Geschiedenis Hoofstuk 3 : Veranderend mens- en wereldbeeld Kenmerkende aspecten: Het begin van de Europese overzeese expansie Het veranderd mens- en wereldbeeld van de renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid De protestantse reformatie die splitsing van de Christelijke kerk in West-Europa tot gevolg had Paragraaf 1: De renaissance De renaissance bracht een veranderend mens en wereld beeld In de middeleeuwen lag de focus op God en werd het leven gezien als een tussenfase Er werd meer gefocust op menselijke talenten en het ideaal beeld was de uomo universale Veel inspiratie uit de Grieken en Romeinen Humanisme kwam meer op waardoor er een wedergeboorte van de klassieke cultuur was Er werd niet een duidelijke lijn tussen god en humanisme gemaakt, mensen gingen de twee combineren In Italië werden veel gebouwen weer gebouwd in de Romeinse stijl Door de boekdrukkunst konden de boeken van Griekse filosofen zich snel door Europa verspreiden Paragraaf 2: Europeanen ontdekken de wereld Europeanen gingen veel nieuwe reizen maken naar onbekende gebieden omdat ; Het Ottomaanse rijk hogere handelsbelasting ging vragen en de Mongolische vrede liep tot een einde in de 13e eeuw. Alle techniek die nodig was om verre reizen te maken ontwikkelde snel Ze wouden het Christendom verspreiden Pestepidemie > eind 13e eeuw roeide 1/3e van China tot Europa uit De ontdekkingsreizen leverden Europa veel rijkdom en welvaart op maar wel ten koste van de oorspronkelijke bewoners van de gekoloniseerde gebieden De ontdekkingsreizen gaven een beeld hoe de wereld is buiten Europa en dit gaf gemixte reacties Veel oorspronkelijke bewoners van Amerika zijn overleden in de tijd van de conquistador, velen zijn vermoord maar ook een gedeelte is overleden aan ziektes die meegenomen waren uit Europa waar ze nog nooit mee te maken hadden gehad De ontdekkingsreizen hebben geleid tot een lange termijn verandering in economie , religie en democratie Paragraaf 3: De reformatie Aflaatbrieven werden veel verkocht door de Katholieke kerk Luthers 95 stellingen waarvan de 4 belangrijkste; de aflaathandel, heiligenverering, sacramenten en de organisatie van een kerk Luthers kritiek was het begin van de reformatie waardoor er een splits in de christelijke kerk ontstond in west Europa Luther wou de kerk van binnenuit veranderen maar de kerk reageerde negatief Volgelingen van Luther en Calvijn richtten hun eigen geloven op gebaseerd op hun ideeën maar dit was niet de bedoeling. Er ontstonden 2 christelijke geloven; protestants en katholiek Het concilie van trente werd opgericht omdat steeds meer mensen de katholieke kerk verlieten. Hier hebben ze besloten de aflaten handel stop te leggen en ketters harder te straffen = contrareformatie Wat de vorst geloofd werd het geloof van het volk ( Duitsland ) Het uiteenvallen van de Europese religie zorgde voor veel oorlogen Koning henry VIII richtte zijn eigen religie op = anglicaanse kerk Hoofdstuk 4 : Een nieuwe republiek Kenmerkende aspecten : Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een Nederlandse staat De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van de wereldeconomie Paragraaf 1: de opstand in Europees perspectief In de 16e eeuw ⇒ uitbarstingen over geloofskwesties in nl , Fr en dui In Frankrijk ⇒Verdeling katholieken en calvinisten en adel en hugenoten waren calvinistisch en wouden de koning van hun religie overtuigen 1598 ⇒ Edict van Nantes , hugenoten vrijheid van godsdienst In Duitsland ⇒ religieuze conflicten met Karel V 1618 begin intern Duitse strijd over godsdienst en over de machtsverdeling van Habsburgse keizers tegen christelijke vorsten 1648⇒ vrede van Westfalen , land bleef verdeeld in gebieden en Duitse vorsten hadden geloofsvrijheid (zoals de vorst is, is het volk ) In Nederland ⇒ veel calvinisten maar vielen onder de Katholieke Filips II van Spanje. Veel ontevredenheid over Filips II⇒ centralisatie politiek en ketter veroordeling Willem van Oranje wou vrijheid over geloof en hoe hij Nederland bestuurde. 1566 begon de opstand met de beeldenstorm Door de opstand was Nl verdeeld tussen het katholieke zuiden en protestantse noorden 1568 ⇒ begin 80jarige oorlog Plakkaat van verlatinghe ⇒ Nederland werd republiek 1648 ⇒ Vrede van Münster , einde 80jarige oorlog Paragraaf 2: een bijzondere bestuursvorm Republiek was succesvol Soevereiniteit lag bij meerdere mensen en alle beslissingen werden gemaakt bij de Statenvergadering door de 7 gewesten De machtsverdeling tussen de 7 gewesten was ongelijk en Holland had de meeste macht Vaak vormden de stedelijke elite de regenten Raadpensionaris onderhield zijn gewest en regelde zaken met het buitenland Stadhouder bestuurde het leger Er was veel rivaliteit tussen stadhouders en raadspensionarissen In 1650 besloot Holland geen stadhouder meer te hebben omdat Willem II overleed en zijn zoon nog niet kon regeren en er was een oorlog met Frankrijk