Begaanbaarheid van
bouwterreinen
l,*
ij e ote c h n s c h e ,C r a a q k re r: h t
vco r f'-i n Cer-irr gsrnach i nes
i
i*,*'ï'Ti
:'*1.?b..-
ffi&
Í
i
I
I
I
Voorwoord
Bij de uitvoering van funderingswerken doen zich nog
Fred Jonker,
steedsincidentenvoor,waarbi_j machinesonverwacht voorzitteÍ,programmamanager
wegzakken en soms ook omvallen. De vraag is of
deze incidenten voortkomen uit gebrek aan kennis en
Henk de Konino.
ervaring of dat daarbij wellicht andere factoren een
secretaris*
rol spelen, zoals de steeds veranderende situatie van
de ondergrond' Het ontbreekt aan een goede analyse
Mark van Bezooiien
van de veiligheid met betrekking tot het omvallen van
funderingsmachines als gevolg van het overschrijden
wim Buitenhuis
van het draagvermogen van de werkvloer. In 2004 is
weliswaar een gezamenllke CUR/CROWArbouw-publiNico camfferman
catie 2004-1 'Beoordelingssysteem voor de begaanbaarheid van bouMerreinen' [19] verschenen, maar
JeÍoen Diikstra.
deze bleek in de praktijk lastig te hanteren.
Vanuit de sector is de wens geuit om CUR 20041 te
vervangen door een praktisch hanteerbare berekeningsmethode. De voorliggende richtlijn hoopt in deze
lacune te voorzien en tevens handvatten te geven voor
Anton van
patrick
werkvloer'
Voor andere aspecten van de veilige inzet van funderingsmachines wordt verwezen naar de recente
richtlijnen "NVAF-richtlijn veilig hijsen b'lj funderingswerkzaa m heden" [23] en "NVAF-richtl ij n funderin gswerk
in de publieke omgeving" [24].
Het is van groot belang dat een goede communicatie tot stand komt tussen de betrokken bedrijven en
personen' Veel ongevallen in de bouw zijn een direct
gevolg van miscommunicatie. Geadviseerd wordt een
deskundige aan te wijzen die verantwoordeltlk is voor
het ontwerp en de realisatie van het bouwterrein. Deze
persoon dient alle betrokkenen te informeren. heldere
afspraken te maken en deze schriftelijk vast te leggen
en te bewaken of deze worden nagekomen. Voor de
start van het werk is een overleg met betrokkenen op
locatie gewenst om vast te stellen dat de condities zijn
zoals bedoeld.
tJnsen.
Johan de
een deugdel'rjk ontwerp, aanleg en onderhoud van de
Joost
Heezen
Jongh
Kroon
Johan van der
Dave
Moren.
sBRcURnet
NVAF
BREM Funderinqsexpertise bv
NVAF
Eiiketkamp soit & water bv
cofra bv
Gebr. van 't Hek bv
Hektec bv
Heijmans lnfra
Gebr. van 't Hek bv
Bureau van der Moren
Reht
Aboma bv
Vos.
Geomet _ ABo bv
Jan de
Cajo
Vroom.
Vroom Funderingstechnieken bv
Harm
wammes-
Voorbii Funderingstechniek bv
Dennis
wonderoem*
Balrast Nedam construction
*Deze leden hebben een bijdrage geleverd in het
schrijven van onderdelen van deze richtl'tjn.
De eindredactie was in handen van Henk de Koning en
Jan de Vos.
De volgende financiers hebben bijgedragen aan het tot
gestart
met de ontwikkeling stand komen van deze richtlijn:
Binnen SBRCURnet wordt
. Aboma bv
van een Ontwerprichtlijn voor kraanopstelplaatsen bij
de bouw van windturbines. Bij het publiceren van deze . Brem Funderingsexpertise bv
richtlijn was de Ontwerprichtlijn nog niet gereed, zodat ' Cofra bv
daarvan in deze studie nog geen gebruik kon worden ' Eijkelkamp Soil & Water bv
gemaakt.
' Geomet - ABO bv
. Heijmans Infra
gekomen
in
Deze richtlijn is tot stand
de SBRCURnet- . Nederlandse Vereniging Aannemers
commissie1692'Begaanbaarheidvanbouwterreinen'. Funderingswerken(NVAF)
Bij het verschijnen van deze richtlijn was de commissie . Van 't Hek groep
. Vroom Funderingstechnieken bv
als volgt samengesteld.
. Voorb'tj Funderingstechniek bv
SBRCURnet soreekt haar dank uit aan deze instanties
alsmede aan de leden van de commissie, die met veel
inzet en enthousiasme hebben samengewerkt aan de
realisatie van deze richtliin.
Delft, maart 2017
Fred Jonker
Programmamanager Geotechniek en Bodem SBRCURnet
4
I
I
In houd
3.2.3
3.2.4
3.3
3.31
3.3.2
Voorwoord
Samenvattlng
3.4
3.4.1
3.4.2
3.4.3
3.4.4
1
'll
Grondonderzoekstechnieken -:,:
Het grondwater .i:
De grondwaterstand .lr:,
Beheersing van de grondwaterstand en
opvang van de neerslag ..
Summary I
AfkoËlngen
Diepte van het grondonderzoek
.
Obstakels en aturijkingen in de bodem .;
Historie van de bouwlocatie -: 'r
Gedempte sloten, watergangen en dergelijke
:
Kabels en leidingen in de ondergrond -r:.
Voormaligebebouwing,damwanden,
tanks en dergelijke ::l
Termen en definltler r.;
3.4.5
Andere in de bodem verborgen veiligheidsen gezondheidsrisico's ll:l
Symbolen l
í
Inleiding r7
1l
1.2
í.3
1.4
Aanleiding voor en doel van deze richtlijn 1 l
2
Velllgheidefilorofie r e
21
2.2
2.21
Inleiding
Beschouwde situaties 17
Beschouwde machines 17
Leeswijzer
Geometrie van het terrein 2'j
4
Belastlngen :.
41
Te beschouwen situaties .r l
41.1
4.1.2
Tijdens op- en afbouwen :. i
41.3
4.2
Veiligheidsbeschouwing ,i,,
4.3
hijskranen
Machinestabiliteit en funderingsstabiliteit :1
Veiligheidsbeschouwing funderingsmachines
Veiligheidsbeschouwingbijhetontwerpen
volgens de Eurocode ,12
2.2.5
Veiligheidsbeschouwingbijhetontwerpen
volgens BR 470 r:
2.2.6
Terreinonvlakheid
2 !r
Hoogtemetingen
l
In bedrijf zijnde, staand op of rijdend over
l
Rustend bij stormbelasting ,-.
Paftiële belastingfactoren :'r
Bepaling van de funderingsbelasting
en de belastingsverdeling :l:
en funderinosmachinês ra)
2.2.2
2.2.3
2.2.4
Nabijheid van taluds en damwanden ::l
het bouwterrein i
'-l
Veiligheidsbeschouwing
3.5
3.51
3.5.2
3.5.3
Veiligheidsbeschouwingengeometrische
asoecten :3
2.2.7
GeÍntegreerde veiligheidsbeschouwing 2r
2.3
Te beschouwen situaties ,,4
.'
4'31
4'3'2
4.3.3
4.3.4
4.3.5
4.3.6
4.3.7
4.4
4.5
Eigen gewicht van de funderingsmachine ::
centrifugaalkrachten i:
Windbelasting --13
Stormbelasting j"l
Dynamische belastingen ?J
Schuine reeptrek -:j.1
Installatiebelasting :lJ
Machine direct op de werkvloer; belasting
per rups en effectieve ruPslengte 35
Machine op schotten; effectieve funderings-
oppervlaken funderingsspanning i3
3
3.1
3.2
3.21
3.2.2
ïerreln- en grondonderzoek )5
Doel van het onderzoek .'5
Grondmechanisch onderzoek :s
Grondopbouw en grondeigenschappen
Omvang van het grondonderzoek 25
5
Draagvermogen 41
5.í
Factoren die het gronddraagvermogen
volgens [9] beihvloeden I
2!
5.2
I
Berekening draagvermogen conform
NEN 9997-í:20Í6 rl
5.2.1
5.2.2
Berekening van het ongedraineerde
C.4 Bepaling van de belastingen i:,
draagvermogen 44
C.5 Bepaling van het effectieve funderingsoppervlak
Berekening van het gedraineerde
en de funderingsspanning 'rc
draagvermogen ;!
5.2.3
5.3
5.4
Bijlage D
Uitgewerkt rekenvoorbeeld voor de toetsing
Ponsberekening van het draagvermogen -17
van het gronddraagvermogen voor een machine
Berekening draagvermogen
op schotten ir.!i
conform BR 47O 17
DJ Project "Spoorstrip te Zaanstad"
Stappenplan .l:r
.
D.2 Uitgangspunten voor het ontwerp
van de werkvloer 6i,,
D.3Grondeigenschappen 7i'
D.4 Toetsing van het geponst ongedraineerd
6
Bouwterrein
6.í
Terreininrichtingsplan en opstellen
D.5 Bepalen van het gedraineerd
van zware machines 51
gronddraagvermogen l
Ontwerp van het terreininrichtingsplan,
D.6 Bepalen van het geponst gedrarneerd
!r l
gronddraagvermogen :' i
6.'r
oneffenheden, vlakheid 'r
gronddraagvermogen irl
1
o-t.z
Ontwerp van de machineopstelplaatsen
o. t.5
Terrein geschikt maken voor de inzet
51
van machines 5l
6.2
Controle van de machineopstelling
op dê bouwplaats a.2
6.21
Controle van de ondergrond !2
o-z-z
Opstellingskeuring 52
6.2.3
ContÍole van de toe te passen draglineschotten 52
6.2.4
Controle van de machine en de
6.2.5
Controle van de positionering van de machine
machinebelastingen 52
oD de schotten 52
6.2.6
Handsonderen ten behoeve van controleren
draagkrachtverbetering 53
7
Het BouwterreinceltiÍlcaat (BTCI
Nederland 55
71
Wetgeving; part'rjen in het bouwproces 55
7.2
De methodiek van het bouwterrein-
7.3
ceÉificaat 55
Het certificaat 56
7.4
Handleiding bij het certificaat 56
7.5
Regelmatige inspecties van
hêt bouwterrein 56
Bijlage A
Literatuur 59
Bijlage B
Grondeigenschappen volgens tabel 2.b
uit de Eurocode 6
Bijlage C
T
Uitgewerkt rekenvoorbeeld voor de bepaling
van de funderingsbelastingen 65
C.1 Project "Spoorstrip te Zaanstad" 65
C.2 Uitgangspunten 65
C.3 Maatgevende situatie(s) 65
6
D.7 Conclusie 7:r
BijlageE Bouwterreincertificaat(BTC)Nederland
Bijlage F Logboek voor regelmatige inspecties
van bouMerreinen 8
Sa menvatting
Deze richtlijn is opgesteld onder verantwoordelijkheid
van de SBRCURnet commissie 'Begaanbaarheid
van bouwterreinen' en geeft handvatten voor het
ontwerp van een veilige en deugdelijke werkvloer ten
behoeve van de opstelling en het in gebruik hebben
van funderingsmachines met een rupsonderwagen. Zij
is tot stand gekomen op basis van bestaande literatuur,
normen en de kennis en ervaring van de commissieleden.
De toepassing van de verzamelde kennis in deze
richtlijn draagt b'rj tot een vergroting van de bouwveiligheid, met name waar het de inzet van funderingsmachines betreft. Daarnaast geeft deze richtlijn handvatten voor de verdeling van de verantwoordelijkheden
tussen opdrachtgever, hoofdaannemer en onderaannemer van het funderingswerk.
Summary
This guideline has been prepared under the responsibility of the SBRCURnet committee'Working platforms
stability'. lt presents tools for the design, construction
and maintenance of safe working platforms for piling
rigs and other foundation equipment. Only tracked plant
has been considered. The content of this guideline
is based on existing literature, standards and the
knowhow and experience of the committee members.
Application of all available knowledge in this guideline
will prove to be beneficial for increasing the general
safety of construction sites, especially with respect to
the operation of foundation equipment. This guideline
may also be of help in clarifying the responsibilities
between the client. the main contractor and the
soecialist sub-contractor.
Afkortingen
ei:liEíng,RFg€areh Gstiiêi$tlterrt
+-i#itft
m
grJrpeeér:r de Noírnalis€tion
ueAe
ËuM$orm
rngpwtie{rcittretl/linb.iltrle bi
h.h
enhêË
11
Termen en definities
Arbeidsveiligheid
Funderingsoppervlak
Het terrein waarop de funderingswerkzaamheden
worden uitgevoerd. Dit terrein is voor een ieder,
inclusief het algemeen publiek, door middel van
bebording, omheining of anderszins duidelijk herken-
nische belastingen worden de excentriciteit waarmee
de machine op de schotten staat en de excentriciteit
van het overall-zwaartepunt van de machine, inclusief
hijslast, verdisconteerd. Hieruit ontstaat een kleiner
oppervlak dat als gelijkmatig verdeeld belast wordt
beschouwd. Dit wordt het effectief funderingsoppervlak
Het voorkomen van ongevallen waarbij werknemers Grondoppervlak dat door de machine wordt belast;
doorgaans betreft het hier het product van rupslengte
en andere op het project werkzame personen letsel
en rupsbreedte. Bij gebruik van een schottenbed kan
ondervinden.
de rupsbreedte worden vervangen door de breedte van
het schottenbed. In de berekening van de grondmechaBouwterrein
baar en afgebakend. In bijzondere gevallen bestaat
het bouwterrein uit diverse (sub-)locaties die niet
genoemd.
onderling met elkaar zijn verbonden. De realisatie van
funderingen ten behoeve van hoogspanningsmasten
Funderingsstabiliteit
is hiervan een voorbeeld. In voorkomend geval dient,
samen met het bevoegd gezag, een ad hoc oplossing Het met voldoende zekerheid voorkomen dat een
gecreëerd te worden.
funderingsmachine omvalt of wegzakt als gevolg van
Bovenwagen
het overschr'rjden van het draagvermogen van de
werkvloer.
De delen van een machine die bij een machine-
opstelling kunnen roteren oÍdraaien. Dit zijn normaliter Kantellijn
alle onderdelen van de machine boven de draaikrans. Denkbeeldige lijnen op werkvloerniveau waarover
Sommige auteurs beperken het begrip bovenwagen tot de funderingsmachine, bij de beschouwing van de
het kraanhuis, het motor- en lierenhuis en het ballast- machinestabiliteit, wil kantelen.
blok of contragewicht. Daarmee laten z'tj de giek, mast,
makelaar etc. buiten het begrip bovenwagen.
Kantelmoment
De som van de krachtmomenten om de lijn of het punt
waarover een lichaam (de machine) wil kantelen. De
Constructieve veiligheid
krachtmomenten worden per onderdeel bepaald uit het
Het voorkomen van ongevallen door het maken van
een deugdelijk ontwerp of een deugdelijke constructie. product van de belasting of kracht en de afstand tot het
Ongevallen ten gevolge van constructieve onveiligheid kantelpunt of de kantell'tjn.
kunnen leiden tot publieke onveiligheid en/of arbeidsLengte en breedte
onveiligheid, als ook tot schade aan de machine.
De begrippen lengte en breedte kunnen bij het
onderwerp van deze publicatie tot verwarring leiden.
Funderingsmachines
Bij de onderwagen vên een rupsmachine komt de
Alle installaties:
. Waarmee door middel van boren, slaan, trillen,
lengte overeen met de wielbasís en de breedte met de
graven, trekken, drukken of op enige andere wijze
spoorbreedte (beiden uitgedrukt als hart-afstand tussen
funderingselementen, drainage-elementen alsmede dewielen).
D
kerende wanden of horizontale afsluitingen in de
De lengte van een enkele rups is gelijk aan de wielbasis
grond worden aangebracht of verwijderd.
. Voor het verbeteren van de draagkracht van de
en haar breedte is gelijk aan de afmeting van het
ondergrond.
rupsonderwagen beschouwd. Niet beschouwd zijn
machines opgesteld op een drijvend platform en
machines voor werkzaamheden in beperkte ruimte of
met een beperkte werkhoogte.
In deze richtlijn zijn alleen machines met een
rupsblad.
Draglineschotten hebben meestal een breedte van
1,O à 1,3 m en een lengte variërend van 5,O tot,|4,0 m.
De schotten worden aaneensluitend gelegd, haaks
op de rijrichting van de machine (haaks op de lengte
van de rupsen). Als een machine veel heen en weer
moet rijden, wordt soms een grote lengte schottenbed
toegepast (tot meer dan 40 m). Ook dan worden bij het
bepalen van het draagvermogen de lengte en breedte
gezien als de afmetingen van het door de machine
13
belaste schotoppervlak. De lengte komt dan overeen
met de schotlengte en de breedte met de wielbasis.
gevallen worden kortere schotten gebruikt, met onder
elke rups een eigen schottenbed.
Maehinestabiliteit
In plaats van schotten en schottenbed worden ook de
Het met voldoende zekerheid voorkomen dat een
funderingsmachine omvalt als gevolg van het overschrijden van het momentenevenwicht van de machine,
inclusief de momenten ten gevolge van de hijslast en
de overige statische en dynamische belastingen.
begrippen rijschotten en draglineschotten gebruikt.
Schuine reeptrek
Horizontale belasting ten gevolge van het niet volledig
verticaal hangen van de hijskabel.
De delen van een machine die bij een machine-
Voorover en achterover inbrengen van palen
Bij palen die voorover (schoor) worden geinstalleerd,
bevindt de paalkop zich (horizontaal gezien) verder
van het hart van de machine dan de paalvoet. De paal
wordt dan in de richting van het haft van de machine
ingebracht. Bij achterover installeren is de helling juist
opstelling stationair staan. Dit zijn normaliter alle
onderdelen van de machine beneden de draaikrans.
andersom gericht en krijgt de paal een richting vanaf
het haft van de machine.
Opstellings-excentriciteit
Voorzijde en achterzijde van de machine
Bij de meeste funderingsmachines kan de bovenwagen ten opzichte van de onderwagen roteren. De
begrippen voorzijde en achterzUde hebben daarom
betrekking op de bovenwagen van de machine. De
Machineveiligheid
Het voorkomen van ongevallen ten gevolge van de
machine zelf of de bedieninq ervan.
Onderwagen
Mate waarin de funderingsmachine uit het midden
van het schottenbed staat opgesteld.
Overall-zwaartepunt
Zwaartepunt van het geheel van de funderingsmachine,
inclusief accessoires, hijslast, dynamische belastingen,
etc. Van het overall-zwaartepunt worden niet alleen
haar positie ten opzichte van het platte vlak, maar
ook haar hoogte boven de werkvloer bepaald. Bij
de berekening van het overall-zwaartepunt worden
alle aan een draad of ketting hangende belastingen
berekend als aangrijpend in de desbetreffende topschijf
(crown-block).
voorz'rjde is de zijde van de bovenwagen waar de mast,
giek of makelaar zich bevindt. De achterzijde is de zijde
waar het ballastblok, het aggregaat en dergelrlke zich
bevinden.
Werkvloer
Grondslag waarop de funderingsmachine wordt
opgesteld. Deze grondslag kan van ongeroerde
natuurlijke oorsprong zijn, zrj kan verdicht of geroerd
zijn, er kan een grondverbetering zijn uitgevoerd of
Publieksveiligheid
Het voorkomen van ongevallen waarbij omstanders
letsel of schade ondervinden.
Schottenbed
Op de grondslag gelegde schotten met het doel om
het dragend oppervlak van de funderingsmachine te
vergroten, meestal in verband met een beperkt draagvermogen van de werkvloer.
Het schottenbed kan bestaan uit schotten van hout
of staal en heeft een grote buigstijfheid (hierin onderscheiden schotten zich van rijplaten). Normaliter
hebben de schotten een breedte van 1,0 m of meer.
De schotten worden aaneensluitend en haaks op de
r'rjrichting van de machine op de werkvloer gelegd.
Bij funderingsmachines worden meestal schotten
gebruikt met een zodanige lengte dat de machine met
beide rupsen over het schot kan rijden. In bijzondere
14
een draagkrachtige granulaire laag aangebracht zijn op
het maaiveld. Onder het begrip werkvloer vallen zowel
machineopstellingen op maaiveldniveau, op verhoogde
plateaus als op de bodem van een bouwput. Wanneer
de machine op schotten wordt opgesteld en deze
schotten op een hierboven aangegeven bodem liggen,
is dit een schottenbed oo de werkvloer.
Zwaa rtepu nts-excentriciteit
Afstand tussen het middelount van de draaikrans en hel
overa ll-zwaa rteou nt.
Symbolen
afrneting wn de koÍte ziide van het
effectief funderingsoppeMa( in rh2
efiectieve funderlngsoppervl6k, in m
spoorbreedte van de rupsonderuyagen,
inm
reductlêfeceii.tgor derirt*ftra$r,van hêt , .
êffêctieve gewlcht van de]gnond ondef l4it
rêkenwaardê van de
funderingsoppeMak ten gevolge van de
belastlng, afhankelijk vsn de
bdlefide,g,@ .r*ant an dê funderlng
en veÍtiËab conponÊrït,lEn d€
in kN
L: :rl
rekenwaarde van de vèctor vên qé::,'
resufterende belasting, werkend fraaks op
de {o-&.gteas van d€.bcnrenwage{ rr nr
iotaal van de bé{aatingen
aÍiretlng van de lange:Eïde,van
fupde@glsoppeMak;.fr m
lengte vên de rupsordemagen,
.,.::
€15. êf$ànd
tussen dè,voorqgte
.
aÉf,4#8Bk?nislffit&!, ln m
tY
' .i:,,1
i:,1*il
Íeduc-udKtorvo@r de lniloed v6n het
êffectieve gsrÍicht ven de grond onaer tret
furu*erfn$oppervtak ten gerolge ren de
heA*rgwndEbW€St
IVq
15
6ew
rotatiehoek van de bovenwagen, gemeten
vanuit de rijrichting van de onderwagen, in
graden
Y'gem;d
rekenwaarde vên het (gewogen) efiectieve
volumiek oewicht van de orond onder het
aanlegniveau, in kN/m'
6coe
Íotatiêhoek van het overall-zwaartepunt,
gemeten vanuit de rijrichting van de
onderwagen, in graden
v max;o
rekenwaarde van de maximum
funderingsdruk op het effectieve
funderin gsoppervlak, in kPa
o 'v:z'd
rekenwaarde van de effectieve verticale
spanning van de gronddekking op het
aanlegniveau op de diepte z, in kPa
Q,d
rekenwaarde van de effectieve hoek van
inwendige wrUving, in graden
E'k
karakteristieke wêarde van de effectieve
hoek van inwendige wrijving, in graden
16
Inleiding
11
Aanleiding voor en
doel van deze richtlijn
Uit onderzoek van onder andere de Inspectie SZW
is gebleken dat in Nederland elk jaar een aantal funde-
ringsmachines omvalt oí verzakt. Het aantal gevallen is
zodanig dat er geen sprake meer kan zijn van enkele
incidenten. Vanuit de verantwoordelijkheid van iedere
bij een bouwproject betrokken part'tj dient daarom het
aantal ongevallen met funderingsmachines teruggebracht te worden. Hierbij geldt "nul ongevallen" als het
en ge acceptabele streefcijfer.
Aspecten zoals het creëren van een veilige bouwplaats,
de veilige inzet van funderingsmachines, maar ook de
veiligheid van de publieke omgeving van de bouwplaats, vallen buiten deze richtlijn. Daarvoor zijn andere
publicaties beschikbaar zoals CUR-Aanbeveling 114
'Toezicht op de realisatie van paalfunderingen' [20] en
de 'NVAF-richtlijn voor funderingswerk in de publieke
omgeving'[24].
1.2 Beschouwde situaties
i
Elke brj een funderingsproject betrokken partij
(opd rachtgever, hoofdaan nemer, funderingsaan nemer,
bevoegd gezag, (hoofd-)constructeur, geotechnisch
adviseur en veiligheidsdeskundige) heeft haar eigen
verantwoordelijkheid zoals is geborgd in het Arbobesluit. Het komt helaas nog wel eens voor dat één van
deze partijen haar verantwoordelijkheid op een andere
partij probeert af te schuiven.
Bedacht moet worden dat moderne funderingsmachines vaak zeer hoog zijn ten opzichte van de
grootte van het bouwterrein (zeker bij binnenstedel'tjke
projecten). Als zo'n machine omvalt, komt zij al snel
buiten de bouwplaats in het publieke domein terecht
met aanzienlijk risico van persoonlijk letsel. Al snel volgt
dan een onderzoek door Justitie, de Inspectie SZW de
Onderzoeksraad voor Veiligheid en/of de verzekeraar.
Vaak komt men er dan pas achter wat de oorzaken zijn,
hoe de aansprakelijkheden werkelijk liggen en wie de
gevolgen heeft te dragen.
Meestal worden in zo'n geval alle genoemde paftijen
gehoord.
Tegen deze achtergrond is de vraag ontstaan naar een
duidelijke en eenduidige richtlijn voor het ontwerpen
van een veilige en draagkrachtige werkvloer. Tot het
uitkomen van deze richtlijn werden verschillende
berekeningsmethoden gehanteerd met uiteenlopende
uitkomsten.
Om deze redenen heeft een commissie van SBRCURnet
getracht een duidel'rjk handvat voor het veilige ontwerp
van de werkvloer voor funderingsmachines op te
stellen, de leemte in kennis op te vullen en de bewustwording te vergroten. Er wordt een technische analyse
van de interactie tussen de belastingen uit de machine
en het draagvermogen van de ondergrond gegeven.
