Interlude A: introducing rocks wat is een gesteente: Voor een geoloog is gesteente een coherente, natuurlijk voorkomende vaste stof die bestaat uit een aggregaat van mineralen of, minder gebruikelijk, een hoeveelheid glas ( zoals obsidiaan) coherent: Een gesteente houdt zich bijeen en moet gebroken worden om in kleinere stukken te kunnen worden verdeeld. Door zijn samenhang kunnen gesteenten kliffen vormen of worden uitgehouwen tot bouwblokken of sculpturen. Een stapel losse mineraalkorrels vormt geen gesteente. Dat is waarom zand dus ook niet wordt gezien als een gesteente. Omdat het een los sediment is, bestaande uit afzonderlijke, kleine korrels van verweerd gesteente, in plaats van een solide, aaneengesloten massa zoals gesteenten hebben. Ook zijn gesteenten natuurlijk voorkomend: alleen materialen die door natuurlijke processen zijn gevormd vallen onder de term gesteenten. Gefabriceerde producten zoals een baksteen of beton zijn dus geen gesteenten. gesteenten bevatten een aggregaat van mineralen of een glasmassa: de meeste gesteenten bestaan uit een aggregaat (verzameling) van vele mineraalkorrels of kristalkorrels. De termen korrel en kristal worden vaak door elkaar gebruikt. korrel: korrel is een algemene term. Het kan verwijzen naar een stuk mineraal, naar een fragment dat is afgebroken van een ooit groter stuk van een mineraal of reeds bestaand gesteente, of naar een fragment van glas. Korrels zijn er in heel veel verschillende soorten en maten. kristal: kristal is een meer beperkte term. Een kristal is een aaneengesloten (ononderbroken) stuk van een enkel mineraal dat tot zijn huidige vorm is gegroeid en kristalvlakken kan vertonen. (Een groot kristal, of aggregaat van kristallen, van een enkel mineraal kan een mineraalspecimen worden genoemd, zelfs als het meters lang is.) Sommige gesteenten bevatten slechts één soort mineraal, terwijl andere meerdere soorten bevatten. Een paar gesteentetypen die bij vulkanen ontstaan, bestaan uit natuurlijk glas, dat kan voorkomen als een homogeen lichaam of als een opeenhoping van kleine scherven. vulkanisch glas zoals op de foto hier rechts ontstaat wanneer vloeibaar magma bij een vulkaanuitbarsting extreem snel afkoelt, waardoor er geen tijd is voor de vorming van kristallen (uitvloeiingsgesteente). Deze snelle afkoeling zorgt ervoor dat de gesmolten stenen een amorfe, glasachtige structuur krijgen in plaats van de typische kristallen die in stollingsgesteente voorkomen. Langzamere afkoeling van gesteenten vindt dieper in de aarde plaats. Dit wordt een dieptegesteente genoemd. Hierbij stolt de magma heel langzaam waardoor er wel tijd is voor de vorming van kristallen. Hoe langzamer dit gaat, hoe groter de kristallen zullen worden. hoe houdt het gesteente zich bijeen? Korrels in gesteenten verbinden zich tot een coherente massa, de coherente massa ontstaat omdat natuurlijk cement, samengesteld uit mineralen die uit water in de ruimte tussen de korrels neerslaan, ze aan elkaar lijmt, ze passen dan in elkaar als een soort legpuzzel. Gesteenten waarvan de korrels door cement op hun plaats worden gehouden, noemen we klastische gesteenten, en gesteenten waarvan de kristallen in elkaar grijpen, noemen we kristallijne gesteenten. Een glasachtig gesteente kan coherent zijn omdat het is ontstaan als een aaneengesloten massa en daarom geen losse korrels bevat, of omdat het is ontstaan door losse glaskorrels aan elkaar te lassen toen de korrels nog heet waren. Hierboven heb ik een afbeelding uit het boek gepakt omdat je hier heel goed kan zien wat ik hierboven uitleg. Hier zien we een zandsteen (klastisch gesteente). Bij zit gesteente worden dus de losse korrels bij elkaar gehouden door natuurlijk voorkomend cement. Hierboven zien we een graniet (kristallijn gesteente). Bij dit gesteente zijn de kristallen samen gevormd en grijpen ze elkaar vast. Hier is dus geen natuurlijk cement aan te pas gekomen. Een gesteente is een verzameling van chemicaliën. Niet alle gesteenten bestaan uit dezelfde chemicaliën. De mantel van de aarde bestaat vooral uit zuurstof en silica. De meeste gesteenten bevatten silica. Echter spelen bij het aardoppervlak organismen ook een rol in de vorming van gesteenten. Een aanzienlijk deel van het gesteente in de bovenkorst van continenten bestaat dan ook uit carbonaatmineralen. Deze ontstaan door de afzetting van bijvoorbeeld skeletjes en schelpjes van organismen. Deze afzettingen komen terecht in het gesteente. Gesteenten bestaande uit oxiden, sulfiden en sulfaten dienen als belangrijke grondstoffen voor metalen en industriële materialen, maar vormen slechts een klein percentage van de gesteenten op aarde. Aan het aardoppervlak komen stenen voor als losse, afgebroken stukken, die zijn getransporteerd door wind, water, ijs of als bedrock, het gesteente wat nog vast zit aan de aardkorst. een blootgesteld stuk bedrock wordt outcrop genoemd. Hiernaast is een voorbeeld van outcrop te zien. Er zijn 3 basisklassen van gesteenten: 1. stollingsgesteenten, die ontstaan door het stollen van gesmolten gesteenten. 2. sedimentaire gesteenten, die ontstaan door het aan elkaar lijmen van korrels die van reeds bestaande gesteenten zijn afgebroken, of door het neerslaan van mineralen kristallen uit waterige oplossingen aan of nabij het aardoppervlak. 3. metamorfe gesteenten, die ontstaan wanneer bestaande gesteenten van karakter veranderen als reactie op een verandering in druk en temperatuur, en/of als gevolg van samendrukken, uitrekken of afschuiven onder omstandigheden waarbij de gesteenten niet barsten en breken. Metamorfose vindt plaats in de vaste toestand, wat betekent dat er geen sprake is van smelten. korrelvorm- en grootte: er is veel variatie in de grootte en de vorm van de korrels. Sommige korrels zijn zo klein dat je ze niet kan zien zonder microscoop (afanitisch) en sommigen kun je gewoon goed zien met het blote oog of met een loepje (faneritisch). Ook kan het zijn dat een gesteente bestaat uit allemaal dezelfde korrels (equigranulair) of uit verschillende soorten korrels (porfirisch). Ook de samenstelling van gesteenten is heel verschillend, maar ook de omstandigheden daaromheen beïnvloeden het gesteente. Je kan twee gesteenten hebben met dezelfde chemische samenstelling die er toch heel anders uitzien. Dat kan omdat het ene gesteente onder andere druk of temperatuur gevormd is dan het andere. Onder hogere temperatuur bewegen atomen sneller en worden veel bindingen gebroken en hogere druk zorgt er juist voor dat de atomen dichter bij elkaar komen te liggen. De atomen gaan zich dus anders rangschikken, wat zorgt voor variatie in gesteenten met dezelfde chemische samenstelling. Gesteenten kunnen onderzocht worden door middel van een handstuk bekijken, als het nog vast zit aan de bedrock kun je een stuk eraf halen met de hamer. En door middel van “thin section study" waarbij een heel dun stuk steen wordt bekeken onder een speciale microscoop. interlude B: A Surface Veneer: Sediments and Soils Sediment bestaat uit losse fragmenten van gesteenten of mineralen, die van het vaste gesteente zijn afgebroken, minerale kristallen die rechtstreeks uit het water neerslaan, en schelpen of schelpfragmenten. Sedimenten ontstaan door verwering, de fysische en chemische afbraak van reeds bestaand gesteente op of nabij het aardoppervlak. Sedimenten vormen een oppervlaktelaag, of bedekking, op het vaste gesteente dit heet regoliet. Deze bedekking varieert in dikte van 0 km, op plaatsen waar het vaste gesteente uit het aardoppervlak tevoorschijn komt, tot 20 km, waar diepe, met sediment gevulde depressies, genaamd sedimentaire bekkens zich hebben ontwikkeld. Interactie met water en organismen kan sediment in de loop van de tijd veranderen en transformeren tot bodem, een essentieel materiaal voor leven. Joins Gesteenten die diep in de aardkorst begraven liggen, staan onder enorme druk, door het gewicht van de bovenliggende rots. Diepe gesteenten zijn ook warmer dan gesteenten dichter bij het aardoppervlak vanwege de geothermische gradiënt van de aarde. Over lange tijd slijpen stromend water, lucht en ijs de bovenliggende rots aan het oppervlak weg en verwijderen deze, een proces dat erosie wordt genoemd. Tegelijkertijd kan tektonische activiteit een opwaartse beweging van de aardkorst veroorzaken. Als gevolg hiervan, doordat opheffing en erosie gelijktijdig werken, beweegt gesteente dat diep in de aarde lag geleidelijk dichter naar het aardoppervlak. Naarmate dit proces van exhumatie (weer naar boven halen) voortduurt, nemen zowel de druk als de temperatuur die op het gesteente inwerken af. De resulterende veranderingen in druk en temperatuur kunnen ervoor