DEEL 2: DNA-REPLICATIE HYBRIDISATIE = het proces waarbij een enkelstrengig stuk DNA, de probe, de complementaire DNA-streng vindt en ermee basenpaart. Een probe is een stukje enkelstrengig DNA dat complementair is aan de sequentie die moet opgespoord worden. (1) Denaturatie (2) Renaturatie: bij het dalen van pH en natuur zullen de complementaire strengen elkaar vinden (3) Hybridisatie: als hier een probe aan wordt toegevoegd kan deze basenparen met het overeenkomstig complementair DNA-fragment. Analyse van SNP’s: Met een korte probe en stringente hybridisatiecondities zal enkel een perfect complementaire probe hybridiseren. Korte probes zijn meestal 20 nucleotides lang en worden ontworpen dat ze per paar verschillende allelen kunnen onderscheiden (= ASO’s : allel specific oligonucleotides). Dit principe kan gebruikt worden voor een detectie van mutatie. RESTRICTIE EN HYBRIDISATIE RFLP-analyse: restriction fragment length processing Een verschil in lengte van restrictiefragmenten veroorzaakt door verschillen in DNA-sequentie tussen twee allelen (vaak door mutatie). Er worden specifieke restrictiefragmenten zichtbaar gemaakt. DNA-REPLICATIE IN DE CEL Prokaryoten: (1) Helicase Het enzym helicase scheidt de twee DNA-strengen van elkaar. Deze twee oude strengen vormen een template voor de nieuwe strengen. Een template is de streng op basis waarvan de nieuwe streng gesynthetiseerd wordt. Er ontstaat een leading strand (3’ -> 5’) en een lagging strand (5’-> 3’). (2) Primase Maakt RNA-primers zodat de synthese kan starten. Een primer is een oligonucleotide met een vrije 3’OH-groep die zal binden aan de template om zo een dubbelstrengige configuratie te vormen waaruit nieuwe nucleotiden aangebouwd worden. Primase maakt 1 RNA-primer op de leading strand en meerdere RNA-primers op de lagging strand. (3) DNA-polymerase Zijn enzymen die DNA bijmaken op basis van de streng in de 5’ -> 3’ richting. Op de leading strand zal dit geen probleem zijn. De lagging strand zal discontinue replicatie vertonen. Het RNA-polymerase zal kleine stukjes 5’->3’ synthetiseren tegen de richting van de replicatievork, Okazaki-fragmenten. Elk Okazaki-fragment is voorzien van een 3’OH-groep van een RNA-primer door primase. De 3’OH van deze RNA-primers wordt als primer gebruikt voor DNA-synthese van het DNApolymerase III. (4) DNA-polymerase I en DNA ligase Het DNA-polymerase I verwijdert de Okazaki-fragmenten en vervangt ze door DNA. Daarna worden de overgebleven openingen dichtgemaakt door DNA-ligase. Het primosoom is een complex van primase en andere eiwitten en maakt 1 primer op de leading strand en scant de lagging strand om primers te maken op verschillende plaatsen. Het replisoom (een multi-enzym complex) voert de DNA-replicatie uit. De proofreading activiteit van DNA-polymerasen is belangrijk voor synthesefouten. Wanneer een verkeerde base ingebouwd wordt zal de 3’ -> 5’ exonuclease geactiveerd worden. Eukaryoten: De mens heeft meerdere initiatieplaatsen van replicatie. Ieder stukje DNA dat verdubbeld wordt noemt een replicon. Telomeren: = beschermen chromosoomuiteinden tegen afbraak en ‘kleven’, want voor de lagging streng is er geen aanhechtingspunt, ze zouden bij elke verdubbellingsronde een stukje korter worden. Er moet dus een systeem ontstaan die de chromosoomuiteinden repliceert. Telomerase = een eiwit met intern RNA-template dat DNA-synthetiseert. = een reverse transcriptase = op basis van DNA synthetiseert