Blok 1 Vorm en Functie Inhoudsopgave Week 1 ............................................................................................................................................................. 2 Week 2 ............................................................................................................................................................. 5 Week 3 ........................................................................................................................................................... 11 Week 1 Voorwaarden voor beweging Binnen het lichaam vinden op vele locaties en op diverse manieren bewegingen plaats. Een voorwaarde voor het bewegen van 2 structuren ten opzichte van elkaar is dat er tussen deze structuren een glijvlak is, dat minder weerstand geeft dan de kracht die de beweging genereert. Het synoviale gewricht is het ultieme voorbeeld. Een synovia filmpje zorgt ervoor dat de gladde kraakbeen oppervlakken van de articulerende botstukken soepel ten opzichte van elkaar bewegen. Het lichaam kent ook andere bewegingsmogelijkheden die ook enige vorm van glijvlak vereisen. Organen in de lichaamsholten Een groot deel van de organen van thorax, abdomen en pelvis moet zelf of ten gevolge van ademhaling of houdingsveranderingen kunnen bewegen. Bewegingen ten opzichte van elkaar of de rompwand worden gefaciliteerd door de aanwezigheid van een vloeistoflaagje, geproduceerd door de sereuze vliezen die de organen en de binnenzijde van de wand van de holte waarin de organen liggen bekleden. Feitelijk bevinden deze vloeistoflaagjes zich in 3 ruimtes, die alle delen zijn van thorax, abdomen en pelvis: cavitas pleuralis rondom de longen; cavitas pericardialis rondom het hart; cavitas peritonealis rondom een deel van de buik- en bekkenorganen. 1. Hoe heten de drie sereuze vliezen die in de thorax en het abdomen worden aangetroffen? Pleura, pericardium en peritoneum. (Bij visceraal en parietaal zijn beide bladen sereus) Spieren en het mediastinum Elke contraherende en relaxerende spier beweegt ten opzichte van de omgeving. Glijvlakken worden gecreëerd door losmazig bindweefsel dat zich tussen en naast spieren bevindt. Dit losmazige bindweefsel verschaft de spieren voldoende bewegingsvrijheid. Losmazig bindweefsel als glijvlak wordt ook tussen spieren en botten aangetroffen. De mobiliteit in het mediastinum is zeer groot. Dit komt doordat de organen/structuren zelf beweeglijk zijn (hart, aorta, oesophagus) en door volumeveranderingen van de thorax ten gevolge van de ademhaling (bewegingen van het diafragma en de thoraxwand). Het losmazige bindweefsel waarin de structuren in het mediastinum liggen ingebed verschaft deze bewegingsvrijheid. 2. Wat wordt verstaan onder het mediastinum? Het mediastinum is ruimte tussen de longen, bestaat uit superior en inferieur mediastinum. Begint bij superior thoracic aperature en eindigt bij inferior thoracic aperature. Het loopt anterior van sternum naar posterior de vertebrea. Inferior mediastinum wordt onderbroken door pericardium. (3 soorten glijvlakken: synovia, sereuse glijvlakken, losmazige bindweefsel) 3. Behalve in gewrichtsholtes wordt synovia ook elders aangetroffen waar het eveneens een glijvlak kan vormen en een rol speelt bij drukverdeling. Om welke structuren gaat het hier? Bursea bestaan ook uit synovia, die vormen ook als glijvlak. Extremiteiten Tijdens de embryonale ontwikkeling, maar ook terug te vinden in de evolutie, ondergaan de bovenste en onderste extremiteit tegengestelde rotaties: de arm maakt een exorotatie en het been een endorotatie. Dit verklaart het tegengesteld zijn van de buig- en strekzijden van de ledematen. Functioneel is dit voordelig. 