zorgen dat de vorm van een gesteente enigszins verandert. Met name naarmate het gewicht dat op het gesteente werkt afneemt, rekt het gesteente verticaal een beetje uit en wordt het horizontaal iets korter, en naarmate het gesteente afkoelt, krimpt het. Zulke veranderingen kunnen krachten genereren die voldoende zijn om het gesteente te breken. Natuurlijke scheuren die in gesteenten ontstaan door het verwijderen van de deklaag of door afkoeling, staan bekend als joints. Joints komen in verschillende vormen voor. Sommige hebben vrij gladde, vlakke oppervlakken, terwijl andere onregelmatige, gekartelde oppervlakken hebben, en weer andere brede rondingen. Intervallen van sedimentair gesteente bevatten doorgaans reeksen vlakke, verticale joints die, omdat ze lagen kruisen, gesteenten in rechthoekige blokken breken. Granietplutons daarentegen ondergaan vaak exfoliatie, wat betekent dat ze splijten langs joints die bijna parallel aan de rotswand staan, waardoor gebogen platen ontstaan die lijken op de lagen van een ui. Ongeacht hun oriëntatie verandert de vorming van joints het voorheen intacte gesteente in afzonderlijke blokken. De zwaartekracht trekt aan deze blokken, die uiteindelijk van de outcrop af vallen waarin ze zijn gevormd. In sommige gevallen verzamelen de blokken zich in een schort talus, het puin aan de voet van een helling (een soort puinwaaier). Als de blokken in een beek of op de kust vallen, kunnen ze door water worden meegevoerd. verwering: Er zijn 2 soorten verwering: chemische en mechanische verwering. Bij chemische verwering verandert de chemische samenstelling van het gesteente door chemische reacties met stoffen uit de omgeving. Dit kan gebeuren door inwerking van water (hydrolyse), waarbij water reageert met de mineralen uit het gesteente waardoor er bijvoorbeeld nieuwe zachtere mineralen zoals klei kunnen ontstaan. Als tweede kan chemische verwering plaatsvinden door zuurstof wat uit water komt. Dat zorgt ervoor dat bepaalde materialen (vooral ijzer) gaan roesten. Als laatste kan door zure regen een gesteente chemisch verweren, koolstofdioxide uit de lucht komt terecht in de regen, wat het zuur maakt. Kalksteen lost op als het in contact komt met deze zure regen. Hierdoor ontstaan grotten. Bij mechanische verwering valt een gesteente uiteen door water, ijs, wind, temperatuur en plantenwortels. water wind en ijs zorgen ervoor dat er stukken van het gesteente af worden gebroken. plantenwortels groeien tussen de spleten in de gesteenten, door druk van de plantenwortels kan het gesteente uiteen vallen. en temperatuurverschillen zorgen ervoor dat een gesteente uitzet (warm) en slinkt ( koud) als dit vaak genoeg gebeurt valt het gesteengte uiteindlijk uiteen. zelfde verhaal met ijs wat in de gleuven van een gesteente terecht komt. ook dieren zoals wormen kunnen zorgen voor verwering. Salt wedging (zoutverwering) In droge klimaten slaat opgelost zout in water neer en vormt het kristallen in open poriën in gesteenten. De groeiende kristallen duwen de omliggende korrels uit elkaar en verzwakken het gesteente, waardoor het bij blootstelling aan wind en regen uiteenvalt in afzonderlijke korrels. Dit fenomeen, zoutverwering genoemd, treedt ook op bij outcrop wanden in kustgebieden, waar zoutnevel in het gesteente sijpelt en vervolgens opdroogt; na verloop van tijd ontwikkelt het gesteente een oppervlaktetextuur die lijkt op een honingraat. Niet alle mineralen verweren even snel. Sommige breken al binnen enkele maanden of jaren af, terwijl andere miljoenen jaren vrijwel onaangetast blijven. In een gematigd klimaat verweert bijvoorbeeld calciet veel sneller dan de meeste silicaten. Bij silicaten geldt dat mineralen die bij hogere temperaturen zijn gekristalliseerd, minder stabiel zijn aan het relatief koele aardoppervlak dan mineralen die bij lagere temperaturen zijn gevormd. De snelheid van verwering hangt af van zowel de kristalstructuur als de chemische samenstelling. Mineralen met weinig verbindingen tussen de silicium-zuurstof-tetraëders hebben een zwakkere structuur en verweren dus sneller dan mineralen met veel verbindingen. Daarnaast verweren mineralen die ijzer, magnesium, natrium, kalium of aluminium bevatten sneller dan mineralen zonder deze elementen. Een uitzondering is kwarts (SiO₂). Dit mineraal heeft een sterke driedimensionale structuur met bindingen in alle richtingen, waardoor het zeer stabiel blijft. Daarom zie je bij de verwering van graniet (dat uit kwarts, mica en veldspaat bestaat) dat bijna alle mineralen omgezet worden in klei, behalve kwarts. Het resultaat is dat veel stranden voornamelijk uit kwartszand bestaan: kwarts blijft over, terwijl de andere mineralen oplossen en wegspoelen. In de praktijk verlopen chemische en mechanische (fysische) verwering niet los van elkaar, maar juist samen. Ze versterken elkaar en zorgen zo voor het uiteenvallen van gesteente tot sediment. Mechanische verwering versnelt chemische verwering, omdat chemische reacties plaatsvinden aan het oppervlak van een mineraal. Hoe groter de oppervlakte/volume-verhouding, hoe sneller de chemische verwering. Wanneer een groot gesteenteblok door scheuren of breuken (jointing) in kleinere stukken uiteenvalt, neemt de oppervlakte toe, waardoor de chemische verwering sneller gaat. Omgekeerd zorgt chemische verwering ervoor dat gesteente gevoeliger wordt voor mechanische verwering. Dit gebeurt doordat: - - - harde mineralen (zoals veldspaat) omgezet worden in zachte kleimineralen, cement substanties oplossen, mineralen water opnemen en uitzetten. Daardoor verzwakt het gesteente en valt het gemakkelijker uit elkaar. Zo blijft een blok vers graniet meestal heel als je het laat vallen, maar een blok chemisch verweerd graniet brokkelt uiteen tot losse fragmenten. Verwering gaat ook sneller bij randen en hoeken dan bij vlakke oppervlakken. Een vlak wordt namelijk maar van één kant aangetast, een rand van twee kanten en een hoek zelfs van drie kanten tegelijk. Gevolg: randen worden stomp en hoeken rond. In gesteenten die homogeen zijn, zoals graniet, veranderen rechthoekige blokken daardoor langzaam in afgeronde vormen. Soms vindt er zelfs exfoliatie plaats, waarbij een blok gesteente in dunne, ui-achtige schillen afbladdert. Dit proces geeft het gesteente een meer bolvormige structuur en wordt door geologen sferoïdale verwering genoemd. Bodem/grond De bodem bestaat uit gesteente of sediment dat door fysische en chemische interactie met organisch materiaal en regenwater in de loop van de tijd is veranderd in een substraat dat de groei van planten kan ondersteunen. De vorming van bodem (soil) vindt plaats door drie belangrijke processen die aan of net onder het aardoppervlak plaatsvinden. Het eerste proces is de productie van mineraalpuin. Door chemische en mechanische verwering ontstaan losse gesteentestukjes, nieuwe mineraalkorrels zoals klei, en opgeloste ionen afkomstig van sediment of moedergesteente. Het tweede proces is de interactie met water. Wanneer regen valt, sijpelt een deel van het water door het puin heen en neemt het opgeloste ionen en kleideeltjes mee. Het gebied waar dit neerwaartse transport plaatsvindt, wordt de uitspoelingszone genoemd, omdat ionen en deeltjes worden weggezogen of verwijderd. Dieper in de bodem ontstaan nieuwe mineralen uit het water of door reacties met het gesteente, en wordt fijne klei afgezet. Dit gebied noemt men de afzettingszone. Het derde proces is de interactie met organismen. Bodem is een leefomgeving voor talloze organismen en vormt een plek waar biologische en fysieke processen elkaar sterk beïnvloeden. In slechts één kubieke centimeter vochtige bodem in een warm klimaat kunnen meer dan een miljard microben leven, en in een hectare bodem kunnen meer dan 1,5 miljoen regenwormen kruipen. Deze organismen nemen voedingsstoffen op, laten organisch afval achter, produceren zuren die mineralen verweren, en mengen en beluchten de bodem. Wanneer organismen sterven, verteren ze tot organisch koolstof dat zich vermengt met mineraalpuin, waardoor humus ontstaat. Samengevat ontstaat bodem dus door een combinatie van verwering, watertransport en biologische activiteit, waarbij mineralen, klei en organisch materiaal zich mengen tot een vruchtbare laag aarde waarin leven kan floreren. Door de processen van verwering, watertransport en biologische activiteit verandert sediment en moedergesteente in bodem, en krijgt de bodem een geheel andere structuur en samenstelling dan het oorspronkelijke materiaal. Omdat bodemvormende processen op verschillende dieptes plaatsvinden, ontstaan er meestal verschillende horizonten in de bodem, die samen een bodemprofiel vormen. Een ideaal voorbeeld van een bodem in een gematigd bos ziet er als volgt uit: ● O-horizon: de bovenste laag, bijna volledig opgebouwd uit organisch materiaal, bijna geen mineralen. ● A-horizon: hierin mengt humus zich met mineralen zoals klei, silt en zand. Regenwater veroorzaakt hier chemische verwering, lost mineralen op en vormt nieuwe kleimineralen. Dit is samen met de O-horizon het topsoil, de donkere, vruchtbare bovenlaag die boeren bewerken. ● E-horizon: een laag met veel uitspoeling, waar mineralen en klei zijn weggespoeld maar nog weinig organisch materiaal aanwezig is. ● B-horizon: de subsoil, waar opgeloste stoffen en klei worden afgezet (zone van accumulatie). ● C-horizon: bestaat uit verweerd puin dat nog geen uitspoeling of accumulatie heeft ondergaan. Daaronder ligt ongerept gesteente of sediment. Bodem verschilt sterk van locatie tot locatie in samenstelling, dikte en textuur, wat van invloed is op welke planten er goed kunnen groeien. De samenstelling van bodem wordt beïnvloed door verschillende factoren: 1. Klimaat: Hoeveel regen er valt, de verdeling van neerslag en de temperatuur bepalen de snelheid van chemische verwering en uitspoeling. Warm en nat weer versnelt bodemvorming, terwijl koud en droog weer dit vertraagt. 