de-ce-markering-van-elektrotechnische-besturingen

advertisement
DE CE-MARKERING VAN
ELEKTROTECHNISCHE BESTURINGEN
Deel 1 : Inleiding
Voorwoord
1. De geschiedenis van de Europese Unie
2. Regelgeving van de Europese Unie
3. De CE – markeringsrichtlijn
4. De richtlijnen
5. Normen
6. Risicobeheer
7. Inleidende begrippen naar industriële installaties
Deel 2 : Indeling opgesteld uit de normen
EN 292-2 en EN 60 204-1
1. Kast / omhulsel / borden
2. De hoofdschakelaar
3. Voeding
4. Aarding
5. Beveiliging
6. Stuurkringen en bedieningssystemen
7. Bedieningsorganen
8. Noodstop
9. Sigalisatie en aanduidingen
10. Bedrading en aansluitingen
11. PLC
12. EMC
13. Praktische tips i.v.m. frequentieregelaars
14. Documentatie
Besluitvorming en vragenlijst
Woordverklaring
Keurmerken en labels
Bibliografie
Deel 3 : De Checklist
VOORWOORD
Deel 1 : Inleiding
1
1. De geschiedenis van de Europese Unie
2
2. Regelgeving van de Europese Unie
4
3. De CE – markeringsrichtlijn
3.1. Inleiding
3.2. Het technisch dossier
3.3. Conformiteitattest of verklaring van overeenstemming
3.4. De gebruikershandleiding
3.5. Het aanbrengen van de CE-markering
3.6. Kwaliteitssystemen en CE-markering
6
6
6
7
7
8
8
4. De richtlijnen
4.1. De laagspanningsrichtlijn
4.2. De EMC-richtlijn
4.3. De Machinerichtlijn
9
9
10
12
5. Normen
5.1. Inleiding
5.2. Hoe komen normen nu tot stand?
5.3. Hoe zijn normen opgebouwd?
5.4. Overzicht van de richtlijnen en normen
die voor een bordenbouwer van belang zijn
14
14
15
16
21
6. Risicobeheer
6.1. Inleiding
6.2. Definitie van de grenzen van het systeem
6.3. Identificatie van de gevaren
6.4. Risicograadschatting
6.5. Risico-evaluatie
6.6. Risico beperking
6.7. De norm EN 954-1: Algemene ontwerpbeginselen
voor onderdelen van besturingssystemen met een
veiligheidsfunctie
22
22
24
24
24
25
25
26
7. Inleidende begrippen naar industriële installaties
7.1. Voorwoord
7.2. Spanningsgebied gedefinieerd door het AREI
7.3. Netstelsels en toepassing
7.4. Diverse componenten voor veilige elektrische
stuurkringen in het kader van de arbeidsmiddelenrichtlijn
7.5. Bescherming tegen vaste lichamen en vloeistoffen (IP)
7.6. Klassen van elektrisch materiaal volgens bescherming
tegen schokken. Art. nr. 30.07 in het AREI
7.7. Gebruikscategorieën
7.8. Overspanningscategorie volgens de norm IEC 664
30
30
30
31
37
40
42
45
48
Deel 2 :
Indeling opgesteld uit de normen
EN 292-2 en EN 60 204-1
1
1. Kast / omhulsel / borden
1.1. Schakelkastsystemen
1.2. Volgens norm EN 60 204-1
2
2
5
2. De hoofdschakelaar
2.1. Praktische tips i.v.m netscheiders
2.2. Karakteristieken bij kortsluiting
2.3. Selectiviteit
2.4. Symbolen
2.5. Praktische tips
2.6. Volgens norm EN 60 204-1
2.7. Volgens norm EN 60 947-3
6
6
8
8
9
10
11
13
3. Voeding
3.1. Transformatoren
3.2. Condensatoren
3.3. Volgens norm EN 60 204-1
14
14
18
20
4. Aarding
4.1. Praktische tips i.v.m. kabel aansluitingen en montage
4.2. Volgens norm EN 60 204-1
4.3. Volgens norm EN 60 439-1
21
21
27
29
5. Beveiliging
5.1. Beschermingsmaatregelen tegen elektrocutie
5.2. Beschermingstoestellen
5.3. Beveiliging door middel van afscherming of afbakening
5.4. Volgens norm EN 60 204-1
5.5. Volgens norm EN 60 439-1
31
31
36
53
59
62
6. Stuurkringen en bedieningssystemen
6.1. Betrouwbare onderdelen en componenten
6.2. Bijlage uit richtlijn Arbeidsmiddelen :
voorwaarden gesteld aan stuurkringen
6.3. Voorstel tot mogelijke oplossingen
6.4. Volgens norm EN 60 204-1
6.5. Volgens norm EN 60 439-1
66
66
66
67
67
70
7. Bedieningsorganen
7.1. Soorten bedieningselementen
7.2. Volgens norm NEN EN 292-2
7.3. Volgens norm EN 60 204-1
74
74
76
76
8. Noodstop
8.1. Inleiding naar noodstop
8.2. Opbouw van de noodstopkring
8.3. Zelfbewakende en redundante ingangselementen.
Hoe aansluiten volgens de verschillende categorieen ?