4. Wat is het functionele voordeel van de buigzijde aan de ventrale zijde van de arm en de dorsale zijde van het been? Door buiging aan de ventrale zijde van de arm, is het mogelijk voor ons naar dingen te grijpen en naar de mond te brengen (handoog coördinatie). Door buiging aan de dorsale zijde van het been is het mogelijk dat wij ons vooruit kunnen bewegen met alleen 2 benen ipv 4. Schoudergordel versus bekkengordel De extremiteiten zijn via benige gordels met de romp verbonden. De dragende functie van het been stelt eisen aan de stabiliteit van de bekkengordel: deze is gesloten, de beide ossa coxae zijn aan de dorsale zijde met het sacrum verbonden via de stabiele art. sacroiliacae. De arm is juist gebaat bij een sterke mate van mobiliteit aangezien de schoudergordel een bijdrage levert aan het optimaal positioneren van de hand voor manipulaties. Bij de schoudergordel is de stabiliteit opgeofferd ten gunste van de mobiliteit en derhalve is het een open gordel. De schoudergordel bestaat uit de clavicula en de scapula. De clavicula is aan de romp verbonden via de art. sternoclavicularis. Dankzij de aanwezigheid van een discus articularis is dit een zeer mobiel gewricht, namelijk een functioneel kogelgewricht met drie assen van beweging. Aan de dorsale zijde is de schoudergordel open: de scapulae hebben geen gewrichten met de romp, ze hangen als het ware in spieren. Bovenste versus onderste extremiteit Mobiliteit en handfunctie zijn de kernbegrippen van de bovenste extremiteit. De in de arm aanwezige gewrichten werken samen om de hand optimaal te positioneren en te laten functioneren. Krachten kunnen zeer precies gedoseerd worden: we weten precies met hoeveel kracht we een ei kunnen beetpakken zonder dit samen te knijpen. Stabiliteit, draagfunctie en voortbeweging zijn de kernbegrippen van de onderste extremiteit. Het been zorgt voor overdracht van het lichaamsgewicht naar de grond en zorgt voor de voortbeweging van het lichaam. Het grote krachtenspel in de onderste extremiteit stelt eisen aan botten, gewrichten en spieren. Het heupgewricht heeft meer inherente stabiliteit dan het schoudergewricht. Het femur verloopt schuin, van craniolateraal naar caudomediaal, zodat de knieën naast elkaar gepositioneerd zijn en zich onder de romp bevinden. De fibula heeft geen dragende functie maar is biomechanisch wel belangrijk omdat hij met de tibia een verende kom voor het enkelgewricht vormt en zo een betere krachtopvang mogelijk maakt. 5. Ondanks de sterke behoefte aan mobiliteit is rotatie in het polsgewricht niet mogelijk. Welke bewegingen zijn wel mogelijk? Dorsaalflexie, palmairflexie, adductie, abductie 6. Steek je arm vooruit met de handpalm naar boven. Voer vervolgens de beweging uit waarbij de handpalm naar onderen gedraaid wordt. Rotatie in de pols is niet mogelijk. Welke beweging is hier uitgevoerd? Pronatie 7. Is de onder 6 bedoelde beweging ook mogelijk in de onderste extremiteit? Nee die beweging is niet mogelijk. Hand versus voet Het vermogen om met voorwerpen te manipuleren is een van de eigenschappen waarmee de mens zich onderscheidt. Essentieel voor onze handfunctie is de grijpbeweging waarbij de duim tegenover onze vingers wordt geplaatst (opponeren). De duim is dan ook iets anders gepositioneerd dan de overige vingers en heeft andere bewegingsmogelijkheden. De complexe bewegingen in onze hand worden aangestuurd door vele spieren. Een deel van deze spieren bevindt zich in de onderarm en is via lange pezen verbonden met de botten in de hand (extrinsieke handspieren). Deze spieren zorgen voor de grove en krachtige bewegingen. Het fijne bijsturen van de bewegingen gebeurt via kleinere spiertjes die zich in de hand zelf bevinden (intrinsieke handspieren). Ze zorgen ervoor dat we krachten goed kunnen verdelen en zeer fijn werk kunnen doen. De hoofdfuncties van de voet zijn het dragen van het lichaamsgewicht en het in beweging zetten van het lichaam. De voet verwerkt daarbij grote krachten. Voor aanpassing aan ongelijke oppervlakken is de voet gesegmenteerd. Dit