Ongevallen met funderingsmachines kennen meerdere
oorzaken. Het omvallen van de machines vormt daar
één van. Bij dit omvallen worden twee mechanismen
onderscheiden:
. Een machine kan omvallen omdat zij door haar
ontwerp en de daarop werkende belastingen
instabiel wordt. Dit wordt machine-instabiliteit
genoemd en ontstaat doordat de verticaal door het
overall-zwaartepunt voorbij de verticaal door de
kantell'rjn komt te liggen.
. Een machine kan ook omvallen doordat het draagvermogen van de werkvloer wordt overschreden.
Dit wordt funderingsinstabiliteit genoemd. Door het
verschuiven van het overall zwaarteount wordt het
effectieve oppervlak kleiner (zie hoofdstuk 4). BU
gelij kblijvende belastin gen neemt de fu nderi n gsspanning dan navenant toe. Wanneer deze spanning
groter wordt dan het funderingsdraagvermogen bezwijkt de werkvloer, met het omvallen of
wegzakken van de machine als gevolg.
In deze richtlijn wordt primair ingegaan op het aspect
van de funderin gsstabiliteit. De machinestabi liteit wordt
slechts zijdelings genoemd, alhoewel dit onderwerp
tevens onderwerp van nadere studie kan zijn.
Voor andere veiligheidsaspecten wordt verwezen naar
de recente publicaties "NVAF-richtlijn veilig hijsen bij
funderingswerkzaamheden" [23] en "NVAF-richtlijn voor
drijvend funderingsmaterieel" [27].
í.3
Beschouwde machines
Funderingsmachines zijn er in vele soorten en maten.
Dit kunnen gespecialiseerde machines zijn die voor
een bepaalde íunderingstechniek inzetbaar zijn of
meer algemeen inzetbare machines. Soms worden ook
hÍjskranen of graafmachines met een makelaar, trilblok
etc. als funderingsmachine ingezet. Als het om het
17
overbrengen van de belastingen uit de machine op de
werkvloer gaat, is vooral de wijze waarop (het middel
waarmee) de machine die belastingen op de werkvloer
1,4
overdraagt van belang.
In deze richtlijn komen zowel het ontwerp als de
In deze richtlijn zijn alleen beschouwd funderings-
realisatie van de werkvloer aan bod. De samenhang
hiertussen is groot. Daarom wordt de lezer geadviseerd
om de inhoud van heel deze richtlijn tot zich te nemen.
LeeSwijzer
machines of machines voor het aanbrengen van
verticale elementen, voorzien van een rupsonderwagen. Soms zijn deze machines voor extra stabiliteit Per hoofdstuk is een onderwerp behandeld:
Hoofdstuk 2 Veiligheidsfilosofie.
tevens voorzien van stempels. Ook zijn er funderings
.
Hoofdstuk 3 Terrein- en grondonderzoek.
machines die door middel van een rupsonderwagen
.
Hoofdstuk 4 Belastingen.
over het bouwterrein rijden, maar het funderingswerk
. Hoofdstuk 5 Draagvermogen.
als een volledig gestempelde machine uitvoeren.
. Hoofdstuk 6 Het bouwterrein.
. Hoofdstuk 7 Het Bouwterreincertificaat (BTC)
ln deze richtlijn zijn niet beschouwd machines voor
Nederland.
werkzaamheden in ruimtes met een beperkte werkhoogte, hijskranen en machines op een drijvend
' Btjlage A Literatuur.
. Br.llage B Grondeigenschappen volgens tabel 2.b uit
platform. Het spreekt voor zich dat ook bij deze
de Eurocode.
machines de veiligheid geborgd dient te zijn. Daartoe
kan de gebruiker in deze richtlijn zinvolle handreikingen . Bijlage C Rekenvoorbeeld voor de bepaling van de
funderingsbelastingen.
vinden.
. Bijlage D Rekenvoorbeeld voor de toetsing van
Met nadruk wordt aandacht gevraagd voor funderings- het gronddraagvermogen voor een machine op
werkzaamhedenwaarbijdefunderingsmachinetevens schotten.
. Bijlage E Bouwterreincertificaat (BTC) Nederland.
het lossen van palen, damwandplanken en dragline- . Bijlage F Logboek voor regelmatige inspecties van
bouMerreinen.
schotten. Aangezien er voor hijskranen en funderingsals hijskraan wordt gebuikt. Voorbeelden hiervan zijn
machines heel verschillende normenkaders met uiteenlopende uitgangspunten bestaan, dient een machine
soms (bij andere (hijs)werkzaamheden) volgens beide
kaders qetoetst te worden.
í8
Veiligheidsfilosofie
2.1 Inleiding
Bij het veilig gebruiken van een funderingsmachine
hoort dat deze niet omvalt of in de bodem wegzakt.
Dit geldt voor alle activiteiten (hijsen, zwenken, op-
Genoemde aspecten zijn te relateren aan de machine
en aan de terreinomstandigheden. De machinegerelateerde aspecten worden vertaald in belastingen
op de werkvloer (funderingsbelasting F ) en de terreingerelateerde aspecten in het draagvermogen van de
werkvloer (R). Uiteraard moet gelden'. F < R.
en aftoppen, rijden, etc.), maar ook voor het op- en
afbouwen en het tijdel'tjk buiten gebruik stellen, bijvoorbeeld tijdens een storm.
Funderingsmachines vallen om of verzakken wanneer
het totaal van de belastingen groter wordt dan
het draagvermogen van de bodem waarop z'tj zijn
opgesteld of waarover zij rijden. Per belastingsituatie
dienen alle belastingen die geli1.ktijdig kunnen optreden
tezamen beschouwd te worden.
N.B.
Ongevollen ten gevolge von het in zichzelf instobiel
worden vqn de funderingsmqchine (rigid body stobility)
worden getoefst conform de normen voor het ontwerp
von de mochine en vallen buiten het koder von deze
richtlijn.
Vaak wordt de configuratie van een funderingsmachine
specifiek voor een project samengesteld. Zo kunnen
de gieklengte en het ballastgewicht, maar ook het
heimiddel, de makelaar, het aggregaat etc., eenvoudig
gevarieerd worden. Ook kan bij sommige machines
het ballastblok hydraulisch uitgeschoven worden. Bij
bepaalde toepassingen komen daar nog de krachten
ten gevolge van het trekken van heibuizen, damwandplanken etc. b'rj. Door dit alles kunnen zowel de totale
belasting als de positie van het overall zwaartepunt van
de machine sterk variëren.
De belastingen worden door de onderwagen en/of
de stempels, eventueel via een schottenbed, op de
werkvloer afgedragen. Deze werkvloer bestaat vaak
uit een grondslag die sterk is geroerd (door sloopwerkzaamheden, leggen van kabels, leidingen, etc.)
of aangepast (door grondverbetering, dempen sloten,
bodemsanering, etc.). Hierdoor kunnen de sterkte en
de samendrukbaarheid van de grondslag waarop de
machine wordt opgesteld of waarover z'tj r'tjdt zelfs op
korle afstand sterk variëren. Ook kunnen de opstelposities en r'ljwegen een helling hebben (ten behoeve
van afwatering, overbruggen van hoogteverschillen,
zettingsverschi llen, terrei nonvlakheid etc.) of worden
machines b[j een talud of damwand opgesteld. Al deze
aspecten kunnen een ongunstig effect op de veiligheid
van de machine-opstelling hebben.
We zien dus dat zowel de funderingsbelasting als het
funderingsdraagvermogen aan onzekerheden onderhevig zijn. Voor een veilige inzet van de machine dient
bij de stabiliteitsbeschouwing, bij zowel de funderingsbelasting als het funderingsdraagvermogen, een
onzekerheidsmarge in acht te worden genomen.
Aangezien absolute zekerheid niet mogelijk is, zullen
ondanks deze marges een kans op instabiliteit van de
machine en de gevolgen daarvan in termen van leed,
geld en tijd geaccepteerd moeten worden.
N.8.1
De onzekerheidsmorge dient om de funderingsmqchine
met voldoende zekerheid veilig te kunnen bedienen.
Deze morge kqn en mog niet gebruikt worden om de
belastingen of het droogvermogen op vereenvoudigde
wijze of met verminderde nouwkeurigheid te bepalen.
N.8.2
Bij het opstellen en in gebruik hebben van een
funderingsmochine dient zowel oon het Arbobesluit ols
oon de Mochinerichtlijn te worden voldoon. Doorom is
deze veiligheidsbeschouwing zoveel mogelijk op de
vigerende normen en richtlijnen geboseerd.
19
2.2 Veiligheidsbeschouwing
2.2.1 Veiligheidsbeschouwing
hijskranen en funderingsmachi nes
Bij het beschouwen van de stabiliteit van een
funderingsmachine doet zich het probleem voor
dat de veiligheidsbeschouwingen voor het ontwerp
en gebruik van de machine en het ontwerp van de
werkvloer niet op elkaar aansluiten. Daarnaast worden
door beide vakgebieden voor vergelijkbare aspecten
soms verschillende begrippen en symbolen gebruikt.
N.B.
Noor verwqchting hebben de lezers von deze richtlijn
over het olgemeen meer een civiele of bouwkundige
don een mochinebouwkundige offiniteit. Doarom wordt
hier zoveel mogelrjk bij het begrippen- en symbolenkoder vqn de Eurocode oonqesloten.
In de volgende paragrafen wordt eerst op de verschil-
len tussen beide beschouwingen ingegaan. Vervolgens
wordt een voorstel gedaan waarmee in deze lacune
wordt voorzien, om te kunnen voldoen aan het in het
Arbobesluit en de Machinerichtlijn beoogde veiligheidsniveêu.
nn
In Europa kennen we verschillende normen voor het
ontwerp van hijskranen en funderingsmachines. Voor
hijskranen zijn er de normen uit de NEN-EN 13000- en
13OO1-series. Voor boor- en funderingsmachines kennen
we de normen van de NEN-EN'16228-serie. Voor de
berekening van de machinestabiliteit hebben deze
normen heel verschillende benaderingen.
In de normen voor hijskranen wordt uitgegaan van
een evenwicht van de momenten uit de belastingen
ten opzichte van de kantellijnen (figuur 2J). Voor
elk onderdeel van de machine, de hijslast en de
dynamische belastingen wordt een partiële belastingfactor in rekening gebracht.
De stabiliteit van een funderingsmachine wordt volgens
de NEN-EN 16228-serie [11 - 13] bepaald aan de hand
van de kantelhoek (hoek waarover de machine moet
kantelen alvorens instabiel te worden). Uitgaande van
representatieve belastingen (dus zonder belastÍngfactoren) dient aan een minimum kantelhoek te worden
voldaan (zie 2.2.3\.
nl'll,l
RN
n
f''
ll\/ll
lillil
lrllrl
HÉI
I
U",
t
a.
,'
,;l|
\/
\/
a
.El.
kantelllfnen b[ een
kantelllJnen b[ een
kantellflnen b[ een
machlne op rupsên
machlne op rupsen met
een geactlveerd stempel
machlne op rupsen met
een stempel dat zodanlg ls
geactlveord dat de rupsen
deels worden gellcht
F crL;r 2-1 Kante ilnen
N.B. dczc figuur gcldt indicn B > 2"
20
N.B.
ln veel sltuotles mog er von uit worden gegaan dot de
mochine, inclusief de schotten, enkele centimeters in
de werkvloer zol wegzokken, zonder dot de funderings-stabiliteit van de mqchine in gevoor komt. ln
zulke situaties mog men veronderstellen dqt het gehele loopvlok von de rupsen droogt en dot de kontellijnen
met het hort von de drijf- en sponwielen sqmenvqllen.
2.2.2 Machinestabiliteit en
fu nderin gssta bi liteit
In de normen voor hijskranen en funderingsmachines
wordt onder stabiliteit de zekerheid tegen het omvallen
van de machine verstaan. Daarbij gaan deze normen
er expliciet vanuit dat de werkvloer zo sterk en stijf is
dat dit geen invloed op de machinestabiliteit heeft. Ook
wordt b'rjvoorbeeld de oneffenheid of vervorming van
de werkvloer op de machinestabiliteit niet beschouwd.
Deze richtl'rjn behandelt de begaanbaarheid van het
bouwterrein voor funderingsmachines. Alhoewel de
machinestabiliteit, zoals hierboven aangeduid, een
belangrijk onderdeel van de veiligheid op de bouwplaats vormt, valt zij buiten het kader van deze richtlijn.
Fu nderingsstabiliteit
het met voldoende zekerheid voorkomen dat een
funderingsmachine omvalt of in de werkvloer wegzakt als gevolg van het overschrijden van de draagvermogen van de werkvloer.
Uit het voorgaande blijkt dat er heel verschillende
veiligheidsbeschouwingen zijn voor hijskranen en
funderingsmachines. Deze wijken op hun beuft
weer sterk af van de veiligheidsbeschouwing voor
fu nderin gsstabil iteit.
Men dient zich tevens te realiseren dat de belastingen
uit de machine bij de toets van het funderingsdraagvermogen veel groter zijn dan bij de toets van de
machinestabiliteit. lmmers bij de beschouwing van
de machinestabiliteit krijgen de gunstig werkende
belastingen een belastingfactor y6.6 < 1,0. Bij de
beschouwing van de funderingsbelastingen bedraagt
deze factor bij alle belastingcomponenten yu > 1,0.
2.? 3 Veiligheidsbeschouwing
funderingsmachines
Voor funderingsmachines schrijft [11] minimum kantelhoeken voor. Andere stabiliteitscriteria geeft deze
norm niet. De kantelhoek is de hoek die de machine
kan overhellen voordat de verticaal door het overall
zwaartepunt voorbij de verticaal door de desbetreffende kantellijn komt te liggen (figuren 2-1 en2-2).
Bij het passeren van de kantellijn zal de funderingsmachine omvallen, ongeacht het draagvermogen en de
vervormingen van de werkvloer.
Machinestabiliteit
het met voldoende zekerheid voorkomen dat een
funderingsmachine omvalt als gevolg van het overschrijden van het momentenevenwicht van de
machine, inclusief de momenten ten gevolge van
de hijslast en de overige statische en,dynamische
belastingen.
Bij de beschouwing van het draagvermogen van de
werkvloer worden de belastingen op de werkvloer
conform de Eurocode met belastingfactoren y6,6
vergroot ( Fc = F.ep * yo;o ). Daarnaast wordt het
draagvermogen met materiaalfactoren yM verkleind
(R6 = R,"p / yy ).
Voor de onderscheiden belastingen en de parameters die samen de bodemdraagkracht bepalen, zijn
partlële belasting- en materiaalfactoren van toepassing.
Uiteraard moet gelden: F6 < R6. De tabellen 4.1 en 5l
geven de van toepassing zijnde partiële belasting- en
materiaa lfactoren.
Fiqrrrr 2 rl Voíf l\r,/aaltse en achterr,v.rirrtse staa iiÊ
1
21
N.B.
Bij een funderingsmqchine met een zwaqrtepunt
dot hoog ligt in verhouding tot de ofstond tussen
de kontellijnen, neemt bij het ochterover brengen
von de mokeloqr de voorwoarÍse sfobiliteit toe. De
ochterwoortse stobiliteit neemt doorbij novenant of
(fíguur 2.3). Doorom kon brj een rustende mochine
de mokelqqr niet zonder meer qchterover gebrocht
worden. Vergelijkbore situoties kunnen zich bij het
op- en ofbouwen von de mochine voordoen.
verkleinen met een partiële materiaalfactor
yrvr ( Rc = R,epl yM ). Er dient voldaan te worden aan:
Fa < Rc.
Ontwerpbenadering 3 is erop gebaseerd dat met het
in rekening brengen van de paftiële belasting- en
materiaalfactoren een voldoende veiligheidsniveau
ontstaat. De Eurocode beperkt zich tot het ontwerp
van bouwkundige en civiele constructies. Zij is niet van
toepassing op de machine- en kranenbouw.
In deze richtlijn wordt de werkvloer waarop de funde-
:.2"4 Veiligheidsbeschouwing bij het
ontwerpen volgens de Eurocode
Het fu nderin gsontwerp (draa gvermogen en zetti ngsgedrag) van de werkvloer wordt op Eurocode 7 [9]
gebaseerd.
Br.1
het bepalen van het funderingsdraagvermogen
worden de volgende mechanismen getoetst:
. Het draagvermogen van de grond, te berekenen als
een fundering op staal.
. lndien binnen de door de machine belnvloede
.
.
diepte samendrukbare lagen voorkomen, dient
tevens een zettingsberekening gemaakt te worden.
Als de machine aan de hoge zijde van een talud
wordt opgesteld, dient de taludstabiliteit te worden
getoetst. Ter indicatie kan viermaal de schotlengte
(gemeten vanuit zijkant schotten tot de kruinlijn van
het talud) worden aangehouden. Bedacht moet
worden dat deze afstand veel groter is dan het
"gevoel" dat velen hierbij hebben.
Als de machine aan de hoge zijde van een damwand
of een grondkerende constructie wordt opgesteld,
dient de stabiliteit van die wand met een berekenino
te worden aangetoond.
N.B.
Bij longdurige stilstond van de mochine (bijv.
gedurende de bouwvqkvokontie) dient tevens een
zettingsberekening te worden gemaakt, indien binnen
de door de mochine beinvloede diepte somendrukbore
logen voorkomen.
In Nederland wordt Ontwerpbenadering 3 van de
Eurocode gebruikt (ook wel bekend als de methode van
de partiële factoren). Hierbr.l wordt de onzekerheid bij
de berekening van de belastingen verdisconteerd door
de belastingen ( F."p )te verhogen met een partiële
belastingfactor /G;o ( Fa = F ep - ye:o ). Evenzo wordt
de onzekerheid b'rj het bepalen van het draagvermogen
in rekening gebracht door de sterkteparameters te
22
ringsmachine wordt opgesteld als een fundering op
staal in de zin van Eurocode 7 beschouwd. Daarmee
zijn de belastingfactoren uit de Eurocode ook voor
de toets van de funderingsstabiliteit van toepassing.
Voor de verschillende componenten van de belasting
en het draagvermogen zijn parliêle factoren gedefinieerd (tabellen 4.1 en 5.1).
Bij de berekening van de talud- en damwandstabiliteit wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen
de gevolgklassen RC1, RC2 en RC3. Hiermee wordt het
veiligheidsniveau afgestemd op de gevolgen van een
eventueel ongeval (zie tabel 81 van [9]):
RC1:
Gering risico ten aanzien van het verlies van mensenlevens, of kleine of verwaarloosbare economische
gevolgen, sociale gevolgen of gevolgen voor de
omgeving; voorbeeld: gebouwen voor de landbouw
waar mensen normaliter niet verblijven (opslagschuren,
tuinbouwkassen, etc.).
H.L2"
Matig risico ten aanzien van het verlies van mensenlevens, aanzienlijke economische gevolgen, sociale
gevolgen of gevolgen voor de omgeving; voorbeeld:
woon- en kantoorgebouwen, openbare gebouwen waar
de gevolgen van bezwijken beperkt zijn.
RC3:
Groot risico ten aanzien van het verlies van mensenlevens, of zeer grote economische gevolgen, sociale
gevolgen of gevolgen voor de omgeving; voorbeeld:
tribunes, openbare gebouwen waarbij de gevolgen van
het bezwijken groot zijn (br1v. een concertzaal).
Afgezien van deze omschrijvingen en het geven van
enkele voorbeelden laat de Eurocode de indeling
in gevolgklassen aan de gebruiker (en het bevoegd
gezag). Zij noemt geen aantallen mensenlevens,
geldbedragen of andere meetbare criteria. Gezien de
2"2.6 Veiligheidsbeschouwing en
geometrische aspecten
genoemde voorbeelden is voor funderingsmachines
normaliter gevolgklasse RC2 van toepassing.
Naast de grootte van de funderingsbelasting en het
funderingsdraagvermogen zijn er ook onzekerheden in
de geometrie en maatafwijkingen van de funderingsGevolgklossen zijn von invloed op de berekening van
machine, de opstelling van de machine, de hijslast
de stobiliteit van toluds en domwonden. Zij zijn niet
von invloed op de berekening von het droogvermogen en het funderingsvlak. Deze onzekerheden dienen
van een fundering op stool. Ook de kroongerelateerde op adequate w'tjze in de veiligheidsbeschouwing te
N.B. 1
normen kennen geen onderscheid in gevolgklossen. worden meegenomen.
N.B. 2
De funderingsmachine-gerelateerde normen geven
voor de in deze richtlijn behandelde machines geen
De vqn toepossing zijnde risicoklosse dient bepoold te
worden oon de hqnd von de locatie en de omstondig- aanwijzingen over hoe deze onzekerheden in het
ontwerp verdisconteerd dienen te worden.
heden von het project, en rekening houdend met de
omschrijvingen van de risicoklqssen RCl, RC2 en RC3.
Een funderingsmochine die op een grote zondvlokte
staqt heeft bijvoorbeeld een onder risico profiel wot
betreft de impoct op de omgeving dan een mochine
die in de binnenstod noost een drukke weg stoat
opgesteld.
N.A.
Als uitzondering op deze algemene regel geeft [1O]
rekenregels voor het bepolen vqn de stootbelostingen
op de hijskronen met rupsen ols gevolg vqn het over
een oneffen terrein of schottenboon riiden.
Zo is voor de funderingsmqchine die op deze grote
zondvlqkte wordt opgesteld klosse RCI von toepossing. De Eurocode schrijft voor dat de onzekerheden in de
geometrie van de belastingen en de draagconstructies
Doorentegen zol klqsse RC2 von toepossing zijn,
in de berekeningen beschouwd moeten worden.
ook op de zqndvlqkte, voor /ocoties woorbij binnen
Daartoe dienen de geometrische eigenschappen
het volbereik von de mochine bijvoorbeeld een doorgoonde weg, een voetgangersgebied, een openboor- (afmetingen) in ongunstige zin vergroot of verkleind te
worden ( Lo = Lrei +l- At).Zo ontstaan rekenwaarden
veruoersverbinding of bebouwing oonwezig is.
van de geometrische eigenschappen, waarmee de stabiliteit met voldoende zekerheid kan worden berekend.
De Eurocode geeft geen waarden voor Á1.
?"2"5 Veiligheidsbeschouwing bij het
ontwerpen volgens BR 470
Enkele voorbeelden van geometrische afwijkingen van
de belastingen zijn:
Het Engelse Building Research Establishment heeft
. Meer aftoppen omdat een paal iets verder van de
onder nummer BR 470 [17] een eigen methode voor
funderingsmachine geplaatst moet worden.
het ontwerp van werkvloeren voor onder andere
. De machine iets verder van de paal opstellen
funderingsmachines gepubliceerd. Deze methode
wegens een plaatselijk slechtere plek.
is alleen geschikt voor machines op een rupsonder.
Verschuiving van het zwaartepunt door een niet
wagen, die zonder het gebruik van schotten direct op
de werkvloer worden opgesteld. De methode kenmerkt zuiver horizontaal of vlak afgewerkt maaiveld.
zich door eenvoud en door een vrij brede acceptatie in
Enkele voorbeelden van geometrische afwijkingen van
het Verenigd Koninkrijk.
de machinefundering zijn:
. Het niet zuiver centrisch op het schottenbed
Wel kent de methode volgens BR 470 enkele
opstellen van de funderingsmachine.
beperkingen . Zo is zij niet geschikt voor slappe
.
gronden. Ook kent zij een eigen veiligheidsfilosofie,
Het grondwater staat hoger dan gedacht.
.
De machine komt dichter dan voorzien bij een talud.
waardoor zij niet eenduidig is te vergelijken met een
. Het talud is steiler of hoger dan voorzien.
ontwerp op basis van partiële factoren.
In tegenstelling tot de onzekerheid bij de belastingen
en het draagvermogen, geeft de Eurocode geen
marges of partiële factoren voor het in rekening
brengen van de geometrische onzekerheden. Daarmee
23
is het aan de ontwerper om deze zo in te schatten dat
de stabiliteit van de funderingsmachine met voldoende
zekerheid wordt bepaald.
3.?"7 Geï'ntegreerde
veiligheidsbeschouwing
Ui|2.2.2 volgt dat funderingsmachines niet onder de
Eurocode vallen, maar het ontwerp van de opstelplaats
voor funderingsmachines wel. Daarmee kunnen de
belastingen uit de machine niet zonder meer met de
partièle belastingfactoren uit de Eurocode bepaald
worden. Er ontstaat dus een uitdaging om twee veiligheidsbeschouwingen, die niet op elkaar zijn afgestemd,
met elkaar in overeenstemming te brengen.
ln 2.2.4 wordt voorgesteld om de belastingen uit de
funderingsmachine als een belasting op de werkvloer te
beschouwen. De rekenwaarden van deze belastingen
worden met de belastingíactoren in de Eurocode
bepaald. Op deze wijze wordt een veiligheidsniveau
gecreëerd dat voldoet aan de bedoeling van het
Arbobesluit en de MachinerichtlUn. Door dit veiligheidsniveau met berekeningen en tekeningen aantoonbaar
en navolgbaar te maken, ontstaat een dossier dat van
groot belang kan blijken bij de afwikkeling van een
onverhoopt ongeval of -bijna ongeval.
2"3 Te beschouwen situaties
In deze richtlijn worden de in het funderingsbedrijf
meest gangbare typen funderingsmachines beschouwd.
Men dient zich ervan bewust te zijn dat niet alleen
de situatie voor een werkende funderingsmachine
beschouwd moet worden.
Uit [11] zijn de volgende situaties afgeleid om
beschouwd te worden voor de platformstabiliteit:
1. Machine tijdens het op- en afbouwen.
2. Machine in bedrijf-, werkend staand op of rijdend
over het bouwterrein.
3. Machine rustend bij een stormbelasting.
ad2.