8.4. Algemene of een lokale noodstop
8.5. Pricipiële noodstopschakelingen met relais volgens EN 418
en veiligheids klassen
8.6. Noodstop via de PLC
8.7. Volgens norm NEN EN 292-2
8.8. Volgens norm EN 60 204-1
8.9. Volgens EN 418
77
77
82
87
94
98
99
100
9. Sigalisatie en aanduidingen
9.1. Symbolen van bedieningsorganen
9.2. Gebods-, informatie, verbods- en waarschuwingsborden
9.3. Veiligheidstoebehoren
9.4. Volgens norm NEN EN 292-2
9.5. Volgens norm EN 60 204-1
102
102
103
105
106
108
10. Bedrading en aansluitingen
10.1. Kabels
10.2. Tabellen en voorbeelden van kabelberekeningen
10.3. Volgens norm EN 60 204-1
10.4. Volgens norm EN 60 439-1
109
109
121
141
144
11. PLC
11.1. Volgens norm NEN EN 292-2
11.2. Volgens norm EN 60 204-1
11.3. Volgens IEC 1131 deel 1 en 2
145
145
145
146
12. EMC
12.1. EMC- basisprincipes
12.2. Praktische richtlijnen
voor EMC vriendelijk ontwerp bij machines
12.3. Netten, EMC, persoonsbeveiliging
12.4. Volgens norm EN 60 204-1
12.5. Volgens norm EN 60 439-1
147
147
156
90
91
163
164
164
13. Praktische tips i.v.m. frequentieregelaars
13.1. Praktische tips van algemene aard
13.2. Frequentieomvormers
13.3. EMC perikelen
13.4. Praktische schema’s
13.5. Besluiten
165
165
165
169
170
178
14. Documentatie
14.1. Volgens norm NEN EN 292-2
14.2. Volgens norm EN 60 204-1
179
179
182
BESLUITVORMING en VRAGENLIJST
WOORDVERKLARING EN AFKORTINGEN
KEURMERKEN EN LABELS
BIBILIOGRAFIE
Deel 3 : Checklist
Hfst. Inhoud
1
2
3
4
5
6
7
8
9
Pag.
Kasten en borden
Volgens EN 60 204-1
1
Hoofdschakelaars
Volgens EN 60 204-1
Volgens EN 60 947-3
2
4
Transformatoren
Volgens EN 60 204-1
5
Aarding
Volgens EN 60 204-1
Volgens EN 60 439-1
6
7
Beschermingsinrichtingen
Volgens EN 60 204-1
Volgens EN 60 439-1
9
11
Stuurkringen en bedieningssystemen
Volgens Richtlijn Arbeidsmiddelen
Volgens EN 60 204-1
Volgens EN 60 439-1
16
16
19
Bedieningsorganen
Volgens EN 292-2
Volgens EN 60 204-1
25
25
Noodstop
Volgens EN 292-2
Volgens EN 60 204-1
Volgens EN 418
26
26
27
Signalisatie en aanduidingen
Volgens EN 292-2
Volgens EN 60 204-1
29
30
10
11
12
Bedrading
Volgens EN 60 204-1
Volgens EN 60 439-1
32
36
PLC
Volgens EN 60 204-1
37
EMC
Volgens 60 204-1
38
Voorwoord
De theoretische en praktische kennis die we gedurende de twee academiejaren hebben
opgedaan, maakte het voor ons mogelijk om dit toe te passen in het eindwerk.
Voor de lezer van ons eindwerk hebben we getracht de normering en de richtlijnen zo
eenvoudig mogelijk te formuleren. Het is te beschouwen als een samenvatting met enkel de
praktische zaken, die telkens aangevuld worden met wat illustrerende foto’s en figuren, zodat
direkt begrijpelijk wordt waarover het handelt.
De moeilijkheid lag hierin een tekst te vormen met een behoud van de betekenis zonder
interpretatiefouten of schrijffouten te maken.
Met ons eindwerk hopen we de lezer een goede start te geven in de begrippen, die in het
hedendaagse bedrijfsleven niet meer weg te denken zijn, omtrent de CE-markering.
Onze dank gaat uit naar de heer T. Willems van Goorts Automatisering NV, omdat hij steeds
bereid was ons te steunen.
Ook zouden wij onze promotor van de KHLim, Dep. I.W.T., ingenieur E. Claesen , willen
danken voor de hulp en de waardering die we van hem kregen.
Verder gaat onze dank uit naar de heer G. Haekens, directeur van de arbeidsinspectie.