maakt hem plooibaar en maakt ook dat er voor de voet en de enkel veel meer spieren nodig zijn dan alleen de m. triceps surae. De opvang van krachten in de voet verloopt efficient dankzij de constructie van de voetgewelven. Het gevolg is dat het lichaamsgewicht op bepaalde plaatsen via de huid de onderlaag bereikt. De gewelfstructuur en de relatief grote voetwortel zijn uniek voor de menselijke voet. De gesegmenteerde structuur van de voet kan alleen gewicht dragen als er sprake is van een boogconstructie. Voor de voet betreft dat twee lengtegewelven, een mediale en een laterale waarvan de mediale de hoogste is. De delen die het meeste gewicht dragen zijn de calcaneus en de koppen van de ossa metatarsalia. Daarnaast maken ook de laterale voetrand en de huid onder de distale phalangen contact met de grond, zoals blijkt uit een voetafdruk. Diverse factoren houden de lengtegewelven in stand. De sterke aponeurosis plantaris, ligamenten, spieractiviteit en de vorm van de botten leveren alle een bijdrage. 8. Vergelijk de bewegingsmogelijkheden van de duim met die van de overige vingers. De overige vingers kunnen alleen flexeren, extenderen, adductie en abductie. Je duim kan ook een klein beetje roteren, en kan circumductie. Carpometacarpaal (zadelgewricht) Dankzij welk gewricht heeft de duim een grote beweeglijkheid ten opzichte van de rest van de hand? Welke gewrichten geven de vingers een grote beweeglijkheid ten opzichte van de rest van de hand? Door het zadelgewricht. 9. Wat voor soort gewrichten zijn de in vraag 8 genoemde gewrichten? Condylair gewricht. 10. Wat is de functie van de m. triceps surae? Uit welke onderdelen bestaat deze spier? De functie is Plantar flexie van de voet, hij bestaat uit, M. Gastrocnemius caput mediale, en M. Gastrocnemius caput laterale en M. Soleus 11. Bedenk wat voor regionale aanpassingen in de voet gevonden zouden kunnen worden zodat bij de calcaneus en de koppen van de ossa metatarsalia de grootste druk kan worden weerstaan. Week 2 Voorbereiding De voor deze bijeenkomst vereiste voorbereiding is beschreven in zelfstudie 5. Doel Deze werkgroepbijeenkomst is getiteld Homeostase en heeft als doel inzicht te verwerven in de efferente werking van het autonome zenuwstelsel en enkele hormonale homeostatische regelingen: ECV en glucosespiegel.Ter illustratie worden klinische beelden gegeven die verklaard moeten worden. Opdracht 1. Het autonome zenuwstelsel Boron en Boulpaep: Medical Physiology, 3rd ed: Autonome zenuwstelsel CH 1 Foundations of Physiology, CH 14 The autonomic nervous system. p 334 tot aan p 339 The enteric division..etc. Figuur 144 is belangrijk. CH 50 The adrenal gland. p 1018 tot aan The adrenal cortex en p p 1030-1034 The adrenal medulla. De synthese en afbraak van catecholaminen hoeft u niet te kennen. Online Sesam Atlas van de farmacologie: Speciële farmacologie: p 86-90, 102-105. Merck manuals: www.merckmanuals.com , kies voor de Professional version en dan Medical Topics Neurologic disorders: Overview of the Autonomic Nervous system tot aan Etiology of Autonomic Insufficiency. Er vinden in het lichaam talloze processen plaats die al dan niet bewust aangestuurd kunnen worden. Lopen (i.e. het gebruik van de spieren) of iets waarnemen zijn processen die bewust gedaan worden maar processen als metabolisme (stofwisseling), ademhaling, het pompen van het hart of het open zetten van bloedvaten zijn dat niet. Hiervoor wordt de term onwillekeurig gebruikt: niet onder invloed van de wil. Het centraal zenuwstelsel speelt een grote rol in de aansturing van die processen. Het deel dat de "onbewuste" processen aanstuurt is het autonome zenuwstel (AZS). De verschillende onwillekeurige processen in het lichaam moeten individueel geregeld worden maar óók op elkaar afgestemd worden. Deze besturing kent een snelle component die vaak maar kort actief is, en een trage component