In tegenstelling tot mobiele kranen (die hun stabiliteit
aan stempels ontlenen) kunnen sommige funderingsma-
chines en andere typen machines op rupsen ook rijden
met een hijslast. Sommige rupskranen kunnen zelfs al
rijdend zwenken, hijsen en op- en aftoppen. In de stabiliteitsbeschouwing dienen al deze situaties beschouwd
te worden, aangezien meestal niet vooraf duidel4k is
welke belastingsituatie maatgevend is.
24
De veiligheidsbeschouwing in deze richtlijn is
gebaseerd op de in het funderingsbedrijf meest
gangbare machineconfiguraties. Ook b11 het opstellen
van een werkplan waarbij funderingsmachines met
bovenstaande of nog andere configuraties worden
toegepast, dient de gebruiker zich ervan te vergewissen dat een veiligheidsniveau wordt gecreëerd dat in
alle belastingsituaties aan de wettelijke en normatieve
eisen voldoet.
Van de hier niet beschouwde configuraties wordt
expliciet genoemd de werkwijze waarbij een tweede
machine of een hulpkraan wordt gebruikt om een
paal of plank op de makelaar te leggen c.q. onder de
funderingsmachine te brengen. In zo'n geval dient de
stabiliteit van deze machines zowel afzonderlr.lk als
tezamen beschouwd te worden. Deze richtlUn gaat
hier niet verder op in. Het is aan de ontwerper om ook
hiervoor een veilige werkwijze te bepalen.
Het komt in de praktijk nogal eens voor dat op het
laatste moment een andere machine dan eerder
voorzien wordt ingezet of dat de funderingsmachine
met een andere configuratie wordt uitgerust. De inzet
van een andere funderingsmachine of configuratie
vereist dat de machinestabiliteit opnieuw getoetst moet
worden. Alleen dan blijkt of ook in de nieuwe situatie
het vereiste veiligheidsniveau bereikt wordt. Anderzijds
kan blijken dat het ontwerp van het bouwterrein alsnog
êangepast moet worden.
Terrein- en grondonderzoek
3l
Doel van het onderzoek
Normaliter wordt voor het ontwerp van paalfunderingen, damwanden, diepwanden, drainage-elementen
etc. een grondonderzoek uitgevoerd, zodat een goed
beeld van de bodemopbouw wordt verkregen. De
aandacht van dat onderzoek is echter vooral op de
diepere niveaus (funderingsgrondslag) gericht.
In tegenstelling tot funderingen werken de belastingen
uit een funderingsmachine slechts enkele meters
diep. Nagegaan moet worden of het grondonderzoek
ook voor het ontwerp van de werkvloer voldoende
gegevens heeft opgeleverd. Ook moet er rekening mee
worden gehouden dat sondeerresultaten niet of niet
eenduidig interpreteerbaar zijn a) boven de grondwaterstand, b) in de bovenste 0J5 m beneden maaiveld of
c) de diepte waarover is voorgeboord of voorgegraven.
Deze gegevens worden in grondprofielen (rekenprofielen) verzameld en vastgelegd. Het aantal
profielen voor een bouwlocatie moet zUn afgestemd
op de variatie in de grondopbouw en grondeigenschappen. In ieder geval moeten de maatgevende (slechtste)
situaties beschouwd worden.
Voor de berekeningen zijn per profiel en per
bodemlaag de volgende grondeigenschappen
benodigd:
. Laagdikte en niveau van de laagscheidingen.
. De grondwaterstand (zie 3.3).
. Hoek van inwendige wrijving.
. Schijnbare cohesie.
. Ongedraineerdeschuifsterkte.
. Samendrukkingseigenschappen.
. Volumiek gewicht (nat en droog).
De grondmechanische parameters kunnen in het
Ook de vlakheid, de verharding en de ontwatering van
het terrein zijn belangrijke parameters voor het ontwerp
van een stabiele werkvloer. Tevens moet worden
nagegaan of er in de bodem obstakels aanwezig zijn
die de veilige inzet van een funderingsmachine kunnen
beperken of verhinderen.
laboratorium met proeven op ongeroerde monsters
bepaald worden. Vaak kan worden volstaan met de
waarden die in het funderingsadvies zijn gebruikt. Als
het advies deze parameters niet bevat, geeft tabel 2.b
in [9] (conservatieve) waarden.
In deze tabel zljn de parameters gerelateerd aan een
N.B.
Het ontwerpen van de werkvloer begint met het
Íoetsen von de bestoonde situotre. lndien de
funderingsmochine in die situotie, zonder oonpossingen, veilig opgesteld kqn worden, dient dqt met
metingen en berekeningen aangetoond te worden.
Als het terrein- en grondonderzoek niet voldoende
gegevens bevat voor het ontwerp van de werkvloer
of als het onderzoek niet ter olaatse van de machineopstelplaatsen is uitgevoerd, is een aanvullend
onderzoek nodig.
3.2 Grondmechanischonderzoek
3.21 Grondopbouw en
grondeigenschappen
Voor de grondmechanische berekeningen (5.2.1,
5.2.2 en 5.2.3) dienen de dikte, de samenstelling en
de eigenschappen van de grondlagen bekend te
zijn. Hiervoor wordt een grondonderzoek uitgevoerd
De laagscheidingen worden b'rj voorkeurt.o.v. NAP
gemeten.
effectief spanningsniveau van 100 kPa. Dit betekent dat
voor de beschouwing van de eigenschappen van grind,
zand en in beperkte mate voor leem en sterk zandige
klei, bij een ander spanningsniveau de gemeten Co,.
moet worden geconverteerd naar een equivalente
waarde op een spanningsniveau van 1OO kPa. Bijlage B
beschrijft de wijze van omrekenen.
N.8.
Tqbel 2.b von [9] geeft conservotieve wqqrden voor de
in Nederlqnd oonwezige grondsoorten. ln het buitenlond komen grondsoorÍen voor met een heel onder
grondmechonisch gedrog. Dqorom kon deze tobel
niet zonder meer voor projecten in het buitenlond
toegepost worden.
3.2.2 Omvang van het grondonderzoek
De omvang van het grondonderzoek (afstand tussen
de onderzoeksplaatsen) dient zodanig te zUn dat met
zekerheid gesteld kan worden dat slechte plekken in de
bodem gedetecteerd zijn. Aangezien de variatie in de
bodemopbouw groter is en vaker voorkomt naarmate
zij zich dichter onder de oppervlakte bevindt (invloedsgebied van de machine), kan er geen minimum aan de
omvang van het onderzoek gesteld worden.
25
Als indicatie voor het geval van een homogene ondergrond, zonder opgevulde sloten, kelders, etc., kan
een afstand tussen de grondonderzoekspunten van
maximaal 3O m worden aangehouden, mits tussen die
punten handsonderingen of dergel'rjke tot ca. 1,0 m- mv.
in een raster van 1O x 10 m2 worden uitoevoero.
Wanneer een werkvloer of grondverbetering wordt
aangebracht, dient van elke aanvullaag het toegepaste
materiaal en de verkregen verdichting gecontroleerd te
woroen.
B'rj het heien van palen wordt de funderingsmachine
overwegend in het palenveld opgesteld. Hier kan vaak
met het beschikbare grondonderzoek worden volstaan.
Bij andere funderingswerken kan de machine buiten
het werkveld staan. Dit kan Ínhouden dat er geen
grondonderzoek ter plaatse van de opstelplaatsen is
uitgevoerd. In dat geval is een aanvullend grondonderzoek nodig tenzu er voldoende andere gegevens van
Er resteert dan vooral het bepalen van de aard van
de grondopbouw (dikte en samenstelling van de opvolgende grondlagen). Voor een economisch verantwoord
onderzoek komen met name de volqende technieken in
aanmerking:
. Elektrische sondering met meting van de plaatselijke
wrijving: de grondopbouw beneden de grondwaterstand is goed interpreteerbaar. Sonderingen zonder
meting van de plaatselijke wrijving en mechanische
sonderingen komen niet in aanmerking.
. Handboringen: hiermee is de grondopbouw ook
boven de grondwaterstand goed interpreteerbaar;
het dieptebereik is beperkt tot ca. 4 à 5 m- mv.
(afhankelijk van grondsoort en ligging grondwater-
stand).
. Handsondeerapparaat:hiermeekunnen
.
het gebied beschikbaar zijn.
3.2.3 Diepte van het grondonderzoek
De diepte van het grondonderzoek dient afgestemd
te zijn op de dieptewerking van de belastingen uit de
funderingsmachine. Tabel 3J geeft hiervoor enkele
vuistregels.
.
sonderingen worden gemaakt tot ca. 3 meter
diepte, afhan kelijk van li g gin g g rondwatersta nd
en sterkte grondslag.
Penetrologger: geeft een goede indicatie van de
verdichting van de werkvloer of grondverbetering;
het dieptebereik bedraagt 0,8 m- mv., dit apparaat is
heel geschikt voor het beproeven van de afzonderlijke lagen van een grondverbetering of werkvloer.
Vane-tester: hiermee kan in-situ tot ca. 2 m- mv. de
on ged ra neerde schu ifsterkte gemeten worden.
i
3.3 Het grondwater
Talrel 3.1 Vuistr eqÈ s voor de nrlri 'f um onclÉrzoeksclrepte
bij he.t onïwerper van een r.rerkv oe
3.3.1 De grondwaterstand
Op een horizontaal maaiveld
1,5 x de rupslengte
Aan de hoge zijde van een talud 3,0 x de taludhoogte
3.2.4 Grondonderzoekstechnieken
Voor het maken van de geotechnische berekeningen
zijn grondmechanische parameters nodig. Deze kunnen
met behulp van laboratoriumproeven bepaald worden.
Hiervoor zijn ongeroerde grondmonsters nodig die met
grondboringen kunnen worden genomen.
Bij de relevante geotechnische mechanismen (zie 5.2.1,
5.2.2 en 5.2.3) heeft het grondwater een In verhouding
grote invloed op het draagvermogen van de grond.
Over het algemeen geldt dat het draagvermogen of
de stabiliteit bij een hogere grondwaterstand (sterk)
afneemt. Omdat de grondwaterstand op de meeste
locaties aan wisselingen onderhevig is (neerslag,
seizoenen, etc.), is vooral de hoogste stand van belang.
Het vaststellen van de maatgevende grondwaterstand
is niet altijd eenvoudig. Meerdere aspecten kunnen
hier een rol spelen. Daarom wordt geadviseerd om het
advies van een geohydroloog in te roepen.
Echter, in veel gevallen kan bij het ontwerpen van de
werkvloer worden volstaan met rekenparameters uit het
funderingsadvies of met waarden uit tabel 2.b van [9]
(zie ook 3.2.1).
26
I
3.3.2 Beheersing van de grondwaterstand
en opvang van de neerslag
Het kan voorkomen dat het grondwater zo dicht bij het
maaiveld of de bouwputbodem staat, dat de bodem
het benodigde draagvermogen niet kan leveren. In dat
geval kan de grondwaterstand met een bemaling of
een drainage verlaagd worden. Dit vereist een gedegen
onderzoek en advies, vooral wanneer de bemaling of
drainage alleen ten behoeve van het opstellen van
een funderingsmachine wordt uitgevoerd. In dergelijke
gevallen nemen de kosten van het funderingswerk flink
toe.
Nagegaan moet worden of met de bemaling, in
combinatie met andere bemalingen voor hetzelfde
werk of werken in de omgeving, een vergunningsgrens
wordt overschreden. Tevens moet erop gelet worden
dat de uitvoering van het funderingswerk niet door de
bemaling of de drainage kan worden gehinderd.
Voor het beheersen en afuoeren van neerslag kan het
nodig zijn om eisen aan de waterdoorlatendheid van
de werkvloer te stellen. Hier wordt in hoofdstuk 6 op
teruggekomen. Het graven van greppels of sloten of
het leggen van drains kan soelaas bieden. Ook hierbij
verdient het aanbeveling om een geohydroloog te
raadplegen.
3.4 Obstakels en afwukingen
in de bodem
3.4.1 Historie van de bouwlocatie
Naast de bodemoobouw kunnen ook allerlei ondergrondse obstakels een grote en ongewenste invloed
op de machinestabiliteit vormen. Gelet op de veelheid
van mogelijke obstakels is een volledig overzicht niet
mogelijk. Hier volgen slechts enkele voorbeelden om
op de mogelijke gevolgen voor de machinestabiliteit
te wuzen en de noodzaak van een hierop gericht
onderzoek te onderstreoen.
werkplan is aangegeven, waarbij niet beschouwde
terreindelen worden bereden.
Het "verleden" van een terrein kan tot grote verrassingen leiden, omdat in de bodem verborgen zaken
vaak niet aan de oppervlakte zichtbaar zijn. Bij het
aanvragen van een bouwvergunning is historisch
bodemonderzoek meestal verplicht. Daarbij kan naast
de milieuhygiënische aspecten ook informatie over
vroegere activiteiten op het terrein beschikbaar komen,
zoals oude putten, gedempte sloten of grachten, (deels)
gesloopte bebouwing en dergelijke. Omdat deze zaken
van invloed kunnen zijn op de machinestabiliteit, is dit
onderzoek van groot belang.
3.4.2 Gedempte sloten, watergangen
en dergeluke
Gedempte sloten en watergangen vormen een groot
risico voor de stabiliteit van de funderingsmachine,
vooral wanneer ze met losse en slecht verdichte grond
zijn aangevuld. Menige machine is hierdoor omgevallen. Ook kleine ontgravingsputten of proefsleuven
kunnen een behoorl'rjk risico opleveren. De stabiliteit
komt vooral in gevaar wanneer de machine met één
van de rupsen op de slechte plek staat of erover rijdt.
De geografische opbouw van de bodem geeft inzicht in
mogelijke aanwezigheÍd van oude rÍvieren en geulen.
Door het meanderen kunnen op korte afstanden grote
verschillen in opbouw en stijfheid van de bodem zijn
ontstaan. Hoogteverschillen in het landschap kunnen
op een wisselende bodemopbouw wijzen: slappe lagen
klinken meer in dan zanderige rivierafzettingen.
Provinciale Atlassen en oude Topografische Kaarten
kunnen waardevolle informatie over de ligging van
oude sloten en watergangen leveren. Dit is vooral van
belang in uitbreidingsgebieden en voormalige herverkavelingen; het maaiveld geeft hier vaak nauwelijks
informatie over de vroegere terreininrichting.
Al met al vormen gedempte watergangen e.d. zo'n
wezenlijk veiligheidsrisico bij het inrichten van het
bouwterrein, dat hier bijzondere aandacht aan besteed
moet worden.
Zelfs als de positie van obstakels bekend is, kunnen
zij voor problemen zorgen. Zo moeten soms onvoorziene manoeuvres uitgevoerd worden. Voorbeeld:
in de hectiek van het werk (en een tekort schietende
kwaliteitsborging) kan het logisch lijken dat een
machine eventjes een andere ruroute volgt dan in het
27
3.4.4 Voormalige bebouwing,
damwanden, tanks en dergelijke
Gesloopte bebouwing kan tot ongelijke stijfheden van
de ondergrond leiden. Het is niet alttld duidellk of alles
daadwerkelijk is verwijderd, of dat er nog keldermuren,
funderingsresten, etc. in de bodem zijn achtergebleven.
Ook functieloos geworden damwanden en íunderingspalen worden vaak op korte afstand beneden het
maaiveld afgebrand of gesneld en in de bodem achtergelaten. Als de machine met één rups op deze funderingsresten, damwanden, etc. staat of erover rijdt,
en met de andere rups op maagdelijk terrein, kan de
machine gevaarlijk scheefzakken en omvallen.
3.4.3 Kabels en leidingen
in de ondergrond
Ondergrondse kabels en leidingen kunnen de machinestabiliteit ongunstig beïnvloeden. Het tekort aan draagvermogen kan het gevolg zijn van de kabel of leiding
zelt maar ook van het niet adequaat aanvullen en
verdichten van de sleuf. Bovendien bestaat het risico
op beschadiging van ondergrondse infrastructuur.
Of de kabels, leidingen, etc. wel of niet functieloos
zijn gesteld, is voor de machinestabiliteit vaak niet van
invloed.
Bij een goede werkvoorbereiding hoort een KLICmelding. Deze geeft echter geen overzicht van
alle ondergrondse obstakels. Zo worden kabels en
leidingen op particulier terrein en huisaansluitingen
vaak niet vermeld, evenals rioleringen, afgekoppelde
systemen, etc. Men kan dus niet alleen op de KLICgegevens "blind varen", controle van deze gegevens
blijft nodig. Funderingsbedrijven werken veelal met een
verklaring 'kabel- en leidingvrij tracé', af te geven door
de aannemer of de opdrachtgever.
Normaliter mag verondersteld worden dat de ondergrondse nutsvoorzieningen ter plaatse van het bouwteÍrein functieloos zijn gesteld. Maar men moet er op
bedacht zijn dat de funderingsmachine bij sommige
werkzaamheden net naast het werk staat, bijv. bij het
installeren van damwanden of beschoeiingen. Ook op
deze opstelplaatsen is controle op de aanwezigheid
van kabels, leidingen en dergelijke nodig.
2A
Ook wanneer alle bouwresten volledig zijn verwijderd,
kunnen lokale draagkrachtverschillen ontstaan. Zo
worden bij het slopen van kelders, kruipruimten en
dergelijke, de resterende gaten regelmatig niet met
draagkrachtig materiaal aangevuld, of onvoldoende
verdicht.
In de bodem achtergebleven funderingen, kelder-
muren, damwanden, etc. kunnen ook op andere
wijze een risico vormen. Ze kunnen namelijk onder
het gewicht van de funderingsmachine bezwijken of
afbreken met een reêle kans oD het omvallen van de
machine tot gevolg. Ook dit risico moet reden zijn om
dit soort obstakels vooraf te verwijderen, of in ieder
geval goed in beeld te brengen en op het maaiveld te
"verklikken". Vergelijkbare problemen kunnen zich bij
ondergrondse tanks voordoen. Deze behoren vooraf
milieukundig gesaneerd te zijn. In sommige gevallen is
bij het saneren volstaan met schoonmaken en vullen
met zand. Wanneer een tank onder het gewicht van de
funderingsmachine bezwijkt, is de kans groot dat de
machine als gevolg daarvan omvalt.
3.4.5 Andere in de bodem verborgen
veiligheids- en gezondheidsrisico's
B'lj funderingswerken worden palen, damwandplanken
etc. met veel energie in de bodem gebracht. Als daarbij
in de bodem onder spanning staênde kabels, in bedrijf
z'ljnde leidingen, niet gesprongen explosieven etc.
worden geraakt, kunnen deze mogelijk exploderen,
vlam vatten, de grond uitspoelen of anderszins de
draagkracht negatief beinvloeden.
Zelfs als de machinestabiliteit daarbij niet verloren gaat,
kan dit soort ongelukken zeer ongewenste gevolgen
voor de veiligheid en de gezondheid van het personeel,
dienen gemeten en op het dwarsprofiel aangegeven te
worden.
de omgeving en het materieel hebben.
Het spreekt daarom voor zich dat deze obstakels voorafgaand aan het funderingswerk behoren verwijderd te
zijn. Het alleen maar in kaart brengen ervan is wegens
de resterende veiligheidsrisico's niet voldoende.
3.5 Geometrie van het terrein
3.51 Nabijheid van taluds en damwanden
Als een funderingsmachine aan de hoge zijde van
een talud wordt opgesteld, heeft dit gevolgen voor
het grondmechanische draagvermogen en de taludstabiliteit. Beide mechanismen moeten getoetst
worden. Naast het gewicht van de machine en de
hijslast zijn ook de afstand van de machine tot de
taludlijn en de helling van het talud van belang. Voor
deze berekeningen wordt bij voorkeur in het werk een
dwarsprofiel gemeten. Om dit dwarsprofiel aan het
grondprofiel en de grondwaterstand te koppelen wordt
dit t.o.v. NAP gemeten.
N.8.1
De reductie von het gronddroogvermogen en de
toludstobiliteit moeten getoetst worden ols de mqchine
wordt opgesteld op een ofstond vqn minder don 6x de
breedte vqn de onderwogen of de droglineschotten uit
de kruinlijn von het tolud (taludinsteek/.
N.8.2
Bij het opstellen van een mochine oon de rond von een
werkvloer kon, met nome bij een zeer sloppe ondergrond zools veen of sloppe klei, een instobiele situotie
ontstaan uit het oogpunt von mqcrostobiliteit, terwijl
de werkvloer zelf wel voldoet oqn de in deze richtliin
geste/de eisen.
Wanneer de funderingsmachine bij een damwand wordt
opgesteld, moet nagegaan worden of de wand tegen
de belastingen uit de machine bestand is. Dit dient met
een berekening te worden aangetoond. Ook voor deze
berekening moet in het werk een dwarsproÍiel worden
gemeten. Dit profiel moet ten minste de damwand
(positie en boven- en onderzijde), de bouwkuipbodem
en de opstelplaats van de machine omvatten. Ook
de verankeringen, gordingen en de grondwaterstand
3.5.2 Terreinonvlakheid
Moderne funderingsmachines hebben een zeer hoog
gelegen zwaartepunt. Hierdoor kan, ook bij een geringe
helling van het maaiveld, het zwaartepunt van de
machine een substantiële verschuiving in ongunstige
richting ondergaan, waardoor het risico op instabiliteit
van de machine toeneemt. Het spreekt voor zich dat
voor een goede toetsing van de machinestabiliteit, de
vlakheid van het terrein met lengte- en dwarsprofielen
ingemeten behoort te worden.
Bij zware funderingsmachines kan de opstelplaats
onder de machine een zetting ondergaan. Gezien
het risico op een zwaartepuntsverschuiving wordt
29
geadviseerd om de helling van de onderwagen
regelmatig te monitoren.
N.A.
Bij een mochine waarvon de onderwogen niet
horizontqol is opgesteld, neemt de vlucht vqn de
hijslost (het kontelmoment) toe en de stobiliteit of.
Dit risico is voorol von belong indien een geleidelijk optredende mooiveldzokking niet tijdig wordt
opgemerkt-
Hoogtemetingen
Ter bevordering van de eenduidigheid van de gegevens
wordt geadviseerd om alle hoogtes ten opzichte van
NAP in te meten. Dat is inclusief het bouwpeil en de
peilen van het grondwater en het nabij gelegen open
water.
Ook de hoogte en het verschil in vlakheid van het
bouwterrein en de bouwputbodem dienen t.o.v. NAP
vastgelegd te worden. Door het meten van enkele
lengte- en dwarsprofielen wordt een goed beeld van de
vlakheid van het terrein verkregen. De vlakheid van de
machineopstelplaatsen en de helling van de rijwegen
vereisen hierbij bijzondere aandacht.
30
Belastingen
ln dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschil-
411 Ïijdens op- en afbouwen
lende belastingen, belastingcombinaties en situaties
die, voor een volledige beschouwing van de begaan- Bij het oprichten en strijken van een funderingsbaarheid van een bouwterrein door een funderings- machine zonder inzet van een hulpkraan kunnen
machine, beschouwd dienen te worden. Dit geldt zowel onder de voorzijde van de rupsen en/of steunpunten
voor machines die rechtstreeks op de werkvloer staan grote krachten optreden (piekspanningen). Het bouwterrein of de plaats van het op- en afbouwen dient
als voor machines die op schotten zijn opgesteld.
Dit hoofdstuk geeft een handreiking om voor deze twee hierop gecontroleerd en/of aangepast te zijn om een
situaties de belastingen op de ondergrond te bepalen. onveilige situatie te voorkomen. Denk hierbij aan een
De aan te houden belastingen kunnen op twee wijzen lokaal dikkere werkvloer voor de piekdrukken aan de
voorz'rjde van de rupsen, extra schotten of een helling
worden verkregen:
waarop de funderingsmachine wordt geplaatst. De
a. De maximale rupsdruk, effectieve rupslengte en
optredende belasting kan worden berekend met de in
machine
in
rust
en
in
de
van
de
stempelbelastingen
uiterste werkstand z'rjn bekend en gecontroleerd 4.2 beschreven methode.
aan de hand van de vigerende normen.
b. Indien er voor de beschouwde funderingsmachine
inctusief de makelaar en de hijslast geen standaard- 41.2 In bedrijf zijnde, staand op of rijdend
ovef het bouwtefrein
waarden beschikbaar zijn, dient een aparte berekening van de belastingen te worden uitgevoerd om
Dit is de standaardsituatie van een werkende fundede rups- en stempellasten te bepalen.
ringsmachine. ledere werksituatie dient te worden
beschouwd om tot de maatgevende belasting te
Bij het bepalen van de belasting onder de schotten
dient rekening te worden gehouden met de eventuele komen. Te denken valt aan:
excentrische opstelling van de rupsen en/of stempels a. Het lossen van funderingselementen.
b. Het inhijsen en positioneren van elementen
op het schot. In dat geval dient het effectieve funde(gewicht volledig in de machine).
ringsoppervlak te worden bepaald, zie hiervoor 4.4.
c. Makelaar afgesteund of geheven.
In deze richtlijn wordt er vanuit gegaan dat de machine d. Het heien / installeren van elementen
(inclusief eventuele pull down).
op een horizontale bouwvloer staat opgesteld. Dit komt
e. De maximale verticale belastingen die kunnen
overeen met de eis in hoofdstuk 6 dat de werkvloer
ontstaan bij het uittrekken of indrukken van een
een helling mag hebben van niet meer dan O,5'. Het
casing, verticale drainage-lans of hulpbuis (dit geeft
komt ook overeen met de standaard specificatie van de
meeste machine-leveranciers.