2. Substraat (moedergesteente): Bodem die ontstaat op basalt, graniet, vulkaanas of kwartszand verschilt in samenstelling, omdat het substraat verschillende mineralen bevat. Bijvoorbeeld: basaltbodems bevatten vaak meer ijzer dan granietbodems. Bodems vormen zich sneller op losse sedimenten dan op hard gesteente. 3. Heuvelhelling: Op vlak terrein kan een dikke bodem ontstaan, terwijl op steile hellingen sediment weggespoeld wordt. 4. Vochtigheid: Bodems met meer water verweren sneller en bevatten vaak meer organisch materiaal. 5. Tijd: Bodemvorming kost tijd. Jonge bodems zijn dunner en minder ontwikkeld dan oudere bodems. In gematigde streken vormt de bodem zich gemiddeld 0,02–0,20 mm per jaar, waardoor ongeveer 1 meter bodem in ~10.000 jaar ontstaat. 6. Vegetatietype: Verschillende planten halen andere voedingsstoffen uit de bodem en voegen organisch materiaal toe. Planten met diepe wortels voorkomen erosie en helpen zo bij de opbouw van een dikkere bodemlaag. Bodems verschillen sterk in textuur, structuur en kleur, afhankelijk van hun ontstaan en samenstelling. - - Textuur: Dit geeft de verhouding van zand-, silt- en klei korrels in de bodem weer. Voor veel gewassen is leem ideaal, een bodem met 10–30% klei en de rest silt en zand. Leem heeft voldoende poriën waardoor water en lucht kunnen circuleren en wortels makkelijk kunnen groeien. Bodems met te veel klei worden dicht en voorkomen waterdoorstroming. Structuur: Dit verwijst naar de mate waarin bodemkorrels samenklonteren tot brokken of kluiten, die wetenschappers peds noemen. Structuur ontwikkelt zich naarmate de bodem ouder wordt, omdat deze afhankelijk is van het klei- en organisch materiaalgehalte. Deze materialen geven de bodem zijn kleverigheid. - Samenstelling en kleur: De samenstelling van de bodem bepaalt de kleur. Bodems rijk aan organisch materiaal zijn vaak grijs tot zwart, bodems arm aan organisch materiaal maar rijk aan kalk zijn witachtig, en bodems met veel ijzer zijn rood of geel. TABEL B3 belangrijk!!! Zoals we hebben gezien, spelen neerslag en vegetatie een belangrijke rol bij het bepalen van het soort bodem dat ontstaat. - In woestijnen, waar weinig regen valt en de vegetatie schaars is, ontstaat een aridosol (vroeger pedocal genoemd). Deze bodems hebben geen O-horizon vanwege het gebrek aan organisch materiaal en slechts een dunne A-horizon. Oplosbare mineralen, zoals calciet, die bij meer regen zouden wegspoelen, hopen zich op in de B-horizon. Door kapillaire werking kan calciet zelfs vanuit diepere lagen naar boven worden gebracht en aan het oppervlak neerslaan. In de B-horizon bindt calciet de korrels samen tot een rotsachtige massa die caliche of calcrete wordt genoemd. - In gematigde klimaten ontstaat een alfisol (vroeger pedalfer genoemd). Deze bodem heeft een O-horizon en door de gematigde regenval worden stoffen uit de A-horizon naar de B-horizon uitgespoeld en daar afgezet. - In tropische klimaten ontwikkelen zich oxisols. Door de overvloedige regenval ondergaan vrijwel alle reactieve mineralen in de bodem chemische verwering. Hierdoor ontstaan ions en klei die naar beneden spoelen, en blijft er een A-horizon over met veel stabiele ijzeroxiden, aluminiumoxiden en aluminiumhydroxiden. Dit geeft de bodem een baksteenrode kleur. Soms spoelt er zoveel water door dat er geen B-horizon kan ontstaan. Een type oxisol dat rijk is aan ijzeroxiden en zo hard kan worden dat het in blokken kan worden gehakt voor bouwmaterialen, wordt lateriet genoemd. De naam komt van het Latijnse woord later, wat "baksteen" betekent. Lateriet vormt zich vaak in gebieden met een droog seizoen, waarin kapillaire werking extra oxidemineralen naar de A-horizon brengt, waar ze neerslaan. Bodemvenietiging In een natuurlijk ecosysteem halen planten voedingsstoffen zoals stikstof en fosfor uit de bodem, maar wanneer de planten sterven en humus vormen, komen deze voedingsstoffen weer terug in de bodem. In de landbouw werkt dit anders: wanneer gewassen worden geoogst, worden de voedingsstoffen uit de bodem verwijderd, omdat ze in het gewas zitten en niet terugkeren. Na enkele oogstseizoenen kan dit de bodem arm aan voedingsstoffen maken, waardoor de groei van volgende gewassen wordt geremd. Boeren kunnen dit probleem oplossen door kunstmest toe te voegen, maar dat kan duur zijn en verhoogt de kosten van voedselproductie. De impact van ontbossing van regenwouden op bodem voedingsstoffen kan bijzonder groot zijn. In een gezond regenwoud zorgt de overvloedige organische stof voor voldoende voedingsstoffen voor bomen. Wordt het bos echter gekapt voor landbouw, dan verdwijnt de humus snel en blijft alleen lateriet over, een bodem arm aan voedingsstoffen. Gewassen verbruiken de resterende voedingsstoffen zo snel dat de bodem binnen een of twee jaar onvruchtbaar wordt, ongeschikt voor landbouw en voor het herstel van het regenwoud. Een ander groot probleem is bodemerosie. Wanneer de natuurlijke plantenbedekking verdwijnt door ontbossing of grasland vernietiging, komt de bodem bloot te liggen voor wind en water. Regendruppels of ploegen kunnen de bodemstructuur breken, waarna de bodem wegspoelt of door de wind wordt weggeblazen. Dit kan jaarlijks tot 6 ton bodem per acre verwijderen, en menselijke activiteiten kunnen dit zelfs 10–100 keer versnellen, waardoor erosie veel sneller gaat dan bodemvorming. Ernstige erosie veroorzaakt dat riviertjes bruin kleuren door al het meegevoerde sediment. Droogtes kunnen erosie verder versnellen; tijdens de droogtes van de jaren ’30 in de Amerikaanse vlaktes stierven veel planten, waardoor de wind de bodem wegblies en de beruchte Dust Bowl ontstond, waardoor duizenden mensen moesten verhuizen. Naast voedingsstof verlies en erosie zijn er nog andere bedreigingen voor de bodem. Overmatig gebruik van kunstmest, pesticiden en herbiciden, evenals chemische morsingen, leidt tot bodemverontreiniging. Te veel irrigatie in droge klimaten kan de bodem verzilten, omdat water kleine hoeveelheden zouten achterlaat die bij verdamping ophopen en planten beschadigen. Gelukkig groeit het besef dat bodem een kwetsbare hulpbron is, en zijn er inspanningen om bodembehoud en -bescherming te bevorderen Interlude C: The rock cycle stollingsgesteente→ sedimentairgesteente→ metamorfegesteente→ slollingsgesteente Stollingsgesteente gevormd uit magma ondergaat verwerking en erosie aan het aardoppervlak. Dit worden sedimenten. Later gaat begraving en lithificatie ervoor zorgen dat er een sedimentair gesteente wordt gevormd. dit gesteente kan later weer dieper in de aarde komen te liggen en door extreme druk en warmte metamorfose ondergaan. dit gesteente wordt dan een metamorfe gesteente. Dit gesteente kan ook na metamorfose verder smelten. Dit wordt weer magma. Dit magma kan later weer stollen en weer in een stollingsgesteente veranderen. ● Lithification is the geological process that transforms loose, unconsolidated sediment, such as sand or mud, into solid, compact sedimentary rock through compaction and cementation. stollingsgesteente→sedimentair gesteente→ metamorfe gesteente→sedimentair gesteente. stollingsgeteente kan door extreme hitte en druk metamorfose ondergaan en dus een metamorfe gesteente vormen. deze kan later opgeheven worden en meer aan het oppervlak komen. door erosie komen er weer sedimenten van het gesteente af die in een sedimentair gesteente veranderen. stollingsgesteente→ metamorfe gesteente→ sedimentair