Hij was steeds bereid een controle uit te voeren op de teksten.
Tenslotte willen wij onze ouders bedanken voor de steun en het begrip waardoor we onze
opleiding tot een goed einde hebben kunnen brengen.
David Hanot
Dirk Valkenborg
Mei 2000
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
DEEL 1: INLEIDING
Inleiding
Dit eindwerk loopt in opdracht van Goorts Automatisatie NV (GA) te Halen. Goorts
Automatisatie is een dochteronderneming van het bedrijf GOORTS ELEKTRO.
Goorts Automatisatie NV werd opgericht in 1989 te Halen. Deze firma houdt zich bezig met
de studie, berekening en realisatie van industriële elektrische installaties en automatiseringen,
op gebied van laagspanning.
Een fabrikant van machines kan GA’s diensten en kennis inhuren om voor de automatisering
van zijn machine te zorgen. De installatie die GA levert, functioneert als onderdeel van een
groter geheel.
De machinefabrikant die eindverantwoordelijke is voor zijn product en zorgt voor de CEmarkering, wil er zeker van zijn dat de geleverde onderdelen voor zijn machine voldoen aan de
wettelijke eisen. Hij vraagt dus een CE-markering vergezeld van een EG-verklaring van
overeenstemming.
Ons werd de opdracht gegeven een grondige studie uit te voeren van deze wetgeving, meer
bepaald met het oog op elektrische geautomatiseerde installaties. In de richtlijnen die van
toepassing zijn, wordt naar talloze normen verwezen. Ook hier hebben niet alle normen
betrekking op de installaties van GA.
Meestal zijn deze normen ook niet praktisch te hanteren, bij de realisatie van deze installaties.
Het is dus aan ons om uit te zoeken wanneer welke richtlijn van toepassing is.
De normen waarnaar verwezen wordt, zullen wij onder de vorm van een praktische checklist
weergeven zodat de mensen in het atelier ze kunnen volgen. De praktijk leert ons dat de
normen niet op alle vragen en problemen antwoorden kunnen bieden. Meestal zitten
installateurs dan met enkele vragen die tot op heden niet beantwoord zijn. De moeilijkheid is
een oplossing te zoeken en indien deze ‘gevonden’ is, deze te formuleren zonder fout.
Pagina 1
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 1: De geschiedenis van de Europese Unie
Consumenten zoeken naar een functievervulling. Producten moet naast de gewenste werking
en eigenschappen ook voldoen aan extra eigenschappen zoals veiligheid, … . Onder veiligheid
verstaat men veiligheid voor de gebruiker en voor derden (derden zijn de personen die het
product niet gekocht hebben maar ermee in aanraking komen).
Om dit alles te verwezenlijken stelt de overheid wetten op met als doel de schade of letsels
voor de machine en de gebruiker te voorkomen. De wet heeft dus een preventieve werking.
In 1957 werd in Rome het EEG-verdrag gesloten, waarmee de basis werd gelegd voor de
Europese Gemeenschap (EG).
Een van de doelstellingen van de Europese Gemeenschap is de verwezenlijking van de interne
markt. Hiermee bedoelen we een gemeenschappelijke markt zonder handelsbelemmeringen.
Deze markt bestaat uit een ruimte zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van
goederen, personen, diensten en kapitaal gewaarborgd is, volgens de bepalingen van het EEGverdrag.
In Art. 30 van het EEG-verdrag staat dat ‘kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen
van gelijke werking tussen Lid-staten verboden zijn’. Hierdoor moet een vrij verkeer van
goederen tot stand komen.
Een uitzondering hierop vormt Art. 36 van het EEG-verdrag. Daarin wordt bepaald dat
‘indien goederen schadelijk zijn voor de veiligheid van personen of voor het milieu, het de Lidstaten vrij staat ze te weren van hun grondgebied’.
MAAR: De opheffing van de handelsbelemmering bereikte niet de juiste werking.
Voorbeeld: Beschouwen we een Belgische fabrikant van frituurketels. De export naar
Duitsland, Frankrijk, … bracht nog steeds problemen met zich mee door de Duitse-, Franse-,
… normen van nationaal niveau. Het vrij verkeer (volgens de overeenkomst) werd gehinderd
door de nationale wetgeving onafgezien ze hetzelfde doel willen bereiken.
Hiermee wordt ook de invoering van de richtlijnen duidelijk. Door een beroep te doen op Art.
36 van het EEG-verdrag kunnen lidstaten goederen aan bepaalde veiligheidseisen
onderwerpen. Op deze wijze ontstaat er dus een technische handelsbarrière, wat de beoogde
doelstelling van de EG voor het vrije handelsverkeer natuurlijk tegengaat.