Indien de bouwvloer een helling heeft, dient dit in
de berekening van de belastingen meegenomen te
veelal de grootste belasting op het bouwterrein, al
zijn deze belastingen vaak van tijdelijke aard en te
controleren/beheersen door de machinist).
f. Windbelasting die onafhankelijk van de rotatie van
worden.
de bovenwagen uit elke richting kan komen (360').
S. Dynamische belasting die onafhankelijk van de
rotatie van de bovenwagen uit elke richting kan
41
Te beschouwen situatieS
komen (360').
h. Rotatiebelasting die normaliter in de lengte-as van
Voor het verkrljgen van de maximale rupsdrukverdeling de bovenwagen werkt.
i. Schuine reeptrek, een belasting die alleen komt uit
is het noodzakelijk om te beseffen dat niet alleen de
de richtingen die het machineontwerp toelaat.
situatie voor een werkende machine beschouwd moet
Normaliter is dat de halve cirkel aan de voorkant
situaties
afgeleid
om
worden. Uit [11] zijn de volgende
platformstabiliteit:
van de mast of makelaar (180').
beschouwd te worden voor de
1. Machine tijdens het op- en afbouwen.
2. Machine in bedrijf- werkend, staand op of rijdend Voor standaard funderingsmachines zijn de maatgevende rups- en stempellasten uit de belastingover het bouMerrein.
componenten a. Vm d. meestal in de handleiding van
3. Machine rustend bij een stormbelasting.
de machine opgenomen. Indien deze waarden niet
beschikbaar zijn, dienen deze alsnog berekend te
Elke situatie wordt afzonderlijk behandeld in de
volgende paragrafen.
worden (zie 4.2).
3í
De belastingcomponenten e. t/m i. zijn normaliter niet
in de handleiding van de machine opgenomen en
dienen apart berekend te worden. Uitgaande van
een standaardoobouw van de machine kan met een
eenmalige berekening worden volstaan.
4.1.3 Rustend bij stormbelasting
Dit betreft de situatie waarbij de funderingsmachine is
geparkeerd zoals voorgeschreven door de fabrikant.
4.2 Partiële belastingfactoren
Talte .1.1 Pa:t e e be êsil|.cJí;Lioren vo crLrr-rs tairel A 3
var. NEN 9997 1 2016 rl ,9
1,08
1,20
1,32
1,35
1,50
1,65
ongunstig
yq
In 5.2.3 van [11] worden de belastingcomponenten
genoemd die een rol spelen in de berekening van de
funderingsbelastingen. Hierbr.l wordt opgemerkt dat per
situatie alleen de simultaan optredende belastingen
beschouwd dienen te worden. Wel dienen per projecï
soms meerdere situaties naast elkaar beschouwd te
worden, bijvoorbeeld:
. Aan- en afuoer, opbouwen en afbreken van de
machine.
tabel 41.
Veranderlijk
funderingsbelasting en
de belastingsverdeling
. Rijden over de bouwplaats.
. Werkend op de bouwplaats (mogelijk meerdere
Het NEN-normenkader bevat geen eenduidige filosofie
met betrekking tot de paftiële (veiligheids-) factoren
die gebruikt moeten worden op de belasting. Enerzijds
betreft het een werktuigbouwkundige situatie en
anderzijds een geotechnische situatie. In hoofdstuk 2
is onderbouwd dat in dit geval de Eurocode gebruikt
wordt ter bepaling van de partiële belastingfactoren, zie
Permanent yc
4.3 Bepaling van de
posities, configuraties, etc. beschouwen).
. Schuilend voor een storm, etc.
[11] noemt als eis dat ten minste de volgende belasting-
componenten beschouwd moeten worden:
. Eigen gewicht van de funderingsmachine.
. Centrifugaalkrachten.
. Windbelasting.
. Dynamische belastingen.
. Horizontale belasting vanuit een hijslast (schuine
reeptrek).
. Installatiebelastingen.
Bijlage C geeft een voorbeeld van een uitgewerkte
berekening.
ongunstig
4.3.1 Eigen gewicht van
de funderingsmachine
NB
.
Als permonente belostingen worden beschouwd
die belostingen die niet van grootte en/of positie
ve ro n d e re n ; voo r vee I moch i n econfig u rqties
.
beperken deze zich tot de belostingen uit het
schottenbed en de rupsonderwogen.
Als veronderlljke belostingen worden beschouwd
die belostingen die wel von grootte en/of positie
veronderen. Aongezien de bovenwogen, en
daormee het zwoortepunt van de funderingsmochine, ook by het níet verplaotsen von de
mochine kunnen roteren, worden de belostingen
uit de bovenwagen, de dqormee verbonden
componenten en de doorop werkende belostingen,
o I s ve ro nd e rl ij
k besch ouwd.
. ln tegenstelling tot de beschouwing von de
mochinestobiliteit zijn er bij de funderingsstobiliteit
geen gunstig werkende belostingen. Derholve geeft
tobel 4.1 hiervoor geen portíële belostingfoctoren.
32
In de berekening van de machinebelasting dienen
conform [11] het gewicht en de belastingen op de
afzonderlijke elementen van de machine bepaald
te worden. Denk hierbij aan het ballastgewicht, het
aggregaat, de bovenwagen, een vaste stelling of
makelaar. Per belastingcomponent dient de daarbij
behorende partiële belastingfactor (tabel 4.1) meegenomen te worden.
4.3.2 Centrifugaa krachten
I
ln 5.2.3.4.3 van [11] wordt aangegeven dat de centrifugaalkrachten meegenomen dienen te worden in de
belastingconfiguratie van de funderingsmachine. In de
normale funderingspraktijk wordt zeer langzaam met de
machine gedraaid, met de belasting relatief dicht b1 het
I
draaipunt en over korte afstand. De invloed van deze
krachten op de stabiliteit van de machine is derhalve
minimaal en hoeft in veel gevallen niet meegenomen
te worden in de beschouwing van de funderingsbelastingen.
De centrifugaalkracht dient echter wel meegenomen
te worden bij het draaien met opgehesen lasten die
niet ingeklemd zijn in de makelaar. De kracht grijpt
hierbij aan op de as van de topschijf. Dit moment dient
opgeteld te worden bij het momentenoverzicht dat
gebruikt wordt om de verdeling van de belasting op de
Íupsen te bepalen zoals weergegeven in 4.4.
de luwte von het kroonhuis of het oggregoot stoon en
niet door de wind belost worden.
Conform tabel 1 van [3] dient voor alle normale
machines (cranes) die in open terrein staan opgesteld,
te worden gerekend met een windbelasting van 0,25
kN/m2 windbelast oppervlak. Conform 4 van [3] worden
de wind- en stormbelasting op een machine berekend
met de formule:
Fwind;rep=APCt
waarbij:
Fwind;rep = windkracht [kN]
4.3.3 Windbelasting
A
oppervlakten [m2]
P
= winddruk
C1
(representatieve waarde) [kN/m'?]
= aerodynamische coëfficiënt
In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, hebben
wind- en stormbelastingen een grote invloed op de
machinestabiliteit. Ook al voegen deze belastingen
niets toe aan de verticale funderingsbelasting, het
kantelmoment wordt er wel sterk door vergroot
(versch uivin g va n het overall-zwaa rtepunt) en
daarmee ook het effectief funderingsoppervlak
en de grondspanningen onder de machine.
De windbelasting kan (onafhankelijk van de boven-
wagenrotatie) vanuit elke hoek op de machine aangrijpen. Zijkan ontleed worden in een vector evenwijdig
aan de lengte-as van de bovenwagen en een vector
haaks daarop. Aangezien de windbelaste oppervlakten
in beide vectorrichtingen verschillen in grootte, varieert
de windbelasting met de hoek waarin zij op de machine
aangrijpt. Daarom dient de windbelasting voor de verschillende windhoeken te worden berekend om daaruit
de maatgevende windbelasting af te leiden.
N.A.
ln tegenstellÍng tot de stormbelosting heeft conform
[3] de windbelosting een uniforme woorde, onafhqnkelijk von de locotie of regio wqor de mochine stoot
opgesteld of de hoogte boven het mooiveld waarop
de windbelosting aongrupt. Per windbeloste component
grtjpt de wind in het midden van het windbelaste
oppervlok oon.
Bedenk hierblj dat de grootte von het windbelaste
oppervlok ofhonkelijk kon zijn von de hoek von de
windrichting ten opzichte von de lengteos von de
bovenwogen. Zo kon de makeloor bij een zijdelings
invqllende wind volledig door de wind belost worden.
Bij wind invollend op de ochterzijde von de bovenwagen kunnen de onderste delen von de mokeloor in
= som van de windbelaste
N.B.
De tobellen 1, 2 en 3 en de figuren 1 en 2 van [3]
geven een beschrijving von de bepoling von de
oerodynamische coëfficiënt C1 Afhonkelijk von de vorm
en ofmetingen von de windbeloste oppervlokten kon
deze woorde voriëren tussen Cr = 0,60 en C1 = ),29.
Gezien tobel 2 von [3] vorieert deze coëfficiënt voor
de meeste funderingsmochines tussen Cr = O,75 en
Cr = 1,7O. Ook indien geen specifieke berekening von
deze coëfficiënt is gemookt, loot deze porometer
zich eenvoudig uit de genoemde tobel bepolen. Voor
gevollen waqrin dit niet zo eenduidig is, dient een
conseruqtieve (ongunstige) woorde oongehouden te
worden.
Conform [3] zijn de windbelastingen op een machine
bij een gegeven configuratie niet afhankelijk van de
specifieke projectlocatie. Daarom kan in principe
worden volstaan met het per configuratie voor iedere
machine eenmalig uitvoeren van een windbelastingsberekening en deze meenemen in de berekening van
het effectieve funderingsoppervlak van de machine in
die configuratie.
Naast de windbelasting op de machine dienen ook de
windbelastingen op de hijslast en overige componenten
en accessoires beschouwd te worden. Bedenk hierbij
dat de horizontale belastingen op de componenten,
die niet vast met de machine zijn verbonden, aangrijpen
in de topschijf van de desbetreffende hijsdraad of
ketting. Door de veelal hoge positie daarvan resulteert
ook een relatief kleine windbelasting in een groot
kantelmoment.
33
4.3.4 Stormbelasting
Naast een analyse van de windbelasting dient ook de
stormbelasting op de machine getoetst te worden. Voor
de meeste toepassingen kan ervan uitgegaên worden
dat er tijdens stormcondities geen hijslasten en dergelijke in de machine hangen. Mogel1k kan ook de bovenwagen gedraaid worden in een gunstige positie ten
opzichte van de overheersende windrichting tijdens de
storm. Daarmee heeft men enige invloed op de grootte
van het stormbelaste oppervlak.
Paragraaf 3.2 van [3] geeft voor de stormbelasting geen
getalswaarden; zij geeft slechts instructies voor het
stormvast opstellen van de machine. Wel geeft 5.2.3.4.4
van ['l'l] de volgende getalswaarden voor de stormbelasting:
. O,8O kN/m2 voor wind belaste oppervlakken tot 20
m boven maaiveld.
. 1J0 kN/m2 voor wind belaste oppervlakken hoger
dan 20 m boven maaiveld.
ongunstigste invalshoek in combinatie met de overige
horizontale belastingcomponenten (zoals wind en
schuine reeptrek) beschouwd te worden.
4"3.6 Schuine reeptrek
Hoewel het schuin wegtrekken van een last verboden
is, komt het in de prakt4k voor dat onder normale
bedr'ljfsomstand ig heden en ge sch ui ne reeptrek
i
ootreedt. ïen behoeve van een onbedoelde schuine
reeptrek schrijft 5.2.3.4.6 van [1'l] voor hoe deze horizontale belasting berekend moet worden. Ook deze
belasting grijpt in de desbetreffende topschijf aan.
Er dient ten minste gerekend te worden met:
voor 161516s1 < 1O t: OJ LhUrturt . g [kN];
voor 161.151651 > 1O t: (5 + 0,05 Lnrtsrast.S) [kN]
met een maximum van 50 kN,
waarbU:
N.8.
Bij de berekening von de stormbelosting voor mochines
dient dus onderscheid tussen de wind beloste delen
loger dan en hoger don 20 m+ mv. gemookt te worden.
Voor elk deel dient een eigen oongrijppunt bepoold te
woroen.
4.3.5 Dynamische belastingen
Door versnellingen en vertragingen bij het rtlden, hijsen,
zwenken, optoppen en aftoppen van een machine
treden dynamische belastingen op. In 5.2.3.4.5 van [11]
worden methodes gegeven om de versnellingen te
berekenen. Aan de hand van deze versnellingen en
de zwaartepuntsafstanden en gewichten kunnen de
belastingen door dynamische effecten bepaald worden.
Deze belastingen worden in de berekening van sterkte
en stabiliteit van de funderingsmachine meegenomen.
Omdat de ondergrond op dynamische belastingen
veel st'rjver reageert dan op statische belastingen en
de bewegingen van de machine normaliter relatief
langzaam zijn, hoeft in veel gevallen de dynamische
belasting niet in de berekening van de funderingsstabiliteit beschouwd te worden. Mocht het vermoeden
bestaan dat de dynamische belastingen wel op de geotechnische stabiliteit van invloed zijn, dan moeten deze
belastingen in de berekening beschouwd worden.
De dynamische belastingen kunnen vanuit diverse
richtingen werken. Bij de berekening dient de
34
LhUrtutt = massa van de hijslast in tonnen
versnelling van de zwaartekracht; m/s2
Afhankelijk van het machine-ontwerp kan schuine
reeptrek vanuit diverse richtingen optreden. Voor de
meeste machines zal het zich voordoen binnen een
halve cirkel aan de voorzijde van de machine. Bij de
berekening dient de ongunstigste invalshoek in
combinatie met de overige horizontale belastingcomoonenten beschouwd te worden.
4.3.7 Installatiebelasting
Dynamische belastingen als gevolg van het inbrengen
van een funderingselement, damwand of een lans
alsmede het trekken van deze elementen dienen
eveneens beschouwd te worden. Hiertoe dient de
afstand van het hart van de draaikrans tot het aangrr.lppunt van deze belastingen ingevoerd te worden
in de statische berekening. Meestal is de grootte van
deze belasting niet bekend. De rekenwaarde van de
installatiebelasting kan gemaximeerd worden op het
kantelmoment. Bij het overschr'rjden hiervan kan de
installatie-activiteit per direct gestopt worden. Bedenk
hierbij wel dat de machinist een plotselinge externe
belasting (zoals een windstoot) niet ziet aankomen en
daar dus niet op kan anticiperen.
Schuine
reeptrek
F10
Spil
machine
I
Wind
belasting
F11
>
w
a,it
4.4
Machine direct op de werkvloer;
belasting per rups en effectieve
rupslengte
t"
o
'--.,t
'l
w'
a-il
Voor een machine die direct oo de bouwvloer is
geplaatst, wordt de verdeling van de belastingen over
de rupsen bepaald met behulp van de positÍe van het
overall-zwaartepunt (de excentriciteit e6e6 ). Deze e6o6
wordt met de momentenmethode berekend:
. De belasting van elke verticaal werkende
component wordt vermenigvuldigd met de afstand
van haar zwaarteount tot de verticaal door het haft
van de draaikrans.
. De belasting van elke horizontaal werkende
component wordt vermenigvuldigd met de hoogte
van het belasting-aangrijppunt boven de werkvloer;
hierbrj grijpen vrij hangende lasten in de as van de
desbetreffende topschijf aan.
. Bij horizontaal werkende belastingen dient de maatgevende richting van de belastingen beschouwd te
worden, ofwel dienen deze belastingen verdeeld te
worden in een vector evenw'rjdig aan de lengteas
van de bovenwagen en een vector haaks daarop.
. De positie van het overall-zwaartepunt wordt
bepaald door het quotiënt van de som van deze
momenten en de som van de verticale belastinoen.
"T_
l'
T-ez
H i
LL
i'
I
I
F guur 4-1 Bepallng van ce zvr'aartepLrnts excentfrclie t ecoG
Voor de meeste machines kan er van worden uitgegaan
dat de verticaal werkende belastingcomponenten zich
in de lengte-as van de bovenwagen bevinden.
De berekening wordt hierdoor sterk vereenvoudigd.
Bij niet-centrische belastingen dient een volledige
berekening uitgevoerd te worden.
Op basis van het voorgaande kan de berekening er als
volgt uitzien:
êcoG;X=ëYt -ei +IHi *e)lZVi;
ecocy=LHi.e/ZVi:
€CoG = V( eCoC;*2 + ecoc;y2 ).
In figuur 4-2 is de relatie gegeven tussen excentrische
belastingen en gronddrukken.
N.A.
Hierbij dient per belastingcomponent met de doorbij
b e h o re n d e p o rti ë I e b e I a sti n gfo cto r g e re ke n d te
worden. Door de belostingen hooks op de lengteos
von de bovenwogen volt het overqll-zwoartepunt niet
somen met deze lengteos. Doordoor ontstoqt een
onderscheid tussen de zwaartepunts-rotatie 6666 en
de bove nwo g e n - rototie 6 st/v.
35
l
I
Table F.í
- Ground prcssure
Load and strêss diagram
Position of the single
load P
Ground prGssune
ê=A
o:- P
N
P in the middle
e<-d
6
d
g=6
ot=
P (. óe\
brt\'-7 )
Pl. óe'l
olr --t
- bd\ dt
ot :0
)D
-bd
U1--
}P
d
e>-d ,C=--e
3cb
ó
P
lr
dt2
e=-d
3
O=-
1P
bd
1..
F cL.L r 4 2 R{ atra trssen c'xcentt sclto be.t5t rrqerr
elt qroft0cil t kKer
Voor de specifieke configuratie van figuur 4-3 geldt het
36
volgende.
kan men de verdeling van de belastingen over de beide
rupsen als volgt afleiden (zie figuur 4-3):
De verdeling van de belastingen over de rupsen is
Faa = Ftot * e6p / 8rup5.
afhankelijk van de rotatie van de bovenwagen. Voor
de meeste funderingsmachines geldt dat het overallzwaartepunt ecoe bU een volledige 360' rotatie van de
bovenwagen een cirkel beschrijft waarvan het middelpunt samenvalt met het harl van de draaikrans. Hieruit
Fco = ftot * e4g / 8pep5.
Door deze berekening voor diverse rotatiehoeken te
herhalen wordt op iteratieve wijze de maximum grondspanning onder de rupsen bepaald.
al
al
sl
ol
trl
GI
TIv
r
,,
Fmtl
v
Qs65cosó
f\; - l.'-
L-0. = d,
l"'
D'= 4.-- 2ecoccosó
kantellIn AB
kantellïn 48,
r* TT
\<
dl
ol
lir ftl
I
I
I
al
| êl
tal
"1
|l
kantellïn CO,
|
+ II
,FD
Ftguur 4 3 Bepaling vên cle be astrngverdellng ovef de
rLtpsen en de groncispann ngen oncer de rupsen
N.A.
Er vonuit goonde dot de rupsen enkele centimeters in
de ondergrond wegzinken, kqn ook voor de meeste
mochines met geheven drijf- en sponwielen van d1
worden uitgegoon.
37
4.5
Machine op schotten;
effectieve fu nderi n gsoppervla k
en funderingsspanning
Bij een machine op schotten wordt een andere
methode gevolgd. Er zijn vele overeenkomsten met de
bepaling van een machine direct op de bouwvloer. Het
verschil is echter dat bij een machine op schotten de
belastingen niet via de rupsen, maar via de schotten
naar de bodem worden afgedragen. Hierdoor verloopt
de berekening anders. De belangrijkste verschillen zijn:
a. Rekening dient gehouden te worden met een
opstelling excentrisch op de schotten.
b. Het eigen gewicht van de schotten.
c. Een effectieve funderingsoppervlakte dient bepaald
te word€fl.
Conform [9] wordt voor de berekening van een
excentrisch belaste fundering op staal het effectief
belast funderingsoppervlak bepaald. Dit oppervlak
wordt geacht centrisch onder het overall-zwaartepunt
te liggen en gelijkmatig belast te worden. De grootte
van dit effectieve oppervlak volgt uit het product van
tweemaal de afstand van het overall-zwaartepunt tot de
dichtstbu gelegen kantellijn en tweemaal de afstand van
het zwaartepunt tot het dichtstbij gelegen einde van de
schotten.
De grondspanning onder dit effectief oppervlak wordt
als uniform verdeeld beschouwd, zijnde gelijk aan
het ouotiënt van de rekenwaarde van de verticale
belastingen en de grootte van het effectief funderingsoppervlak (zie figuur 4-4).
Brjlage C geeft een voorbeeld van een uitgewerkte
ad a.
Funderingsmachines worden vaak ingezet met relatief
lange schotten die aaneengesloten en dwars onder de
rupsen (behoren te) liggen. De machine staat hierb'tj
vaak niet orecies in het midden van de schotten maar
excentrisch. Hierdoor kan niet het gehele oppervlak van
de schotten meegerekend worden voor de spreiding.
ad b.
In de berekening kan worden volstaan met het eigen
gewicht van de schotten over het oppervlak van de
rupsonderwagen (wielbasis x spoorbreedte). De overlengte van de schotten wordt niet als een funderingsbelasting beschouwd. Het gewicht van dit deel van de
schotten draagt zichzelf af op de werkvloer.
ao c.
Het effectieve funderingsoppervlak wordt als functie
van zowel de excentrische opstelling e566o1 als de
positie van het overall-zwaartepunt (de excentriciteit
e6o6 ) bepaald. Dit gebeurt met de momentenmethode
(zie 4.4). Ook hier dient met het onderscheid tussen de
zwaartepunts-rotêtie 6666 €n de bovenwagen-rotatie
6BW gerekend te worden.
Normaliter mag men ervan uitgaan dat de rupsen veel
stijver zijn dan de schotten en ook dat de schotten
veel stijver zijn dan de werkvloer, zelfs als de schotten
onderling verbonden zijn. Gezien deze stijfheidsverschillen mag voor de meeste gevallen geconcludeerd
worden dat de machine op een starre plaat staat. Deze
plaat heeft een lengte gell-k aan de schotlengte en een
breedte gelijk aan de afstand tussen de kantellijnen.
38
berekening.
at
at
Ël
El
ol
<l
'-l il
.*'s-991,ó
Ël
=rery-.
-D
*__gff,*i:,,
Et
bo
{
t
Figuur 4-4 Bepaling van het effectieve opoervlak en de funderingsspanning
39
Draagvermogen
In hoofdstuk 4 zijn de belastingen van de funderings-
machines voor verschillende situaties beschouwd. De
belastingen worden door middel van rupsen, eventueel
in combinatie met draglineschotten, naar de ondergrond overgebracht. Als gevolg van de belasting van
een funderingsmachine dient de ondergrond te worden
getoetst op draagvermogen, zettingen en stabiliteit (zie
ook 2.2.4). Om vast te stellen of de ondergrond waarop
een funderingsmachine wordt geplaatst voldoende
draagvermogen kan leveren, dienen de vigerende
normen en richtlijnen te worden gevolgd. In Nederland
is dit [9]. Buiten Nederland kan ook gebruik worden
gemaakt van de BR 470 [17].
. gronddekking
. grondverbetering
. helling werkterrein
. talud
. grondeigenschappen
Invloedsdiepte
Bij het vaststellen van de bel'nvloede grondlagen voor
de berekening van de draagkracht loodrecht op het
funderingsoppervlak, moet rekening worden gehouden
met de afmetingen van het bezwijkvlak volgens figuur
5-1.
Voor de bepaling van het draagvermogen van de
ondergrond wordt naar de desbetreffende normen
en richtlijnen verwezen. In dit hoofdstuk worden de
te nemen stappen en aanvullingen gegeven om het
draagvermogen te bepalen. Tevens wordt een vereenvoudiging, onder bepaalde randvoorwaarden, van de
berekening van het draagvermogen gegeven.
Bijlage D geeft een voorbeeld van een uitgewerkte
berekening van het gronddraagvermogen voor een
funderingsmachine op schotten volgens [9].
FiguLrr 5l Schenratische voofste li|.lg van het bezwlJkvlak
5.1 Factoren die het gronddraagvermogen volgens [9]
beïnvloeden
waarbij:
oe
b'
= invloedsbreedte, in m;
= afmetlng van de korte zijde van het effectieve
funderingsoppervlak, in m;
Factoren die het gronddraagvermogen bel'nvloeden en
hierna worden behandeld ziin:
. invloedsdieote
. grondwaterstand
ze
= invloedsdiepte, in m.
Voor de afmetingen van het bezwijkvlak kunnen de
grafieken van figuur 5-2 worden gehanteerd.
4,5
70
+
18
af
to
3,5
I
I
I
14
3
.E
12
=l€
ol-
,È
10
""lb
ó
?,5
?
1,5
6
1
4
0,5
2
0
0
Ê clLrrr 5-2 Aïrretrrgr'-r veI l-Ê1
10
?0
30 40
9'rÍ"1 +
0
50
10
20
30 40 50
g'k l"l
t
ilez\r lkv ak als lulrct;e van cle effectieve hoÉk va r r'r,,ref d gÉ \'/r tv irg (p k ) i9])
41
waarbij
-- verticale belasting, of component van de totale
H
E'k
belasting, die loodrecht op het funderingsoppervlak werkt;
-- horizontale belasting, of component van de
totale belasting evenwr1-dig aan het funderingsoppervlak;
= karakteristieke waarde van de effectieve hoek
van inwendige wrijving.
De invloedsdiepte z" is vaak zo groot dat meerdere
grondlagen worden doorsneden of dat de grondwaterstand binnen de invloedsdiepte valt. De waarden
van de grondeigenschappen waarmee het draagvermogen wordt berekend, dienen bepaald te worden als
een "gewogen gemiddelde" over de invloedsdiepte.
Paragraaf 6.5.2.2. van [9] geeft een beschrijving van de
wijze waarop dit "gewogen gemiddelde" bepaald kan
worden. D.5 van brjlage D geeft een uitgewerkt rekenvoorbeeld.