in opkomst In 1672 begon die oorlog met Frankrijk en toen werd Willem III als stadhouder aangewezen Paragraaf 3: internationale handel De handel in Nederland kwam snel op. De basis hiervoor was de graan en hout handel Omdat akkerbouw moeilijk was in Nederland ontwikkelde andere vormen van arbeidskracht De VOC had een handelsmonopolie op Azië in specerijen en textiel Er was al veel welvaart in Nederlandse handel en de VOC droeg hier aan bij De WIC deed in het begin voornamelijk aan kapingsmissies maar later ook aan handel De WIC had een handelsmonopolie op Noord en Zuid Amerika en Afrika In het begin van de 16e eeuw hadden Spanje en Portugal veel handelsmacht , daarna Frankrijk en Engeland en later Nederland Engeland begon zijn eigen compagnie in India en aan het eind van de 17e eeuw overheerste deze “East India Company” de VOC Frankrijk deed ook een poging om zijn eigen compagnie op te richten maar ze waren niet heel succesvol Hoofdstuk 5: Koningen, heren en denkers Kenmerkende aspecten : Het streven van vorsten naar absolute macht De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse republiek De wetenschappelijke revolutie Paragraaf 1; Absolutisme Vanaf 1614 tot 1789 hebben de Franse koningen geen Staten Generaal bij elkaar geroepen omdat ze hun macht en centralisatie wouden uitbreiden De koninklijke adviseurs deden zoveel mogelijk om de macht van adel te beperken In 1661 ging de adviseur van Lodewijk XIV dood, hij zette het absolutisme door en sterker dan ooit Vier terreinen van absolutisme Politiek : Lodewijk voerde censuur en absolutisme in Militair : Hij creëerde een goed uitgerust beroepsleger die een goed salaris kreeg De legerrangen veranderden en waren nu gebaseerd op geschiktheid Met een goed leger beperkte de koning de macht van de adel Economisch : Mercantilisme = economische kant van absolutisme, het betekende dat rijkdom van een land altijd ten koste gaat van een ander lands rijkdom Religieus : Lodewijk was katholiek en verplichtte zijn volk om katholiek te worden maar er waren grote protestantse gemeenschappen in Frankrijk In 1685 werd het edict van Nantes waardoor Franse hugenoten hun eigen geloof mochten invoeren Droit divin = de koning is goddelijk plaatsvervanger op aarde waardoor hij ook boven de wet Rusland = absolute monarchie , familie Romanov aan de macht Alle militaire en administratieve zaken werden door de tsaren opgenomen waardoor de geestelijken en de adel geen macht meer hadden Russisch orthodoxe kerk werd verbonden met de staat Pruisen = gemoderniseerd leger en ambtenarij De grenzen waren open voor mensen die vanwege religie moesten vluchten > religieuze vrijheid Frankrijk, Rusland en Pruisen > enige Europese landen met vorstelijke macht Britse eilanden > koningschap mislukt > burgeroorlog ( 1642-1649 ) Burgeroorlog eindigde met de onthoofding van Karel I Kwart jaar later > nieuw conflict tussen koning en parlement en Willem III versloeg Engelse koning Willem III leider van Nederlandse Republiek , Engeland , Schotland en Ierland Paragraaf 2: burgerlijke en hofcultuur Burgerlijke cultuur ; Nederlandse Republiek had een sterke burgercultuur omdat er geen koning was Ook al zou het in principe niet moeten, het stadsbestuur was overgelaten aan een paar machtige regentenfamilies De macht vestigde in het stadshuis Regenten voelden een sterk verband met de Romeinen en ze hadden veel kansen om te reizen en dit lieten ze zien in hun gebouwen en kunst Kunstenaars speelden een grote rol in de cultuur Er kwamen veel migranten naar de Republiek die verschillende kwaliteiten meenamen De republiek was aantrekkelijk vanwege de tolerantie , welvaart, werkgelegenheden, drukpers- en religieuze vrijheid Hof cultuur ; De koning had een paleis waar edelen een deel van een jaar met hem woonden en het werd een eigen samenleving In de hofcultuur lag druk binnen de elite om veel kwaliteiten te beschikken en om goede manieren en smaak te hebben. Lodewijk XIV werd de zonnekoning genoemd omdat hij veel balletten organiseerden om te laten zien dat hij het middelpunt was Kunst werd gefinancierd door de adel en de kunstenaars moesten doen wat de adel van hun vroeg De republiek en Frankrijk in de 17e eeuw waren complete tegenpolen Paragraaf 3: de wetenschappelijke revolutie De wetenschappelijke revolutie is begonnen door René Descartes en Francis Bacon in 1600 Descartes = rationalisme , logisch nadenken is de zuiverste bron > wiskundige principes Bacon = empirisme , waarneming doormiddel van de zintuigen (onderzoeken) Ondanks de wetenschappelijke revolutie waren er nog veel gelovigen De wetenschappelijke revolutie kwam al in eind 1500 op toen mensen zoals Andreas Vesalius lichamen gingen onderzoeken > hij werkte tegen de katholieke kerk en illegaal Nicolaus Copernicus observeerde hemellichamen> durfde zijn werk (zon = middelpunt) niet te publiceren uit angst voor de kerk In veel landen heerste censuur waardoor