die langduriger werkzaam is. De snelle component verloopt via het autonome zenuwstelsel, de trage via lokale en systemische hormonen. Het autonome zenuwstelsel is betrokken bij de regeling van het metabolisme, de ademhaling, de circulatie, de maag-darmfunctie en vele andere vitale processen. Om die functies te kunnen regelen beschikt het systeem over stimulerende (faciliterende) en over remmende (inhiberende) delen. Het deel dat ten aanzien van de ene functie faciliteert, werkt ten aanzien van een andere functie inhiberend en omgekeerd. Zo kunnen de functies onderling op elkaar worden afgestemd; er heerst een balans tussen de faciliterende werking en de remmende werking die afhankelijk van de omstandigheden kan verschuiven. De bouw van het AZS is besproken in het anatomiecollege. Met betrekking tot het functioneren van het efferente oftewel aansturende deel van het AZS zijn er drie delen: het sympatisch zenuwstelsel (afgekort met OS: orthosympatisch), het parasympatisch zenuwstelsel (PS) en het enterisch zenuwstelsel. Dat laatste (gelegen en werkzaam in de darmen) laten we hier buiten beschouwing. Het afferente of sensorische deel van het AZS is al aan de orde geweest bij de presentatie ‘gerefereerde pijn’ en zal in een later blok uitvoeriger besproken worden. De overdracht van zenuwprikkels van de ene cel op de andere cel gebeurt met behulp van zogenaamde neurotransmitters. Bijvoorbeeld: noradrenaline is de neurotransmitter van het OS zenuwstelsel, acetylcholine van het PS zenuwstelsel. Cellen hebben receptoren: speciale structuren in hun membraan waaraan (zeer specifiek) de neurotransmitters kunnen koppelen. De zenuwcel geeft de neurotransmitter af en deze koppelt aan de receptor op de doelcel (bijv. cel van het hart). Na binding gaat er een signaal de doelcel in dat de gewenste processen in die cel in gang zet. Casus: Gierend van de adrenaline naar de eindtoets... Derk de Jager, een gezonde eerstejaars student Geneeskunde zit in de bibliotheek nog een laatste maal de stof voor de eindtoets door te nemen. Hij is een beetje nerveus want hij vond het een moeilijk blok. Plotseling ziet hij dat het al laat is, die toets gaat al bijna beginnen! Hij schrikt zich een hoedje, rent het Hijmans van den Berghgebouw uit en steekt over naar het Educatorium. En dan komt daar een ambulance met zwaailichten aanrijden...het gaat gelukkig net allemaal goed. Met bonzend hart, hijgend en puffend en met klamme handen en het zweet op zijn (rode) voorhoofd bereikt hij het Educatorium. Als iemand schrikt, maar ook als iemand zich gaat inspannen, wordt het lichaam in staat van paraatheid gebracht: er moet gehandeld worden, er moet snel energie vrijgemaakt worden: de katabole processen worden gestimuleerd. Welk systeem (OS of PS) stimuleert dit? Welke neurotransmitter is werkzaam? Het Sympathische zenuwstelsel mbh van Noradrenaline op organen en ACH tussen neuronen Zweetklieren ook ACH 2. Vul met behulp van fig 14.4 in Boron in de tabel in wat er gebeurt met de hierna genoemde organen en processen als Derk het Educatorium inrent: a. het hart hartslag versneld en pompkracht vergroot b. de circulatie naar de spieren en de huid Erectie van haren c. de ademhaling: bronchi en perfusie (doorbloeding) Relaxeert luchtwegen d. het maagdarmkanaal: motoriek, klierfunctie en doorbloeding Inhibeert functie e. thermoregulatie: transpiratie f. het bijniermerg Stimuleert secretie van epinephrine 1. Vervolg casus: Derk is nog precies op tijd, en de toets begint. De vragen blijken mee te vallen, de stress verdwijnt, en de rust keer weer in zijn lichaam. Welk systeem (PS of OS) regelt de processen in rust? Welke neurotransmitter is werkzaam? Parasympaticus met ACH h. Vul met behulp van fig 14-4 in de tabel in welk effect dit heeft op het hart, de circulatie, de ademhaling, het maagdarmkanaal, de zweetklieren en het bijniermerg. g. Tabel: Overzicht van de AZS- reacties op stress, schrik en inspanning bij de casus SYMPATHICUS orgaan(systeem) hart circulatie - spieren - huid ademhalingstelsel - bronchi - perfusie maagdarmkanaal - motoriek en klierfunctie welk effect? PARASYMPATHICUS welk effect? hartslag versneld en pompkracht vergroot Vertraagd hartslag, maar slagkracht is niet zeker Erectie van haren, Bevordering circulatie naar spieren. Huid: Eerst vasoconstrictie dan Vasodilatie Relaxeert luchtwegen. Vaso dilatatie Bronchi dilatatie Long venen constrictie (hoge druk dus niks blijft hangen) Geen direct effect Geen effect op bloedvaten! Inhibeert functie Vasoconstrictie minder darmperistaltiek. Stimuleert darmperistaltiek en klieractiviteit. Secretie van zweet klieren Geen effect Vernauwd luchtweg - doorbloeding thermoregulatie: - transpireren bijniermerg Stimuleert secretie van Noradrenaline Geen effect 3. In de onderstaande figuur is de relatie getekend van het AZS met het metabolisme oftewel de stofwisselingsactiviteit. De kernwoorden zijn gegeven. Kunt u met pijlen aangeven hoe het OS en het PS systeem het anabolisme cq katabolisme beïnvloeden? Gebruik een doorgetrokken pijl voor stimulering en een stippelpijl voor remming. = stimulering = remming Opdracht 2: Homeostase van het extracellulair volume Boron en Boulpaep: Medical Physiology, 3rd ed: CH 38 Urine concentration and dilution. p 817-820: Regulation by arginine vasopressin, NIET de tekst over Urea-transporter (AVP enhances the Urinaryconcentrating mechanism, etc). CH 40 Integration of water and salt balance. p 844: Control of water content en vooral Hypothalamic neurons synthesize AVP etc. tot aan einde hoofdstuk. Diuretics: geen tentamenstof. Merck manuals: www.merckmanuals.com, kies voor de Professional version en dan Medical Topics. Endocrine and metabolic disorders: - Fluid metabolism, Water and sodium balance, klik in de tekst ook op Central Diabetes Insipidus Het lichaam bestaat voor ca. 60% uit water; 2/3e deel bevindt zich in de cellen, 1/3e deel daarbuiten. Dit is de extracellulaire vloeistof. Een deel hiervan bevindt zich in de bloedvaten (het bloed), de rest is de weefselvloeistof. Deze beide componenten staan in nauw contact met elkaar en wisselen stoffen uit. De samenstelling en de omvang van het Extracellulair volume (ECV) worden zo constant mogelijk gehouden. De homeostatische balans van het ECV is het resultaat van vochtinname en vochtverlies: Als er meer of minder water is (het volume is dan dus groter of kleiner) heeft dit gevolgen voor de samenstelling en vooral voor de osmolariteit van het ECV. Als het ECV toeneemt door een toename van water én zout verandert de osmolariteit nauwelijks maar wel het volume. Om het ECV bij te stellen moeten er dus verschillende regelsystemen in actie komen met verschillende hormonen. Neem regelschema's in Boron (fig 40-2, p 838 en fig 40-3 p 840) erbij: zij tonen de fysiologische invulling. a. Welke hormonen die betrokken bij de regulatie van het ECV, worden hier genoemd? Renine, Angiotestinogeen, Angiostenin 1 en 2, Aldosterone, AVP of ADH, ANP (remt Natrium resorptie) AVP (de functionele naam is antidiuretisch hormoon of ADH) is er een van. b. Waar wordt AVP geproduceerd en hoe komt het in het bloed? Paraventricular en supraopticnuclei van de hypothalamus synthetiseren AVP Door axonen naar hypofyse en dan het bloed in. c. Welke 2 stimuli resulteren in de afgifte van AVP? Verhoogde extracellulaire osmolariteit (hypothalamus heeft osmolariteit receptoren) en Lage bloeddruk (bloedvaten hebben receptoren voor druk) d. Welke 2 functies heeft AVP? Vasoconstrictie en Water excretion of kidney Bij Diabetes Insipidus (DI) is er een gebrek aan AVP. e. Geef in het regelschema op p 838 (fig. 40-2 Boron) aan waar dit probleem ontstaat In de meeste gevallen wordt DI veroorzaakt doordat de hypofyse/hypothalamus niet genoeg vasopressine