Grondwaterstand
Variatie van de grondwaterstand kan worden veroorzaakt door neerslag, het toepassen van bemaling of
door het installeren van drains of funderingselementen.
vervangen van slappe lagen door zand, slakken etc.
alsmede door verdichting van het aanwezige zand. Een
verbetering heeft een gunstige invloed op de draagkracht van de werkvloer. Indien niet specifiek naar een
grondverbetering wordt verwezen zijn de besproken
punten onder het begrip werkvloer ook van belang.
De werkvloer dient te voldoen aan alle uitgangspunten
aan de hand waarvan het draagvermogen van de
ondergrond is berekend. Regelmatig en in ieder geval
bij aanpassingen aan of herstel van de werkvloer dient
gecontroleerd te worden of de werkvloer nog steeds
aan de uitgangspunten voldoet.
Het ontwerp van de werkvloer dient aan de volgende
eisen te voldoen:
. De werkvloer dient ten minste een oppervlakte
te beslaan die gel4k is aan alle in het werk toe te
passen machineopstellingen, inclusief de daarbij
behorende oppervlakte van de schotten. Br.1 een
grondverbetering dient deze, buiten de werkvloer,
over een strookbreedte doorgezet te worden gelijk
.
De grondwaterstand heeft invloed op de effectieve
korrelspanning van de grondlagen onder de funderingsmachine. Dit is voornamelijk van belang bij het
berekenen van het draagvermogen in een gedraineerde toestand.
.
Gronddekking
Het aanbrengen van een gronddekking heeft een
gunstige invloed op het draagvermogen. Draglineschotten voor funderingsmachines worden echter
meestal direct op de werkvloer gelegd. In dat geval
dient niet met gronddekking te worden gerekend.
Maar als de draglineschotten worden ingegraven
mag wel met de naastliggende gronddekking worden
gerekend. Ook b'rj machines die zonder schotten direct
op de werkvloer staan, is er geen sprake van gronddekking.
Werkvloer al dan niet met toepassing van
een grondverbetering
Een goede werkvloer heeft een gunstige invloed
op de draagkracht voor de funderingsmachine.
De schematisering van de ondergrond moet zijn
bepaald voor de situatie direct voorafgaand aan het
aanvoeren van de funderingsmachine en het uitvoeren
van de werkzaamheden. Hierbij horen ook de aspecten
van een mogelijk nodige grondverbetering zoals het
42
.
aan de dikte van de grondverbetering. Dit om de
stabiliteit van de dragende strook te waarborgen.
Het materiaal waarmee de werkvloer wordt
opgebouwd, dient te zijn afgestemd op de te dragen
funderingsmachine. In veel gevallen zullen meerdere
typen machines over de grondverbetering rijden.
Als deze specifieke eisen aan het materiaal stellen,
dienen deze - voor zover zij niet conflicteren - in het
ontwerp meegenomen te worden.
In de meeste gevallen kan de werkvloer met zand
worden opgebouwd. Dit zand dient voldoende
waterdoorlatend te zijn. Dit is met name van belang
voor werkzaamheden waarbij de werkvloer ook een
(t1del1ke) drainagefunctie heeft en het uittredende
water moet afuoeren. Het installeren van verticale
drainage is hier een voorbeeld van. In zo'n geval
dient het gehalte aan deeltjes kleiner dan 63 pm
over het deel van het zand kleiner dan 2 mm, niet
hoger dan 15 o/ole zijn. Deze eis is conform de eis
voor zand voor zandbed in de Standaard RAW
Bepalingen [28].
Als alternatief voor zand kunnen onder andere
ongebonden puingranulaat, softeerzeefzand,
brekerzeefzand of gerecycled brekerzand toegepast
worden. Bij deze materialen dient te allen ttlde
voorkomen te worden dat deze zich tot monolietachtige structuren gaan binden of dat ze problemen
gaan vormen voor de installeerbaarheid van de in
te brengen elementen. Ook dient gecontroleerd te
worden of de toepassing vanuit milieuhygiènisch
oogpunt of qua vergunningen toelaatbaar is.
. De materialen die in een werkvloer worden
toegepast dienen zodanig verdicht te worden dat zij
beloopbaar en voor de funderingsmachine berijdbaar zijn. Verder dient de verdichting zodanig te
worden uitgevoerd, of de berekening zodanig te
worden uitgevoerd, dat de sterKe-eigenschappen
(hoek van inwendige wrijving) waarvan in de draagkrachtberekening is uitgegaan, ook gerealiseerd
wordt. Hierbij dient in het achterhoofd gehouden te
worden dat werkvloeren vaak los gestort worden
en al dan niet laagsgewijs met een shovel worden
aangereden. Indien hogere sterkte-eigenschappen
benodigd zijn, kan de werkvloer ook verdicht
worden met een trilwals. Voor het realiseren van
een goede verdichting dient daarbij de laagdikte
waarmee het materiaal wordt aangebracht te worden
aangepast aan het materiaaltype en de verdichtingsmethode. De verkregen verdichting dient getoetst te
worden met bijvoorbeeld een handsondeerapparaat
of met het meten van de in-situ dichtheid.
Helling werkterrein
In veel gevallen is het bouwterrein horizontaal (rekening
houdend met toleranties in vlakheid van het bouwterrein). Er is dan geen beinvloeding van het draagvermogen van de ondergrond en de geotechnische
stabiliteit van een funderingsmachine. Heeft het
bouwterrein een helling, dan dient hiermee rekening
te worden gehouden in de berekenÍng van het draagvermogen door middel van reductiefactoren. De helling
van het werkterrein wordt beoerkt door de eisen voor
stabiliteit van de funderingsmachine (conform opgaaf
van de leverancier van de funderingsmachine). Bij een
steilere helling is het niet toegestaan de funderingsmachine in bedrijf te stellen.
Tabel 5.1 Partiele i.rateriaalfactoren volgens tabel A.4a
III-
van NFN 9997-1 2016 n l9l'
Tangens van de
hoek yS'
1J5
1,20
1,60
1,35
1,30
1,50
'1,10
1,00
1,25
van inwendige wrljving
cohesie yc'
Ongedraineerde ycu
Efíectieve
1,45
175
schuifsterkie
Volumiek
gewicht
yv
1,00
* Voor funderingsmachines
opgesteld aan de hoge
zijde van een damwand dient een damwandberekening
volgens [9] en [21] uitgevoerd te worden.
5.2 Berekening draagvermogen
conform NEN 9997 -1:2016
OnaÍhankelijk van de gehanteerde reken methode
moeten de grenstoestanden in2.2.4 zijn beschouwd.
Met de analytische berekening van een fundering
op staal conform [9] kan het draagvermogen worden
bepaald voor:
. Cohesieve en niet-cohesieve lagen
(of een combinatie hiervan).
. Homogene of gelaagde ondergrond.
. Gedraineerde of ongedraineerde situaties.
. Machines opgesteld aan de hoge zijde van een
talud.
. Machines opgesteld op een hellende werkvloer*.
. Toetsing op pons.
*Aangezien er voor de opstelling van funderings-
Talud
Indien het bezwijkvlak een talud doorsnijdt (machine
opgesteld aan de hoge zijde van hettalud), moet het
funderingsdraagvermogen gereduceerd worden. Deze
correctie is noodzakelijk omdat het bezwijkvlak in de
ondergrond korter is, en de korrelspanningen lager zijn.
Grondeigenschappen
Tot slot zijn de grondeigenschappen van invloed op
het draagvermogen. Lagen met een grotere hoek van
inwendige wrUving of een hogere ongedraineerde
schuifsterkte, hebben een groter draagvermogen. Op
basis van [9] dienen voor de bepaling van de rekenwaarde van het draagvermogen de partiële materiaalfactoren uit tabel 5.1 te worden aanqehouden.
machines restricties gelden aan de helling van
de werkvloer, dient hiermee rekening te worden
gehouden. De restricties voor de opstelling van een
funderingsmachine zijn veelal maatgevend voor de
maximaal toelaatbare hellinq van de werkvloer.
Zoals uit 5l blUkt, zijn er diverse factoren van invloed
op het draagvermogen. Door het opleggen van randvoorwaarden voor de desbetreffende factoren kan de
berekening van het draagvermogen vereenvoudigd
worden. Op basis van de volgende randvoorwaarden
mag de berekening worden vereenvoudigd tot de
formules in 5.2.1 en 5.2.2:
. Een niet-cohesieve laag (bijv. een grondverbetering
van zand) op een dieper gelegen cohesieve laag
(bijv. klei).
. Geen taluds binnen de invloedsbreedte.
43
waarbU:
. Geen hellend terrein (rekening houdend met
toleranties conform 6.1).
= rekenwaarde van de component van de
R6
. Geen gronddekking
(rupsen/schotten op maaiveldniveau).
. Een reductiefactor (i. )voor de invloed van de
.
u max;d
cohesie door de helling van de belastingen
(b'rj horizontale belasting).
Een reductiefactor ( iu')voor de invloed van het
effectieve gewicht van de grond onder het funderingsoppervlak door de helling van de belastingen
(bij horizontale belasting (bijvoorbeeld windbelasting
en dynamische rotatiebelasting).
A'
Cu;d
sc
ic
5.2.1 Berekening van het
ongedraineerde draagvermogen
b'
De ongedraineerde toestand treedt op in cohesieve
gronden, waarin tijdens en direct na het belasten wateroverspanningen ontstaan. Voor deze gronden moet een
berekening worden gemaakt waarbij de sterkte van de
grond is ontleend aan de ongedraineerde schuifsterkte.
De hoek van inwendige wrijving moet geluk aan nul zijn
gesteld. Indien binnen het bezwijkvlak nietcohesieve grondsoorten voorkomen, waarbij de
hierboven genoemde wateroverspanningen niet
optreden, moet voor deze niet-cohesieve gronden zijn
l'
gerekend met de hoek van inwendige wrijving.
o'v..2:d
draagkracht (ongedraineerd) loodrecht op
het funderingsoppervlak, in kN;
= rekenwaarde van de maximum
funderingsdruk op het effectieve
funderingsoppervlak, in kPa;
= effectief funderingsoppervlak, in m2;
= rekenwaarde van de onoedraineerde
schuifsterkte, in kPa;
= vormfactor voor de invloed van de
cohesie;
= reductiefactor voor de invloed van de
cohesie ten gevolge van de helling van
de belastingen;
= afmeting van de korte zijde van het
effectieve funderingsoppervlak, in m,
= afmeting voor de lange zijde van het
effectieve funderingsoppervlak, i n m,
= rekenwaarde effectieve verticale
spanning van gronddekking op
aanlegniveau in kPa.
In de meeste gevallen wordt de funderingsmachine
rechtstreeks of door middel van schotten op het
maaiveld (op de werkvloer) geplaatst. Er is dan geen
sprake van een gronddekking, waardoor formule (5.2)
vereenvoudigd kan worden tot:
O'max:d = fi + 2) x Cu.6 x 56 x 16
N.8.
Voor zqnd en grind is het voldoende dot de
gedroineerde toestond is onderzocht. Voor klei, leem
en qndere grondsoorten behoren zowel de
gedraineerde o/s de ongedroineerde toestond te zijn
onderzocht. Het laogste droogvermogen von de twee is
maotgevend.
Voor de berekening in de ongedraineerde toestand van
de draagkracht loodrecht op het funderingsoppervlak
moet de volgende formule worden toegepast:
R6=o'ru"6t4'
íq 1\
Geponst ongedraineerd draagvermogen
Indien de cohesieve laag door een dunne zandlaag
wordt afgedekt, zodanig dat de invloedsdiepte
(íiguur 5-2 rechts) tot in de cohesieve laag reikt,
dient het geponste ongedraineerde draagvermogen
van de cohesieve laag berekend te worden.
In deze berekening:
a. Wordt de cohesieve laag belast door de rekenwaarde van de belastingen uit (i) de machine, de
hijslast, etc. en (ii) het gewicht van de gedrukte
kolom (grond tussen de machine en de cohesieve
laag).
b. Dient de rekenwaarde van het gewicht van de lagen
boven de cohesieve laag als gronddekking meegenomen te worden.
waarbij:
o'maxid =fi+2) t cu;d * s. x l. + 6r'u.o
(5 2)
s.='f+O,2xb'll'
/q ?\
N.B.
,.:0,5
44
('.('-#h)")
(5 4)
(5 2a)
D.4 von bijloge D geeft hiervoor een uítgewerkt
rekenvoorbeeld.
I
5.2.2 Berekening van het
gedraineerde draagvermogen
Voor de berekening in de gedraineerde toestand van
de draagkracht loodrecht op het funderingsoppervlak
moet de volgende formule worden toegepast:
íq q\
R6=o'ru".6x/'
waarbij:
o'max;d = C'gem;d' Nc t sc x bc x ic'l o'v,z:d" Nq
" Sq " bq " lq
+ 0,5 x / gem;d x b' x NV' x sn' x bn' x iU
(s.6)
N. = (Nq - 1) ' cot( g gem;o )
(s 7)
No = exp (n x tan(9'sem;o )' tan: (45'+ 0,5, I'gem;c )
(s.8)
N.t' = 2 x ( Nq -1) x tan ( g's"r;o )
/tr o\
De draagkrachtfactor Ny' geldt voor een wrijvingshoek
op de scheiding tussen het funderingsoppervlak en de
grond, die ten minste O,5 maal de rekenwaarde van
de effectieve hoek van inwendige wrijving g 'g"r;o
bedraagt. Voor de gebruikelijke materiaaltoepassingen
wordt aan deze eis voldaan
rcc--
s4xNo-1
Nn-1
(5.10)
sq:1 *ï"sín(e'g" ,a)
(s.11)
b'
Jy, -
1-0,3x7
(5.12)
L6-
íqxNq-I
Nq-I
/q 1?\
,n=(t
0,7 x Hd
Vd + A' ' ctgsm;it' cot(g's"*,a)
\3
(s.14)
)
rr,=(t- Vd + A' ' c'gem;dHd' cot(g'n" .a)
(51s)
)'
45
waarbij:
,\o
v max;o
A'
Nc
sc
ec
ic
w v:z'd
N.
bn
iq
= rekenwaarde van de component van de
draagkracht (gedraineerd) loodrecht op het
funderingsoppervlak, in kN.
= rekenwaarde van de maximum
funderingsdruk op het effectieve
funderingsoppervlak, in kPa.
= effectieve funderingsoppervlak, in m2
= rekenwaarde van de (gewogen)
effectieve cohesie, in kPa.
= draagkrachtfactor voor de invloed van de
cohesie.
= vormfactor voor de invloed van de
cohesie.
= reductiefactor voor de invloed van de
cohesie ten gevolge van de hellende
onderkant van de fundering.
= reductiefactor vooÍ de invloed van de
cohesie ten gevolge van de helling van de
belastingen.
= rekenwaarde van de effectieve verticale
spanning van de gronddekking op
het aanlegniveau op de diepte z.
= draagkrachtfactor voor de invloed van de
gronddekking.
= vormfactor voor de invloed van de
gronddekking.
= reductiefactor voor de invloed van de
gronddekking ten gevolge van de hellende
onderkant van de fundering.
= reductiefactor voor de invloed van de
dekking ten gevolge van de helling van de
belastingen.
/'gem;d
b'
NY'
)\,
b,,'
46
= rekenwaarde van het (gewogen)
effectieve volumieke gewicht van de grond
onder het aanlegniveau, in kN/m3.
= afmeting van de korte zijde van het
effectieve funderingsoppervlak, in m.
= draagkrachtfactor voor de invloed van het
effectieve volumieke gewicht van de grond
onder het funderingsoppervlak.
= vormfactor voor de invloed van het
effectieve gewicht van de grond onder het
funderingsoppervlak.
= reductiefactor voor de invloed van het
effectieve gewicht van de grond onder
het funderingsoppervlak ten gevolge van
de hellende onderkant van de fundering.
= reductiefactor voor de invloed van het
effectieve gewicht van de grond onder het
funderingsoppervlak ten gevolge van de
helling van de belastingen.
Op basis van de onder 5.2.1 genoemde randvoorwaarden kan formule (5.6) worden vereenvoudigd tot de
volgende formule:
o'max;d =C'gem;d x Nc x Sc x ic + 0,5 x /'gem;d x b' t NV'' Sy' t lv
(516)
De draagkrachtfactoren mogen ook zijn ontleend aan
tabel 5.2 met behulp van interpolatie.
Tabel 5.2 Dra.:ci<racrtÍaalor(,r /V . N, en,\.' oi_1 crrgevetr
waarclen v.tt (p ,,
- btcrr. ilr
15'
10,9
20'
14,8
6.4
?o
22,5'
17,4
R)
6,0
25'
20,6
10,6
9,0
24,4
1?q
13,4
30,o
1R?
20,0
)7 q"
30'
I,O
29,9
36,9
35'
45,9
33J
45,0
N.8.
Voor tussenliggende woorden van E 'gem:d mag lineqir
gei'nterpoleerd worden. D.5 van bijloge D geeft een
u itgewe
rkt re ke nvoorbee
I
d.
5,3.3 Ponsberekening van
het draagvermogen
Pons kan optreden wanneer een dieper gelegen laag
binnen de invloedsdiepte minder draagkrachtig is dan
de bovenliggende laag. Het funderingsdraagvermogen
moet in dat geval zijn berekend als de draagkracht
voor een fictief funderingselement geplaatst aan de
bovenzijde van deze minder draagkrachtige laag.
Het funderingsvermogen in pons moet worden getoetst
indien de hoek van inwendige wrijving van de dieper
gelegen laag meer dan 6' kleiner is dan die van de
bovenliggende laag.
Bij deze berekening moet vanuit het effectieve
funderingsoppervlak een spreidingshoek van 8'
met de verticaal worden toegepast om de gelijkmatige
belastingsverdeling vast te stellen aan de bovenzijde
van de minder draagkrachtige laag. Het draagvermogen
dient conform 5.21 en 5.2.2 berekend te worden.
De belasting op dit fictieve funderingsniveau dient te
worden vermeerderd met de reoresentatieve waarde
van het gewicht van de bovenliggende kolom grond
(hoogte: niveauverschil tussen maaiveld en het fictieve
funderingsniveau). D.6 van bijlage D geeft een uitgewerkt rekenvoorbeeld.
De richtlijn geeft formules en voorbeelden voor een
relatieí eenvoudige berekening van de dikte van een
werkvloer op cohesieve ondergrond en op zandige
ondergrond. De berekening is gebaseerd op de doorponsberekening opgesteld door Meyerhof '1974. In de
richtlijn wordt opgemerkt dat deze formules goed zijn
voor routinematige gevallen. De gebruikte formules
komen overeen met de standaard fundering op staal
berekening waarbij op cohesieve ondergrond een
ongedraineerde schuifsterkte wordt gebruikt en voor de
granulaire ondergrond een wrijvingshoek.
De berekening van [17] bestaat ult 8 stappen
(zie íiguur 5-3):
Stap 1:
5.3 Berekening draagvermogen
conform BR 47O
De Engelstalíge BR 47O "Working Platform For Tracked
Plant" [17] wordt in Angelsaksische landen vaak voorgeschreven en gebruikt voor de berekening van de
dikte van een werkvloer voor funderingsmachines.
De richtlijn is geinitieerd door de Federation of Piling
Specialists (FPS) en wordt veelal gekoppeld aan de
afgifte van een bouwterreincertificaat (Working Platform
Certificate). De methode is alleen geschikt voor
machines die zonder het gebruik van schotten direct
op de werkvloer worden opgesteld.
Stap 2:
Stap 3:
Stap 4:
Karakteriseer de grondcondities.
Bepaal de belastingsituaties voor de
werkzaamheden.
Bepaal de benodigde factoren voor de
draagkrachtberekening aan de hand van
de bepaalde parameters.
Controleer of een werkplatform (werkvloer)
benodigd is.
Stap 5:
Stap 6:
Stap 7:
Stap 8:
Controleer of het platformmateriaal
draagkrachtig genoeg is.
Bepaal de minimale dikte van het werkplatform (werkvloer).
Bepaal, indien noodzakelr.lk, de sterkte van
een geotextiel of geogrid.
Review van de resultaten.
47
Chaíacterise subgrade
A2(a)c,, A3(a)),'s,N1s
Subgrade very soft or very stií,
c,<20kPa or cu>80kPa
Do not use this design method
Characterise loading (EN 996),
define case I (qli) and case 2 (qa) load cases
M(b), A3(b)and associated Wand L
Check subgrade bearing resistance Ro using standard bearing capacityÍormulae, and compare:
or Rd = 0.5 /'s Wo t\Lsrwith load cases:
Ra = cu
4s.
loading: 916 = 2.0qt*
Case I
Case 2
M(d), A3(d)
loading: 92a= l.5qrr
Working platÍorm not required iÍ:
qld < Rd and q2d < Rd
Working platform required iÍ:
Q16 > R3 or qr, > Ro
Determine requirements tor running
surÍace. Ensure subgrade capacity is not
Check upper limit oÍ bearing
resistance oÍ platfoím material alone
with load cases:
Ro = 0.5 7, Wo N"
Case I
1
loading:
Q16 =
comDromsed
l.6qr*
Case2loading: Qza=l.2Qz*
lf g,o > Ro or gro > Ro then a stronger
material is required for the platform.
M(e), A3(e)
Use punching shear calculation to determine
Use punching shearwith reinÍorcement
minimum unreinforced thickness, use
thicker oÍ calculated values using
calculatron to determine minimum reinforced
thickness, use thicker oÍ calculated vahes using
Q16= l.6qr* and qro= I-2qo
qu= I 2q^
Q16 = 1'6qt* and
M(R,43ff)
M(e), A3G)
Minimum platÍorm thickness is lesser oÍ
t/2 track width (light plant) oí 300 mm
Minimum coveÍ to íeinÍorcement is 300 mm
Check pullout capacity
Check unreinÍorced platform oÍ same
thickness can provide
Rd >
Final evaluation, check case I against case 2
thickness and against experience, use
another calculation mehod iÍ necessary
Fiquur 5 3 Ont\,íertl flowchart van cle BR 470 berekenlng
48
l.25qlr and > l'05 q2*
De belastingsituaties die beschouwd worden zijn
afiruijkend van de Nederlandse methodiek. In de richtl'tjn
worden twee belastingsituaties, case 1 en case 2,
beschouwd. Case 1 is bedoeld voor belastingsituaties
waar de machinist van de funderingsmachine niet in kan
grijpen om bezwijken te voorkomen. Hieronder vallen
bijvoorbeeld staan, verplaatsen en hijsen.
In de praKijk wordt in Engeland een minimale werkvloerdikte aangehouden van 0.5 x de breedte van
de tracks, met een minimum van 300 mm.
Werkvloeren met een helling groter dan 1 op 10 zijn
niet inbegrepen in de richtlijn.
Case 2 is bedoeld voor de situaties waar de machinist
van de funderingsmachine de belasting wel kan controleren door de druk te verminderen. Hieronder vallen
bijvoorbeeld: het installeren van een schroefpaal, het
trekken van een casing, maar ook het indrukken of uittrekken van de lans van een verticale drainagemachine.
De karaKeristieke maatgevende belastingsituaties
vanuit de funderingsmachine worden berekend via de
FPS sheet [17]. De sheet geeft een uitvoer voor beide
belastinggevallen, case 1 en case 2, die als invoer
gebruikt kan worden in de platformberekening.
De berekeningsmethodiek gaat uit van een berekening
van de dikte en draagkracht van een werkvloer aan de
hand van karakteristieke waarden van de grondparameters. De veiligheid wordt aangebracht op de belasting
zijde. Tabel 5.3 geeft de gebruikte veiligheidsfactoren
voor de twee belastingsituaties. Deze worden aangebracht op de karakteristieke waarde van de belasting.
5.4 Stappenplan
Om de rekenmethode structuur te geven dient het
stappenplan gevolgd te worden, zoals weergegeven in
figuur 5-4.
Tabe 5 3 Ve ligrE osfactorer a s geo"uiL.t i't 117]
Case 1
L^
,t,v.
:
I
De veiligheidsfactoren voor de situatie met een werkplatform zijn lager dan zonder platform omdat er een
grotere zekerheid bestaat over de materiaaleigenschappen en dikte van het platform waardoor er meer
zekerheid is dat de ondergrond is zoals aangenomen.
De aangegeven beperkingen van de rekenmethodiek
zijn:
. De berekening op het gebied van doorponsen is
.
.
alleen toepasbaar wanneer het platform aanzienlijk
sterker is dan de ondergrond. Deze controle is meegenomen in de berekeningen.
Het rekenmodel is niet geschikt voor een materiaal
met een ongedraineerde schuifsterkte van minder
dan 20 kPa.
Ponsberekeningen zijn niet meer maatgevend
wanneer de diKe van het platform gedeeld door de
rupsbladbreedte groter is dan 1.5.
