Intro to psych WG 1.1 assignment 1. What are chromosomes, DNA, and genes, and what is the relationship between the three? Chromosomes- Chromosomen bestaan uit DNA en eiwitten Dna- een molecuul opgebouwd uit nucleotiden, die bestaan uit een suiker (desoxyribose) een stikstofbase en een fosfaatgroep Genes-een gedeelte van het chromosoom met gecodeerde informatie voor één erfelijke eigenschap 2. What is meant by genetic expression, genotype, and phenotype? Genetic expression- het tot uiting komen van een gen, hangt af van het biochemische omgeving Gentotype-de verzameling genen in een cel Phentotype- de waarneembare eigenschappen van een individu, dat gevormd worden als een genotyoe met zijn omgeving interactueert 3. Can you explain how genes are passed from parents to children? Er wordt een streng van een chromosoon van het moeder(X) en een het vader (X of Y) van het kind doorgegeven waardoor die mengen en door genexpressie tot uiting komen. 4. What is meant exactly by evolution through natural selection? verschijnsel dat individuen met een beter aan het milieu aangepast genotype een grotere overlevingskans en voortplantingskans hebben en daardoor meer in de populatie zullen voorkomen dan andere. (survival of the fittest) 5. What is the role of evolution, genes and environment in behavior? Evolution maakt steeds verbeterende verschil in genen waardoor er andere genen wchange and genes and behvaior work toghether to make a person 6. What is behavioral genetics and which methods are used here? Het is het study vamn genotypen en fenotypen en hoe die samen met de omgeving iemand zijn gedrag beinvloedt( door tweling studies en adoptiestudies) 7. What is meant by heritability? Erfelijkheid is het statistische weergave van het genetische verschillen van en populatie dat niet beinvoedt worden door omgeving. Het ratio van genotypen en fenotypen binnen een populatie. How do the theory of evolution and the idea of intelligent design differ with respect to their scientific value? Evolutietheorie is heel betrouwbaar dat je veel kan testen en nog steeds correct/kloppend uitkomt met veel proof en informatie en is niet makkelijk om te ontkrachten. Die andere is kun je niet testen of zien en is een complete construct en supernatural religeous bs. 1.2 assignment 1.What are the structure and function of the neuron? Het heeft 2 zijden een axon en ee dendriet, impulsen worden door de dentdriet naar de axon geleid via myelineschedes dat het impuls geleuden en synapsen dat neurotransmitters afgeven. 2. How do neurons communicate with each other? Door electrochemische impulsen 3. How does the brain communicate with the body? Door impulsen te struren via zenuwen 4. Which different methods are used to study the nervous system, and what exactly does each of these methods measure? 5. What are the main components of the nervous system and the brain? Ruggemerg,hersenen,zenuwen 6. What is meant by the term lateralization? het proces waarbij de twee hersenhelften zich specialiseren en één hersenhelft een dominante rol krijgt voor bepaalde functies, zoals het aansturen van de voorkeurshand, het oog of het oor. 7. What are the main projection areas in the cortex? Frontal lobe planning, paruental lobe touch, temporal lobe hearing memory, occipital lobe vision Do you find these statements of Sapolsky plausible or do you feel that the complexity of our brain compared to that of chimps (and the consequent greater complexity of our behavior) cannot be the result of just a few more rounds of cell division? What is your view on this? Please explain. Met celdeing en evolutie en ontwikkeling kunnen ze ook onze breincomplexheid bereikt wordt, maar wij gaan ook steeds ontwikkelen waardoor we steeds voor hun zullen zijn vanuit bepaalde aspecten als denken, emoties en maatschappij. Daardoor denk ik daat alleen maar cellendeling niet genoeg zal zijn voor hun maar dat er ook mischien heel veel kleine veranderingen moeten gebeuren in hun brein om als mens te kunnen gedragen. 2.1 assignment 1. What is consciousness and how does it arise? Ones subjective experience of the wordt resulting from brain activity (brain and mind r inseperable). Consiousness arises as a function of which brain circuits are active (global spacewords methods). 