wetenschappers hun werk niet konden publiceren, de republiek had geen censuur en was dus een gunstig land Mid 1600 werden andere landen ook gunstig voor onderzoekers en er ontstonden wetenschappelijke verengingen Galileo Galilei = telescoop ( aarde draait om zon) hij kreeg een conflict met de kerk en hij moest zich verdedigen voor de kerkelijke rechtbank Isaac Newton = zwaartekracht Mechanistische wereldbeeld = wereld is een machine in beweging gezet door god maar nu zelfstandig functioneerde door natuurwetten Wetenschappelijke revolutie = langzaam proces Hoofdstuk 6: Verlichting en revoluties Kenmerkende aspecten: Rationeel optimisme en “verlicht denken” dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving; godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen Voorbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op een eigentijdse, verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme) Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap Paragraaf 1: de verlichting Mensen geloofden dat rituelen voor god effect hadden Verlichting kwam op en sommige mensen gingen kritisch naar de kerk kijken ondanks dat dit niet mocht Verlichte denkers keken naar de rol van de kerk en hoe de samenleving zou kunnen verbeteren Ze wouden verbeterde educatie, meer vrije kennis en minder armoede Belangrijke debatten tussen verlichte denkers omdat ze het niet allemaal hetzelfde zagen Mensen gingen aan het geloof twijfelen omdat er steeds meer wetenschappelijke antwoorden kwamen op dingen die origineel werden gezien als tekens van god of de duivel Atheïsme was nog verboden dus mensen bleven ondanks alles in god geloven alleen op een andere manier John Locke schreef over mensen hun natuurlijke rechten en hoe een overheid zou moeten regeren aan de hand van die rechten Rousseau geloofde in volkssoevereiniteit, de regering is alleen de uitvoerder van de wil van burgers. Montesquieu geloofde in de scheiding ter machten, er zijn wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende machten die elkaar in balans houden. Al deze gedachtes zorgde voor veel democratische revoluties in eind 1700 Er ontstond een westers superioriteit gevoel omdat hun samenleving ontwikkelder was Paragraaf 2 : Vorsten en verlichte ideeën Frederik koning van Pruisen > religieuze vrijheid , kunst en wetenschap gestimuleerd, kanalen aangelegd, beperkte lijfstraffen, universele scholing, nationaal wetboek en ambtenaren. Voorbeeld van verlicht absolutisme. Hij streef naar vooruitgang van de samenleving en regeerde niet gebaseerd op religie Nog steeds feodaal systeem De opkomst van verlichte ideeën was mogelijk door tijdschriften, die informatie over de wereld beschikbaar stelde, en koffiehuizen waar discussies werden gehouden over de samenleving en wetenschap Er ontstond een publieke opinie Frankrijk was tegen de verlichting en hield vast aan het ancien régime omdat de koningen bang waren om hun macht te verliezen Er was zware censuur en als je illegale boeken alsnog in je bezit had kon hier een hoge straf op staan Paragraaf 3 : Burgers aan de macht De democratische revolutie begon in Amerika Amerika kreeg een grondwet waar in stond dat er een representatieve democratie kwam en grondrechten Staatsburgers konden stemmen De Amerikaanse revolutie had een grote invloed op Europa en het bewees dat er daadwerkelijk een democratie kon komen De republiek was corrupt geworden en ging meer op een monarchie lijken waardoor er kritiek kwam van burgers (patriotten) 1780> aanhang voor de patriotten groeide door de oorlog in Groot Brittannië die leidde tot een instorting van de economie De patriotten kregen macht over meerdere steden maar de patriottische revolutie werd in 1787 onderdrukt Er was een tienjarige Franse revolutie die eindigde met de macht van napoleon Frankrijk had nog een feodaal systeem en toen Frankrijk failliet ging was het de kans voor de derde stand om hun macht te pakken door hun eigen nationale vergadering op te zetten omdat ze het oneens waren tijdens de staten generaal 1791 kwam er een grondwet, er werd parlement gekozen door de rijke burgers en de koning had alleen uitvoerende macht 1792> radicale revolutioneren kwamen aan de macht > kiesrecht en maximum prijs voor eten en Oostenrijk werd aangevallen 1793 > guillotine De Fransen gingen door heel Europa oorlog voeren omdat ze bang waren dat andere landen de revolutie wouden omdraaien De republiek kwam onder invloed van de Fransen> Bataafse republiek 1798> nl werd eenheidsstaat met democratische grondwet 1795> macht weer bij de rijken 1799> napoleon Bonaparte Paragraaf 4: vrijheid, ook voor de slaven? Slaven werkten voornamelijk in de plantagekoloniën De indianen konden het plantage werk niet doen omdat ze ziek werden aan Europese ziektes Veel Europese kustlanden deden mee aan de trans-Atlantische slavenhandel Driehoekshandel: 1. Textiel, wapens kostbaarheden uit Europa 2. Slaven ophalen