uitscheidt. Vaak is dit het gevolg van schade aan de hypofyse door een operatie aan een hypofysetumor. Wanneer dit het geval is, is de aandoening vaak van tijdelijke aard en gaat na 1-2 weken vanzelf weer over. Bij onbekende oorzaak (Idiopathisch) f. Beredeneer wat de gevolgen zijn voor: osmolariteit, urineproductie door de nieren (hoeveelheid en hoe de urine eruitziet), AVP-spiegel. Door gebrek aan AVP is er geen reabsorptie van water door de nieren, je hebt dus voortdurende urineproductie, de urine is waterig. AVP-spiegel is laag. De osmolariteit is hoog g. Welke symptomen zal een patiënt met deze aandoening hebben? Veel urineren, evt uitdroging, veel dorst, hoge Na spiegel h. Hoe wordt DI behandeld? Wordt vaak behandeld met Minrin (desmoprecine) (lijkt op AVP) Opdracht 3. Homeostase van glucose Boron en Boulpaep: Medical Physiology, 3rd ed: CH 51 The endocrine pancreas. p 1035-1041 en p 1044 - 1050: u dient hieruit te leren wat de effecten zijn van insuline, het onderliggend mechanisme hoeft u niet te leren. Merck manuals: www.merckmanuals.com, kies voor de Professional version en dan Medical Topics. Endocrine and metabolic disorders: - Principles of endocrinology - Diabetes mellitus and disorders of carbohydrate metabolism Achtergrond In rust is glucose de belangrijkste bron van energie. Het functioneren en overleven van cellen is direct afhankelijk van de energielevering, het is daarom vanzelfsprekend dat de glucosehuishouding goed geregeld is. Glucose is normaliter afkomstig uit de voeding. Bij voldoende aanbod wordt het overschot opgeslagen in de lever- en de spiercellen in de vorm van glycogeen, in vetcellen in de vorm van vet. Het glycogeen wordt teruggevormd tot glucose als de behoefte aan glucose groter is dan het directe aanbod. Ook de vetzuurverbranding wordt dan ingeschakeld. De afbraak van glucose en vetzuren resulteert in een gemeenschappelijk tussenproduct, nl. acetyl-CoA. Ook de afbraak van enkele aminozuren leidt tot dit product. Vanuit dit kruispunt van metabole wegen kunnen glucose, vetten en aminozuren in elkaar worden omgezet. Glucose en vetten zijn de belangrijkste substraten; het opmerkelijke is dat ze elkaars gebruik beïnvloeden: om vetten te kunnen verbranden is aanwezigheid van glucose noodzakelijk. Maar de aanwezigheid van veel vetzuren remt de verbranding van glucose! Deze omzettingen staan onder controle van o.a. de hormonen insuline, glucagon en adrenaline. Zo is er een teruggekoppeld regelsysteem waarin de glucoseconcentratie in het bloed zichzelf regelt. Het is duidelijk dat een verstoring in het glucosemetabolisme belangrijke gevolgen kan hebben voor de energievoorziening, en voor de vet- en eiwitstofwisseling. Benoem de drie doelorganen van insuline. De lever, De spieren, Vetcellen b. Welke effecten heeft insuline op deze organen? Lever: Door de directe verbinding via de poortader is de concentratie in de lever veel groter dan in circulatie. 4 effecten op lever: 1. Glycogeen synthese en glycogenolyse Remming 2. Glycolyse en Gluconeogenese Remming 3. Lipogenesis 4. Proteïn metabolisme Spieren: insuline zorgt voor opname van glucose en opslag in glycogeen Vetten: insuline zorgt voor glucose opname en omzetting in Tryacylglycerol voor opslag c. Nemen de andere organen geen glucose op? Verklaar uw antwoord. a. Andere organen kunnen opslaan maar veel minder, doen vooral verbranden. Week 3 Deze zelfstudie bereidt voor op de vierde werkgroepbijeenkomst. In deze werkgroepbijeenkomst worden de grote lichaamsholten en hun organen op conceptueel niveau verder uitgediept. Beantwoord ter voorbereiding onderstaande vragen door gebruik te maken van het leerboek. Dit kunnen ook andere pagina’s zijn dan die hierboven zijn opgegeven. Tijdens de werkgroepbijeenkomst worden deze vragen besproken. 