Er was nood aan een NIEUWE AANPAK want het opheffen van de handelsbelemmeringen
werd niet bereikt. EG dat nog stamt uit het EEG-verdrag verandert in de nieuwe aanpak in EU
wat staat voor Europese Unie. De EU besluit om de verschillende nationale wetgevingen van
de Lidstaten te harmoniseren, dit gebeurt door middel van het opstellen van richtlijnen voor
producten die verder wordt uitgewerkt met normen.
Als de producten in overeenstemming zijn met de van toepassing zijnde richtlijnen van de
Europese Unie, wordt dit aangegeven met de letters ‘CE’ wat staat voor ‘Conformité
Européenne’.
De Europese richtlijnen zijn van toepassing voor de landen die behoren tot de Europese
Economische Ruimte (EER). Dit zijn de 15 Lidstaten van de EU.
Pagina 2
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Lidstaten van de EU:
België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië, Ierland,
Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Spanje en Zweden.
Hier voegen we IJsland, Noorwegen en Liechtenstein nog aan toe.
Fig. 1: De EU
Pagina 3
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 2: Regelgeving van de Europese Unie
De regelgeving van de Europese Unie komt op vier manieren tot uitdrukking.
- verordeningen;
- richtlijnen;
- beschikkingen;
- aanbevelingen en adviezen.
Verordeningen
Een verordening is een regelgeving van de EU die zich richt tot alle EU burgers.
Het voordeel van zulke verordening is dat deze rechtstreeks toepasselijk is, dit wil zeggen dat
zij niet eerst moet worden omgezet in de nationale wetgeving.
Vb.. Vormgeving van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Richtlijnen
Een richtlijn is een regelgeving van de EU die zich richt tot de Lid-staten en juridisch bindend
is voor wat het te bereiken resultaat betreft. Aan de lid-staat wordt echter de bevoegdheid
overgelaten om de vorm en middelen voor de verwezenlijking daarvan te kiezen.
In een richtlijn stelt de Europese Commissie voor een product slechts fundamentele veiligheiden gezondheidseisen op, deze wordt met normen verder uitgewerkt, via gedetailleerde
technische specificaties.
Vb. Machinerichtlijn, het effect ervan geldt voor alle betrokkenen, maar de invulling is verder
nationaal uitgewerkt.
Let op!
Deze regelgeving staat boven de wetten van de individuele lidstaten.
Beschikkingen
Een beschikking is een regelgeving van de EU die zich richt tot hetzij een Lid-staat, hetzij een
persoon, hetzij een rechtspersoon (bedrijf, instelling) en is juridisch bindend voor diegene tot
wie zij zich uitdrukkelijk richt.
In tegenstelling tot de richtlijn is een beschikking rechtstreeks toepasselijk, zij moet dus niet
eerst in nationale wetgeving worden omgezet.
Aanbevelingen en adviezen
De Europese Commissie kan aan de Lid-staten ook aanbevelingen en adviezen formuleren.
Deze zijn niet bindend. Het wordt dus aan de Lid-staat overgelaten om deze al dan niet te
volgen.
Pagina 4
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Europese Unie vaardigt regels uit
Verordeningen
Richtlijnen
Beschikkingen
Aanbevelingen en
adviezen
bindend voor
alle lidstaten
bindend kader
uitvoering vrij
voor lidstaten
bindend voor
beperkt aantal
rechtspersonen
niet bindend
landbouw
vervoer
handelspolitiek
Machinerichtlijn
EMC richtlijn
L.S richtlijn
ontheffing
verboden
Voorloper van
richtlijnen en
normen
Fig. 2: De regelgeving van de Europese Unie.
Pagina 5
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 3: De CE - markeringsrichtlijn
3.1 Inleiding
In de CE-markeringsrichtlijn wordt aangegeven welke procedure er moet worden doorlopen
voor het bekomen van de CE-markering.
De Europese Unie heeft in totaal acht procedures opgesteld, die producenten kunnen volgen
om uiteindelijk de CE-markering op het product aan te mogen brengen. Deze acht
‘overeenstemmingsprocedures’ zijn genummerd van
A (lichtste) tot en met H (zwaarste) . De keuringsmodules variëren in zwaarte van de meest
eenvoudige keuring tot de zwaarste type keuring. De keuze van welke modules men wil
gebruiken, wordt bepaald door de aard van het product en de wijze waarop het product wordt
gefabriceerd.
Verder wordt er bepaald wie de CE-markering mag aanbrengen en of dit moet in samenspraak
met een aangemelde instantie. Er staat ook in vermeld wie de verantwoordelijkheid draagt en
wie precies wettelijk aansprakelijk is. Op dit deel van de richtlijn ingaan zou ons te ver
brengen van de beoogde doelstelling. Meer informatie hierover is te vinden in de vakliteratuur.
Voor elke richtlijn geldt dat een aantal formaliteiten vervul moet zijn voordat de CE-markering
op het product mag worden aangebracht. Deze formaliteiten kunnen per richtlijn en product
verschillen.