bij de goudkust 3. Slaven naar Nederlandse Antillen en Haïti 4. Terug naar Europa met suiker, cacao, koffie, tabak en katoen en alles opnieuw Er heerste een idee dat slaven noodzakelijk waren voor overzeese expansie omdat er anders geen winst uit die landen kwam en religie werd hier vaak voor gebruikt als verdediging of omdat ze afrikanen minder waard en heidens vonden Er kwam meer kritiek op de slaven handel door de onmenselijke omstandigheden waar ze in moesten leven De schepen waren overvol, er was slechte hygiëne waardoor veel ziektes uitbraken en er was amper eten aan boord en de condities werden op het land niet beter Het streven naar afschaffing van slavernij heette het abolitionisme , abolitionisten informeerde het volk over de gruwelijkheid waarmee de slaven werden behandeld 1788> wet hoeveel slaven op 1 schip mochten in Groot Brittannië 1807> slavernij afgeschaft maar nog niet opgehouden met bestaan VS> noorden slavernij verboden, zuiden plantages Rond 1850 was er veel spanning tussen het noorden en het zuiden rondom de slaven Uiteindelijk kwam er een burgeroorlogen over het abolitionisme (1861-1865) 1863> werd de slavernij in Nederland afgeschaft maar de situatie verbeterde niet meteen Hoofdstuk 7: De economische sprong van Europa Kenmerkende aspecten: De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme, feminisme Paragraaf 1: De industriële revolutie Kleinschalige handmatige productie werd vervangen door gemechaniseerde massa productie > industriële samenleving In 1700 woonde 70% van Engeland op het platteland als buren en de steden waren klein Factoren verandering samenleving: 1. Stijging opbrengst landbouw door wetenschappelijke kennis 2. Bevolkingsgroei door meer voedsel en verbeterde ziekte bestrijding 3. Koloniën produceerde goedkope grondstoffen Textiel productie werd verbeterd en de machines die gebruikt werden konden niet bij mensen thuis staan dus er kwamen grote fabrieken 1782> stoomkracht werd uitgevonden i.p.v. waterkracht bij textielindustrie Meerdere bedrijfstakken gingen stoommachines gebruiken en kleine dorpen met grondstoffen transformeerde in fabriekssteden met veel inwoners Industrialisatie had zulke grote gevolgen dat we spreken van een industriële revolutie Arbeidersklasse > slechte werk en woon omstandigheden en vast in vicieuze cirkel Modern kapitalisme en economisch liberalisme begonnen in de industriële revolutie Modern kapitalisme = gericht op productie van goederen en diensten verkocht op de vrije markt door de particulier die het bedrijf bezit. Inkomen word verdeeld onder de arbeiders en veel naar de baas Bij mercantilisme dat eerder gebeurde ging veel geld naar de staat maar mensen werden hier steeds meer tegen omdat ze hun eigen bezit wouden bezitten Door vrije concurrentie werden particulieren geforceerd om hun goederen te verbeteren Economisch liberalisme> veel vrijheid maar geen bescherming voor arbeiders Paragraaf 2: nationalisme Nationalisme= liefde voor je eigen land en cultuur Volken wouden hun eigen identiteit en omarmde de overeenkomsten tussen iedereen Op scholen werd vaderlandse geschiedenis gegeven om nationalistische gevoelens op te wekken Culturele en taal grenzen liepen vaak anders dan landelijke grenzen en dat wouden nationalisten tegen gaan 1871> Duitsland een eenheidsstaat Veel kleinere staten gingen op met een grote staat en daardoor vielen sommige staten zoals het Ottomaanse rijk uit elkaar 1839 > België onafhankelijk van Nederland Doordat veel landen onafhankelijk werden ontstond er een internationale strijd wie beter was Paragraaf 3: Modern imperialisme Modern imperialisme = bezit van hele landen/gebieden en niet meer alleen handelsposten 1870> race tussen west Europa wie de meeste koloniën kon vestigen In weinig jaar veel gebieden veroverd met veel geweld Europa wou koloniën in Azië en Afrika omdat 1. Opkomende industrie zorgde voor goedkope grondstoffen 2. Politiek en militair aanzien, nationalistisch volk verdiende groot imperialistisch rijk 3. Europese gevoelens van superioriteit zorgde ervoor dat ze dachten de volken daar te redden omdat die landen “minder ontwikkeld” waren Groot Brittannië en Nederland werkten met een indirect bestuur= inlandse vorsten bestuurden het land maar moesten wel luisteren naar bevelen van ambtenaren Fransen werkten met een direct bestuur = Franse bestuurders Inheemse bevolking werd gedwongen te bedragen aan de economie van moederland Cultuurstelsel = inheemse bevolking moest goederen voor de wereldmarkt produceren en lokale boerderijen moesten hun land opgeven De volken verhongerden en in 1870 werd er een nieuw exploitatie systeem ingevoerd dat iets beter was voor de bevolking Bevolking werd vaak ingezet voor leger van moederland Grenzen werden willekeurig getrokken zonder rekening te houden met inheemse bevolkingsgroepen dit zorgde later voor conflict Hoofdstuk 8: politieke strijd en emancipatie Kenmerkende aspecten: Discussies over de ‘sociale kwesties’ De opkomst van de emancipatie beweging Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen, liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme Paragraaf 1: Conservatisme en politiek liberalisme 1814-1830 = de restauratie, reactie op democratisering van Napoleonse tijd vanuit de oude vorsten Napoleon had veel macht en had bijna heel Europa veroverd maar faalde toen hij Rusland binnendrong en in 1815 was zijn leiderschap officieel klaar na de slag bij Waterloo Napoleon had veel revolutionaire ideeën verspreid rond Europa en bijna alle traditionele staatshoofden waren vervangen en de privileges van de adel werden beëindigd Congres van Wenen> vorsten verdreven door Napoleon kregen hun land terug Aanhangers van conservatisme waren blij met restauratie Politiek liberalisme> burgers krijgen meer rechten en de grootste prioriteit is vrijheid 1830> revolutie Frankrijk , koning vervangen door monarch 1848> monarch aftreden, meer burgerlijke rechten en algemeen kiesrecht mannen Liberalen wonnen door heel Europa meer macht In 1795 werd Nederland overgenomen door de Fransen en toen de Fransen eventueel niet meer aan de macht waren kozen we voor een centraal bestuur met een koning (Willem van Oranje Nassau 1) Het koninkrijk der Nederlanden was anders dan de republiek doordat: 1. Veel groter doordat België er nu bij hoorde 2. Constitutionele monarchie met een grondwet 3. Parlement dat (indirect) was gekozen door de bevolking 1830> België apart land Johan Rudolf Thorbecke drong aan tot een liberale grondwet en in 1848 was Willem II het daar mee eens Ministers hadden ministeriële verantwoordelijkheid maar de koning was nog wel een gedeelte van de overheid Grondwet : Vrijheid van onderwijs, verenigingen en vergaderingen, kiesrecht (beperkt) Paragraaf 2: Emancipatie In 1800 kwam er een beweging op om ongelijkheid voor iedereen tegen te gaan> emancipatiebeweging 1863> Suriname en Antillen slaafvrij, Nederlands Indië later Strijd voor vrouwenrechten> feminisme Vrouwen mochten niet stemmen , een huis kopen of scheiden en verdiende minder 1848> Amerikaanse vergadering voor vrouwenrechten Eerste feministische golf > eind 1800 Veel structurele armoede en slechte leefomstandigheden voor armen Arbeiders gingen vakbonden organiseren om arbeidsvoorwaarden te stellen en ze zetten hun eisen door te staken Socialisme kwam op voor structurele verbetering van arbeiders maar deze vorm van socialisme is inmiddels meer te vergelijken met sociaaldemocratisch In 1842 werd er een petitie getekend voor stemrecht maar het duurde nog 75 jaar voordat dit werkelijkheid werd Karl Marx> communisme Karl Marx en Friedrich Engels schreven het communistische manifest en deden een oproep voor arbeiders om een gewelddadige revolutie te beginnen Democratisering > uitbreiding van kiesrecht waardoor verandering kwam in sociale kwesties Paragraaf 3: Naar een verzuilde samenleving Bataafse republiek> einde aan ongelijkheid gebaseerd op religie Toegenomen religieuze vrijheid gevolgen: 1. Katholieken vestigden zichzelf bewust in de samenleving zonder te hoeven schuilen 2. Protestantisme ging opzoek naar het fundament en hierdoor kwam de gereformeerde kerk op 3. Het confessionalisme kwam op met religieuze politici Schoolstrijd > aparte katholieke, protestantse en liberale scholen 1879> eerste politieke partij opgericht Alleen liberale scholen werden gefinancierd door de overheid en dat vonden de religieuze scholen onderdrukking De hele samenleving werd verdeeld in drieën , katholieken, protestanten en liberalen> allemaal hun eigen kranten, radio, tv zenders en verenigingen Verzuiling nam toe toen de socialisten er ook bij kwamen alleen de politici had nog contact met mensen uit een andere zuil Hoofdstuk 9: Leven in een massasamenleving Kenmerkende aspecten: De rol van moderne propaganda-en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme De crisis van het wereldkapitalisme Het voeren van twee wereldoorlogen Verwoesting op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering Paragraaf 1: Een moderne wereld Er waren veel nieuwe wereldontwikkelingen Zware bevolkingsgroei door de betere ziektebestrijding en verbeterde hygiëne Auto’s waren uitgevonden waardoor mensen meer gingen reizen maar ook spoorwegen waren verbeterd Er waren nieuwe communicatiemiddelen zoals de radio en bioscopen en later de telefoon We werden een moderne maar ook een massasamenleving 1875> tweede industriële samenleving Nieuwe technieken zoals stroom en de lopende band zorgden voor deze revolutie Door de nieuwe media vormen ontstond er ook politieke propaganda Er werden veel nieuwe wapens ontwikkeld wat zorgde voor rivaliteit tussen Groot-Brittannië en Duitsland Paragraaf 2 : De eerste wereldoorlog 1914> begin eerste wereldoorlog De centralen (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije) vochten tegen de geallieerden (Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland vanaf 1917 ook Amerika) Nederland was neutraal Deze oorlog was anders omdat de wapenindustrie in afgelopen jaren zwaar was geëvolueerd en omdat het normale volk en mensen uit de koloniën werd ingezet om oorlog te voeren i.p.v. beroepsmilitairen De condities van de loopgraven waren slecht Veel soldaten kwamen thuis met Shell shock (zenuwaandoeningen) Omdat de mannen meededen in de oorlog gingen vrouwen de banen overnemen 11 november 1918 > wapenstilstand De Grote oorlog is achteraf te verklaren door verschillende dingen 1. Spanning over machtsverhoudingen tussen Groot-Brittannië en Duitsland over imperialisme 2. Onderlinge strijd tussen Frankrijk en Duitsland wat zorgde voor meer nationalisme en militairisme 3. Al voor de oorlog waren er bondgenoten gemaakt Door de spanning die al bestond was de politieke moord op Frans Ferdinand (de kroon prins) en zijn vrouw van Oostenrijk-Hongarije de laatste druppel Na de oorlog werd Duitsland gezien als de hoofdschuldige en die moest een schadevergoeding betalen 28 juni 1919: Het verdrag van Versailles, basis voor nieuwe spanningen Paragraaf 3: de Sovjet Unie De sovjet unie (1922-1991) had een communistische ideologie Rusland liep ver achter op Europa en had de grote verliezen van WW1 Februari 1917 > massale stakingen en demonstraties tegen tsaar Nicolaas II Oktober 1917 > oktober revolutie, tsaar werd afgezet 1917 tot 1924 was Lenin de leider, in 1928 nam Stalin over Eigen bedrijven werden verboden en alles werd van de staat De landbouw en fabriek werden compleet veranderd Arbeiders die niet meewerkten werden naar strafkampen in Siberië gestuurd Totalitarisme= alleen communistische partij bestond nog Strenge censuur Religieus zijn werd tegen gewerkt Stalin was het hoogtepunt van communistische totalitarisme (stalinisme) Veel jongeren gingen bij massaorganisaties Stalins 5 jaar plan lukte niet en er waren veel hongersnoden op het platteland Industrialisatie was wel een succes en de Sovjet Unie werd machtig door wapenproductie Paragraaf 4: De Verenigde Staten Amerika was na WW1 een wereldmacht geworden Economie maakte in jaren ’20 grote economische stijgingen door kapitalisme Het was aan de individu om rijk te worden en de overheid bemoeide zich zo min mogelijk Omdat er veel concurrentie was kwamen er veel nieuwe uitvindingen uit Amerika werd een consumptiemaatschappij De groei in economie had een internationale invloed waardoor wereldkapitalisme ontstond Geen vorm van censuur en veel politieke vrijheid, vertrouwen was het belangrijkst 1929> onverwachte economische crisis , oorzaken hiervan zijn 1. Landbouw crisis 2. Alles werd betaald met geleend geld en veel banken gingen failliet (wall street crash) Veel mensen hadden aandelen en die waren opeens niets meer waard Europa had last van Amerikaanse crisis omdat er geld werd terug gevraagd dat geleend was via het Dawesplan na de 1e wereldoorlog , hierdoor stortte Duitsland in Economische wereldcrisis ontstond Amerikaanse overheid deed niets om te helpen en werkeloosheid bleef stijgen 1932> Roosevelt werd president hij zorgde ervoor dat er banen en eten was voor de werkelozen en bouwde de economie opnieuw op De tweede wereldoorlog was het officiële eind van de Amerikaanse crisis Hoofdstuk 10: De Tweede Wereldoorlog Kenmerkende aspecten: De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisaties Het in de praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme Het voeren van twee wereldoorlogen Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden De Duitse bezetting van Nederland Verwoesting op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme Paragraaf 1: Nazi Duitsland en het fascisme in Europa 1919> Duitsland was een democratie maar het ging politiek en economisch slecht Mensen hadden behoefte aan een sterke leider en Hitler beloofde veel 1933 > Hitler kwam aan de macht en alle politieke partijen behalve zijn eigen (NSDAP) werden afgeschaft Werkelozen daalde met 5 miljoen door een opkomende wapen industrie en het aanleggen van snelwegen Hitler hield zich niet aan de regels van het verdrag van Versailles (grote overheidsschuld en legeruitbreiding) Doormiddel van propaganda en censuur werd nationaalsocialisme verspreid, mensen die zich verzetten werden met veel geweld behandeld Al snel voegde Hitler antisemitisme, racisme en discriminatie toe aan zijn boodschap De joden werden als minder waard behandeld en de schuld gegeven van de politieke en economische problemen van Duitsland 1935> Joden hadden geen burgerrechten meer en mochten alleen andere Joden trouwen 9-10 november 1938 > Kristallnacht, synagogen, winkels en huizen werden vernietigd en verbrand Na de eerste wereldoorlog waren Italië, Duitsland en Spanje fascistisch en Oost-Europa was communistisch Paragraaf 2: De Duitse bezetting 1 september 1939 > Duitsland viel Polen binnen , begin 2e wereldoorlog Binnen een jaar was