gesteente stollingsgesteente kan zo diep liggen dat voordat het aan het oppervlak wordt blootgesteld en kan eroderen het gesteente al metamorfose heeft ondergaan. dit is dan direct al een metamorfe gesteente. zonder dat het eerst sedimentatie ondergaat en een sedimentair gesteente wordt. de metamorfe gesteenten die hierdoor ontstaan kunnen weer aan het aardoppervlak terecht komen en eroderen waardoor weer sedimenten ontstaan. deze sedimenten kunnen ophopen en weer sedimentair gesteente vormen. sedimentair gesteente→ sedimentair gesteente sedimentair gesteente wordt gevormd. Deze kan weer eroderen en nieuw sediment vormen waardoor een nieuw sedimentair gesteente wordt gevormd. meer gedetailleerde uitleg: De magma komt bij divergentie of bijvoorbeeld een hotspot of vulkaanuitbarsting aan het aardoppervlak. De magma koelt af en begint te stollen. dit vormt een stollingsgesteente zoals in dit geval basalt. door interactie met wind, ijs, water, en planten wordt het gesteente verweerd. verwering is het uiteenvallen van een gesteente. dus een groot stuk valt uiteen in kleinere stukjes. dit is mechanische verwering: verwering door wind, water, ijs en planten. chemische verwering gebeurt bijvoorbeeld door zure regen. zure regen lost bijvoorbeeld kalksteen op. deze kleinere stukjes steen komen door bijvoorbeeld wind, zee, rivieren weer op andere plekken terecht. neem even als voorbeeld een rivier. het water van de rivier transport de kleinere stukjes verweerd gesteente. zwaardere stukjes blijven sneller liggen dan kleinere, lichtere stukjes. de rivier neemt de kleine stukjes mee naar beneden en daar vormt het een bruinige rivier van de stukjes klei. de rivier mondt uiteindelijk uit in de zee en daar blijft het sediment liggen. het zakt naar de bodem en hoopt op. laten we even aanhouden dat het klei blijft liggen langs plaat x. over de jaren stapelt het zich op en komt het originele klei te liggen op een diepte van 6 km diep. door de druk van de bovenliggende lagen vormt daar een nieuw sedimentair gesteente, in dit geval schalie. miljoenen jaren later schuift plaat y tegen plaat x aan, waar het gesteente ligt. de platen worden samengeperst en er ontstaat een breuk. hierdoor komt het gesteente, de schalie op een diepte van 30 km te liggen. hier is het veel warmer en is er veel hogere druk dan op 6km diepte. de schalie ondergaat een metamorfose en wordt schist. De schist die hier is gevormd komt door erosie en uplifting weer op het oppervlak te liggen. Door erosie ontstaan weer sedimenten die door transport weer op andere plekken komen en weer een nieuw sedimentair gesteente kunnen vormen. De overgebleven schist die niet aan het oppervlak is gekomen kan ook terug veranderen in een stollingsgesteente. het vlak waar dit gesteente ligt kan door krachten uit elkaar splitsen, divergentie, hierdoor komt magma naar boven dat tussen dit gesteente gaat zitten. delen van de schist kunnen mee smelten. dit vormt felsisch magma. deze magma komt naar het oppervlak, koelt af en stolt weer. hier is een felsisch gesteente ontstaan. zoals rhyoliet. *Felsische gesteenten zijn lichtgekleurde stollingsgesteenten die rijk zijn aan lichte elementen, met name silicium, zuurstof, aluminium, natrium en kalium, die de mineralen, veldspaat en kwarts vormen. Ze hebben een relatief hoog siliciumgehalte (SiO₂) en bevatten weinig ijzer en magnesium, in tegenstelling tot mafische gesteenten. Voorbeelden van felsische gesteenten zijn graniet en rhyoliet. atomen die door de gesteentecyclus gaan hoeven niet allemaal binnen een mineraal te blijven. een siliciumatoom van de pyroxeen kristal in basalt kan deel uitmaken van zowel het klei kristal in schalie, als het mica kristal in de schist als het kwartskristal in rhyoliet. ook al liggen de atomen vlak naast elkaar kan de wind, water, ijs etc ervoor zorgen dat de een kilometers verder belandt. sommige gesteenten hebben al heel veel fases ondergaan, terwijl anderen bijna nooit veranderen. continentale plaat blijft vaak hetzelfde omdat het niet met subductie smelt. continentale plaat is lichter dus blijft boven. wel kunnen stukjes sediment van de continentale korst eroderen, sedimenteren en sedimentair gesteente vormen. en het kan ook door transport bij de oceanische korst terecht komen en alsnog in subductiezone komen en veranderen. maar bij plekken zoals de appalachian mountains ondergaan de stenen veel meer veranderingen omdat het op een plaatgrens ligt en er vaak subductie en convergentie voorkomt. veel stollingsgesteenten smelten en komen weer in de mantel terecht. bijvoorbeeld eclogite, deze is zwaar dus zakt naar de mantel toe. aandrijving: door het zwaartekrachtveld en de interne warmte van de aarde wordt platentektoniek aangedreven. Door deze twee factoren ontstaan bergketens, troggen, vulkanen etc. daar kan weer door erosie gesteente vanaf slijten en sediment worden. aan het aardoppervlak drijven warmte van de zon en zwaartekracht de wind, ijs, water stromingen aan. Deze factoren slijpen het aardoppervlak weg en transporteren het waardoor sediment gesteente kan ontstaan. Ook leven speelt een rol. Door corrosieve zuurstof aan de atmosfeer toe te voegen draagt dit bij aan de verwering. Kortom, externe energie, zonnewarmte, en interne energie, warmte van de aarde, dragen bij aan het aandrijven van de gesteente cyclus en plaattektoniek. *"Corrosief zuurstof" verwijst naar de eigenschap van zuurstof om materialen, zoals metalen, aan te tasten door een chemische reactie (oxidatie), wat resulteert in schade of degradatie van het materiaal. Dit fenomeen, bekend als zuurstofcorrosie, is de oorzaak van roest bij ijzer en staal, waarbij zuurstof en vocht reageren met het metaal en een open, bruine oxidehuid vormen die het onderliggende materiaal blijft aantasten. reservoir: onderdeel dat een materiaal vasthoudt, kan oceaan, gesteente, atmosfeer etc zijn. Het materiaal is daarvoor een bepaalde tijd opgeslagen. de tijd dat het materiaal in het reservoir is heet de ”residence time”. geochemische cyclus: omvat geen leven. alleen de fysische onderdelen van de aarde en de biogeochemische cyclus wel. de gesteentecyclus is zowel geochemisch als biochemisch. kalksteen bijvoorbeeld wordt gevormd door skeletjes van dode dieren. hier is leven voor nodig. terwijl bijvoorbeeld voor het ontstaan van stollingsgesteente niet. Interlude D: The Earth’s Interior, Revisited: Seismic Layering, Gravity, and the Magnetic Field De eerste aanwijzingen over het binnenste van de aarde kwamen uit metingen van de massa en vorm van de aarde. Hieruit concludeerden geologen dat de aarde bestaat uit drie concentrische lagen die van elkaar verschillen in dichtheid. Van boven naar beneden zijn dat: 1. Korst – lage dichtheid 2. Mantel – gemiddelde dichtheid 3. Kern – hoge dichtheid Om de korst beter te begrijpen, bestudeerden geologen gesteenten die aan het oppervlak blootliggen en gesteenten die van de oceaanbodem zijn gedregd of geboord. Voor de mantel analyseerden ze gesteenten die zijn gevormd uit magma’s die in de mantel ontstaan, en stukken mantel die door deze magma’s naar boven zijn gebracht. Extra inzicht kwam uit de studie van meteorieten, die waarschijnlijk afkomstig zijn van planetesimalen die vóór hun fragmentatie een mantel en kern hadden ontwikkeld. Meteorieten uit kernmateriaal geven ons zelfs het enige directe beeld van kernmateriaal. Uit al dit onderzoek concludeerden geologen dat: - Oceanische korst bestaat voornamelijk uit mafische gesteenten zoals basalt en gabbro. - Continentale korst bestaat uit een variëteit aan stollings- en metamorfe gesteenten bestaat, van mafisch tot felsisch. Gemiddeld lijkt de samenstelling op granodioriet, een gesteente met een silica-gehalte tussen graniet en dioriet. - Mantel bestaat uit ultramafisch gesteente, zoals peridotiet, en verschilt daardoor sterk van beide soorten korst. - Kern bestaat niet uit gesteente, maar uit een metalen ijzerlegering. Om verder te kijken dan deze basiskennis, zochten onderzoekers naar een manier om een beeld van het aard interieur te krijgen. Dat gebeurde via de studie van seismische golven. Door te meten hoe snel deze golven door de aarde bewegen en hoe ze worden gebroken (refractie) of terugkaatsen (reflectie), konden geologen de exacte diepte bepalen van de korst-mantel grens en de mantel-kern grens, en sublagen binnen de korst, mantel en kern identificeren. Seismische golven ontstaan wanneer energie vrijkomt door een plotselinge breuk in gesteente of door het slippen van gesteente langs een breuklijn (zoals bij een aardbeving). Deze energie beweegt zich door de aarde vanaf het hypocentrum (het focuspunt van de aardbeving) in alle richtingen en kan zelfs op grote afstand seismografen laten trillen. De golf voorzijde of wavefront is de grens tussen het gesteente waar de seismische golf al doorheen is gegaan en het gesteente waar dit nog niet gebeurd is. In drie dimensies breidt een wavefront zich uit als een groeiende bubbel. Een seismische straal (seismic ray) is een lijn die loodrecht op de golf wavefront staat en de weg van een punt op de golf aangeeft. De reistijd van een seismische golf is de tijd die het kost om langs een straal van het hypocentrum naar een seismograaf te reizen. De snelheid waarmee seismische golven zich voortplanten, hangt af van de eigenschappen van het materiaal waar ze doorheen bewegen: - Dichtheid: hoe zwaar het materiaal is per volume-eenheid. - - Rigidity (stijfheid): weerstand van het materiaal tegen schuifkrachten. Compressibiliteit: hoe makkelijk het materiaal samendrukbaar is. Belangrijke eigenschappen van seismische golven: 1. Seismische golven bewegen verschillend snel in verschillende gesteenten. Zo gaan P-golven 3,5 km/s door zandsteen, maar 8 km/s door peridotiet. 