2. What is attention and how does it relate to consciousness, subliminal perception, and change blindness? Visual neglect make u blind due to not tending to sight. 3. Describe the different stages of normal sleep and outline the major theories proposed to explain the function of sleep. Stage 1:theta waves Stage 2: Stage ¾: delta waves REM: rapid eye movement , body is paralized , brain is very active, high frequecy in EEG 5 cycles of sleep per night each cycle taking about 90 minutes, Restorative theort Circadian trythm theory Facillitation of learning theory 4. Describe the four major categories of drugs and provide an example of each of them as well as an example that does not fit either category. Stimulantia: verhogen mentale en lichamelijke activiteit, activeren het sympathisch zenuwstelsel (bv. amfetaminen, cocaïne, nicotine, cafeïne). Depressiva: verminderen activiteit door het centraal zenuwstelsel te onderdrukken (bv. alcohol, kalmeringsmiddelen). Opiaten: vertragen het centraal zenuwstelsel, werken pijnstillend (bv. heroïne, morfine, codeïne). Hallucinogenen: veranderen waarneming, stemming en denken (bv. LSD, paddo’s, mescaline). 5. What is meant by addiction, tolerance, and withdrawal? Verslaving: het gebruik van een middel (zoals drugs) dat je blijft doen, ook al heeft het negatieve gevolgen. Lichamelijke en psychische afhankelijkheid: je lichaam én geest raken eraan gewend en hebben het nodig. Tolerantie: je hebt steeds meer van het middel nodig om hetzelfde effect te voelen. Ontwenningsverschijnselen: wanneer je stopt, krijg je klachten zoals angst, spanning en sterke verlangens naar het middel. Research has found that talking on cell phones while driving is as dangerous as driving while intoxicated (Strayer, Drews, & Couch, 2006). In the study by Strayer and colleagues, participants used a driving simulator first without any distraction, then while using a cell phone, and again while intoxicated at the .08 level (the latter two conditions were counterbalanced). Interestingly, the driving profiles looked different. While intoxicated, the participants drove more aggressively—for example, following the car ahead more closely, braking harder. While talking on a cell phone (hands-free or not), the participants left more distance between themselves and the car ahead of them, but they had slower reaction times and were more likely to experience an accident. When drivers talk on cell phones, they are less likely to remember objects they looked at directly than are drivers who are not talking on cell phones (Strayer & Drews, 2007). With cell phones, inattention clearly is a problem.At the moment drivers in the Netherlands only break the law if they pick up their phones while driving, but research shows that hand-held and hands-free devices result in similar impairments to driving.Why do you think that talking on a cell phone leads to a higher probability on an accident and why is talking on a cell phone different from talking with someone in the car? 2.2 assignment 1. What is meant by sensation and perception, the distal and the proximal stimulus, and what are the seven senses? Sensatie – het detecteren van prikkels uit de omgeving en het doorgeven van deze informatie aan de hersenen. Perceptie – het verwerken, organiseren en interpreteren van deze sensorische signalen. Proximaal – naarmate de afstand groter wordt, lijkt de grootte kleiner. Distaal – de prikkelbron in de buitenwereld. Zeven zintuigen: Zicht (visie), Gehoor, Smaak, Reuk, Huidgevoel (tast), Vestibulair systeem (balans, beweging van het hoofd), Kinesthesie (informatie over beweging en positie van ons lichaam in de ruimte, nodig voor coördinatie) distaal → proximaal → transductie → sensatie → perceptie. 2. How are sensory variations in intensity and quality coded in the CNS, and what is sensory adaptation? Kwantitatieve variaties (intensiteit) – verschillen in intensiteit worden onderscheiden door de frequentie van neuronale vuring. Kwalitatieve variaties (sensory quality) – bepaalde zintuiglijke kwaliteiten ontstaan door verschillende activatiepatronen over een hele groep neuronen. Adaptatie – het proces waarbij de gevoeligheid van zintuigen afneemt na langdurige blootstelling aan eenzelfde prikkel. 