het grootste gedeelte van West Europa bezet > Blitzkrieg 10 mei 1940> Duitsland nam de macht over in Nederland 29 mei 1940> Arthur Seyss-Inquart werd de Nederlandse dictator hierdoor: 1. Alle politieke partijen verboden behalve NSB 2. Veel mannen gedwongen in Duitsland werken > slechte economie NL 3. Zware censuur en nazificatie door propaganda (voornamelijk onsuccesvol) 4. Joden werden buitengesloten en moesten zich in 1941 laten registreren Begin mei 1942 werden Jodensterren overal verplicht Enige grote staking tegen nieuwe maatregelen was de Februaristaking in 1941 , veel doden en slachtoffers gevallen Toen NL bezet was had je 3 opties: 1. Accommodatie (luisteren en aanpassen) 2. Verzet 3. Collaboratie (samenwerking met Duitsers) Ondanks dat Duitsland meerdere malen het verdracht van Versailles overtreedt werd er niks gedaan door Groot-Brittannië en Frankrijk omdat die een nieuwe oorlog wilden voorkomen (appeasement politiek) September 1938> conferentie van München waar Duitsland, GB, Frankrijk en Italië bijeenkwamen en in ruil voor een vredesgarantie mocht Hitler zijn rijk uitbreiden door Sudetenland en Oostenrijk te innen GB en Frankrijk beloofden Polen bescherming en daarom begon toen officieel de oorlog Paragraaf 3: De overwinning van de geallieerden Hitler viel onsuccesvol de Sovjet Unie binnen > vanaf 22 juni oorlog tussen de 2 landen Hitler verklaarde de oorlog aan de verenigde staten dit had een grote invloed 6 juni 1944> D-Day, 150.000 Canadese, Britse en Amerikaanse soldaten vielen Normandië binnen en hiermee werden de nazi’s teruggedreven Na D-Day werd het duidelijk dat Duitsland zou verliezen en op 8 mei 1945 gaf Duitsland zich over, de Europese oorlog was voorbij Meer dan 50 miljoen mensen waren omgekomen waarvan 6 miljoen Joods Azië en Amerika waren nog niet klaar met de oorlog 6 augustus 1945> Amerika gooide een atoombom op Hiroshima in Japan ,80.000 dood binnen een seconde en 60.000 verwond 15 augustus 1945> oorlog in Azië klaar Het initiële plan was niet om alle Joden te vermoorden maar om ze te laten emigreren maar dit werkte niet , toen werden er veel een voor een doodgeschoten maar dat was langzaam en zwaar voor de soldaten Wannseeconferentie> concentratiekampen bedacht Veel joden stierven in de treinen voor aankomst Niet alleen joden maar ook zigeuners, homo’s en gehandicapten werden naar de concentratiekampen gestuurd De gezonde mensen moesten werken en de rest werd direct vergast Grootste genocide ooit Veel ex nazi officiers vluchtten naar Argentinië Pas in de jaren 60 werd er aandacht besteed aan de holocaust (Shoah) Paragraaf 4:Nationalisme in de koloniën 1941 kwam nationalisme in Azië op en wouden veel landen van hun koloniale leiders af Gandhi streed zijn hele leven op een vredige manier voor de onafhankelijkheid van BritsIndië Partai Nasional Indonesia was een nationalistische beweging in Nederlands-Indië Veel strijd door nationalisten voor gelijke behandeling van inheemse bewoners > veel overeenkomsten met communisme Ho Chi Minh, Gandhi en Soekarno waren grote leiders in de strijd naar onafhankelijkheid en ze konden hun ideeën na WW2 verspreiden via film en radio Europa probeerde nationalistische leiders te onderdrukken maar hierdoor werd het volk alleen maar fanatieker De kolonies wouden onafhankelijk zijn omdat: 1. Er veel spraak was van economische uitbuiting 2. Bevolking had geen inspraak op het bestuur 3. Veel inwoners kregen opleidingen in Europa waardoor ze ideeën over democratie meekregen 4. De VS en SU waren tegen kolonialisme Hoofdstuk 11: Europa en de wereld 1945-1989 Kenmerkende aspecten: De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld De eenwording van Europa De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren 60 van de 20e eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen Paragraaf 1: Oost en West Paragraaf 2: Een welvarend Westen 1945-1989> koude oorlog tussen de VS en Sovjet Unie VS was een vrije democratie met een kapitalistische economie, SU was een communistische dictatuur > 2 compleet andere wereldmachten De koude oorlog begon doordat Europa in 2 blokken opgedeeld was Duitsland en Berlijn werd in West en Oost verdeeld tussen Engeland , Frankrijk , de VS en de Sovjet Unie Juni 1948 tot begin 1949 was er een blokkade in Berlijn waardoor de Amerikanen van bovenaf kool en eten schonk Het westen werd Bondsrepubliek Duitsland (BDR) 4 april 1949 werd de NAVO opgericht tussen 12 Westerse landen om communisme tegen te gaan en voor militaire macht 7 oktober het oosten werd Duitse Democratische Republiek (DDR) 9 mei 1955 kwam de BDR bij de NAVO 14 mei 1955 werd het Warschaupact opgericht (NAVO voor Oostblok landen) In 1949 begon de wapenwedloop tussen de VS en SU > door allebei atoomwapens te hebben probeerden ze de ander bang te maken > wederzijdse afschrikking Er was een constante dreiging op een atoomoorlog maar die is nooit daadwerkelijk gekomen Er