2. De snelheid verandert wanneer de golven van het ene gesteente naar het andere overgaan. 3. Over het algemeen bewegen golven sneller in vaste stoffen dan in vloeistoffen. 4. P-golven (compressiegolven) kunnen door vaste stoffen én vloeistoffen bewegen. S-golven (schuifgolven) bewegen alleen door vaste stoffen; ze kunnen een vloeistof niet doortrillen omdat schuifbewegingen in een vloeistof niet worden doorgegeven. Seismische golven ondergaan ook reflectie en refractie aan grenzen tussen materialen met verschillende snelheden: - Reflectie: een deel van de golf kaatst terug wanneer het een grens tussen twee materialen bereikt. - Refractie: een deel van de golf buigt als het materiaal waar de golf doorheen gaat een andere snelheid heeft. - Als de golf een trager materiaal binnengaat, buigt de straal naar beneden en weg van de grens. - Als de golf een sneller materiaal binnengaat, buigt de straal omhoog en richting de grens. Een analogie is licht dat van lucht naar water gaat: een deel wordt teruggekaatst (reflectie) en een deel buigt (refractie) omdat licht in water langzamer gaat dan in lucht. Evenzo verandert een seismische golf van richting wanneer deze een grens passeert tussen gesteenten met verschillende seismische snelheden. Kortom, door de bestudering van de snelheid, richting en het gedrag van P- en S-golven, inclusief reflectie en refractie, kunnen geologen het binnenste van de aarde in kaart brengen en eigenschappen van de korst, mantel en kern afleiden. Het ontdekken van de grens tussen korst en mantel begon met het bestuderen van hoe seismische golven zich gedragen bij overgangsgebieden in de aarde. In 1909 deed de Kroatische seismoloog Andrija Mohorovičić een belangrijke ontdekking. Hij merkte op dat P-golven die seismografen binnen 200 km van het epicentrum van een aardbeving bereikten, gemiddeld met een snelheid van 6 km/s voortbewogen, terwijl P-golven die verder dan 200 km kwamen, gemiddeld 8 km/s haalden. Mohorovičić stelde voor dat P-golven die dichtbij seismografen arriveerden, een ondiepe route door de aardkorst volgden, waar ze relatief langzaam gingen. P-golven die verder weg arriveerden, volgden daarentegen een diepere route door de mantel, waar ze sneller bewogen. Om dit voor te stellen, kun je twee seismische stralen (rays) bekijken: - Ray C: de ondiepe golf die direct door de korst naar een seismograaf gaat. - Ray M: de diepe golf die eerst naar beneden gaat, bij de grens tussen korst en mantel (de Moho) wordt gebroken (gerefracteerd), door de mantel gaat, opnieuw refracteert bij de grens, en dan terug door de korst naar de seismograaf reist. Bij seismografen binnen 200 km van het epicentrum arriveert Ray C als eerste, omdat de afstand korter is. Bij seismografen verder dan 200 km arriveert Ray M eerder, ondanks dat hij verder reist, omdat hij een groot deel van zijn weg sneller door de mantel aflegt. Uit berekeningen op basis van deze waarnemingen bleek dat de korst-mantelgrens onder de meeste continenten op een diepte van 35–50 km ligt. Later onderzoek toonde aan dat deze grens onder de oceaanbodem slechts 7–10 km diep is, onder sommige bergketens tot 70 km, en onder breukzones (rifts) slechts 25 km kan zijn. Deze grens wordt tegenwoordig de Moho genoemd, ter ere van Mohorovičić. Verder onderzoek liet zien dat seismische golven sneller reizen in de lagere continentale korst dan in de bovenste korst. Laboratoriummetingen van golfsnelheden in verschillende gesteentemonsters suggereren dat de bovenste korst maficere gesteenten bevat dan de onderste korst, wat de verschillen in golfsnelheid verklaart. Het bestuderen van seismische golven heeft geologen veel inzicht gegeven in de structuur van de mantel. Als de dichtheid, stijfheid en samendrukbaarheid van peridotiet (het gesteente van de mantel) op alle dieptes hetzelfde zouden zijn, zouden seismische golven overal met dezelfde snelheid reizen en zouden de seismische stralen rechte lijnen volgen. In werkelijkheid blijkt uit seismische metingen dat golfsnelheden variëren met diepte, waardoor seismische stralen in de mantel krommen. Onder de oceanische korst neemt de snelheid van seismische golven toe tot een diepte van ongeveer 100 km. Daaronder, tussen 100 en 200 km, vertraagt de snelheid juist. Deze laag met lage snelheid (Low-Velocity Zone, LVZ) ontstaat doordat 1–6% van het peridotiet gedeeltelijk smelt door de temperatuur en druk op deze diepte. Het gesmolten materiaal vormt een dunne vloeistoflaag om de vaste mineralen, waardoor de golven vertragen. In de context van plaattektoniek vertegenwoordigt deze LVZ het bovenste deel van de asthenosfeer, de zwakke laag waarop oceanische lithosfeerplaten bewegen. Onder continenten wordt geen LVZ gevonden, wat suggereert dat daar geen gedeeltelijk smelten optreedt. Dieper in de mantel, zowel onder oceanische lithosfeer als onder continenten, nemen seismische golfsnelheden geleidelijk toe met de diepte. Geologen interpreteren dit als een aanwijzing dat peridotiet bij grotere dieptes minder samendrukbaar, stijver en dichter wordt. Dit is logisch, omdat de druk van het bovenliggende gesteente groter wordt en de atomen dichter op elkaar worden gedrukt, waardoor ze minder bewegingsvrijheid hebben. Door deze variaties in snelheid buigen seismische stralen in de mantel, waardoor de wavefront van een aardbeving niet perfect bolvormig is, maar eerder elliptisch. Om dit te visualiseren, kan men de mantel voorstellen als een stapel lagen, waarbij elke volgende laag een iets hogere golfsnelheid heeft. Elke keer dat een seismische straal een grens tussen twee lagen kruist, refracteert de straal licht naar de grens, en na meerdere lagen buigt de straal terug omhoog. In een model met een continue snelheidsverhoging volgt de straal een vloeiende kromme. Tussen 410 km en 660 km diepte nemen de golfsnelheden in enkele stappen toe. Dit komt door faseveranderingen van mantelmineralen onder hoge druk: - Boven de 410 km-drempel vormen siliconen, zuurstof, ijzer en magnesium kristallen van olivijn. - Daaronder, tussen 410 km en 660 km (de transitiezone), vormen deze atomen kristallen van magnesiumspinel. - Onder 660 km herschikken de atomen zich tot een nog dichter mineraal, perovskiet, dat de lage mantel vormt. Dankzij deze discontinuïteiten wordt de mantel ingedeeld in bovenmantel (boven 660 km) en ondermantel (onder 660 km). Om te testen welke mineralen echt diep in de mantel voorkomen, gebruiken onderzoekers het diamond anvil-apparaat. Kleine monstertjes van vermoedelijke mantelmineralen worden tussen twee diamanten geperst, waardoor druk en temperatuur vergelijkbaar met die in de diepe mantel worden nagebootst. Lasers kunnen de monsters verhitten tot manteltemperaturen, waarna onderzoekers fysieke eigenschappen meten en de seismische snelheid berekenen. Door deze resultaten te vergelijken met echte seismische metingen, kunnen wetenschappers bepalen of het monster daadwerkelijk een mantelmineraal kan zijn. n het begin van de 20e eeuw installeerden seismologen wereldwijd seismografiestations, in de verwachting dat ze aardbevingsgolven overal op aarde konden registreren. In 1914 ontdekte de Duitse seismoloog Beno Gutenberg iets opvallends: P-golven van een aardbeving bereikten bepaalde seismografen niet als deze stations zich bevonden op een afstand van 103° tot 143° van het epicentrum, gemeten langs het aardoppervlak. Deze regio wordt tegenwoordig de P-golf schaduwzone genoemd. Als de dichtheid van de aarde geleidelijk zou toenemen van oppervlak tot kern, zou er geen schaduwzone bestaan. Alle golven zouden elk punt op het oppervlak