het telomerase DNA op een RNA-template Alleen bij voortplantingscellen en stamcellen komt telomerase voor om de lengte van telomeren te behouden. DNA-REPLICATIE IN VITRO PCR = vermeerdering van kleine hoeveelheden DNA voor detectie Op basis van de gekende sequenties aan de uiteinden van de te ampliceren sequenties worden twee primers gemaakt. Wanneer deze primers toegevoegd worden aan het DNA met DNA-polymerase (Taq-polymerase), kunnen ze basenparen op het template-DNA en daaruit start de synthese van nieuw DNA. De primers worden ingebouwd en maken deel uit van de nucleïdestreng. (1) Denaturatie = strengscheiding (2) Primer annealing = binden van primers (3) DNA-synthese VNTR (variable number of tandem repeats) zijn clusters van herhalingen van bepaalde sequentiemotieven die hypervariabel zijn want ze verschillen in aantal herhalingen tussen individuen. De meeste zijn microsatelieten (1-5 bp) STR of SSR SEQUENTIE-ANALYSE = bepalen van de DNA-nucleotide volgorde Dideoxymethode van Sanger gebaseerd op DNA-synthese (1) Basenparen vann een primer op enkelstrengig DNA (2) DNA-synthese in 4 verschillende reacties gestart door DNA-polymerase en 4 nucleotiden (3) Toevoegen van ddNTP (dideoxynucleotide) in elke reactie (4) Nucleotide wordt ingebouwd, maar niet verlengd ontbreken van 3’OH zorgt voor ketenterminatie Eindresultaat: mengsel van alle mogelijke lengtes van DNA-moleculen die eindigen op een bepaalde nucleotide. Hierna gelelektroforese om te scheiden op basis volgens grootte. Next generation sequencing Bv. Pyrosequencing: er worden parallele sequentiereacties uitgevoerd in platen met heel kleine vakjes, enkel als dNTP past wordt er licht geproduceerd, achteraanvolgens worden verschillende babsen getest en afgebroken. Hier wordt geen gelelektroforese voor gebruikt. Nanopore sequencing De DNA-streng wordt getrokken via nanoparie en de basen worden afgelezen via elektrische verschillen. DEEL 3: GENEXPRESSIE TRANSCRIPTIE = het DNA wordt overgeschreven naar mRNA Prokaryoten: (1) Initiatie Het RNA-polymerase is een holo-enzym bestaande uit (α2ββ’σ). De functie van de σ-eenheid is herkenning van de promotor en binding van het RNA-polymerase op de promotor (-35 box). De promotor is een DNA-regio die de bindings- en startsignalen bevat uit -35 box en -10 TATA box. Hierna wordt de factor losgelaten zodat het RNA-polymerase verder langs het template kan schuiven. De transcriptiestartplaats is +1. (2) Elongatie Na het loslaten van de σ-factor wordt de RNA-synthese door het core-enzym uitgevoerd. Het RNA-polymerase heeft een plaatselijke DNA-ontwindende en herwindende activiteit. (3) Terminatie Wanneer het RNA-polymerase een terminatiesignaal tegenkomt, stopt de RNA-synthese. Dit is een omgekeerde sequentieherhaling (GC-rijk) gevolgd door een 6-tal AT’s. Door het palindroom vormt er zich een hairpin of stemloop in het RNA, waardoor het RNA-polymerase vertraagt en de DNA-RNA-helix ter hoogte van de AT’s losgeraakt. Eukaryoten: (1) Initiatie De bindingsplaats voor RNA-polymerase is de TATA-box (-25). Het RNA-polymerase II kan enkel op de TATA-box binden nadat er reeds transcriptiefactoren op gevonden zijn. TFII bevat het TATA-box bindend proteïne (TBP) en Transcription Associated Factors (TAF’s). Het RNA-polymerase kan binden en vormt een complex met andere TF. Stroomopwaarts komen activerende sequenties voor zoals de CAAT-box en GC-box die geactiveerd worden nadat eiwitfactoren binden op deze