was een ijzeren gordijn tussen West en Oost Europa waardoor het vrijwel onmogelijk was om tussen de 2 te reizen Contaminatiepolitiek > VS probeerde Sovjet Unie te onderdrukken Marshallhulp> VS gaf geld aan NAVO landen om communisme tegen te gaan , hierdoor groeide de Europese economie enorm en konden de landen zich opnieuw opbouwen na de tweede wereldoorlog 1948> stichting Israël waardoor er conflicten waren in het Midden Oosten In 1949 werd China communistisch en VS was bang voor dominotheorie 1950-53> Koreaanse oorlog , VN greep in Jaren ’60 was er een oorlog tussen Vietnam en VS als poging van de VS om communisme tegen te gaan In 1973 trok VS zich terug uit Vietnam en hadden ze verloren ’60> veel vraag naar arbeiders en het geld dat bedrijven verdiende werd weer omgezet in nieuwe banen > verzorgingsstaat werd opgebouwd Er ontstond een consumptie maatschappij en er ontstond een generatie kloof tussen ouders en kinderen De jeugd wou meer vrijheid en religie werd steeds minder belangrijk ( secularisatie) De EGKS (Europese gemeenschap voor Kolen en Staal) werd gevormd, een supranationale instelling die een groot economisch voordeel had voor de landen die meededen De EGKS werd uitgebreid en heette nu de Europese Economische gemeenschap (EEG) De EEG was een groot economisch succes en bestaat vandaag nog als de EU In 1973 was er een oliecrisis die zorgde voor een wereldwijde economische recessie Paragraaf 3: Noord en Zuid In 1960 werden 17 Afrikaanse landen onafhankelijk Na de tweede wereldoorlog was er veel dekolonisatie in Afrika en Azië en kwamen er meer dan 80 nieuwe staten bij in de loop van 30 jaar Europa probeerde eerst zoveel mogelijk de dekolonisatie tegen te gaan door militaire strijd in te zetten maar dit bleef onsuccesvol KENMERKENDE ASPECTEN 18. HET BEGIN VAN DE EUROPESE OVERZEESE EXPANSIE 19. HET VERANDERD MENS EN WERELDBEELD VAN DE RENAISSANCE EN HET BEGIN VAN EEN NIEUWE WETENSCHAPPELIJKE BELANGSTELLING 20. DE HERNIEUWDE ORIËNTATIE OP HET ERFGOED VAN DE KLASSIEKE OUDHEID 21. DE PROTESTANTSE REFORMATIE DIE SPLITSING VAN DE CHRISTELIJKE KERK IN WEST-EUROPA TOT GEVOLG HAD 22. HET CONFLICT IN DE NEDERLANDEN DAT RESULTEERDE IN DE STICHTING VAN EEN NEDERLANDSE STAAT 24. DE BIJZONDERE PLAATS IN STAATKUNDIG OPZICHT EN DE BLOEI IN ECONOMISCH EN CULTUREEL OPZICHT VAN DE NEDERLANDSE REPUBLIEK 25. WERELDWIJDE HANDELSCONTACTEN, HANDELSKAPITALISME EN HET BEGIN VAN EEN WERELDECONOMIE 23. HET STREVEN VAN VORSTEN NAAR ABSOLUTE MACHT 26. DE WETENSCHAPPELIJKE REVOLUTIE 27. RATIONEEL OPTIMISME EN ‘VERLICHT DENKEN’DAT WERD TOEGEPAST OP ALLE TERREINEN VAN DE SAMENLEVING: GODSDIENST, POLITIEK, ECONOMIE EN SOCIALE VERHOUDINGEN 28. VOORTBESTAAN VAN HET ANCIEN RÉGIME MET POGINGEN OM HET VORSTELIJK BESTUUR OP EIGENTIJDSE, VERLICHTE WIJZE VORM TE GEVEN (VERLICHT ABSOLUTISME) 29. UITBOUW VAN DE EUROPESE OVERHEERSING, MET NAME IN DE VORM VAN PLANTAGEKOLONIËN EN DE DAARMEE VERBONDEN TRANS-ATLANTISCHE SLAVENHANDEL, EN DE OPKOMST VAN HET ABOLITIONISME 30. DE DEMOCRATISCHE REVOLUTIES IN WESTERSE LANDEN MET ALS GEVOLG DISCUSSIES OVER GRONDWETTEN,GRONDRECHTEN EN STAATSBURGERSCHAP 31. DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE DIE IN DE WESTERSE WERELD DE BASIS LEGDE VOOR EEN INDUSTRIËLE SAMENLEVING 33. DE MODERNE VORM VAN IMPERIALISME DIE VERBAND HIELD MET DE INDUSTRIALISATIE 36. DE OPKOMST VAN POLITIEK-MAATSCHAPPELIJKE STROMINGE: LIBERALISME, NATIONALISME, SOCIALISME, CONFESSIONALISME EN FEMINISME 32. DISCUSSIES OVER DE ‘SOCIALE KWESTIE’ 34. DE OPKOMST VAN EMANCIPATIEBEWEGINGEN 35. VOORTSCHRIJDIENDE DEMOCRATISERING, MET DEELNAME VAN STEEDS MEER MANNEN EN VROUWEN AAN HET POLITIEKE PROCES 37. DE ROL VAN MODERNE PROPAGANDA- EN COMMUNICATIEMIDDELEN EN VORMEN VAN MASSAORGANISATIE 38. HET IN PRAKTIJK BRENGEN VAN TOTALITAIRE IDEOLOGIEËN COMMUNISME EN FASCISME/NATIONAAL-SOCIALISME 39. DE CRISIS VAN HET WERELDKAPITALISME 40. HET VOEREN VAN TWEE WERELDOORLOGEN 43. VERWOESTING OP NIET EERDER VERTOONDE SCHAAL DOOR MASSAVERNIETIGINGSWAPENS EN DE BETROKKENHEID VAN DE BURGERBEVOLKING BIJ OORLOGVOERING 41. RACISME EN DISCRIMINATIE DIE LEIDDEN TOT GENOCIDE, IN HET BIJZONDER OP DE JODEN 42. DE DUITSE BEZETTING VAN NEDERLAND 44. VORMEN VAN VERZET TEGEN HET WEST-EUROPESE IMPERIALISME 45. DE VERDELING VAN DE WERELD IN TWEE IDEOLOGISCHE BLOKKEN IN DE GREEP VAN EEN WAPENWEDLOOP EN DE DAARUIT VOORTVLOEIENDE DREIGING VAN EEN ATOOMOORLOG 46. DE DEKOLONISATIE DIE EEN EIND MAAKTE AAN DE WESTRSE HEGEMONIE IN DE WERELD 47. DE EENWORDING VAN EUROPA 48. DE TOENEMENDE WESTERSE WELVAART DIE VANAF DE JAREN ’60 AANLEIDING GAF TOT INGRIJPENDE SOCIAAL-CULTURELE VERANDERINGSPROCESSEN 49. DE ONTWIKKELING VAN PLURIFORME EN MULTICULTURELE SAMENLEVING
0
You can add this document to your study collection(s)
Sign in Available only to authorized usersYou can add this document to your saved list
Sign in Available only to authorized users(For complaints, use another form )