3.2 Het technisch dossier
De belangrijkste formaliteit van de meeste richtlijnen is het samenstellen van het technisch
dossier. Dit dossier bevat de technische onderbouwing waaruit moet blijken dat aan alle eisen
uit de richtlijn is voldaan. Voor de fabrikant vormt het constructiedossier het technische
bewijsmateriaal, zodat men bij aansprakelijkheidsclaims zal kunnen bewijzen dat de fabrikant al
het mogelijke heeft gedaan om een veilig product op de markt te brengen. Het technisch
dossier moet daarom gearchiveerd worden voor een periode van 10 jaar, ingaande op de
productiedatum van het laatste product.
De gemeenschappelijke documenten die een technisch constructiedossier moet bevatten,
bestaan uit :
- een algemene beschrijving van het product;
- ontwerp-, fabricagetekeningen en schema’s van delen, onderdelen, leidingen, enz...
- beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn om de tekeningen en de werking van het
product
te begrijpen;
- een lijst van de normen die geheel of gedeeltelijk van toepassing zijn of een beschrijving
van de gekozen maatregelen om aan de beschermingseisen van de richtlijn te voldoen, in het
geval de geharmoniseerde normen niet werden toegepast.
Afhankelijk van de toegepaste richtlijn kunnen nog bijkomende specifieke documenten
gevraagd worden.
Pagina 6
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
3.3 Conformiteitattest of verklaring van overeenstemming
Wanneer het product overeenstemt met alle relevante richtlijnen, die op dat moment verplicht
zijn, dan kan de fabrikant of zijn in de EU gevestigde gemachtigde de EG-verklaring van
overeenstemming opstellen.
Hiermee wordt dus verklaard dat het product in overeenstemming is met alle op dat moment
verplichte richtlijnen. Degene die deze verklaring ondertekent, draagt dus een grote
verantwoordelijkheid.
Deze verklaring moet minstens de volgende elementen bevatten:
- productidentificatie;
- identificatie van de fabrikant;
- de nageleefde richtlijnen;
- de gehanteerde normen;
- ondertekening door een gemachtigde van de fabrikant.
In de richtlijn die van toepassing is zal men duidelijk vermelden, welke verklaring van
overeenstemming vereist is, om tot de CE-markering te komen.
Het is dus niet steeds noodzakelijk een verklaring van overeenstemming af te leveren.
3.4 De gebruikershandleiding
Richtlijnen hebben meestal een directe relatie met de veiligheid van de gebruiker. De informatie
die aan de gebruiker wordt verstrekt is van essentieel belang bij het afwenden van
veiligheidsrisico’s. Een gebruikershandleiding is een fundamentele veiligheidseis, zij bevat alle
informatie die noodzakelijk is voor het correct en veilig gebruik van een product. Indien er
schade ontstaat die het gevolg kan zijn van het niet naleven van de gebruikershandleiding, kan
dit bij schadeclaims door de rechter geclassificeerd worden als de schuld van de gebruiker.
Een goede gebruikershandleiding zal :
- informeren over mogelijke risico’s;
- riskante gebruiksdoeleinden ontraden;
- instrueren hoe men veilig te werk kan gaan;
- voorschrijven wie bevoegd is om bepaalde handelingen te verrichten;
- voorschrijven welke voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden.
Het is dus belangrijk dat de nodige gedragsregels worden geï mplementeerd, rekening
houdend met het ‘redelijkerwijs te verwachten gebruik’.
De handleiding dient geschreven te worden in de taal van het land waar het product is
gefabriceerd en in de taal van het land waar het product in gebruik wordt genomen.
Pagina 7
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
3.5 Het aanbrengen van de CE-markering
Wanneer de certificeringprocedure met succes is doorlopen, kan de CE-markering worden
aangebracht. De grafische vormgeving van het symbool is vastgelegd in de richtlijnen.
De CE-markering is het technische paspoort voor het op de markt brengen en het vrije
handelsverkeer van een product binnen de EU.
Let op !
Een product met CE-markering geeft geen garantie over de conformiteit van de toe te passen
richtlijn. Er bestaat enkel een vermoeden van overeenkomst met de eisen die worden gesteld
in de richtlijn.
De markering is enkel bestemd voor de autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met de
controle op de handelsmarkt.
Wie mag nu de markering aanbrengen?
Indien alle certificeringsprocedures gevolgd zijn en voldaan, dan mag de CE aangebracht
worden op een zichtbare plaats, onuitwisbaar en duidelijk leesbaar.
Deze markering wordt aangebracht door een verantwoordelijke of een gevolmachtigde van het
bedrijf. De gevolmachtigde moet een verklaring opstellen waarin de product gegevens en de
toegepaste normen vermeld staan. Vervolgens wordt dit schriftelijk bewijs ondertekend door
de gevolmachtigde.