boxen. Er zijn enhancers (activeren transcriptie) of silencers (gaan transcriptie tegen). Het RNA-polymerase II produceert de primaire transcripten die na processing aanleiding geven tot de mRNA’s. (2) Elongatie (3) Terminatie TRANSLATIE: Prokaryoten: (1) Initiatie Het 30S-ribosoom sub-eenheid bindt zich op de specifieke plaats RBS op het ribosoom, gekenmerkt door de Shine Dalgarno sequentie 10 nucleotiden stroomopwaarts voor elk startcodon. Dit is complementair aan het 16s-RNA De vorming van het initiatiecomplex. De combinatie van het mRNA en de 30s-subeenheid op het startcodon wordt aangevuld met initiator-RNA opgeladen met methionin. Samen met de initiatiefactoren IF1,2,3 wordt het initiatiecomplex gevormd. De 50S-subeenheid kan erop binden eens het initiatiecomplex gevormd is. Zo worden er twee verschillende tRNA-bindingsplaatsen gevormd (P- en A-plaats). De t-RNA-met bezet nu de Pplaats. (2) Elongatie Methionine van t-RNAi wordt overgezet op tweede tRNA, de peptidebinding door het peptidyltransferase (23S) koppelt de aminozuren. Daarna gebeurt er translocatie en het ribosoom verschuift 3 basen of 1 codon. Het lege tRNA wordt eruit gegooid en daarna komt het volgende opgeladen tRNA op de A-plaats. Er zijn elongatiefactoren betrokken. (3) Terminatie Elongatie gaat door tot het ribosoom een stopcodon tegenkomt, deze stopcodons worden herkent door releasefactoren waarna alle componenten loskomen. Er ontstaat een dissociatie van ribosomen. Eukaryoten: (1) Initiatie De kleine ribosoomeenheid 40S bindt op de 5’ cap van het mRNA en scant vandaar tot aan het startcodon, hierbij zijn minstens 8 initiatiefactoren nodig. De eukaryotische mRNA’s vormen een cirkel waarbij de 5’ cap en de poly-A staart dicht bij elkaar zitten en zo beschermd worden tegen afbraak. Er is sprake van een polysoom, er kunnen meerdere ribosomen na elkaar translatie uitvoeren. GENREGULATIE Prokaryoten: LAC-OPERON INDUCEERBAAR OPERON Het afbreken van lactose gebeurt door 3 eiwitten die samen liggen op één operon (lacY, lacZ en lacA). De genen komen zeer zwak tot expressie bij binding van repressor op de operator. Negatieve controle Door een repressor gecodeerd door het LacI gen (ligt voor de operator). Geen lactose: repressor bindt op operator en blokkeert promotor Geen transcriptie Wel lactose: lactose (rol inducer) bindt op repressor en kan niet meer op operator Transcriptie! Positieve controle Geen glucose: adynelaatcyclase is actief en hoge concentraties cAMP, cAMP+CAP-eiwit op CAP-plaats en het lac-operon wordt geactiveerd. Transcriptie Wel glucose: adynelaatcyclase geïnhibeerd, geen cAMP, CAP-eiwit niet op CAP-plaats en het lac-operon komt zeer zwak tot expressie. Zeer zwakke transcriptie Optimale expressie: lactose (blokkeren van repressor) + veel cAMP TRYPTOFAANOPERON REPRESSEERBAAR OPERON De genen komen hoog tot expressie, maar repressie bij een te hoge concentratie van het eindproduct. Negatieve controle Veel tryptofaan: tryptofaan als corepressor op aporepressor die bindt op trp-operator. Geen transcriptie Weinig tryptofaan: repressor komt los Transcriptie Attenuatie = het vroegtijdig optreden van terminatie van transcriptie Deletie van het Trlp-operon => verhoogde expressie Weinig tryptofaan: weinig geladen tRNAtrp, ribosoom blijft plakken, basenparing 2 en 3 Transcriptie Veel tryptofaan: tRNAtrp en ribosoom gaat door, basenparing 3 en 4 Terminatie Eukaryoten CONTROLE TRANSCRIPTIE-INITIATIE Transcriptiefactoren: = eiwitten die regulatorische sequenties herkennen en DNA-bindende eiwitten zijn Bevatten een DNA-bindend domein + activatordomein Voorbeelden van transcriptionele genregulatie Steroïdhormonen Kunnen door het celmembraan wegens grootte en lipofiel. Het steroïd bindt op de receptor die in het cytoplasma voorkomt. Het hormoon-receptorcomplex migreert naar de kern, waar het op de HRE-sequenties kan binden van verschillende genen en deze genen activeert. Proteïnehormonen Kunnen niet door het celmembraan door grootte. Er ztten membraanreceptoren op de buitenkant van het membraan waarop de moleculen kunnen binden. Door binding van het molecule op de receptor, wordt een signaal naar binnen doorgegeven via fosforylatie. Transcriptiefactor wordt geactiveerd en de genexpressie start. Genregulatie tijdens ontwikkeling Celdifferentiatie gebeurt door irreversible cascade van TF’s die leiden tot bepaald celtype. Differentiatie van cellen wordt doorgegeven bih deling in hetzelfde weefsel. Homeotische genen coderen voor TF die segmentidentiteit bepalen. Mutatie in hox-genen leidt tot verkeerde plaatsgroei van lichaamsdelen. DNA-HERSCHIKKINGEN Elke B-cel produceert een specifiek anti-lichaam. DNA-veranderingen hebben tot gevolg dat elke mature B-cel een ander anti-lichaam tot expressie brengt. POSTTRANSCRIPTIONELE REGULATIE Controle mRNA-stabiliteit MiRNA’s zijn gecodeerd door specifieke genen en ontstaan uit genen die in het genoom zitten. Ze komen gereguleerd tot expressie. MiRNA’s doen aan genexpressie van andere genen die al dan niet tot expressie komen door te basenparen met complementaire mRNA’s. RNAi Het dubbelstrengig RNA wordt afgebroken door Dicer tot siRNA’s. Deze gaan naar boodschapper RNA’s en gaan naar overeenkomstige sequenties om die te knippen. PTGS = post-transcriptionele genslicing: transcript wordt gevormd maar direct afgebroken. Controle translatie Binding van specifiek eiwit of metaboliet RNA op mRNA kan translatie inhiberen. Riboswitch = sequentie in een RNA die de RNA-structuur verandert bij het binden van een metaboliet en zo expressie reguleert. VIA CHROMATINE Chromatinestructuur In lever: gen voor vitellogenine In oviduct: gen voor ovalbulmine Produceren apart de eindproducten Genen die geactiveerd moeten worden zitten verpakt in verschillende chromatines Actief chromatine: meer acetylatie van de hystonen, minder methylatine, minder binding H1 DNA-methylatie Compact chromatine: meer methylatie DEEL 4: GENETICA, EPIGENETICA EN GGO MONOHYBRIDE KRUISING -> TWEEDE WET VAN MENDEL (SPLITSINGSWET) = allelen worden gescheiden in de voortplantingscellen en komen random terug samen bij de bevruchting. 3:1 dominant-recessieve overerving 1:2:1 segregatie op partiële of co-dominantie Partiële dominantie: heterozygoot produceert minder eiwit dan homozygoot Multiple allelen: bloedgroepen hebben 3 allelen (meer dan Mendel onderzocht heeft) Codominantie: beide allelen prpoduceren een functioneel eiwit FAMILIALE OVERERVINGSPATRONEN Autosomaal recessief = niet-geslachtsgebonden (mannen + vrouwen) + niet elke generatie heeft het AFWIJKINGEN VAN 1:2:1 SEGREGATIE Lethale allelen: er is een 2:1 ratio wegens nakomelingen die homozygoot zijn voor het lethale allel Penetrantie: het kenmerk komt al of niet tot uiting in een individu Expressiviteit: kenmerk in genetisch identieke individuen komt minder of meer of enkel op bepaalde plaatsen tot uiting Pleiotropie: één gen beïnvloedt één aspect van