bereiken. Het bestaan van deze schaduwzone duidt erop dat er diep in de aarde een belangrijke grens bestaat waar seismische golven plotseling worden afgebogen (gerefracteerd) en hun snelheid abrupt afneemt. Deze grens is de kern-mantelgrens, gelegen op een diepte van ongeveer 2.900 km. Om de schaduwzone te begrijpen, kunnen we twee seismische stralen volgen: - Ray A buigt soepel door de mantel en passeert net boven de kern-mantelgrens. Vervolgens keert de straal terug naar het oppervlak en bereikt een seismograaf op 103° van het epicentrum. - Ray B dringt door de kern-mantelgrens en buigt naar beneden de kern in. In de kern buigt de straal opnieuw en bij het verlaten van de kern keert hij weer terug in de mantel. Hierdoor bereikt Ray B het oppervlak op meer dan 143° van het epicentrum. Dankzij deze observatie konden geologen niet alleen het bestaan van de kern-mantelgrens bevestigen, maar ook begrijpen hoe de interne structuur van de aarde invloed heeft op de voortplanting van seismische golven. De P-golf schaduwzone is daarmee een cruciale aanwijzing voor de aanwezigheid van een vloeibare kern, omdat alleen op deze manier de golven op deze specifieke manier kunnen worden gebogen. Het ontdekken van de aardkern begon met het bestuderen van de samenstelling en het gedrag van seismische golven diep in de aarde. De kern bestaat voornamelijk uit een ijzerlegering, bestaande uit ongeveer 85% ijzer, 5% nikkel en 10% lichtere elementen zoals zuurstof, silicium en/of zwavel. De dichtheid van deze ijzerlegering is enorm hoog, veel hoger dan die van mantelperidotiet; de dichtheidsverschillen tussen kern en mantel zijn zelfs groter dan die tussen aardkorst en water. Seismische golven gaven belangrijke aanwijzingen over de fysische toestand van de kern. P-golven vertragen wanneer ze van de mantel de kern binnengaan, wat betekent dat de buitenste kern, hoewel dieper en dichter dan de mantel, minder stijf moet zijn. S-golven, die alleen door vaste stoffen kunnen reizen, bereiken geen stations verder dan 103° van het epicentrum. Dit vormt de S-golf schaduwzone en toont aan dat de buitenste kern vloeibaar is. Aanvankelijk dachten seismologen dat de hele kern vloeibaar was, maar in 1936 ontdekte de Deense seismoloog Inge Lehmann dat P-golven binnen de kern reflecteren bij een interne grens. Dit leidde tot de conclusie dat de kern uit twee lagen bestaat: 1. Buitenste kern: vloeibare ijzerlegering. 2. Binnenste kern: vaste ijzerlegering. De grens tussen de binnenste en buitenste kern ligt op een diepte van ongeveer 5.155 km, vastgesteld door seismische metingen van nucleaire explosies. De reden dat de kern twee lagen heeft, wordt verklaard door de verhouding tussen temperatuur en smeltpunt. De geotherm (temperatuur met diepte) ligt in de meeste van de mantel en in de binnenkern links van de smeltcurve, waardoor deze regio’s vast blijven. In de buitenste kern ligt de geotherm rechts van de smeltcurve, waardoor het materiaal smelt en vloeibaar blijft. Een bijzonder belangrijk kenmerk van de vloeibare buitenkern is convectie, die het magnetisch veld van de aarde genereert. Omdat metaal een goede warmtegeleider is, kunnen temperatuurverschillen dit alleen niet verklaren. Onderzoek suggereert dat dichtheidsverschillen door chemische samenstelling de convectie aandrijven: terwijl de aarde afkoelt, groeit de vaste binnenkern langzaam. Nieuwe ijzerkristallen in de binnenkern sluiten lichtere elementen (zoals silicium, zwavel of zuurstof) uit, waardoor deze elementen naar de onderkant van de vloeibare buitenkern gaan. Deze lichtere vloeistof stijgt op, waardoor convectie ontstaat. Op deze manier verklaart het gedrag van de kern zowel de vloeibare buitenkern, de vaste binnenkern, als de opwekking van het aardmagnetisch veld. In de afgelopen decennia hebben seismologen een geavanceerde techniek ontwikkeld, genaamd seismische tomografie, om driedimensionale beelden van de aarde te maken op basis van variaties in seismische golfsnelheden. Deze methode lijkt op een CAT-scan van het menselijk lichaam, maar dan toegepast op het binnenste van de aarde. Bij seismische tomografie vergelijken onderzoekers de werkelijke reistijd van seismische golven langs een bepaald pad met de verwachte reistijd volgens een gemiddeld model van golfsnelheid versus diepte. Ze ontdekten dat sommige golven langzamer reizen dan voorspeld, terwijl andere sneller reizen. Door deze metingen voor veel verschillende golfroutes en richtingen te herhalen, kunnen wetenschappers driedimensionale gebieden in de mantel identificeren waar golven onverwacht snel of langzaam zijn. - Snelle gebieden duiden waarschijnlijk op koelere en stijvere mantelmaterialen. - Trage gebieden wijzen waarschijnlijk op warmere en minder stijve zones. Deze bevindingen laten zien dat het eenvoudige beeld van de aarde als een ui-achtige structuur met constant toenemende snelheid met diepte te simplistisch is. In werkelijkheid varieert de golfsnelheid op een bepaalde diepte aanzienlijk van locatie tot locatie. Resultaten van tomografie kunnen worden weergegeven met kaarten, dwarsdoorsneden of driedimensionale modellen, waarbij warme kleuren (rood) trage zones aangeven en koude kleuren (blauw, paars) snelle zones. Seismische tomografie levert nieuwe inzichten op in het gedrag van de mantel. Zo toont de techniek bijvoorbeeld dat er een koele zone in de asthenosfeer onder Noord-Amerika ligt. Deze koele mantel kan resten bevatten van oceanische lithosfeer die tijdens het Mesozoïcum is gesubduceerd. Het feit dat deze koele zone doorloopt tot in de ondermantel suggereert dat sommige subducterende platen helemaal naar de diepe mantel zinken. Sommige onderzoekers spreken zelfs van een “graf van platen” aan de basis van de mantel, waar de dichtste delen van subducteerde platen zich ophopen. Daarnaast tonen tomografische beelden van de bovenste mantel (op 70 km diepte) een warme zone onder de mid-oceanische ruggen, wat ondersteunt dat warme asthenosfeer onder de ruggen omhoog komt, precies zoals voorspeld door de theorie van plaattektoniek. Kortom, seismische tomografie laat zien dat de mantel niet homogeen is, maar bestaat uit gebieden met verschillende temperaturen en stijvigheden, die een belangrijke rol spelen in de dynamiek van de aarde en het gedrag van subducterende platen. Recente tomografische studies hebben ons een beter beeld gegeven van het gedrag van het diepe binnenste van de aarde, vooral van de mantel net boven de kern. Onderzoekers hebben een 200 km dikke laag warmere mantel geïdentificeerd, bekend als de D″-laag (D double prime). Deze laag bevindt zich direct boven de kern-mantel grens en kan warmte bevatten die door de kern wordt uitgestraald. Sommige wetenschappers suggereren dat dit de bron kan zijn van mantelpluimen, maar hierover bestaat nog discussie. Op wereldschaal hebben seismologen ook brede gebieden van opkomende en zinkende mantel in kaart gebracht: warme, minder dichte mantel stijgt op, terwijl koelere, dichtere mantel naar beneden zinkt. Dit laat zien dat de mantel grote convectiestromen kent die ingewikkelder zijn dan vroeger gedacht. Dankzij moderne, dichter geplaatste seismografen kunnen onderzoekers nu zelfs lokale mantelpluimen zien die geassocieerd zijn met hot-spot vulkanen. Tomografie heeft wetenschappers geïnspireerd supercomputer-modellen te maken om deze convectie visueel voor te stellen. Deze modellen hebben ook ons beeld van subducerende platen veranderd. Vroeger werden subducterende platen gezien als stijve litosferische platen die hun dikte en vorm behouden tot grote diepte. Tegenwoordig worden ze gezien als dichte, zeer viskeuze “fluids” die langzaam wegzakken, vergelijkbaar met zware room die in koffie wordt gegoten. Tijdens het wegzakken verwarmen de platen, terwijl de omliggende asthenosfeer afkoelt. Hierdoor veranderen de platen van dikte en kunnen ze zich vervormen: ze plooien in zigzagpatronen, worden dunner, of splitsen zelfs in afzonderlijke segmenten. Soms bereiken platen een diepte waar hun dichtheid niet groter is dan die van de omliggende asthenosfeer, waardoor ze daar blijven “poolen”. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de seismische snelheid discontinuïteit op 660 km diepte. Al deze bewegingen vinden plaats omdat de mantel zo heet is dat gesteente, hoewel vast, plastisch kan stromen met een snelheid van enkele centimeters per jaar. Over miljoenen jaren kunnen subducterende platen daardoor ingewikkelde vormen aannemen. Dankzij tomografie zien geologen de binnenkant van de aarde nu als een dynamische, voortdurend veranderende omgeving, en niet langer als een reeks statische, concentrische lagen. Tot nu toe hebben we vooral naar de mantel gekeken, maar seismische tomografie kan ook variaties binnen de kern van de aarde detecteren. Studies van de innerlijke kern laten zien dat deze bestaat uit afwisselend koelere en warmere zones, die een duidelijk patroon vormen. Opvallend is dat de oriëntatie van dit patroon in de kern in de loop van de tijd verandert ten opzichte van het patroon in de mantel. Wetenschappers interpreteren dit als een aanwijzing dat de innerlijke kern iets sneller draait dan de rest van de aarde. Met andere woorden, de kern maakt ongeveer eens in enkele honderden jaren een extra rotatie ten opzichte van het aardoppervlak. Dit fenomeen staat bekend als superrotatie van de kern. Men vermoedt dat deze super rotatie wordt aangedreven door interacties met het aardmagnetisch veld, waardoor de beweging van de kern enigszins versneld wordt ten opzichte van de rest van de aarde. Kortom, ook binnen de kern is de aarde dynamisch, en seismische tomografie onthult dat zelfs de binnenste delen van onze planeet niet statisch zijn, maar langzaam roteren en in beweging blijven. Naast seismische tomografie, die inzicht geeft in de diepe aarde, gebruiken geologen ook seismische reflectieprofilering om een gedetailleerd beeld van de bovenste aardkorst te krijgen. Hiermee creëren ze kunstmatige seismische golven door bijvoorbeeld dynamiet te laten ontploffen, zware gewichten op het aardoppervlak te laten vallen, of luchtstoten in de oceaan vrij te geven. Deze golven bewegen zich door de aarde en reflecteren op de grenzen tussen verschillende gesteentelagen in de korst. Door de reistijd van deze gereflecteerde golven te meten, kunnen geologen de diepte van de lagen bepalen en zo een doorsnede van de aardkorst maken, een zogenaamd seismisch reflectieprofiel. Deze profielen laten niet alleen zien waar lagen elkaar raken, maar onthullen ook ondergrondse plooien en breuken, waardoor geologen een nauwkeurig beeld krijgen van de structuur van de korst. Seismische reflectieprofilering wordt ook commercieel gebruikt: olie- en gasbedrijven kopen zulke profielen om potentiële energiebronnen ondergronds te identificeren, ondanks de hoge kosten. Onderzoeks Geologen gebruiken deze techniek om de onderkorst, de Moho en zelfs het bovenste deel van de mantel in kaart te brengen. Dankzij moderne computers en geavanceerde data verwerkingstechnieken kunnen geologen tegenwoordig zelfs 3D-beelden van de aardkorst maken. Deze beelden zijn zo gedetailleerd dat ze bijvoorbeeld een enkele zandsteenlaag, het kanaal van een oud riviertje, kunnen laten zien, kilometers diep onder het aardoppervlak. Stel je voor dat de aarde een gigantische magneet is die alles aantrekt: dat is de kracht van zwaartekracht. Zoals Isaac Newton ontdekte, hangt de sterkte van deze aantrekkingskracht af van de massa van de objecten en de afstand tussen hen. Hoe groter de massa en hoe dichterbij, hoe sterker de aantrekkingskracht. Wanneer zwaartekracht op een object werkt, maar het object niet kan bewegen, bezit het object zwaarte-energie. Denk aan een rotsblok bovenop een heuvel: zolang het daar stilstaat, heeft het veel potentiële energie. Zodra het rolt, verandert die energie in kinetische energie, de energie van beweging, en als het blok onderaan de heuvel tot stilstand komt, is de potentiële energie verminderd. Rotsblokken van dezelfde massa hebben dus verschillende potentiële energie, afhankelijk van hun hoogte. Dit idee geldt ook voor water. Het oppervlak van stilstaand water in een vijver heeft overal dezelfde potentiële energie, omdat het water overal op dezelfde hoogte staat. Gooi je een steentje in het water, dan ontstaan tijdelijk golven, maar de zwaartekracht zorgt ervoor dat het water uiteindelijk weer gelijk komt te staan. Een oppervlak waarop alle punten dezelfde potentiële energie hebben, wordt een equipotentiaaloppervlak genoemd. Maar hoe ziet zo’n equipotentiaaloppervlak van de aarde eruit? Stel je een oceaan voor die een perfect gladde, niet-ronddraaiende bol omringt: het zeeniveau zou dan een perfecte bol vormen. In werkelijkheid is de aarde geen perfecte bol: door de rotatie van de aarde ontstaat een centrifugale kracht, waardoor de aarde een iets afgeplatte sferoïde wordt. Dit betekent dat de straal bij de evenaar groter is (6.378 km) dan bij de polen (6.357 km). Geologen noemen deze ideale vorm het referentiesferoïde. Toch vertelt het referentiesferoïde niet het hele verhaal over de zwaartekracht van de aarde. De dichtheid van gesteente in de aarde is niet overal gelijk, het aardoppervlak is ongelijk met bergen en oceanen, en de lithosfeer is sterk genoeg om zware lasten zoals vulkanen of gletsjers te dragen, en om diepe troggen te behouden. Hierdoor kan er op sommige plekken meer of minder massa zijn dan het referentiesferoïde voorspelt. Het echte equipotentiaaloppervlak van de aarde, dat rekening houdt met al deze oneffenheden, noemen geologen het geoid. Het geoid lijkt sterk op het referentiesferoïde, maar bevat kleine bulten en kuilen: het hoogste punt ligt 85 meter boven het referentiesferoïde, en het laagste punt 107 meter eronder. Ondanks deze kleine verschillen beïnvloeden ze satellietbanen en de nauwkeurigheid van landmetingen aanzienlijk. Geologen kunnen de zwaartekracht op een bepaalde plek op aarde meten met een gravimeter, een apparaat waarbij een gewicht aan een dunne veer hangt. Hoe sterker de zwaartekracht, hoe verder het gewicht wordt aangetrokken. Traditioneel moest een gravimeter op de grond geplaatst worden en stabiliseren voordat een meting kon worden gedaan. Tegenwoordig kunnen satellieten, zoals NASA’s GRACE, kleine variaties in zwaartekracht over grote gebieden snel detecteren. Deze metingen laten zien dat de zwaartekracht aan het oppervlak niet overal gelijk is en soms afwijkt van wat het geoid voorspelt. Zwaartekracht veroorzaakt dat objecten versnellen, en deze versnelling wordt gemeten in Gal (1 Gal = 1 cm/s²). Gemiddeld is de zwaartekracht 981 Gal, maar deze varieert tussen 976 en 983 Gal. Kleinere verschillen worden uitgedrukt in milliGals (mGal), waarbij 1 mGal 1/1000 Gal is. Afwijkingen van de zwaartekracht ten opzichte van het referentiesferoïde noemen geologen een gravity anomaly (zwaartekracht-anomalie). Bij een positieve anomalie is de zwaartekracht sterker, wat duidt op extra massa onder het oppervlak, bijvoorbeeld door een dicht gesteente. Bij een negatieve anomalie is de zwaartekracht zwakker, wat wijst op minder massa, bijvoorbeeld door lichter gesteente. Het praktische nut van deze metingen is groot: ze helpen bij het opsporen van ondergrondse metaalrijke ertslagen, omdat metalen vaak dichter zijn dan gewoon gesteente. Daarnaast gebruiken wetenschappers gravity anomalies om zones van op- en neerwaartse stroming in de mantel te detecteren, waardoor we meer leren over de dynamiek van het binnenste van de aarde. Isostasy Lang geleden, rond 287–212 v.Chr., ontdekte de Griekse wiskundige Archimedes het principe dat tegenwoordig zijn naam draagt. Volgens de legende zag hij tijdens een bad dat het water steeg toen hij erin stapte. Hij realiseerde zich dat een voorwerp dat in water zinkt, water verplaatst. Als de dichtheid van het voorwerp groter is dan die van water, zinkt het; is de dichtheid kleiner, dan blijft het drijven. Bovendien zinkt een drijvend object slechts zover totdat het een hoeveelheid water heeft verplaatst die gelijk is aan de massa van het object. Dit principe is te zien bij een vrachtschip in een haven: het schip drijft omdat de gemiddelde dichtheid van het schip, inclusief de lucht in het ruim, kleiner is dan die van water. Wanneer het schip leeg is, ligt het hoog in het water met een grote afstand tot het dek, de zogenaamde vrijboord. Wordt het schip geladen, dan zakt het dieper in het water en neemt het vrijboord af. Als het vrijboord precies goed is, spreken we van isostatisch evenwicht of isostasie. De lithosfeer, de buitenste laag van de aarde, gedraagt zich op dezelfde manier als een schip op water. De lithosfeer rust op de zachtere astenosfeer, die langzaam kan stromen wanneer de lithosfeer zakt of stijgt. Hierdoor probeert de lithosfeer in isostatisch evenwicht te komen. Zo liggen bijvoorbeeld de diepzeevlakten lager dan mid-oceanische ruggen, omdat de lithosfeer daar respectievelijk dichter en dunner is. Wanneer extra massa wordt toegevoegd, zoals een groot ijsveld of een vulkaan, zinkt de lithosfeer; bij verwijdering van massa, zoals smeltend ijs of erosie van een vulkaan, stijgt ze. Op lokale schaal wordt isostasie echter niet altijd direct bereikt. De astenosfeer stroomt te langzaam om snel veranderingen in belasting volledig te compenseren. Zo zijn gebieden die tijdens de laatste