3.6 Kwaliteitssystemen en CE-markering
Er worden nog steeds veel fouten gemaakt omtrent het verschil tussen CE-markering,
certificering volgens de ISO 9000-normen en het kwaliteitsmerk CEBEC (OV.I, KEMAKEUR).
ISO 9000
Bedrijven die in het bezit zijn van dit certificaat tonen aan dat zij een goede organisatievorm en
infrastructuur hebben om een kwalitatief product te produceren. Het kwaliteitscertificaat zegt
niets over de kwaliteit van hun producten. De certificering volgens ISO 9000 is niet verplicht.
CE-markering
CE-markering is geen kwaliteitskeurmerk. Het zegt niets over de goede werking van het
product zolang de veiligheid hierdoor niet in het geding komt.
Producten die in het bezit zijn van de CE-markering genieten het vermoeden conform te zijn
met de fundamentele eisen met betrekking tot veiligheid, gezondheid, milieu en
consumentenbescherming van de gebruiker. Het aanbrengen van de CE-markering is verplicht.
CEBEC
Het CEBEC keurmerk geeft zekerheid over de functionele kwaliteit van het
product. Deze keurmerken geven garanties dat producten voor langere tijd aan veiligheid- en
functionele eisen voldoen. Daarom is het ook dikwijls het geval dat er voldaan is aan de
essentiële eisen volgens een van toepassing zijnde Europese richtlijn. In zo een geval kan met
weinig extra inspanning de CE-markering volgens die richtlijn worden aangebracht.
Net zoals de ISO is dit keurmerk geen wettelijke verplichting.
Pagina 8
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofstuk 4: De richtlijnen
We zullen hier enkel de richtlijnen beknopt beschrijven die in ons voorbeeld van toepassing
zijn.
4.1 De laagspanningsrichtlijn
4.1.1 Toepassingsgebied
Elektrisch materiaal bestemd voor een nominale wisselspanning tussen 50 V en 1000 V en een
nominale gelijkspanning tussen 75 V en 1500 V.
4.1.2 Uitzonderingen
-
elektrisch materiaal bestemd voor gebruik in explosieve omgeving;
elektro-radiologisch en elektro-medisch materiaal;
elektrisch gedeelte van personen- en goederenliften;
elektriciteitsmeters;
stopcontacten voor huishoudelijk gebruik;
voedingen voor elektrische afrasteringen;
gespecialiseerd materiaal bestemd voor gebruik in schepen, vliegtuigen of spoorwegen;
radio-elektrische storing (EMC) van elektrisch materiaal;
elektrisch materiaal bestemd voor uitvoer naar landen buiten de EER.
EER= Europese Economische Ruimte
4.1.3 Conformiteitsprocedure
Volgens de laagspanningsrichtlijn kan gebruik gemaakt worden van de lichtste keuringmodule,
module A (interne fabricage controle).
4.1.4 Formaliteiten
-
technisch dossier;
EG-verklaring van overeenstemming;
CE-markering;
gebruikshandleiding.
Het technisch dossier en de EG-verklaring van overeenstemming moet niet met het product
worden meegeleverd, maar moet 10 jaar worden gearchiveerd na fabricage van het laatste
product.
Pagina 9
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
4.2 De EMC-richtlijn
4.2.1 Toepassingsgebied
Alle elektrische apparaten, systemen en installaties die elektrische componenten bevatten, die
elektromagnetische storingen kunnen veroorzaken of waarvan het functioneren kan worden
aangetast door elektromagnetische storingen.
De richtlijn kent geen begrenzing op grond van het opgenomen vermogen, noch voor het
minimum, noch voor het maximumvermogen. Daardoor vallen zowel hele kleine batterijgevoede apparaten als enorme industriële installaties onder de richtlijn.
De Europese commissie laat ook volgende apparaten onder het toepassingsgebied van de
richtlijn vallen. :
- niet-automatische weeginstrumenten, voor wat betreft het opwekken van storingen;
- land- en bosbouwtractoren, voor wat betreft het immuniteitsaspect van de ontstekingen.
4.2.2 Uitzonderingen
-
apparatuur die geheel niet in staat is te storen of gestoord te worden;
apparatuur bestemd voor beurzen of tentoonstellingen;
apparatuur bestemd voor afgesloten EMC-omgevingen;
zelfgebouwde apparatuur van radio- en zendamateurs;
militaire apparatuur;
apparatuur voor onderwijs- en trainingsdoeleinden;
apparatuur bestemd voor uitvoer naar landen buiten de EER;
actieve medische implantaten;
medische hulpmiddelen;
randapparatuur voor telecommunicatie.
4.2.3 Definities
Apparaat
Elk gereed product met een intrinsieke functie voor de eindgebruiker en bedoeld om als één
geheel op de markt te komen.