49
ËtappenpIan
1. Vaststellen te beschouwen situaties
(zie hoofdstuk 4)
2. Vaststellen veiligheidsfactoren
. Partièle belastingfactoren
. Partiële materiaalfactoren
(zie hoofdstuk 4/5)
3. Bepalen belastingen
(zie hoofdstuk 4)
4. Bepalen belasting onder de rupsen
(zie hoofdstuk 4)
. Activiteiten van de funderingsmachine:
. Machine tijdens het op- en afbouwen
. Machine in bedrijf - werkend, staand op of rijdend over het bouwterrein
. Machine rustend bij stormbelasting
. Eigen gewicht van de funderingsmachine
. Centrifugaalkrachten
. Windbelasting
. Dynamische belastingen
. Horizontale belasting vanuit een hijslast (schuine reeptrek)
. lnstallatiebelastinoen
. Verdeling belasting (uniform, driehoek-, of trapeziumvormig)
onder de rupsen o.b.v. excentriciteit in de lengte/breedte
. Vertalen van driehoek-, of trapeziumvormige belastingverdeling
naar equivalente uniforme belastingverdeling
5. Bepalen belasting onder de draglineschotten (indien van toepassingf
. Configuratie en afmetingen schotten
(enkele of dubbele schottenbaan, één of meer lagen)
. Bepaling belastingverdeling rupsen over de schotten
. Excentriciteit oo de schotten
. Effectief belastingoppervlak onder de schotten
(zie hoofdstuk 4)
(zie hoofdstuk 5)
6. Bepalen draagvermogen van de ondergrond
. Berekening draagvermogen (funderen op staal) rekening houdend met:
. Effectief funderingsoppervlak
. Grondverbetering
. Gronddekking
. Helling werkterrein
. Taluds
. lnvloedsdieote
. Grondeigenschappen
. Grondwaterstand
. Toetsing belasting aan draagvermogen:
. Ongedraineerd
. Gedraíneerd
. Pons
(zie hoofdstuk 5)
ondergrond
. Tijdsduur belastingen van belang i.v.m. gedrag ondergrond
. Vaststellen van verschilvormingen i.v.m. maximaal toelaatbare rotatie funderingsmachine
7. Controle op vervorming van de
-r 5 :i St.,
50
i-, r-
i
-,
Bouwterrein
6.1
Terreininrichtingsplan en
opstellen van zware machines
6.X"1 Ontwerp van het terreíninrichtingsplan, oneffenheden, vlakheid
6.1.2 Ontwerp van de
mach i neopstel plaatsen
Funderingsmachines werken door de gehele bouwput.
Deze dient dus droog, draagkrachtig en vlak te zijn.
De eisen die genoemd zijn in de hierboven genoemde
paragraaÍ gelden voor de gehele bouwput én de werkruimte er omheen.
Allereerst dient het bouwterrein goed en veilig bereikbaar te zijn voor groot en zwaar transport. Afhankelijk
van de ondergrond waar de machine gelost moet
worden, worden er vooraf draglineschotten geplaatst.
Voordat de materialen aangevoerd worden, dient er
afgesproken te zijn waar de materialen opgeslagen
worden. Ook dient er voldoende ruimte gereserveerd te
worden voor het opbouwen van de machine.
De locatie van de benodigde nutsvoorzieningen zoals
water en stroom dient vooraf bekend te zijn.
Het terrein dient droog, draagkrachtig en vlak te zijn, vrij
van bulten, kuilen en sporen.
Bij het realiseren van het bouwterrein dient rekening
gehouden te worden met de vroegere situatie van het
terrein. Zo moeten oude sloten, bomen, putten etc. in
kaart gebracht worden. Verder dient de ruimte direct
rondom het terrein of de bouwput goed bereik- en
begaanbaar te zijn voor personeel en machines.
Het is van groot belang dat een goede communicatie
tot stand komt tussen de betrokken bedrijven en
personen. Veel ongevallen in de bouw zijn een direct
gevolg z'rjn van miscommunicatie. Geadviseerd wordt
een deskundige aan te wuzen die verantwoordelijk is
voor het ontwero en de realisatie van het bouwterrein.
Deze persoon dient alle betrokkenen te informeren,
heldere afspraken te maken en schriftelijk vast te
leggen en te bewaken of deze worden nagekomen.
Voor de start van het werk is een overleg met betrokkenen op locatie gewenst om vast te stellen dat de
condities zijn zoals bedoeld.
Helling
In het algemeen moet een funderingsmachine
opgesteld worden op een vlakke ondergrond. In deze
richtlijn wordt er van uitgegaan, dat aan deze voorwaarde wordt voldaan bij een helling van het terrein
< 1 op 2O0.
Het oprichten van de makelaar van de machine kan
extra spanningen geven op de ondergrond. Er kan in
overleg met de aannemer voor gekozen worden om
een specifieke locatie geschikt te maken voor de open afbouw van de machine. Het ontwerp moet overeenkomen met hetgeen beschreven is in de hoofdstukken
4en5.
6.1"3 Terrein geschikt maken
voor de inzet van machines
Mocht de bouwput niet geschikt zijn voor een machine
met bijbehorend materieel (zoals shovel, mixer etc.),
dan dienen maatregelen genomen te worden. Zo kan
er grondverbetering (in de vorm van zand of granulaat)
toegepast worden als de ondergrond uit niet draagkrachtig materiaal bestaat. Bij een te natte bouwput
dient er horizontale drainage met drains aangelegd te
worden (drains dienen in zand te liggen op minimaal
50 cm onder maaiveld).
Hoogteverschillen in het maaiveld dienen pas na het
inbrengen van de funderingspalen aangebracht te
worden, zodat de funderingsmachine altijd op een vlak
terrein kan werken. Mocht er gekozen worden voor een
oplossing met geokunststol dan moet de waterhuishouding goed beschouwd worden.
Een geschikt terrein wordt niet tegelijkertijd door
derden gebru kt (g rondverzetbed rijven, sloopbedr'tjven
e.d.). Een uitzondering hierop vormt de toepassing
van verticale drainage waar vaak tegelijkertijd met de
installatie van de drainage op het naastgelegen terrein
een werkvloer wordt aangebracht. Het ontwerp moet
overeenkomen met hetqeen beschreven is in de hoofdi
stukken 4 en 5.
5í
6"2 Controle van de machine-
opstelling op de bouwplaats
6.2 "2 Opstellingskeuring
Een opstellingskeuring is wettelijk vereist op grond van
6.2.1 Controle van de ondergrond
Allereerst vindt er een visuele controle plaats op de
hierboven genoemde elementen: droog, draagkrachtig
en vlakheid van het bouwterrein. Verdere controle vindt
plaats op basis van de resultaten van een of meerdere
sonderingen of handsonderingen. De grondwaterstand
dient gecontroleerd te worden (ligging minimaal 0,5
meter minus maaiveld). Deze kan dagelrlks wisselen en
is onder andere afhankelljk van de weersomstandigheden. Een dagelijkse controle is dan ook nodig.
Als er gezamenlijk geconstateerd is dat wordt voldaan
aan bovenstaande punten, kan er een bouMerreincertificaat getekend worden. In het kader van het bouwterreincertificaat (hoofdstuk 7) dienen deze inspecties
regelmatig te worden verricht.
Met name bij een werkvloer op zeer samendrukbare
ondergrond dient ook een controle uitgevoerd te
worden op 'soft spots' in de werkvloer, die bijvoorbeeld kunnen ontstaan door het te snel aanbrengen
van de werkvloer, het wegpersen van de ondergrond
of doorponsen van vrachtwagens tijdens de aanleg
waardoor lokaal oppersingen kunnen voorkomen. Dit
is niet te onderzoeken met de hierboven beschreven
puntmetingen, omdat de kans dat een plek van vaak
1 m bij 'l m of 2 m bij 2 m gevonden wordt erg klein is.
Het verspoord laten rijden van een shovel met een volle
laadbak over het terrein kan echter wel een handreiking
geven. Het nadeel van deze methode is echter dat de
diepte-invloed van de shovel niet overeenkomt met
die van de machine. Bij dit onderzoek wordt slechts de
bovenste 0,5 m tot 0,6 m getoetst. Andere opties zijn
het geo-elektrisch of geofysisch laten onderzoeken van
het terrein.
artikel 7.4a van het Arbobesluit 'wanneer de veiligheid
van het arbeidsmiddel afhangt van de wijze van installatie en het voor de eerste maal in gebruik wordt
genomen'. Dit kan intern door een daartoe aangewezen deskundige (bijv. de machinist) geschieden
ol als dit door de opdrachtgever of hoofdaannemer
wordt verlangd, extern door een gecertificeerd bedrr.1f.
Tijdens een opstellingskeuring wordt niet alleen de
machine, maar worden ook het bouwterrein en de
omgeving beoordeeld. Een gedegen opstellingskeuring
wordt door de werkvoorbereiding voorbereid. Er zijn
meerdere model checklists beschikbaêr, maar aanbevolen wordt voor elk type machine een eigen formulier te
ontwikkelen.
6"2.3 Controle van de toe te passen
d raglineschotten
De bouwput moet worden ontworpen op basis van de
schotten die horen bij de desbetreffende funderingsmachine. Dit kan per leverancier verschillen en dient
vooraf besproken te worden.De draagkracht van
het bouwterrein dient op basis van deze gegevens
ontworoen te worden.
*.?"4 Controle van de machine en
de machinebelastingen
De machinebelastingen dienen door de leverancier
opgegeven te worden, deze z'rjn afhankelijk van het
type machine en de uit te voeren werkzaamheden.
6.2"5 Controle van de positionering van
de machine op de schotten
De rupsen van de machine dienen haaks op de
schotten te staan. Ook dienen de schotten uit het
oogpunt van veiligheid van werknemers strak tegen
elkaar aan te liggen. De zijkant van de rups van de
machine mag tot een meter van de rand van de
schotten komen. De schotten dienen van goede
kwaliteit te zijn (geen breuken). Ook mag er geen
hoogteverschil in de gebruikte schotten zitten.
Let oo:
De positionering van de rupsen moet overeenkomen
met de bij de berekening gehanteerde uitgangspunten.
52
6.2.6 Handsonderen ten behoeve van
controleren d raagkrachtverbeterin g
Maak proíielboringen op diverse locaties om onderliggende grondlagen te specificeren.
Vanuit deze inzichten bepalen waar en tot welke
diepte en op welke locaties handsonderingen
wenselijk zijn.
Keuze maken uit een passende diameter conus
voor het handsondeerapparaat of penetrologger.
AÍhankelijk van de bodemsoort en indringingsweerstand kiest men de conusgrootte. Grotere weerstand
kleinere conus, kleinere weerstand grotere conus.
Het handsondeerapparaat kent de mogelijkheid tot
het maken van manuele sonderingen van 0 tot 3
meter diepte. De penetrologger digitaal standaard
0 tot 80 centimeter. Door afgraven van de voorafgaand gemeten laag, kan de sondeerstaat telkens
met 80 cm worden verlengd.
Organische resten en grove minerale delen
hebben een sterke uitwerking op de uitslag van de
sondering omdat deze het drukoppervlak van de
conus ber'nvloeden.
Een volledige sondering met het handsondeerapparaat maakt men door b'rjv. per 5 cm de
weerstand te noteren en het sondeergat per slag
opnieuw voor te boren. Let op: Indien men een
traject van bijvoorbeeld 80 cm ineens drukt, dient
dit in een vloeiende beweging te gebeuren en wordt
alleen de hoogst gemeten druk van het traject vastgelegd op de klok.
De penetrologger kent op het scherm een balkje dat
de snelheid van de vloeiende beweging controleert
en speciÍiceert het geheel direct in een sondeerstaat.
Voor alle veldmetingen geldt "1 meting is geen
meting"; variatie en inzicht door meerdere metingen
zijn cruciaal, zie 3.2.2.
53
Het Bouvnterreincertificaat (BTC) Nederland
71
Wetgeving;
partijen in het bouwproces
Opdrachtgevers en ontwerpers moeten al in de
ontwerpfase van het bouwproces rekening houden
met de veiligheid en gezondheid van de werknemers
die het ontwerp later op de bouwplaats moeten
uitvoeren. In de ontwerpíase worden veiligheidsen gezondheidsrisico's voor werknemers door de
opdrachtgever en de ontwerper vaak niet voldoende
onderkend, bijvoorbeeld blootstelling aan schadelijke
stoffen of een te hoge fusieke belasting, maar ook de
begaanbaarheid van het bouMerrein voor mens én
. De ontwerpende partij: degene die zich jegens
.
de opdrachtgever, ofjegens de opdrachtgeverconsument, verbonden heeft om in het bouwproces
de ontwerpende functie te vervullen.
De uitvoerende partij: degene die zich jegens
de opdrachtgever, ofjegens de opdrachtgeverconsument, verbonden heeft om in het bouwproces
de uitvoerende íunctie te vervullen. Dit is de (hoofd)
aannemer. De funderingsaannemer is soms (hoofd)
aannemer, maar veelal onderaannemer. Voor de
íunderingsaannemer is de hoofdaannemer vaak zijn
opdrachtgever. Het is van belang dit in de gaten te
houden als het gaat om het afgeven van een bouwterreincertificaat.
machine.
In de uitvoeringsfase zijn op een bouwplaats meestal
verschillende bedrijven gelijktijdig of kort na elkaar
aan het werk. Naarmate het werk vordert. verandert
de werksituatie. Werkzaamheden die verspreid over de
bouwplaats worden verricht, in combinatie met het tijdelijke karakter ervan, vormen risicoverhogende factoren
voor de veiligheid.
Wettelijke verplichtingen kunnen niet via privaatrechtelijke contracten aan een andere partij worden
overgedragen. De opdrachtgever ka n desgewenst
wel de taken die samenhangen met zijn wettel'rjke
verplichtingen overdragen aan een andere partij, maar
Het Arbobesluit [1] streeft met de verplichtingen die
hij is en blijft verantwoordelijk en aansprakel'rjk voor de
uitvoering van die verplichtingen. Dat wil zeggen dat de
opdrachtgever er te allen tijde verantwoordelijk voor
blijft dat een uitvoerende partij wordt aangewezen die
verantwoordelijk is voor het aanstellen van een V&G-
z'rjn toegewezen aan de diverse paftijen een keten van
coórdinator uitvoeri n gsfase.
verantwoordelijkheden tijdens het totale bouwproces
na. Dit verplichtingentraject loopt vanaf het initiatief tot
bouwen, de ontwerpfase, de uitvoeringsfase, tot aan
de opleverings-, beheer- en onderhoudsfase. Daarvoor
is de betrokkenheid van alle partijen noodzakelijk, van
opdrachtgever, ontwerper, constructeur en adviseur tot
elk uitvoerend bedrijf en zijn werknemers. Betrokken
partijen dienen na te denken over alle omstandigheden
op het werk, inclusief de belangen van diegenen die
het werk uitvoeren.
Bij het bouwproces is dus een groot aantal paftÍjen
betrokken. Niet alleen de werkgevers in de hoedanigheid van aannemer, nevenaannemer en onderaannemer en hun werknemers, maar met name ook
opdrachtgevers, ontwerpers en constructeurs. Het
Arbobesluit Bouwproces (artikelen 2.23-2.36) heeft een
aantal verplichtingen bij de opdrachtgever neergelegd.
In artikel 11.lid 2 van het Arbobesluit worden de
volgende partijen genoemd:
. De opdrachtgever: degene voor wiens rekening en/
oí op wiens initiatief een bouwwerk tot stand wordt
gebracht.
. De opdrachtgever-consument: de natuurlijke
persoon die niet handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrUf, voor wiens rekening een
bouwwerk tot stand wordt gebracht.
Als een werkgever/aannemer al vroeg in de ontwerpfase bij het project is betrokken, bijvoorbeeld in een
bouwteam of bij een geintegreerd contract (Design
& Build, DBM, UAVgc e.d.), kan hij een aantaltaken
uitvoeren die samenhangen met de verplichtingen
van de opdrachtgever. In dat soort gevallen kan de
werkgever/aa n nemer optreden als ontwerpende pa rtij
en/of coórdinator ontwerpfase. Ook in dergelijke
gevallen blrjft de opdrachtgever juridisch eindverantwoordelijk voor deze taken. Dat geldt ook als de
opdrachtgever instemt met een door de werkgever/
aannemer ingediend alternatief ontwerp.
7.2
De methodiek van
het bouwterreincertificaat
ln het Verenigd Koninkrijk is de problematiek van de
verantwoordelijkheid voor het bouwterrei n a I vroegt[jdi g
onderkend. De FPS (Federation of Piling Specialists)
heeft uit incidentenrapportages van leden geconcludeerd dat een derde deel betrekking had op het
bouwterrein. Elke gevaarlijke situatie en elk 'b'rjnaongeval' met betrekking tot het bouwterrein vormt een
potentieel incident of ongeval. Voor een bouwterrein
(bouwput) moet een ontwerp worden gemaakt en het
55
terrein of de put dient correct aangelegd, regelmatig
geinspecteerd en onderhouden te worden om een
voldoende draagkracht te kunnen blijven garanderen.
Dit bracht de FPS er toe om het'Working Platform
Certificate' (WPC) te ontwikkelen om dit te bevorderen.
Inmiddels wordt dit al enige jaren met succes
toegepast.
In het WPC staat expliciet vermeld dat de hoofdaannemer het certificaat dient af te geven. In Nederland
moet echter sprake zijn van 'de opdrachtgever van
de aannemer van het funderingswerk'. Het Bouwterreincertificaat (BTC) Nederland is de Nederlandse
versie van het WPC. Het betreft een verklaring dat het
bouwterrein behoorlijk is ontworpen en aangelegd
in overeenstemming met het ontwerp en regelmatig
wordt geinspecteerd en behoorl'tjk onderhouden, zodat
de begaanbaarheid en draagkracht van het bouwterrein gewaarborgd zijn. Het cerlificaat vereist de
handtekening van de opdrachtgever (bedoeld wordt
de opdrachtgever van de funderingsaannemer, dikwijls
de hoofdaannemer) en moet worden overhandigd aan
de aannemer van het funderingswerk voorafgaand aan
diens werkzaamheden op de bouwplaats.
Bij het ontwerp van het bouwterrein moeten de gronddrukgegevens van de gebruikte machine (zie hoofdstuk
4) en de ondergrondcondities waarop gebouwd wordt
(zie hoofdstuk 5) in aanmerking worden genomen. De
funderingsaannemer dient deze gegevens dus bijtijds
aan te leveren. Het ontwerp moet worden gemaakt
door een deskundige ontwerper die beschikt over
voldoende geotechnische kennis.
In het Verenigd Koninkrijk wordt bij het ontwerp van
het bouwterrein uitgegaan van de BRE-handleiding BR
47O'Working Platforms for Tracked Plant: Good practice
guide to the design, installation, maintenance and repair
of ground-supporled platforms' ['17].
Deze SBRCURnet-richtlijn geldt in Nederland als
daarmee vergelijkbaar document voor het ontwerp van
het bouwterrein en de berekening van de draagkracht.
Het bouMerreincertificaat maakt deel uit van deze
richtlijn en verwijst voor het ontwerp ook naar de
berekeningsmethoden in deze richtlíjn. Het bouwterreincertificaat en de SBRCURnet-richtlijn worden
opgenomen in de arbocatalogus funderingen en in
de olgemene voorwqqrden voor de oonneming von
fu nd e ri n gswerken (AVAF 2 01 6).
56
7.3
Het certificaat
Het certificaat is een verklaring van de opdrachtgever
van het funderingswerk (in veel gevallen de hoofdaannemer), dat het bouMerrein, zoals in het certificaat
omschreven, zodanig is ontworpen en aangelegd, dat
de werkzaamheden met het materieel zoals in het
certificaat benoemd veilig kunnen worden uitgevoerd.
Het bouMerrein zal door of namens de opdrachtgever
voldoende worden geinspecteerd (zie hierna 7.41 en
onderhouden en zal, waar nodig, zodanig worden
hersteld dat de draagkracht gedurende de werkzaamheden gewaarborgd bltjft.
Na een ontgraving of beschadiging moet het bouw-
terrein op basis van het oorspronkelijke of een nieuw
ontwerp inclusief draagkrachtberekening worden
aangepast of hersteld. Voordat met de werkzaamheden
op het terrein wordt begonnen moet een kopie van dit
certificaat ondertekend door een bevoegde persoon
door of namens de opdrachtgever aan iedere gebruiker
van het bouwterrein worden verstrekt.
7.4. Handleiding bij het certificaat
Het bouwterreincertificaat is een tamelijk beknopt
document, maar hieraan is een handleiding toegevoegd met een aantal spelregels. Zo wordt uitgebreid
ingegaan op de specifieke gevaren verbonden aan
de inzet van zware machines voor de begaanbaarheid
van het bouwterrein en de stabiliteit van de machines.
Voor het bouwterrein moet een gespecificeerd ontwerp
worden gemaakt voor de totale duur van het funderingswerk. Onder omstandigheden moet het ontwerp
worden herzien of aangepast. Zie voor de volledige
tekst van de handleidino het bouwterreincertlficaat in
bijlage E.
7.5 Regelmatige inspecties
van het bouwterrein
Het bouwterrein moet regelmatig worden gecontroleerd door een competente medewerker die wordt
aangesteld door de opdrachtgever (bijv. de coórdinator
uitvoeringsfase) gedurende de volledige duur van het
werk en na werkzaamheden die veranderingen met
zich mee hebben gebracht. Beschadigde of ongeschikte delen moeten worden teruggebracht naar het
oorspronkelijke ontwerp. Bij het certificaat hoort
een logboek voor regelmatige inspecties van bouwterreinen. Dit moet worden bijgehouden en ondertekend door een geautoriseerde vertegenwoordiger
van de opdrachtgever en samen met een ontwerptekening met veranderingen aan het bouwterrein,
indien van toepassing, worden afgegeven aan de
gespecialiseerde aannemer. Onder regelmatÍg wordt
verstaan na elke fase in de uitvoering van het werk, na
elke tussentijdse grondophoging of afgravÍng (ofwel
grondroeren) of na een flinke regenbui, storm, vorst
e.d.. Een model voor een 'logboek voor regelmatige
inspecties' is opgenomen in bijlage F.
57
Bijlage A
Literatu u r
18. CIRIA C 703:2003, Crane Stability on Site.
Wet- en regelgeving
januari1997,
19. CUR/CROWArbouw 2OO4-1, Beoordelingssysteem
houdende regels in het
1. Besluit van 15
voor de begaanbaarheid van bouMerreinen,
belang van de veiligheid, de gezondheid en het
welzijn in verband met de arbeid (Arbeidsomstan- www.sbrcurnet.nl.
dighedenbesluit); Arbobesluit tekst per 01-01-2017. 20. CUR-Aanbeveling 114 Toezicht op de realisatie van
paalfunderingen, 2009, www.sbrcurnet.nl.
2. Richtl'rjn 2OO6/42|EG:2O06 van het Europees
Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende 21. CUR-publicatie 166 Damwandconstructies,
6e herziene druk, juli 2012, www.sbrcurnet.nl.
machines en tot wijziging van Richtl'rjn 95l16lEG
(herschikking Machinerichtlijn).
22. Federation of Piling Specialists, Calculation of Track
Bearing Pressures for Platform Design.
23. NVAF-richtlijn veilig hijsen bij funderingsNormen
werkzaamheden, 2016.
3. ISO 4302:1981 Cranes - Wind load assessment.
N.B. inmiddels is /5O 4302:2016 verschenen; echter 24. NVAF-richtlijn voor funderingswerk in de publieke
omgeving, 2016.
voor de berekening vqn de windbelosting roept [11]
25. NVAF-ïCVT Opstellingskeuring Funderingsmachine,
specifiek ISO 4302:1981 oon.
www.tcvt.nl.
4. NEN-EN 199O+A1+A1/C2:2O11 Eurocode:
26. Vakboekje Veilig Funderen, NVAF, 2e druk, 2013.
Grondslagen van het constructief ontwerp.
5. NEN-EN 1990+A1+A1/C2/NB:2O11 Nationale bijlage 27. NVAF-richtlijn voor drijvend funderingsmaterieel,
bUNEN-EN1990+A1+A1/C2:Eurocode:Grondslagen 2016.
van het constructief ontwerp.
6. NEN-EN 1991-1-1:.2002 Eurocode 1: Belastingen
28. Standaard RAW Bepalingen 2015; CROW,2O15.
op constructies - Deel l-1: Algemene belastingen Volumieke gewichten, eigen gewicht en opgelegde
belastingen voor gebouwen.
7. NEN-EN 1991-1-4:2005 Eurocode 1: Belastingen
op constructies - Deel 'l-4: Algemene belastingen Windbelasting.
8. NEN-EN 1991-1-4:2OO5INB:2O07 Nationale bijlage
bU NEN-EN 1991-1-4: Eurocode 1: Belastingen op
constructies - Deel 1-4: Algemene belastingen Windbelasting.
9. NEN 9997-1:20'16 Geotechnisch ontwerp van
constructies - Deel 1: Algemene regels.
10. NEN-EN 13OO1-2:2O14 Veiligheid van hijskranen Algemeen ontwerp - Deel 2: Belastingen.
11. NEN-EN 16228-1:2014 Boor- en funderingsmachines
- Veiligheid - Deel 1: Gemeenschappelijke eisen.
12. NEN-EN 16228-22014 Boor- en funderingsmachines
- Veiligheid - Deel 2: Mobiele boorwerktuigen voor
civiele en geotech n ische eng ineeri n g, delfstoffen
en mijnbouw.
13. NEN-EN 16228-4:2014 Boor- en funderingsmachines
- Veiligheid - Deel 4: Funderingsmachines.
Regelgeving
14. Abomafoon 3.30, Funderingsmachines.
15. Arbeidsinspectie nr. A918, 2009, Rapportage Project
Fundering.
16. Arbocatalogus funderingen, Kies een proces,
Funderingsmachines en de bouwplaats,
www.a rbocata log us-fu nderingen. nl.
17. BR 47O Working Platforms For Tracked Plant, 20O4,
www.brebookshoo.com.
59
B'r.1lage B
Grondeigenscha ppen vol gens
tabel 2.b uit Eurocode 7 [9]
Zoals aangegeven in 3.2.1 kunnen, indien er geen
laboratoriumonderzoek heeft plaatsgevonden, de
grondparameters worden afgeleid uit tabel 2.b in [9].