ijstijd door dikke gletsjers werden bedekt, nog steeds aan het stijgen. Daarnaast kan de lithosfeer kleine lasten dragen zonder te zakken, net zoals een trampoline een klein blokje hout kan ondersteunen zonder door te buigen. Wanneer isostasie niet is bereikt, ontstaan zwaartekracht-anomalieën. Bijvoorbeeld: in diepe zeegraven veroorzaakt de subductie van lithosfeer een tekort aan massa, wat leidt tot een negatieve anomalie. Op plaatsen met bijzonder dicht gesteente in bergen, of bij plotselinge vulkaanuitbarstingen, kan een positieve anomalie ontstaan omdat de lithosfeer tijdelijk de belasting ondersteunt. Kortom, de hoogte en beweging van de lithosfeer worden bepaald door de combinatie van massa, dichtheid, sterkte en het langzaam stromende gedrag van de asthenosfeer, en dit verklaart veel van de variaties die geologen meten met zwaartekrachtstudies. Stel je een magneet voor boven een stapel paperclips. De magneet kan de clips aantrekken of zelfs afstoten, afhankelijk van de polen. Dit magneetveld is de ruimte rond de magneet waar deze kracht uitoefent, en wordt vaak weergegeven met gebogen veldlijnen. Elke magneet heeft een noord- en zuidpool; tegengestelde polen trekken elkaar aan, gelijke polen stoten elkaar af. Ook de Aarde heeft een magnetisch veld, dat de planeet beschermt tegen zonnewind en kosmische straling. Dit veld wordt grotendeels voorgesteld als een dipool, met een noorden zuidpool. Het noordmagnetische punt ligt momenteel zo’n 500 km verwijderd van het geografische noorden, en de polen verschuiven langzaam, ongeveer 55 km per jaar. Over duizenden jaren volgen de magnetische polen looping-patronen, maar blijven relatief dicht bij de geografische polen. Soms wisselt de polariteit van het veld, wat betekent dat het noord- en zuidpunt tijdelijk omdraaien; de laatste keer gebeurde dit 730.000 jaar geleden. De oorsprong van het magnetisch veld van de aarde zit in de vloeibare buitenkern, die bestaat uit ijzerlegering. Het stromende metaal genereert elektrische stroom, en deze stroom creëert weer een magnetisch veld. Dit werkt als een zelfvoorzienende dynamo, waarbij de beweging van vloeibaar metaal in het veld nieuwe stromen en magnetisme produceert. De convectiecellen in de buitenkern vormen spiralen door de Coriolis-kracht, waardoor de dipool-as van het magnetisch veld enigszins afwijkt van de rotatieas van de aarde. Deze beweging zorgt er ook voor dat de binnenkern iets sneller roteert dan de rest van de aarde, een fenomeen dat core super rotation wordt genoemd. Het aardmagnetisch veld is echter niet perfect. Er bestaan magnetische anomalieën, waarbij de werkelijke veldsterkte sterker of zwakker is dan verwacht. Dit kan ontstaan door twee factoren: 1. De aarde genereert een niet-dipolair veld, mogelijk door turbulentie in de stroming van de buitenkern. 2. Sommige gesteenten bevatten magnetische mineralen zoals magnetiet en hematiet, die lokaal extra magnetisme toevoegen of aftrekken. Op de oceaanbodem vormen deze anomalieën vaak parallelle strepen door seafloor spreading en herhaalde polaire omkeringen; een positief patroon over normaal gemagnetiseerd basalt en een negatief patroon over omgekeerd gemagnetiseerd basalt. Op continenten zijn de patronen complexer door variaties in gesteente, intrusies, lavastromen en ijzerrijke sedimentlagen. Zo geven magnetische anomalieën geologen informatie over de structuur en samenstelling van de aardkorst. interlude F4: water cycle Water speelt een cruciale rol in erosie en afzetting op het aardoppervlak, zowel in vloeibare, gasvormige als vaste toestand. Al het water op aarde bevindt zich in verschillende reservoirs, zoals oceanen, gletsjers, grondwater, meren, bodemvocht, rivieren, de atmosfeer en levende organismen. Samen vormen deze de hydrosfeer van de aarde. Water beweegt constant tussen deze reservoirs in een voortdurende cyclus, de hydrologische cyclus, die ervoor zorgt dat rivieren en gletsjers erosie en transport van materiaal mogelijk maken. Het water blijft niet overal even lang; de gemiddelde verblijftijd in een reservoir, de residency time, verschilt per locatie. Zo blijft water in oceanen gemiddeld tot 4.000 jaar, in meren en vijvers tot 10 jaar, in rivieren slechts 2 weken, en in de atmosfeer ongeveer 10 dagen. Grondwater kan variëren van 2 weken tot 10.000 jaar, afhankelijk van de diepte. Om de cyclus te volgen: water in de oceaan verdampt door zonnewarmte en komt als waterdamp in de atmosfeer terecht. Ongeveer 76% valt als neerslag direct terug in de oceaan, de rest valt op land. Daar wordt het tijdelijk vastgehouden in de bodem of door planten en dieren, waarna het via evapotranspiratie terugkeert naar de atmosfeer. Water dat niet wordt vastgehouden, stroomt via rivieren terug naar de oceaan, wordt gevangen in gletsjers of sijpelt door naar de grond om grondwater te vormen, dat uiteindelijk ook weer in de oppervlakte waterreservoirs terechtkomt. 3.3 Mid-oceanische ruggen: Abyssale vlakte is een platgestreken stuk bodem in de oceaan op ongeveer 4-5 km diepte. Deze liggen naast de mid-oceanische ruggen. Mid-oceanische ruggen zijn vrijwel symmetrisch. Er lopen op de mid-oceanische rug ( divergent) ook transforme breuklijntjes waardoor de rug schever kan gaan liggen. Deze breuklijntjes zorgen ervoor dat de rug niet meer netjes op elkaar aansluit. Op de abyssale vlakte zijn de breuklijntjes (fracture zones) niet meer zichtbaar. Hoe verder de fracture zones van de rug liggen, hoe minder zichtbaar ze worden, ook ligt er bijna geen sediment bij de ruggen. Hoe verder weg van een rug, hoe meer sediment. Dat komt omdat de ruggen hoger zijn met redelijk steile hellingen en het sediment er vanaf rolt. Troggen: alle troggen grenzen aan vulkanische bogen (volcanic arcs), bogen van actieve vulkanen. Troggen ontstaan in een subductiezone. Waar de oceanische plaat onder de continentale plaat duikt, of waar een oceanische plaat onder een andere oceanische plaat duikt. Er ontstaat daar een dieper gelegen stuk , op de plek waar de subductie plaatsvindt. Dat is een trog. Seamount chains (onderzeese bergketens) zijn vulkanische eilanden die zich in de zee bevinden en zichtbaar zijn. Ze liggen niet allemaal binnen vulkanische eilandbogen want niet alle eilanden bevatten een actieve vulkaan. Bijvoorbeeld Hawaii bevat maar 1 actieve vulkaan, de rest is al dood. Er bestaan ook seamounts ( geïsoleerde onderzeese bergen) die onder water liggen. Veel van deze seamount zijn niet meer actieve vulkanen en hebben waarschijnlijk eerst boven zeeniveau gelegen maar zijn afgesleten en nu dus onderzees. Sommige van deze bergketens zijn afgerond omdat er riffen op gingen groeien voordat de eilanden onder worden gedompeld. Deze heten guyots. De oceanische korst bestaat voornamelijk uit basalt, dus niet zo veel afwisseling in gesteenten als op de continenten. De “heat flow”, de hitte waarmee magma naar buiten komt door de korst, is niet overal even heet. Onder mid-oceanische ruggen is het veel heter dan op andere plekken in de oceaan. Aardbevingen vinden plaats in een seismische zone (seismische belts) dus niet gewoon op random plekken. Sommige van deze zones liggen bij de troggen, bij mid-oceanische ruggen of bij de fracture zones, de transforme breuklijnen in de ruggen. Bij plekken waar de platen het meest bewegen dus. Door deze aardbevingen kunnen geologen vinden waar de plaatbewegingen het meest actief zijn. Het gesteente dichtbij het midden van de ruggen is het jongste en ver weg het oudste. De oceaan is jonger dan de continenten. Er vormt dus nieuwe oceaanbodem bij de mid-oceanische ruggen. Gesmolten gesteenten ( en magma) drijft naar boven bij de mid-oceanische ruggen, wat de ruggen uit elkaar beweegt. Dat nieuwe gesteente wordt vervolgens uit elkaar gespleten door nieuw gesteente. Daarom ligt het oudste verder weg van de rug. Hier vormt dus nieuwe zeebodem. Dit proces heet “seafloor spreading”. Deze nieuwe korst moet ook verdwijnen. Er vindt dan subductie plaats, waar dan vervolgens weer een trog kan ontstaan. bij subductie zakt het zwaarste gestente knaar beneden en die smelt vervolgens. De oude zeebodem verdwijnt dus na een tijdje en komt dus weer in de mantel terecht. Omdat de oudste korst de hoogste dichtheid heeft is die het zwaarst en duikt die onder de lichtere plaat. Daarom verdwijnt de oudste bodem dus en niet de jongere. dit hele verhaal van de ruggen die nieuwe bodem vormen en de subductie van oude bodem heet ridge push en slab pull.
0
You can add this document to your study collection(s)
Sign in Available only to authorized usersYou can add this document to your saved list
Sign in Available only to authorized users(For complaints, use another form )