Systeem
Een combinatie van verschillende apparaten met het oogmerk een speciale taak uit te voeren en
bedoeld om als één functioneel geheel op de markt te worden gebracht.
Installatie
Een combinatie van verschillende apparaten en /of systemen, samengebouwd op een bepaalde
locatie met een specifiek doel, maar niet bedoeld om als enkel commerciële eenheid op de
markt te worden gebracht.
De installateur van de installatie moet deze als een systeem beschouwen,
hij draagt dus de eindverantwoordelijkheid en dient de vereisten van de richtlijn te volgen.
Pagina 10
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Wanneer elk apparaat of systeem in de installatie voldoet aan de bepalingen van de EMCrichtlijn en indien elk apparaat of systeem volgens de installatievoorschriften van de fabrikant is
geï nstalleerd, dan kan men ervan uitgaan dat de installatie voldoet aan de EMC-richtlijn.
EMC
Onder elektromagnetische compatibiliteit verstaat men de eigenschap van een
apparaat om in zijn elektromagnetische omgeving naar behoren te kunnen
functioneren (immuniteit) zonder zelf elektromagnetische storingen te veroorzaken
die niet toelaatbaar zijn voor de omgeving waarin ze zich bevinden (emissie).
4.2.4 Conformiteitprocedure
Volgens de EMC-richtlijn kan gebruik gemaakt worden van module A (interne fabricage
controle) of module B (EG typekeuring).
Bij toepassing van de interne fabricagecontrole dient men gebruik te maken van de
geharmoniseerde Europese normen.
Indien men deze normen niet hanteert, kan het vermoeden bestaan van niet conformiteit.
Daarom wordt de verplichting opgelegd om op de diensten van een bevoegde instantie beroep
te doen(EG typeverklaring).
4.2.5 Formaliteiten
Module A :
- EG-verklaring van overeenstemming;
- CE-markering;
Module B :
- Technisch dossier;
- EG-verklaring van overeenstemming;
- CE-markering;
Pagina 11
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
4.3 De Machinerichtlijn
4.3.1 Toepassingsgebied
-
enkelvoudige machines;
samenstel van machines;
afzonderlijk in de handel gebrachte gebruiksklare functie-wijzigende uitrustingen;
afzonderlijk in de handel gebrachte gebruiksklare veiligheidscomponenten.
4.3.2 Uitzonderingen
- machines met hoofdzakelijk elektrische risico’s;
- machines die uitsluitend de fysieke energie van de mens als krachtbron
gebruiken, hef- en hijswerktuigen uitgezonderd;
- machines voor medisch gebruik;
- attractietoestellen;
- stoomketels en drukvaten;
- machines voor nucleair gebruik, die bij defect het verspreiden van radioactiviteit kunnen
veroorzaken;
- vuurwapens;
- transportmiddelen;
- landbouw- en bosbouwtractoren;
- machines voor militaire doeleinden;
- personenliften, goederenliften, personenbouwliften, mijnliften;
- toneelhefwerktuigen.
4.3.3 Definities
Machine
Een samenstel van onderling verbonden onderdelen of organen waarvan er tenminste één kan
bewegen, die in hun samenhang bestemd zijn voor een bepaalde toepassing.
Verwisselbaar uitrustingsstuk
Een werktuig waarmee de oorspronkelijk functie van de machine kan worden veranderd.
Kenmerkend is dat deze verandering door de gebruiker uitgevoerd kan worden.
Machineonderdeel
Voldoet deels aan de definitie van een machine maar is:
- niet bedoeld voor één specifieke toepassing;
- inzetbaar als onderdeel van een groter geheel;
- niet als zelfstandig functionerend.
Installatie
In tegenstelling tot de EMC-richtlijn verstaat men hieronder:
samenstel van machines en /of voorzieningen, die gezamenlijk een totaalproces of -functie
vervullen.
Pagina 12
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Veiligheidscomponent
Een component, voor zover deze geen verwisselbaar uitrustingsstuk is, die door de fabrikant
op de markt wordt gebracht om bij gebruik een veiligheidsfunctie te vervullen en die bij een
gebrekkige of slechte werking een gevaar vormt voor de veiligheid of gezondheid van de
blootgestelde personen.
4.3.4 Conformiteitprocedure
Afhankelijk van het veiligheidsrisico van het product, kiezen we voor module a, b, g of h.
Indien er volgens module b gekeurd moet worden, zullen we dit moeten combineren met
module c, d, e of f.
4.3.5 Formaliteiten
-
Technisch dossier;
EG-verklaring van overeenstemming;
CE-markering;
gebruikshandleiding.
In tegenstelling tot de andere richtlijnen bestaan er voor de machinerichtlijn drie soorten
verklaringen.
- EG-verklaring van overeenstemming IIA;
- verklaring van de fabrikant IIB;
- EG-verklaring van overeenstemming IIC.