1. Welke drie grote buisvormige structuren passeren het diafragma? Esophagus en Inferior vena cava passeren Diafragma, Aorta descendens gaat posterior langs diafragma 2. Door welke delen van het diafragma passeren de bij 1 genoemde structuren en hoe past dit bij de functionele eisen van deze structuren? Esophagus gaat door de Esophagus hiatus, omdat die moet de maag in. (via een spier zodat geen maagzuur omhoog kan) Inferior vena cava is de verzameling van alle organen en gaat via formane vena cavae, door een pees (zodat die niet afgesloten wordt als diafragma aanspant) En Aorta via Aortic hiatus 3. Veel organen kennen een segmentatie. Zoek uit op basis waarvan de longen, en op basis waarvan de lever in segmenten worden verdeeld. Bedenk een klinische toepassing van deze segmentatie. De Longen heeft Segmenten, omdat dat deel van de long verzorgd wordt door de bronchus en de arterie van die Tak. De lever heeft segmenten, door de verschillende aderen die delen verzorgen van bloed, galkanaal. Klinisch handig, want je kan een segment verwijderen zonder de rest te beschadigen. Plaats de grote vaten die naar het hart toegaan en ervandaan komen en de ruimtes binnen het hart in de juiste volgorde, daarbij de bloedstroom in acht nemend. Gebruik hierbij de correcte anatomische nomenclatuur en vergelijk deze met de gangbare Nederlandse begrippen die je zou gebruiken om uitleg aan een patiënt te geven. Vena cava superior/inferior Atrium dextrum Ventriculus dexter A. Pulmonalis V. Pulmonalis Atrium Sinistrum Ventriculus Sinister Aorta Ascendes 5. De thoraxfoto van mw. Bakker laat een vergroting van de rechter hartcontour zien. Welke structuur veroorzaakt dit? Hart ligt gedraaid 6. Hoe verhouden de wanddiktes van linker en rechter ventrikel zich? Verklaar het verschil. Linker ventrikel is veel dikker, omdat die bloed voor het hele lichaam pompt en het rechter ventrikel alleen voor de longen. 7. Het mediastinum kan in 4 compartimenten worden onderverdeeld, zie p. 184 van Gray’s Anatomy for students. Benoem aspecten van de inhoud van het mediastium superius en het mediastinum posterius. N.B. Het gaat er om begrip te krijgen voor het soort structuren dat zich in deze compartimenten bevindt, de opsomming hoeft niet volledig te zijn. Superius: Thymus, Arcus Aortae, Vena cava superior, Esophagus, Trachea, thymus, vv brachiocephalicae Posterius: Aorta Descendens, Esophagus, ductus thoracicus, v. azygos (drainage voor thoraxwand), truncus sympathicus (lymfen afvoerbuis) 8. Noem drie functies van het lymfestelsel. 1. Opnemen verloren vloeistof bij capillaren tijdens nutrient overdracht. 2. Transport van vetten uit darmen 3. Transport pathogenen 9. Waar monden de terminale lymfevaten uit in het veneuze systeem? Deze draineert op de plek waar de V. Jugularis interna samen komt met de V. Subclavia. Angulus venosus dexter 10. Welke delen van de tractus digestivus liggen retroperitoneaal? Duodenum, Colon Ascendens, Colon Descendens, klein deel esophagus, pancreas 11. Peritoneale dubbelbladen ter bevestiging van buikorganen staan bekend onder drie verzamelnamen. Welke? Passend binnen één van deze drie krijgt elke dubbelblad zijn specifieke naam. Is er een structureel verschil tussen de drie groepen? Mesenteria (ophang dunne darm) (bindweefsel) Omentum Majus (vet) en omentum Minus (beide zitten aan maag) Ligamenten (bindweefsel) 4. Geen echte structurele verschillen 12. Welke factoren spelen een rol bij de fixatie van retroperitoneale organen, zoals de nieren? Factoren zoals de draaing van ventraal en dorsaal mesenterium. Ook of deze structuren ontsspringen uit andere organen bv de lever. Vet en druk. 13. Wat wordt verstaan onder het portale veneuze systeem van de lever? Wat is het bijzondere van dit systeem, gelet op de positie in het circulatiestelsel? Wat is het functionele voordeel van de aanwezigheid van dit systeem? Directe verbinding van darmen met de lever, voedingsstoffen direct omzetten en filteren.