Het zijn veilig te gebruiken (conservatieve) waarden,
waarbij moet worden bedacht dat in deze tabel de
parameters zijn gerelateerd aan een genormaliseerd
effectief spanningsniveau van 100 kPa. Dit betekent dat
voor de beschouwing van de eigenschappen van grind,
zand en in beperkte mate voor leem en sterk zandige
klei, b'rj een ander spanningsniveau de gemeten Cq,c
moet worden geconverteerd naar een equivalente
waarde op een spanningsniveau van 1OO kPa waarbij
gcJabet - O.,"rr"1n x Cq,c.
Bij lagere spanningen dan 1OO kPa zal de gemeten
waarde van qc als ingangswaarde in de tabel (fors)
toenemen terwijl bij hogere spanningsniveaus de
waarde vermindert. Gelet op de relatief ondiepe
grondlagen met lage spanningsniveaus, is het voor de
bepaling van eigenschappen en de draagkracht van
groot belang om dit in de beschouwing te nemen. Dit
geldt met name voor de hoek van inwendige wrijving,
de cohesie, E waarde en samendrukkingsparameters.
Tabel 2b uit [9] is op de volgende 2 pagina's toegevoeqo.
Onderstaande figuur geeft de relatie tussen de
aanwezige o 'k en de aan te houden conversiefactor
voor qc. Als voorbeeld geldt dat bij een korrelspanning van 5 kPa de gemeten qc met een factor Z6 moet
worden vermenigvuldigd om de ingangswaarde te
verkrijgen in de tabel.
ConyersieÍactoÍ qc voor spanningsnivêau q'r
uit NEN 1997-í+C1:20í2 volgt Gq"=(100/d"1 o,or
o
o
.àto
o
o
d
o
!
ro
o2
0
20
25
aanwzige o'r {kPs}
Figur.lr B-1
61
o
N
Tebel 2.b
- Kankterlrtleke weerden vrn grondeigenrchappen
Kr?.ktatl3tl.k. wrlÍde' Yln gÍondalgonrch.p
irondrooÍt
{ooíd. l[mengrel
:onrl!-
|atm
entlc o
iÍind
lwak sillig
iterk siltig
land
ichoon
itoÍk zandia
)Ígeni3ch
,liet vooràelagt
worbeleí
kN/mt
MPa
.os
6atig
19
20
g'e
c'
CU
t-l
t-t
t-l
MPa
Graden
kPa
kPa
0
0,0015
0,000E
o (xn6 0.fin5
45
75
35,0
0
0
n.v.t
37.5 40.0
0
0,0019
30
45
0
0.(Xn8 0.0005
75 110
30,0
32.5
35
0
25
1000 1500
0.0023 0.0015
0
0
0
5
200
600
0,0115
0,0036
0
0
0.00:rE
0,00'13
45
0,0023 0,d)15
0
0,0008 0,0005
75 t10 35.0 40,0
0
0.005í 0.003!i
0
35 50
í5 30
0
0.011s 0.0058
0.0017 0.0012
0.0036 0.0019
27.O 32.5
0
0
0,0307
2
3
5
25.0 30,0
27,5 30,0
0
50
27,5 32,5
1
't00
7
3
5
12
't000 15@
rfSO 85O
25
t8 19 20 21
6
200 400
ilap
Iatig
/ast
19
1
23
650
0,0920
20
20
2
.t5
1300
0,0511
ilsp
'14
11
/letig
17
17
/ast
19 20
19 20
ilap
tatig
/asl
15
15
1E
18
ilap
íatio
ilao
)n
20 21
18 20 lE
13
13
15 16
10 12
12
13
Lol
0,0037
0,cp20
0,00í3
0,0í70
1900 2500 o o32s o 0230 n fnít n fnno ooíío ooo77
1300 2000 0.0511 0.0329 0-0(n0 0.q'13 0.0170 0.0110
90 'tos
70 100
2
45
0,5
1,0
7
EO
0,3286
0,0131
0,1095
I
15
160
0,1533
0,000Í
0.051Í
2
320 500
0.0020 0,0787
0 írÍl!t7 0 o(xií
o.(IX)7 0-0258
0,0092
0.00.|8
0.0767
0,0383
20
25
0,7
1,5
20
25
20
1.0
0,2
70
30
30
?5 140
50
7,5
o5
10
0,1
5
o.2
7
0,2300
0,1 150
400 600
n 0767 () (l4ao o o(xrí o.ooí8
n írrae o oí53
510
320 Í680
0.0920 0.0184 0.q}37 0.0007
0.0307 0.0055
2
0,5
30
40 60
7.5
20 30
30 40
10
,-- -.15
1,5
110
0,30€7
0.2300 0.1539 0.0115 0.0077
0.4800 0.3007 ).0230 0.0í53
0.3067 0.2300 ).0153 0.0't15
o'25
o,1t2.
0.07sr 0.0511
0.1533 0.1022
o1stD 0.0767
n.v.t.
0
n.v.l.
0
n,v.t.
n,v.t.
,75 ano ,5 ?A 200 300
50 1(X)
27.5 35.0 0
17,5
17,5
17
0
5
25
22,3
an,5
0
5
,O
27.5 32,5
01
010
10
01
01 25 30
1 2.5 t0 20
2.5 5 20 30
50
5 260 í3 Í5 rín ?nn
rlo
240
0,0153
0
0 40.O
30,0
32.5
15
3
)1
15 í6
10 12
0
0,003E
19
21 22 21 22
19 20 19 20
32.5
0,0058
.tt
19 20 21 22
18 19 20 21
E.'n
400
800
10
21
18
cnr(i + a) I
15
20
19
17
CO,
0_oo19 0.0018
18
20 ?1 t) ))a
CJ{1 + .!) o
1200 1400
21 22
/lstig
/a9l
c'.
0,0046
0,0023
15
25
1n
.o3
cï'
500
1@0
19
20
19 20
;t6rk zendio
lwak zandig
kN/m'
/ast
iterk si[io. kleiiq
;choon
g.o o
1E
twnl sillio kleiio
(lei
?ín
"03
vlatig
/6st
.egn' lwak zandig
7
3
5
1.0 2.O
o.2 0.5
0.5 1.0
80
225 27.5 í1 í6 120 170
15,0
Í5.0
15.0
r5.0
0
0,20
Zie vervolg
€
g
E
r iËi
E
i
iiiËi
i;iË
!E
Ë
Ëir
r
iËiË
I
T
E
fi
I
t
I
€
I
E
I
I! €
EI
ËI á;-
I*
ïg
B3
>I
d.e
5.I
't5
lii
ËË
ÍF
fT
ïr
o ltJ
ts
In
5i
ria
Ës
ït
Èlo
cb
ë6
gs
En
E(o
6t
.99
Eq
Ës
Ëà
I
€c
E
€
C! ;"8.E
:r
t:Ë
=:g
8€
-êE
o9l
EË ÉËi
l.:'
ËE
Ee
Ël
iii
iI
II
E
ÈT
E
tI
Ër
2
Ë
fi
.v, ?
-t
:Ë
ÉË
)c
T
C
E
a
TI
IËi T
ËiiË ËB Ict I
ËË
l!Ë If
7
I
:E
gË
dI
9r
o{
Ët
=l
t€
tÈ
Nc
3E
gË
eà
iI EËI I fli:
TE
fT ËËË
6
trr.
EF
8E
_g
*t
f;
lor
Ë
€
E
E
a
Es
Ë
!l
Ë
t
x
a
I
IP
I
i
$$
ËiË
a
tt
Iï
T
€
Ë
I
G|
I
C'
q!
o!a--
!.9
FË
t
f
qo
Ë;
iËiË,iïlliEii
ËE
T
t,r S T Ëït**ïngllrEE
9T ËËËË t
-4R
E:
F
Eurocode 7 - tabel 2b vervolg
63
B'r.,1lage C
Uitgewerkt rekenvoorbeeld voor de
bepa i ng van de funderingsbelastingen
C.Í Project "Spoorstrip te Zaanstad" C.3 Maatgevende situatie(s)
I
In deze bijlage wordt op basis van het stappenplan
(figuur 5-4) een rekenvoorbeeld voor de bepaling van
de funderingsbelastingen en het effectieve funderingsoppervlak voor een funderingsmachine op schotten
volgens [9] uitgewerkt. Als uitgangspunt dient het
project "Spoorstrip te Zaanstad". Voor dezelfde situatie
geeft bijlage D een rekenvoorbeeld voor de toetsing
van het funderingsdraagvermogen.
Te Zaanstad is het project Spoorstrip ontwikkeld. Het
betreft een appaftementencomplex met maximaal 8
bouwlagen. Het gebouw krijgt bergingen in een half
verdiept souterrain. Sondering DKMP 23 (Íiguur DJ)
geeft een representatief beeld van de bodemopbouw
ter plaatse.
C"? Uitgangspunten
Vanwege de slappe lagen in combinatie met de hoge
funderingsbelastingen wordt het complex op palen
gefundeerd. Gekozen is voor vefticale Vibro-palen
diameter A 4OGl455 mm, puntniveau 18,5 à 19,0 mNAP. Voor het bepalen van de funderingsbelastingen
gelden de volgende uitgangspunten:
. Er wordt vanuit gegaan dat de bouwvloer vlak
(horizontaal) ligt. Ook zijn er geen taluds nabij de
machine-opstel posities.
. De palen worden aangebracht met een Hitachi
.
.
.
CX800PD funderingsmachine. De draaikrans van
deze ligt centrisch ten opzichte van de onderwagen.
De rupsonderwagen van deze machine heeft een
spoorbreedte van 4.80O mm, een wielbasis van
6.600 mm en een rupsbladbreedte van 8O0 mm. Het
hart van de draaikrans ligt centrisch ten opzichte van
de wielbasis en de spoorbreedte.
De funderingsmachine wordt opgesteld op draglineschotten lxbxh = 12,O x1,O x O,3 m. De schotten
liggen aaneengesloten en haaks op de rijrichting van
de machine.
Volgens opgave van het heibedrijf wordt de excentriciteit van de machine-opstelling zodanig beperkt
dat de afstand tussen zijkant rupsblad en zijkant
schottenbed steeds ten minste 2.OOO mm zal
bedragen. Dit komt overeen met een opstellingsexcentriciteit van maximaal €schot ='l.2OO mm.
In stap 1 worden de belastingsituaties beschouwd
en bepaald welke daarvan maatgevend is voor het
ontwerp van de bouwvloer.
De volgende activiteiten van de funderingsmachine
dienen beschouwd te worden:
a. Oo- en afbouwen van de machine.
b. Staand op of r'rjdend over de werkvloer.
c. Installeren van Vibro-oalen.
d. Trekken van de Vibro-buis.
e. Rustend onder storm condities.
ad c.
het heien van een Vibro-buis is een apafte handeling
met een eigen belastingssysteem: hierb[j treedt geen
rotatiebelasting op, wel kan schuine reeptrek (bijvoorbeeld door onbedoelde schoorstand van de paal)
ontstaan.
. Bij sommige machines wordt de makelaar, met
hamer, buis, etc. op een separaat schot geplaatst
.
.
(geeft geen belasting op de onderwagen); bij andere
machines is dat niet het geval en dient dus met deze
belastingen wel gerekend te worden.
lndien het vullen van de Vibro-buis met beton met
een kubel gebeurt, dient tevens met rotatiebelasting
gerekend te worden.
Voor dit rekenvoorbeeld is ervan uitgegaan dat
de makelaar niet op een separaat schot wordt
geplaatst.
ad d.
br.1 het trekken van de Vibro-buis dient met het eigen
gewicht van de buis en de eventuele grondwrijving
gerekend te worden; er mag vanuit gegaan worden dat
het beton in de buis zodanig plastisch is, dat zij geen
wrijving op het inwendige van de buis geeft; in deze
belastingsituatie hoeft niet met rotatie, maar wel met
schuine reeptrek gerekend te worden.
In het prakt'rjkgeval dienen alle belastingsituaties
beschouwd te worden. Indien het niet zondermeer
duidelijk is welk belastinggeval maatgevend is, dienen
alle belastinggevallen rekenkundig geanalyseerd te
worden. In afwijking daarvan beperken we ons in deze
bijlage tot het belastinggeval "trekken van de Vibrobuis".
65
Ë.4 Bepaling van de belastingen
Onder het begrip excentriciteit wordt de afstand van
het overall-zwaartepunt tot het hart van de draaikrans
verstaan. Het gaat er dus om dat van belastingcomponenten, de grootte (rekenwaarde), de richting
en het aangrijpingspunt bepaald worden. Vervolgens
worden deze met behulp van de momentenmethode tot
een gezamen ijk of overall-zwaartepu nt sa men gebracht.
Bij een machine met een draaikrans centrisch ten
opzichte van de onderwagen en die horizontaal staat
opgesteld, beschrijft bij een volledige rotatie van
de bovenwagen het overall-zwaartepunt een cirkel
waarvan het middelpunt met het hart van de draaikrans
I
samenvalt.
Conform 5.2.3 van NEN-EN 16228-12014 dienen voor
deze belastingsituatie de volgende belastingen en
belastingcomponenten bepaald te worden:
. Statische belasting machine.
. Centrifugaalkrachten.
. Windbelasting.
. Dynamische belastingen.
. Horizontale belasting vanuit een hijslast
(waaronder schuine reeptrek).
. lnstallatiekrachten.
In dit rekenvoorbeeld vormt wind de grootste
component van de horizontale belastingen.
Artikel 5.2.3 van NEN-EN 16228-1:2014 noemt ook de
volgende te beschouwen belastingcomponenten:
. Centrifugalebelastingen:
. Deze belastingen zijn bij het trekken van de
Vibro-buis niet aanwezig.
. Dynamische belastingen, afhankelijk van de
uitvoeringsmethode:
. Bij de activiteit "trekken van de Vibro-buis" kan
.
.
hieronder bijvoorbeeld verstaan worden versnellingskrachten op het plotseling stoppen van een
hijsbeweging.
Het wel of niet van toepassing kunnen zijn van
deze belastingen is sterk afhankelijk van de uitvoeringsmethodiek.
Ter vereenvoudiging van dit rekenvoorbeeld
wordt hier met deze belastingen niet gerekend.
Bij de berekening van de horizontale belastingen dient
de maatgevende belastingsrichting bepaald te worden.
Normaliter ontstaat de grootste horizontale belasting
als alle horizontaal werkende componenten in dezelfde
richting werken.
66
De grootte van de schuine reeptrek is normatief vastgesteld. De richtingen van waaruit deze belasting kan
werken is sterk afhankelijk van het ontwerp van de
machine (vooral de makelaar en de makelaarskop). In
veel gevallen zal dit segment ongeveer een halve cirkel
van de machine beslaan.
Windbelasting kan in principe uit alle richtingen komen
(360"). De grootte van de windbelasting per m2 windbelast oppervlak is normatief vastgesteld [3]. Omdat de
giek, de makelaar, enz. vaak een open vakwerkstructuur hebben, ontstaat de grootste windbelasting bU die
windhoek waarbij het windbelaste oppervlak het grootst
is (kleinste oppervlak in de luwte van andere delen).
Bij de meeste funderingsmachines komt dit ongeveer
overeen met een windhoek van ca. 70'ten opzichte
van de lengteas van de bovenwagen. Aangezien de
makelaar uit zeer zware delen is opgebouwd, wordt
hier (ter vereenvoudiging) over dit oppervlak van een
volwandligger met een equivalente grootte van het
windbelaste oppervlak uitgegaan. Volgens 4 van [3]
wordt de windbelasting bepaald:
Fwind;rep=ÁpC1 [kN]
waarbij:
, wtno;rep
= windbelasting in kN
A
= windbelast oppervlak in m2 (te corrigeren
p
voor oppervlakten in de luwte)
= winddruk in kN/m2 (zie tabel 'l van l3l)
= windvormfactor (zie tabel 2 van [3])
vl
In dit rekenvoorbeeld is, op basis van [3] bij de bepaling
van de windbelastingen uitgegaan van:
windhoek:
70 graden
windsnelheid: 20 mls
winddruk:
0,25 kN/m'z
Op basis van het voorgaande zijn de belastingen van
de funderingsmachine Hitachi CX800PD in tabel C.1
bepaald. Tabel C.2 geeft een samenvatting van de
maatgevende resultaten.
N.8.
Bij een windhoek die niet recht von ochteren of voren
op de bovenwogen involt, en ook niet hooks op de
bovenwogen, wordt de winddruk ontleed in een vector
evenwijdig oon de lengteos von de bovenwogen en
een vector hooks op deze lengteos. De windbeloste
oppervlokken zijn voor deze vectorrichtingen niet gelijk
qon elkqqr. Zo is de lengte von de bovenwogen onders
don hoor breedte. Ook vollen bii een pol von ochteren
invollende wind een qantol componenten in de luwte
von ondere componenten (bijv. de bovenwogen volt
deels in de luwte vqn het oggregoot). Doorom worden
voor beide vectorrichtingen verschillende grootten von
de wi nd be lo ste o pperul o kte n gegeve n.
Tabel C.1 Belastingen van eef fLrnderingsmachrne
H tachl CXBO0PD in Vibropaal confiquratie
Wind
Vorm
belast
belêst
coéfficiënt factor
oppervlak
opperylak
Verticêle Horizontale Wind
belasting beldsling
Vrep
Hrep
Awind:eff;ll Áwno;eff:r Cf
Belasting Excentriciteit
yG resp. e
Verticale Hor
HoÍ Kanlel Kantel Kantel
lêst
last
moment moment momenl
belasting
rvHrHr
ll
V6
H6y H61 Mo:v
Mofi1 Ma:w
kN
kN kN kNm kNm
yo
KN
4^
Schottenbed
KN
m'
m2
H
r,f,u
1,80
tz),v
Onderwagen
7,20
H
r,5u
495,0
Bovenwagen
1qq
H
Aggregaat
64,0
14,00
H
250
1AO
Giek
5,00
H
Schuifpoot
1,60
24,O
1,20
H
p5,a
Makelaar
17,OO 20,00
H
Makelaarskop
22,0
3,00
H
Heiblok
6,00
1,30
tzc,u
2,00
H
Paalmuts
6,00
0,80
2A,O
0,50
H
Vibro buis
11?
1,20
^
1,00
0,60
49,0
kNm
1,0
1,20
270,O
1qn
0,8 3,3
-2.970,0
742,5
12,3
41
-499,2
96,0
2,5 3,7 I,B 13,0
49,5
138,6
2,O 7,9
o,7 2,8 36,0
126,0
1,0
o.4
187.5
750.0
t2,O 232,6
3,6 11,6 165,0
33,0
19,3 105,8
0,5 2l 187.5
1.143,8
1,7
6,2 50,7
o,2
183,0
30,0
0,o o,2 1,1 5,9
73,5
448,4
1,50
-4,OO
1,50
3,00
'1,50
-3,2V
1,50
3,50
1,50
2,80
1,50
2,80
1,50
3,50
1,50
2,50
1,50
4,00
1,50
20,00
1,50
trnn
1,50
?R qn
1,50
o,rv
r,5u
30,00
1,50
6J0'
1,50
28,00
1,50
6JO
1,50
6Jo
1,50
6í0
1,50
6J0
1,50
38,50
1,50
38,50
@ 446
n
Grondwrjjving
0,60
66,6
n
Schuine
1,60
0,65
0,1 0,4
0,3
257 70,5 -
987,6 2113,4
1.822.7 34,1 102,4 g4,g
1.Og7,1 31447
2,2
99,9
Íeeptrek'
n
tolaal
50,00
-
67
Bepaling van het effectieve
funderingsoppervlak en
de funderingsspanning
N.B:
ln tobel CJ worden de droglineschotten alleen over
het grondoppervlok vsn de onderwoEen gerekend; de
overige lengte von de schoten worden geocht hoar
eigen gewicht plootseliJk op de boden of te drogen.
De windbelssting op de Vibro-buis wordt niet gerekend,
wenneer de buis zich in de grond bevlndt. Wel wordt bij
het trekken van de buis met grondwrijving gerekend,
Op basis van tabel C.2 bedraagt de excentriciteit van
het overall-zwaartepunt êcoc = 1,83 m. Het overallzwaartepunt maakt een hoek van 7O,8' met de lengteas
van de bovenwagen.
ïabei C.2.5amenvêtting van
Er vanuit gaande dat bij een volledige rotatie van de
de berekeningsresultêten conform tabel C.l
bovenwagen dit overall-zwaartepunt een cirkel om het
hart van de draaikrans maakt, geeft elke rotatiehoek
een andere effectieve funderingslengte en -breedte.
Daarmee kan voor elke rotatiehoek het effectief funderingsoppervlak bepaald worden.
Rês.uttante'vsndehórigontale l,t6
bêlastingên
Overêtl excenliic iteit
1,83
Effi
158.9
gra6en
@
E
E
E
K
Effectiwe fu ndelingslêngte
m:
8,,3
Effêctiêf Êfi deringÉêppe rv{àk
De grondspanning wordt berekend als het quotiënt van
de verticale belastingen en het effectief funderingsoppervlak omax:d = V6 | A'.
Voor een funderingsmachine op een bed van aaneengesloten gelegde draglineschotten lang 12,0 m lang
en met een opstellingsexcentriciteit van 2,20 m geeft
figuur C-1 de grootte van het effectief funderingsoppervlak en de grondspanning. Maatgevend is die rotatie
waarbij het effectief funderingsoppervlak het kleinst en
de grondspanning het grootst is (zie figuur Cí).
toelichting:
H6
= "'/ ( Haf + Ha.L2 |
M6
=',/ [Ma:vz+ (4 (M61( + Ma;t]l)z]
ecoc = M6l V4
V
aÈ
ct
ÈE
*b
iÊ
Eg
ïË
/-\
iË
}E
5E
ï#
180
120
il..rt punG.Íot$L (lr|d.nl
Êia't
68
r C-1 trlíar+'af
,-,,--f Íngsoppervlak en grondspanning vS. bovênwagenlotatie
ítrarla
Bijlage D
Uitgewerkt rekenvoorbeeld voor de toetsing van het
gronddraagvermogen voor een machine op schotten
D.1 Project "Spoorstrip te Zaanstad"
Deze bijlage geeft een rekenvoorbeeld voor de
toetsing van het funderingsdraagvermogen volgens
[9]. Als uitgangspunt dient het project "Spoorstrip te
Zaanstad" waaryoor in bijlage C een rekenvoorbeeld
voor de bepaling van de funderingsbelastingen en het
effectieve funderingsoppervlak is gegeven.
D.2 Uitgangspunten voor het
ontwerp van de werkvloer
De sondering in figuur D-1 geeft een representatief
beeld van de bodemopbouw ter plaatse. Vanwege de
slappe lagen in combinatie met de hoge funderingsbelastingen wordt het complex op palen gefundeerd.
Gekozen is voor verticaal te plaatsen Vibro-palen
diameter A 4061455 mm, puntniveau 19,O m- NAP.
Voor het ontwerp van de werkvloer voor de uitvoering
van de funderingspalen gelden de volgende uitgangsounten:
a. De maatgevende grondwaterstand bedraagt'1,50
m- NAP.
b. De werkvloer wordt aangelegd op de oorspronkel'rjke maaiveldhoogte: 0,50 m+ NAP.
c. De funderingsbelastingen en de afmetingen van
het effectieve funderingsoppervlak zijn in tabel C.2
gegeven.
.24
ad b.
. Uit onderliggende berekeningen volgt dat het
gedraineerd draagvermogen bij een werkvloer op
1.2O m- NAP onvoldoende is om de machine te
kunnen dragen;
. Ten behoeve van dit rekenvoorbeeld wordt daarom
als alternatief in D.5 en D.6 het gedraineerd draagvermogen van een werkvloer op 0,5 m+ NAP
(= oorspronkelijk maaiveld) bepaald.
.s
.31
Figuur D-1 Sonderlng DKN/P 23
Brj de bepaling van het funderingsdraagvermogen
worden voor de maatgevende belastingsituatie (tabel
C.2) alle relevante gronddraagkracht-toestanden
getoetst. Gezien de grondopbouw zijn dat in dit geval
het:
. Geponst ongedraineerd draagvermogen (D.4).
. Gedraineerd draagvermogen (D.5) en
. Geponst gedraineerd draagvermogen (D.6).
69
D.3 Grondeigenschappen
Yrep
yo
/sat;rep
natu u rlijk vochtgeha lte;
ysat;d i volumiek gewicht van verzadigde
grono;
Uit de representatieve sondering DKMP 23 en tabel
2.b van [9] zUn de grondopbouw en representatieve
waarden van de grondeigenschappen afgeleid, zie
: volumiek gewicht van grond bij
(t,
-^^
c 'd : effectieve cohesie;
e 'd : eÍfectieve hoek van inwendige
wr'tjving;
tabel D.1
c 'u;d i ongedraineerde schuifsterkte.
Ta Lrel D.1 Bode nronbo L-rv/ etl r cilr esentallÉvL' \,/aó icjen
Geohydrologische uitgangspunten
Voor de grondwaterstand zijn de volgende uitgangs-
varn qrondeigerschapJen (solcier rg DKN4P23)
ZAND,
punten gehanteerd:
. Freatische grondwaterstand: NAP 1,5 m.
. Drukverloop van de grondwaterstand is
35,0
r9.0
aangenomen als hydrostatisch.
VASI
-1,50
KLEI,
15,0
22,5 40
15,0
D.4 Toetsing van het geponst
siltig,
^l^^
5roP
-2,OO
Veen,
ongedraineerd gronddraagvermogen
t3
11.0
11,0
1,0
15,0
18,0
18,O
2,O
27,5 B0
5rd p
-4,50
KLEI,
siltig,
matig
-6,50
Zand,
17,O
30,0
19,0
los
Gebruik makend van de partiële materiaalfactoren in
tabel A.4a in [9] worden de volgende rekenwaarden
van de grondeigenschappen bepaald (zie tabel D.2).