3. Describe the major visual processes occurring in the retina. Licht reist via het hoornvlies, de lens en de oogvloeistoffen, en wordt vervolgens geprojecteerd op het netvlies. Achterin de laag van cellen bevinden zich de lichtreceptoren: staafjes (gevoelig voor licht/donker) en kegeltjes (gevoelig voor kleur). Het gevoeeligheid van licht in de cellen ligt aan het hoeveelheid pigment in het cel (Staafjes- snachts zwartwit , kegels-smorgens) 4. Describe the major visual processes occurring beyond the retina. Staafjes en kegeltjes vangen het licht op en reageren erop. Trichromatische theorie – kleurwaarneming ontstaat door de gecombineerde activiteit van drie soorten kegeltjes (gevoelig voor rood, groen en blauw licht). Opponent-process theory – kleuren worden waargenomen via tegengestelde paren (rood ↔ groen, blauw ↔ geel, zwart ↔ wit). Alles waar je naar fixeert wordt geprojecteerd op de fovea, die uitsluitend kegeltjes bevat (voor scherp en kleurrijk zien). De blinde vlek bevat geen receptoren. De hersenen vullen de ontbrekende informatie automatisch aan. Visuele paden: Where pathway → naar de pariëtale cortex (positie, beweging, ruimtelijk inzicht). What pathway → naar de temporale cortex (objectherkenning, vorm, kleur). 5. What is the difference between bottom-up and top-down processing? Bottom-up processing (data-driven) – waarneming die volledig gestuurd wordt door binnenkomende prikkels. Top-down processing (knowledge-driven) – waarneming beïnvloed door voorkennis, context en verwachtingen (zoals bij priming). Toch kan de oriëntatie van een afzonderlijk onderdeel soms cruciaal zijn voor de perceptie van het geheel. 6. What are the major principles of figure-ground segregation and organization (Gestalt principles)? Lagere gebieden worden vaker waargenomen als figuur dan hogere gebieden. Convex (bolvormig) → wordt meestal gezien als figuur. Concaaf (holvormig) → wordt meestal gezien als achtergrond. Proximity,similarity,continuity,closure 7. What is depth perception and which cues play a role in depth perception? Binoculaire cues Binoculaire dispariteit – verschillen tussen de beelden op beide netvliezen geven informatie over diepte. Convergentie – bij een dichtbij object draaien de oogspieren de ogen naar binnen; dit signaal helpt de hersenen diepte af te leiden. Monoculaire cues Occlusie – een object dat een ander deels bedekt, wordt gezien als dichterbij. Lineair perspectief – evenwijdige lijnen lijken in de verte samen te komen. Textuurgradiënt – texturen worden fijner/dichter naarmate ze verder weg zijn. Schaduw – licht en schaduw geven informatie over diepte en positie. Motion parallax – objecten die dichterbij zijn bewegen sneller over het netvlies dan objecten verder weg. 8. How do we perceive an object’s size? Hangt af van hoe ver het is 9. What is meant by perceptual constancies and which ones can you distinguish? Door continu veranderende proximale prikkels kunnen we toch objecten herkennen. Vormconstantie (shape constancy) – een object wordt als hetzelfde van vorm waargenomen, ook als het perspectief verandert. Grootteconstantie (size constancy) – een object wordt als dezelfde grootte waargenomen, ook als de afstand verandert. Please have a look at this site. This website presents and explains a large number of visual/optical illusions. The author of the website, Michael Bach, denotes that even though optical illusions sound “derogative, as if exposing a malfunction of the visual system”, they rather “highlight particular good adaptations of our visual system to its experience with standard viewing situations, confronted with an atypical situation.” For this assignment, you are asked to select one of the illusions presented on this website and prepare one PowerPoint slide in which you present and explain the chosen illusion on the basis of the knowledge that you have acquired on this topic. Send the PowerPoint slide to your tutor at least 24 hours before the tutorial meeting.
0
You can add this document to your study collection(s)
Sign in Available only to authorized usersYou can add this document to your saved list
Sign in Available only to authorized users(For complaints, use another form )