het fenotype Epistasie: een gen gaat op 1 locus de fenotypische expressie van een gen op een andere locus beïnvloeden DIHYBRIDE KRUISING -> DERDE WET VAN MENDEL (ONAFHANKELIJKHEIDSWET) = tijdens meiose worden de chromosomen onafhankelijk verdeeld over de dochtercellen, dus zullen de genen onafhankelijk van elkaar overerven. Gekoppelde genen: genen die dichter bij elkaar op hetzelfde chromosoom gelegen zijn worden vaker samen overgeërfd dna genen die op verschillende chromosomen gesitueerd zijn. Niet alle nakomelingen hebben één van beide fenotypes van de ouders door crossing over tijdens de meiose, dit is partiële koppeling. ≠ mendeliaanse overerving CYTOPLASMATISCHE ERFELIJKHEID ≠ mendeliaanse overerving Er zit DNA in de mitochondria (maternale overerving) en in de plastiden. KWANTITATIEVE KENMERKEN OF QTLS (QUANTITATIVE TRAIT LOCI) Variatie in een gegeven kenmerk is indicatief voor polygenische overerving. Twee of meer genen gaan tesamen het fenotype bepalen. ≠ mendeliaanse overerving Epigenetica = studie van mitotische en/of meiotische overerfbare variatie niet te wijten aan veranderingen in de DNA-sequentie maar gebaseerd op gen ‘imprints’, RNA- of eiwitveranderingen. Epi-allelen: verschillende overerfbare vormen van een gen die verschillen in expressie, niet veroorzaakt door een andere DNA-sequentie maar te wijten aan een andere gen-imprint. EPIGENETISCHE IMPRINTS De epigenetische imprint is een modificatie op DNA zelf: methylaties of histonmodificaties en is omkeerbaar. Euchromatine: actief, acetylaties Heterochromatine: compact, methylaties: Invloed van de omgeving: epigenetische veranderingen (mitose) kunnen bij nakomelingen komen. Parentale imprinting: specifieke genen die tijdens de meiose een imprent krijgen verschillen tussen eicellen en zaadcellen. LAMARCK: verworven eigenschaooen kunnen doorgegeven worden DARWIN: selectie van bestaande genotype veranderingen SLUIT GEEN EPIGENETICA UIT GGO’S = genetisch gewijzigd organiscme waarvan het genetisch materiaal veranderd is op een wijze welke van nature door voortplanting en/of natuurlijke recombinantie niet mogelijk is. (EU) = een organisme dat een neiuwe combinatie van genetisch materiaal bevat door het gebruik van moderne biotechnologie. (protocol) RECOMBINANT DNA-TECHNOLOGIE DNA vermeerderen in plasmide: knippen door restricitie-enzyme uit bacterie, knipt specifieke sequenties zodat er sticky ends zijn, dan verbindt DNA-ligase de stukjes DNA. KLONEN Het gewenste DNA-fragment wordt geïnsereerd in een vector met als bedoeling het gen in grote hoeveelheden te produceren. Eerst in E. Coli -> als alles oké is -> gastheer. Chimere genen: worden gemaakt door stukken van verschillende genen aan elkaar te zetten. CRISPR-CAS = het RNA-molecule herkent DNA waarna op die plaats geknipt wordt door het geassocieerde CASeiwit. Een vooraf gekozen sequentie in het genoom wordt geknipt, die wordt dan hersteld via het DNA-herstelsysteem van de cel. (1) RNA aanpassen om gewenste doelsequentie te knippen, deze geknipte wordt in de cel hersteld door enzymen die de losse uiteinden aan elkaar kleven, er gebeuren wel vaak kleine mutaties. (2) Als donor-DNA toegevoegd wordt, kunnen exacte wijzigingen in het genoom gebracht worden.
0
You can add this document to your study collection(s)
Sign in Available only to authorized usersYou can add this document to your saved list
Sign in Available only to authorized users(For complaints, use another form )