De ongedraineerde toestand treedt op in cohesieve
grondlagen (van 1,50 m- tot 6,5O m- NAP). Bovenop
dit cohesieve pakket ligt een zandlaag die zich gedraineerd gedraagt. De maatgevende invloedsdiepte van
de funderingsbelastingen strekt zich uit tot voorbU de
zandlaag in het cohesieve pakket. In een dergelijk
geval wordt het ongedraineerde gronddraagvermogen
als volgt berekend:
Ta
be D.2 Bocre tr.opl:rou!"v en ek('r'r\v:a icie rr \'/a a c e n
I
r
. Er wordt gerekend alsof de fundering aan de
van grolrcleIgensclrappen {solcle' I q DKMP2,--JI
.
.
+0,50
ZAND,
31,3
17,3
VAST
-1,50
19,8 29,6
3,6
KLEI,
siltig,
cla n
-2,00
Veen,
'r0,0
0,0
16.4
6.4
u,b
131 111
.
bovenkant van het cohesieve pakket wordt
opgesteld.
Het gewicht van de grondlagen tussen het werkel'tjk
opstelniveau en het rekenkundig veronderstelde
niveau worden als funderingsbelasting meegenomen (gedrukte grond).
Aan alle zijden van de gedrukte grondkolom wordt
met een spanningsspreiding van 8'gerekend.
De grondlaag beneden 2,0 m- NAP is aanmerkelijk
slapper dan de laag vanaf 1,50 m- NAP; daarom
wordt de funderingsbelasting van de laag beneden
2,O m- NAP getoetst (in gevallen waarin dit niet
evident is, dient van beide lagen het geponst ongedraineerd draagvermogen getoetst te worden).
srap
-4,50
KLEI,
24,4 59,3
siltig,
matig
-6,50
Zand,
267 -
los
waarbij in de tabellen D.1 en D.2 (respectievelijk
representatieve waarden en rekenwaarden):
70
Op basis van het voorgaande bedraagt de rekenwaarde
van de funderingsbelasting op 2,0 m- NAP:
v-2,o:d=1.823 + 26,4* 1,2 * (2,O * 19,0 + O,5 - (15,0 - 10,0)) = 3106 kN.
N.B.
1.823 kN (zie tabel C.2):
26,4 m2 (zie tobel C.2);
1,2 = portiële belostingfoctor voor stotische belastingen.
De rekenwaarde van het geponst ongedraineerd grond-
draagvermogen wordt volgens [9] bepaald met de
formule:
R6
=A'* o 'max:d iwaarbij:
o'max;d =(n+ 2) * cu;d *sc * L +o ï:z;a
waarbij:
A'z,o^= b'2,or- * / z,o n-=(3,2+2*2,5 tan 8') - (8,3 + 2*2,5ïan 8") = 3,9 - 9,0 = 35,0 m2;
cg;6 = 11J kN/m2;
s. ='f + O,2 (b'l I'1 =1 + O,2* 3,9 / 9,0 = 1,09;
t = 0,5 + [1+ V (1- Hal(Á ',* cu:d )]= 0,5. [1+ V (1- 108 / (35,0.11í)] = 0,92;
e'v..2..d= 2,OO r 17,3 + O,5O
* 3,6
= 36,4 kN/m2.
Dit resulteert in:
Ro = 35,0
. (5J4 * 11í .1,09 * 0,92 + 36,+; = 3.276 kN.
Met V6 = 3106 kN wordt voldaan aan: R6 > V6. Hieruit
volgt dat het geponst ongedraineerd draagvermogen
voldoet.
D.5 Bepalen van het gedraineerd
gronddraagvermogen
De rekenwaarde van het gedraineerd gronddraagvermogen volgens [9] wordt bepaald met de formule:
R6
=A'*o 63v'6;waarbij:
o max;d =c'gem;d*N.*s.*br*i.to'v;zid*Nq*sq*bq*iq+O,5*Y'gem;d*b'*Ny'*sr'*br'*ir'
waarb'11':
c 'gem;d * N. * s. * br* i, = 0 (nihil; cohesie verwaarloosbaar klein);
o 'v:z:d" Nq * sq * bq * iq = 0 (nihil; geen gronddekking).
71
Verder geldt:
A '= 26,4 m2:
b'=3,2 m (zie C.4);
sv' = 1 - 0,3 b'l l' = 1- 0,3 3,2 / 8,3 = 0,88;
bv'='l,O (de werkvloer heeft geen helling);
- H6l (V6+ A' * c'sem;d * cot(
iv'
I n"r6));
=1
aangezien in dit geval c 'gem;d verwaarloosbaar klein is,
transformeert deze formule in:
iy = 1 - Ha I Vo= 1- 1O8 / 1.823 = 0,94.
Er resteren nog de parameters y gem;a en Nv'. Deze zt1-n
afhankel'rjk van de invloedsdiepte ze van de belastingen
op de werkvloer. Daarom dient eerst deze invloedsdiepte bepaald te worden.
Volgens figuur 5-2 is de invloedsdiepte afhankelijk van
de verhoudin g Ha I Va. Deze is in dit geval:
H6 I Va = 108 / 1.823 = 0,06. Verder is de invloedsdiepte
afhankelljk van <p n"r.."'. Dit vereist een iteractieve
berekening.
Ten behoeve van de iteractieve berekening gaat men
als volgt te werk. Men schat een gemiddelde waarde
van g ', om daarmee het gemiddelde van go 'te kunnen
berekenen). ln dit geval wordt de gemiddelde hoek
van inwendige wrijving geschat op (D 'sem:rep = 29,O".
Volgens figuur 5-2 bedraagt de invloedsdiepte bij
H6 I V6= 0,06 ca. 1,45. De invloedsdiepte bedraagt dan
z. = 1,45 * 3,2 = 4,65 m (4,15 m- NAP). Op basis hiervan
wordt E !"r;,.p als volgt berekend:
9 sem;rep = (2'00 * 35,0 * 3'65 + O,50.22,5.2,4O +2J5* 15,0.1,08) l(2,OO * 3,65 + O,50.2,40 + 2í5.1,08)
9 gem;rep = 29,3'; hieruit volgt: I gem;c = 26,0';
volgens tabel 5.2 volgt hieruit: Nv'= 10,9.
N.A.
3,65 = qfstqnd midden von loog 1 tot mv.
= 4,65 - 2,OO/2 = 3,65;
2,4O = ofstond midden von loog 2 tot mv.
= 4,65 - 2,OO - O,5O/2 = 2,4O;
1,O8 = ofstond midden von loog 3 tot mv.
= 4,65 - 2,O0 - 0,5O - 2,15/2 = 1,O8.
Op vergelrjkbare wijze wordt y 'o".n,6 berekend:
Y !em;o = (2,0O.123
- 3,65 + 0,5O * 3,6* 2,4O + 2,35 * 0,0 * 1,08)/ (2,00 * 3,65 + 0,50 - 2,4O + 2,35 - 1,O8)
Y 'gem;o = 11,8 kN/m2.
De rekenwaarde van het gedraineerd gronddraag-
vermogen bedraagt nu:
72
t
Ra= A'* o 'max;d
=4 '* O,5 * )z gem;o * b '* Ny'* sy'* by'* iy',
Ra= 26,4* O,5. 11,8 - 3,2 - 10,8 * 0,88 * 1,0 0,94 =
4.453 kN.
Met V6 = 1.823 kN wordt voldaan aan: R6 > V6.
Daaruit volgt dat het gedraineerde draagvermogen voor
een werkvloer op 0,5 m+ NAP voldoet.
D.6 Bepalen van het geponst gedraineerd g rondd raagvermogen
Deze berekening is analoog aan de berekening van het
geponst ongedraineerd gronddraagvermogen in D.4.
Echter hier wordt van een gedraineerd gedrag van het
cohesief pakket uitgegaan.
N.8.
Deze berekening moet worden uitgevoerd voor elke
loogscheiding woorbij de hoek von inwendige wrijving
(p 'rep van de onderliggende loog meer don 6" kleiner is
dqn die von de erboven liggende laog.
In dit rekenvoorbeeld wordt de laagscheiding op 2,0
m- NAP beschouwd, terwijl wordt uitgegaan van een
funderingsbelasting op maaiveld (0,5 m+ NAP).
N.B.
Ook bij de loogscheiding op 1,5 m- NAP bedroogt
het verschil in E 'rep meer don 6o: dit impliceerÍ dot
nqast deze foels op 2,O m- NAP, ook het gedroineerdgeponste droogvermogen op 1,5 m- NAP geÍoefst dienÍ
te worden.
Hierbij dient naast de funderingsbelasting Vo = 1.823 kN
(tabel C.1) met het gewicht van de bovenliggende lagen
gerekend te worden. De rekenwaarde van de funderingsbelasting bedraagt daarmee:
V-z,o:a=1.823 + 26,4. 1,2 * (2,0 * 19,0 + 0,5
- (15,0 - 1O,0))
= 3106 kN.
N.8.
1.823 kN (zie tobel C.2);
26,4 m2 (zie tobel C.2);
1,2 = partiële belostingfoctor voor sÍotische belostingen.
De wandwrijving langs de gedrukte grondkolom wordt
met een spreidingshoek van 8" in rekening gebracht.
Daarmee krijgt het fictief funderingsoppervlak een
grootte:
A'z.o^_=b'z.o^_*l'2.om =(3,2+2*2,5tan8') -(8,3+2*2,5tan8") =3,9*9,0=35,0m';
73
Analoog aan D.5 wordt voor het niveau 2,O m- NAP de
invloedsdiepte bepaald, waarbij wordt uitgegaan van
H6l V6= 1OB / 3lOG = 0,035. Bij een geschatte gemiddelde hoek van inwendige wrijving van go !66;1a = 17,O";
bedraagt de invloedsdiepte z" =1,O7 . 3,9 = 4,2 m
(6,2 m- NAP). Op basis hiervan wordt g !".:,"p als volgt
berekend:
9'sem;rep=(2,50*15,0*2,95+1,7O*27,5*o,85)/(2,50-2,95+170-0,85)=l/,4'
hieruit volgt: g 'sem;d = 14,9".
N.A.
2,95 = qfstqnd midden von loog l tot mv.
= 4,2O - 2,50/2 = 2,95;
O,85 = ofstond midden von loog 2 tot mv.
= 4,20
- 2,5O - 1,70/2 = O,85;
y !em;o = (2,50 * O,O * 2,95 +1,7O.6,4 - 0,85) l(2,5O* 2,95 + '170 - O,85)= 1,O5 kN/m3;
c'sem;d = (2,50 * 0,6.2,95 +1JO* 1,3
- O,85) l(2,5O* 2,95+ 1,7O. O,85)= 07 kN/m2.
Het gedraineerd-geponste draagvermogen wordt als
volgt berekend:
R-z,o;o=A'-2,o* (c gem;d*N.*s.*b.*t.!o'v;z'd*Nq*tq*bq*iq+0,5*Y
waarbij:
o 'v..2:d= 2,OO' 17,3 + O,50 - 3,6 = 36,4 kN/m2;
bq = 1,0 (het maaiveld is horizontaal);
bc = 1,O (het maaiveld is horizontaal);
by' = 1,0 (het maaiveld is horizontaal);
No = 3,87 (zie tabel 5.2);
Nc = 10,8 (zie tabel 5.2);
Ny' =1,57 (zie tabel 5.2);
sq = 1+ (b 'I | '1. sin(9 i )
= 1 + (3,9 / 9,O)
- sin 14,9'= 1J't;
ss =(sq*Nq-1)/(Nq-1)
= (1J1.3,87 -1) I (3,87 - 1)= 1J5;
sy' =1-O'3.b'/ I'
iq
=1-0,3.3,9/9,0=O,87;
*
={1-(O,7O. Ha)l(Va+A '*c h cot(E h))J3
= {1 - (0,7
. 1O8)/ (3.1O6 + 35,0 . O,7 cot 14,9")13
= {1 - (75,6 / 3198)13 = o,93;
iy'
ic
={1-(Ho I l(V6+ A'* c'd. cot(9 i ))J3
*
= {1 - 108 / (3106 + 35,0 07 cot 14,9')13
= {1 - 1o8 / 3.198}3 = o,9o;
-1)/ (Nq - 1)
(iq *
=
Nq
= (0,93
. 3,87 - 1) I (3,87 - 1)= o,91;
Met deze waarden wordt het gedraineerd-geponste
draagvermogen als volgt berekend:
74
gem;d*b'*Ny'*sr'*by'*iy')i
R-z,o;a=A'-z,o*(c'd*N.*sc*b.*ic*o'v;z;d*Nq*tq*bq'iq+0,5*y'a*b'*Ny'*sr'*by'*iy');
R_z,o;o=35,0-(07*10,8*1J5-1,0*0,91 +36,4*3,87.1J1 .1,0-0,93+O,5-1,05*3,9*1,57*0,87*1,O-0,9O)
= 35,0
* (7,91+ 145,42 + 2,52l'= 5.455 kN.
Met V-2,6;6 = 3106 kN wordt voldaan aan: R6 > V6.
Daaruit volgt dat het geponst gedraineerd draagvermogen voldoet.
D.7 Conclusie
Voor het onderhavige project, voor de berekende
situatie. onder de voorwaarde dat het terrein niet
voorafgaande aan de uitvoering van het heiwerk
wordt afgegraven (op 0,5 m+ NAP handhaven) is het
funderingsdraagvermogen getoetst aan de eisen
van Eurocode 7 [9]. Op basis van de berekeningen
in D.4, D.5 en D.6 wordt geconcludeerd dat voor de
beschouwde funderingsmachine:
. Het geponstongedraineerd gronddraagvermogen
voldoet.
. Het gedraineerd draagvermogen voldoel
. Het geponst gedraineerd draagvermogen voldoet.
Op basis hiervan kan worden gesteld dat de
beschouwde funderingsmachine qua gronddraagvermogen veilig op de beschouwde locatie worden
te werk gesteld. Wel dient nagegaan te worden of
hiermee alle van toepassing zijnde belastingsituaties
getoetst zUn.
75
Bijlage E
Bouwterreincertificaat (BTC) Nederla nd
Bouwterreincertifi caat (BTC) Nederland
(Aan dit certificaat kan een schets of een gemarkeerde palenplantekening worden gehecht incl. opritten en rasterlunen)
Organisdlie'on$.€rper van h4bouwterrein
Deel 2 - Verificatie door de opdrachtgever
Het bouwterrein zoals hiernaast beschreven is zodanig ontworpen en aangelegd, dat de werkzaamheden met
het materieel zoals hiernaast genoemd veilig kunnen worden uitgevoerd. Het bouwterrein zal door of namens de
opdrachtgever voldoende worden geïnspecteerd en onderhouden en zal, waar nodig, zodanig worden hersteld dat
de draagkracht gedurende de werkzaamheden gewaarborgd blijft.
Na een ontgraving of beschadiging zal het bouwterrein op basis van het oorspronkel'rjke of een nieuw ontwerp
inclusief draagkrachtberekening worden aangepast of hersteld. Voordat met de werkzaamheden op het terrein
wordt begonnen, moet een kopie van dit certificaat ondertekend door een bevoegde persoon door of namens de
opdrachtgever aan iedere gebruiker van het bouwterrein worden verstrekt.
";:ïiii,, ",8
'
, ,].1 .r.
',f'f1
,$:ï,
'tr
',-1,,11
ri@rys"fiq
- .' , ,".' ..
1,
\ B. De bodembelasting door een runde'ingsmacïine op schotten is..er alleen van haar gewic'rl incl. giek. makelaar. hr,slast, etc
aíhankelijk, maar ookvan hettoegepaste schottenbed, de excentriciteitvan het massa-zwaêrtepunit.o.v. heï hartvan de draalkrans en
de excentriciteit waarmee de machine op het schottenbed s opgesteld. Dit aspect ls van groot belang bl de toetsing vdn het boderndraagvermogen. De stablliteit is o.a. aíhankelijk van de grootte van het schottenbed en de positronering van de machrne daêrop.
TT
Bouwterreincertificaat (BTC) Nederla nd
Handleiding voor bouwterreinen voor
funderingsmachines op rupsen
f
.
Ontwerp
in het oppervlak tijdens nat weer te voorkomen (dit kan
de prestaties van het bouwterrein negatief belnvloeden
en de onderhoudskosten verhogen).
1.5 Beproeving vên het terrein, in het bijzonder het deel
voor het funderingswerk, kan plaatsvinden:
. Door middel van een sonderino/technisch bodem-
1l Artikel 2.28 van het Arbobesluit vereist dat de
opdrachtgever een inventarisatie en evaluatie opstelt
van de specifieke gevaren die het gevolg zijn van de
(gelijktr.1di ge en achtereenvol gende) u itvoeri n g va n
bouwwerkzaamheden. Er moet van worden uitgegaan
dat de uitvoering van funderingswerkzaamheden door
de inzet van zware machines specifieke gevaren met
zich meebrengt ten aanzien van de begaanbaarheid
van het bouwterrein en de stabiliteit van machines.
Opd rachtgevers moeten gerichte maatregelen treffen
dat die gevaren door onderzoek in beeld worden
gebracht, voordat z1 het BTC kunnen invullen en ondertekenen.
1.2 De stabiliteit van machines op rupsen wordt in hoge
mate bepaald door een geschikt bouMerrein dat in
voldoende mate kan worden belast. Dit moet adequaat
ontworpen z'rjn en aangelegd op basis van SBRCURnet
Richtlln 689:'16 Begaanbaarheid van bouwterreinen.
Hoewel een bepaald type funderingsmachine in
gebruik kan zijn bij verschillende bedrijven, kunnen de
belastingen verschillen als gevolg van een specifieke
configuratie van de funderingsmachine en/of eventuele
aanpassingen. Voordat met het ontwerp en de inrichting
van het bouwterrein wordt begonnen, worden de
specifieke gegevens van de in te zetten funderingsmachine, waaronder het totaalgewicht van de machine,
de belastingen en de positie van het overall-zwaartepunt in zowel belaste als onbelaste toestand, door de
gespecialiseerde aannemer verstrekt.
1.3 Het draagvermogen van het bouwterrein is sterk
afhankel'ljk van de bodemopbouw en de aangebrachte
materialen. Aanbevolen wordt om het ontwerp van het
funderingswerkgebied en de r'tjwegen op conservatieve
waarden van de grondeigenschappen te bêseren.
Alleen bij beschikbaarheid van betrouwbare gemeten
waarden, kunnen deze in het ontwerp toegepast
worden.
1.4 Het bouMerrein moet veilig begaanbaar, berijdbaar
en draineerbaar zijn, zodat opeenhoping van water
en slib kan worden voorkomen. Bij funderingen met
een fijne korrel moet een scheidings-/íiltermembraan
worden geplaatst onder het oppervlak om een 'pompeffect' en infiltratie van de ondergrond met fijne korrel
7a
onoerzoeK.
. Doorproefbelastingen.
. Of met behulp van een handsondeerapparaati
penetrometer of -logger.
1.6 Voor het bouwterrein moet een gespecificeerd
ontwerp worden gemaakt voor de totale duur van het
werk wat begint vóór het aanvoeren van het materieel
en eindigt na afronding van alle funderings-werkzaamheden en de demobilisatie van het materieel. Hierbij
zijn inbegrepen eventuele paaltesten, het controleren
op afwijkingen en het uitvoeren van eventuele herstelwerkzaamheden.
1.7 De gespecialiseerde
aannemer dient de opdrachtgever bU de eerste gelegenheid te waarschuwen,
indien hij omstandigheden m.b.t. het bouwterretn
constateert die hij als onveilig beschouwt.
2,
Funderingswerk
21. Het Bouwterreincertificaat is verplicht voor alle
bouwplaatsen waar een funderingsmachine werkzaam is. Dit moet worden ondertekend door een
geautoriseerde vertegenwoordiger van de opdrachtgever. Door middel van deze handtekening wordt
bevestigd dat aan alle wettelijke verplichtingen is
voldaan.
2.2 Als het bouwterrein fasegewijs moet worden
opgebouwd of verwijderd tijdens de funderingswerkzaamheden, moet de omvang van het terrein
duidelijk op het certificaat en op de best denkbare
wijze fysiek op de locatie worden uitgezet/aangegeven.
Dit is met name belangrijk wanneer grond wordt
verolaatst van een eerder beschikbare locatie naar de
locatie van de gespecialiseerde aannemer.
2.3 Het bouMerrein moet voorzien in een veilige
toegang voor alle leveranciers, onderaannemers en
personeel betrokken bij de gespecialiseerde werkzaamheden. Wanneer het bouwterrein correct is
ontworpen en geprepareerd, kan het voor het complete
project een geschikte en veilige toegang bieden voor
aansluitende werkzaamheden.
2.4 Wanneer de rand van het bouwterrein onduidelljk
wordt aangegeven, vormt dit een belangr'rjke oorzaak
voor instabiliteit van de machine op rupsen. Bij een
goede werkwijze moet het bouwterrein ten minste
2 m buiten de machinepositie/rand van het gebouw
uitsteken om een voldoende veilig werkoppervlak
voor het gespecialiseerde personeel en de aanwezige
machine(s) te garanderen. Wanneer er moet worden
gewerkt binnen een afstand van deze 2 m-zone, dient
de ontwerper altijd te worden verzocht het terrein
zodanig te ontwerpen dat er tot aan deze rand kan
worden gewerkt2
2.5 Wanneer er hellingbanen worden gebruikt tussen
de werkniveaus, moeten deze over een juiste hellingshoek en breedte beschikken om de machine veilig te
kunnen verplaatsen, rekening houdend met de stabiliteitsvoorwaarden van de machine. De hellingbanen
tussen werkoppervlakken moeten in een rechte lijn
zijn aangebracht. Funderingsmachines kunnen hun
rijrichting op hellingbanen niet veranderen. Wanneer
de rijrichting van de funderingsmachine halverwege de
hellingbaan moet worden aangepast, dient hiervoor
een vlak (horizontaal) draaipunt ontworpen te worden.
3.
Onderhoud, aanpassing,
reparatie en herplaatsing
3J Het bouwterrein moet draineerbaar zijn. Er kunnen
zich water en slib vormen op het bouMerrein. Dit
kan gevaren aan het zicht onttrekken zoals nieuwe
heipalen, struikelgevaar, een ongelijke of instabiele
ondergrond, services en graafwerkzaamheden. Slib
kan worden meegevoerd naar de werkuitrusting. Dit
3.3 Het bouwterrein moet regelmatig worden gecontroleerd door een competente medewerker die wordt
aangesteld door de opdrachtgever (bijv. de coórdinator
uitvoeringsfase) gedurende de volledige duur van het
werk en na werkzaamheden die veranderingen met
zich mee hebben gebracht. Beschadigde of ongeschikte delen moeten worden teruggebracht naar het
oorspronkelijke ontwerp. Hel logboek voor regelmotige
lnspectles von bouwterreinen moet worden ondertekend door een geautoriseerde vertegenwoordiger
van de opdrachtgever en samen met een ontwerptekening met veranderingen aan het bouMerrein
(indien van toepassing) worden afgegeven aan de
gespecialiseerde aannemer. Onder regelmatig wordt
ten minste verstaan na elke fase in de uitvoering
van het werk, na elke tussentijdse grondophoging of
afgraving en na elke flinke regenbui, storm, vorst etc.
4. Ontwerp bouwterrein
4.1 De volgende items moeten zorgvuldig
op de
ontwerptekening van het bouwterrein zijn vermeld
en door de opdrachtgever aan de gespecialiseerde
aannemer worden doorgegeven: details van de
bouwterreinranden, een afbakening van de 2 m-zone,
proefkuilen, kabels, leidingen of holten, opvuldelen,
bekende ondergronden, delen die zijn afgedekt door
het certiÍicaat oí de werkvergunning, testlocaties (indien
aangegeven door de ontwerper van het terrein) en
andere kenmerken die van invloed kunnen zijn op een
veilige werkwijze.
Verder dienen op de ontwerptekening van het bouwterrein aangegeven te worden:
. Opstelposities en posities voor het op- en afbouwen
van de machines.
. Machinerijbanen.
. Rijwegen en opslagplaatsen voor prefab palen,
vergroot het risico van het wegglijden van traptreden
en een moeizaam gebruik van werkgereedschappen.
damwand, betonmixers, etc.
3.2 Obstakels die tijdens de uitvoering van de
funderingswerkzaamheden worden ontdekt, moeten
meestal worden weggegraven. Dit kan een 'zwakke
plek' veroorzaken, waardoor de funderingsmachine
kantelt. Het is daarom cruciaal dat uitgravingen in het
bouwterrein worden teruggebracht in de staat naar
het oorspronkelijke ontwerp, inclusief pakketten en
scheid i n g sfi lter/-m e m b ra n en.
N'EBei]êchilllel.."''iliiÉ'..]ê1l']È5Ê.i5t[]ge|]].lrtotb.idL.riC]enve-ldel
ar r aI DC,|,'.'1e ,alf i a.f eÍr 1Ên 'Nif Ste .le vol edige nv L',ed:orÊ vêír ale i!r alei f it:lle al5tlnaen 1e ornvallen
79
B'rjlage F
Logboek voor regelmatige inspecties van bouwterreinen
Bouwterrei ncertificaat (BTC) Nederland
Logboek voor regelmatige inspecties
van bouwterreinen
Het bouwterrein is geïnspecteerd. Alle noodzakelijke
inspecties, onderhoud en herstelwerkzaamheden van
het bouwterrein geschieden volgens het oorspronkelijke ontwerp. Indien noodzakel[jk is een herziene werktekening van het bouwterrein aan de gespecialiseerde
aannemer ter beschikking gesteld.
8í
llllllllllilllillllllllllllllilllillillllllllll
17w2058411'68e17