-analyse Verklaringsmodellen = beschrijvingen/visuele weergaven van theorieën Constructs = theoretische begrippen, kenmerken van mensen Association = verband/relatie tussen 2 theoretische begrippen Population = groep mensen/dieren/dingen Setting = locatie Causaliteit = oorzaak-gevolgverbanden Covariance = er is een relatie tussen oorzaak en gevolg Temporal precedence = oorzaak gaat vooraf aan het gevolg Internal validity = alternatieve verklaringen zijn uitgesloten Fysieke kenmerken = vb: lengte, gewicht, reactietijd Theoretische begrippen = > deze moeten meetbaar gemaakt worden, (nog) geen eenheid Operationalisatie = het meetbaar maken van theoretische begrippen Conceptuele definitie = begrippen definiëren Operationele definitie = meetinstrument kiezen Likert schaal = punten toekennen aan mening: strongly disagree, disagree, agree, strongly agree Categorische variabelen = geven geen hoeveelheden aan: nominaal meetniveau Kwantitatieve variabelen = geven hoeveelheden aan: ordinaal, interval, ratio Nominaal meetniveau = namen/woorden/categorieën Ordinaal meetniveau = logische ordening (geen interval) Interval meetniveau = gelijke verschillen hebben dezelfde betekenis + geen nulpunt Ratio meetniveau = gelijke verschillen hebben dezelfde betekenis + wel nulpunt Generaliseren = uitspraak doen over grote doen op basis van kleine groep (SP) Inferentie = steekproef doen Pearson’s correlatiecoëfficiënt = r Spearman’s correlatiecoëfficiënt = rs Begripsvaliditeit = meet mijn instrument wel wat ik wil meten? Indruksvaliditeit = > experts Inhoudsvaliditeit = > alle aspecten Convergente validiteit = zelfde metingen, andere instrumenten Divergente (discriminant) validiteit = andere metingen, andere instrumenten Criterium validiteit = hangen metingen samen waarvan we weten dat er een verband bestaat? Groepsparadigma = criterium validiteit van groepen Betrouwbaarheid (reliability) = “meet ik elke keer hetzelfde?” Test-hertest betrouwbaarheid = meerdere keren, consequente scores Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid = verschillende onderzoekers, consequente scores Interne betrouwbaarheid = soortgelijke (logische) antwoorden Theoretische verwachting = verwachting van een relatie tussen theo begrippen Onderzoekshypothesen = stelling over correlatie tussen variabelen NHST = Nullhypothese = aanname dat er geen verband/relatie/verschil is. Steekproefspreiding = het feit dat waarden verschillend zijn per SP Steekproefverdeling = hoe de waarden v SP’en verschillen Steekproeffout = het verschil tussen SP en hele populatie Standaardfout = gemiddelde grootte van de steekproeffout Overschrijdingskans (p) = kans dat de waarde van SP nog verder van null ligt. Gerandomiseerd experiment= onderzoeksopzet waarbij: 1) door randomisatie groepen als hetzelfde worden verondersteld; 2) 1 variabele manipuleert; 3) het effect op een andere variabele wordt gemeten. PICO = population, intervention, comparison, outcome Population = groep mensen die wordt onderzocht Intervention = experimentele conditie (experimentele groep + manipulatie) Comparison = controle groep, dus waarmee je het vergelijkt Outcome = uitkomst, dus de gemeten variabele. Design confounds = zijn er geen alternatieve verklaringen? Selectie effect = zijn de groepen wel vergelijkbaar bij aanvang experiment? Contaminatie = deelnemers exp groep vertellen tussendoor wat aan controle groep t-toets = hiermee bereken je de gem scores van twee onafhankelijke groepen, dus het relatieve verschil tussen de twee groepen. t = (M1-M2)/SE SE > SDpooled in teller, n in noemer Type I-fout = foutief nulhypothese verwerpen Type II-fout = foutief nulhypothese behouden Significantieniveau = alfa (α); de kans op een type I-fout Significant = p ≤ α Niet-significant = p > α Power (onderscheidingsvermogen) = kans op het juist verwerpen van nulhypothese Quasi-experiment = groepen niet gerandomiseerd, wel gemanipuleerd (= mensen mogen zelf groepen maken). Statistische validiteit = 1) significantie; 2) relevantie; 3) nauwkeurigheid; 4) geschiktheid Significantie = bepaald a.d.h.v. toetsingsgrootheid en p Relevantie = beoordeeld a.d.h.v. effectgrootte Nauwkeurigheid = beoordeeld a.d.h.v. betrouwbaarheidsinterval Geschiktheid = beoordeeld door de toets, de voorwaarden, de interpretatie te controleren. Cohen’s d = om effectgrootte te meten ( relevantie) D = (M1-M2)/SDpooled Betrouwbaarheidsinterval (BI) = interval van waarschijnlijke waarden rond de puntschatting. je zit hier steeds +/- 2 SE’s vanaf. ( nauwkeurigheid) Voorwaarden t-toets = 1) SP is aselect, 2) afhankelijke variabele is van interval/ratio; 3) scores zijn normaal verdeeld; 4) scores beide groepen gelijke spreiding. Voorwaarden correlatie-toets = 1) SP is aselect; 2) beide variabelen van interval/ratio; 3) relatie is lineair. 3 soorten replicatie onderzoek: 1) direct; 2) conceptueel; 3) + uitbreiding Fabricage = (bewust) data verzinnen Plagiaat = (bewust) werk van anderen kopiëren NL’se gedragscode wetenschappelijke integriteit = eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid, verantwoordelijkheid. Falsifying = (bewust) niet rapporteren bepaalde bevindingen, aanpassen data, foutief interpreteren vd data File-drawer problem = omdat media alleen significante resultaten hebben onderzoekers grote moeite om hun (niet-significante) resultaten gepubliceerd te krijgen.\ Publication bias = vertekening dat in de wetenschap meer significante onderzoeken zijn dan niet-significante. Confimation bias = je wilt dat je conclusie overeenkomt met je verwachtingen. Questionable Research Practices (QRP) = ‘laagdrempeliger fraude plegen’ p-hacking = extra ongeplande analyses uitvoeren zodat je een significant resultaat krijgt HARK-ing = “Hypothesizing After Results are Known” = hypotheses aanpassen nadat je je resultaten hebt. Retractie = zelfcorrectie achteraf Post Publication Peer Review (PPPR) = online discussieplatform over publicaties Pre-registratie = van te voren aan media precies vertellen wat je gaat doen, zij zullen je resultaten sowieso publiceren onafhankelijk van de uitkomst. Open Science = het idee dat iedereen toegang zou moeten krijgen tot wetenschap Open access = gratis en open online toegang tot wetenschappelijke informatie FAIR principes = richtlijnen voor beschrijven, bewaren en delen van data Findable, Accessible, Interoperable, Reusable Data management plan (DMP) = plan waar onderzoekers van te voren moeten vastleggen wat ze gaan doen.
0
You can add this document to your study collection(s)
Sign in Available only to authorized usersYou can add this document to your saved list
Sign in Available only to authorized users(For complaints, use another form )