Wat is de betekenis van een IIA, IIB of een IIC?
De EG-verklaring IIA is nodig bij alle machines en verwisselbare uitrustingen die de CEmarkering dragen.
De verklaring van de fabrikant IIB is bedoeld voor alle machines en installaties die niet
zelfstandig kunnen werken en die bedoeld zijn om te worden ingebouwd in een groter geheel.
De verklaring IIC is speciaal bedoeld voor de veiligheidscomponenten die afzonderlijk op de
markt worden gebracht.
Er zijn dus drie typen van verklaringen, te weten:
De fabrikant dient de toepasselijke verklaring op te stellen, te ondertekenen èn fysiek bij iedere
vervaardigde machine te voegen, samen met een gebruikershandleiding.
De fabrikant moet beslissen welke verklaring de machine correct beschrijft. De verklaring moet
worden ondertekend door de fabrikant.
Als andere 'Nieuwe Aanpak'-richtlijnen worden toegepast, dan moet de verklaring tevens naar
deze richtlijnen verwijzen. Daarom is het aan te raden om een kopie van de verklaring te
bewaren in het technisch constructiedossier.
Pagina 13
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 5: Normen
5.1 Inleiding
De eenwording van Europa heeft grote invloed gehad op het normalisatieproces. In korte tijd
zijn er erg veel Europese normen tot stand gekomen, terwijl het uitkomen van nieuwe
nationale normen vrijwel tot stilstand is gekomen.
Het hanteren van normen is vrijwillig, in tegenstelling tot richtlijnen, die een wettelijke
verplichting vormen. Wel zal er in de wetgeving vaak naar normen verwezen worden.
Een norm is een geformuleerde maatstaf om tot eenheid te komen op een gebied waar
verscheidenheid niet wenselijk is. Normen geven passende oplossingen aan voor bepaalde
situaties. Niemand heeft er baat bij hiervan af te wijken, hoewel dit strikt genomen niet
verboden is. Een wel gekende norm is bijvoorbeeld de schroefdraadnorm.
Normen kunnen op nationaal niveau van toepassing zijn, in dit geval wordt het nummer
vooraf gegaan door ‘NBN’ (Belgische Norm). Wanneer een norm op Europees niveau is
aanvaard, worden de letters ‘EN’ (Europese Norm) eraan toegekend. Waar een norm van
internationaal niveau aanwezig is, duidt men dit aan met de letters IEC.
Van groot belang zijn de geharmoniseerde Europese normen, die door alle betrokken
nationale normalisatie-instellingen moeten worden aanvaard en omgezet worden in nationale
normen. Hierdoor zijn de nationale normen van de Lidstaten op één lijn gebracht. Niet alle
Europese normen zijn geharmoniseerde normen.
Als voorbeeld beschouwen we een wet op internationaal niveau die overgenomen wordt in de
Europese normen. Het nummer wordt dan vooraf gegaan door het getal 60 en de letters IEC
worden vervangen door EN. De normen die dan geharmoniseerd worden, worden opgenomen
in de nationale normen. In België bijvoorbeeld wordt de norm voorafgegaan door de letters
NBN.
Internationale normen
Europese normen
IEC 204
EN 60 204
Nationale normen
NBN EN 60 204
Een norm kan in een richtlijn als bindend verklaard worden.
De richtlijn is bindend ten aanzien van het te bereiken resultaat waarbij de normen een
technische ondersteuning kunnen bieden. Het staat dus iedereen vrij om de geharmoniseerde
Europese normen te negeren. Maar het is wel duidelijk dat hij in dat geval een
veiligheidsniveau moet realiseren dat minimaal gelijk is aan het in de geharmoniseerde
normen vastgestelde niveau. De normen vormen op zich geen wettelijke verplichting of
garantie.
Toepassing van de geharmoniseerde normen bij de vervaardiging van een product, leidt
automatisch tot het zogenaamd ‘ vermoeden van overeenkomst’ met de fundamentele
voorschriften uit de richtlijnen waarop zij betrekking hebben.
Pagina 14
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.2 Hoe komen normen nu tot stand?
Op nationaal niveau
In België bijvoorbeeld worden de normen opgesteld door het BIN (stellen normen op voor
alles wat niet elektrisch is) en het BEC (deze stellen normen met betrekking op alle wat
elektrisch is).
In Nederland bijvoorbeeld zijn dit het NNI en het NEC.
Op Europees niveau
Maar op de vorming van eigen nationale normen hebben een stilstandverplichting m.a.w. er
mogen geen nationale normen meer ontwikkeld worden als een Europese norm wordt
voorbereid of al bestaat.
De commissie van de Europese gemeenschap heeft hiertoe twee instellingen aangewezen die
verantwoordelijk zijn voor het opstellen van alle geharmoniseerde normen.
- de Europese commissie voor normalisatie (CEN);
- het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC);
Elk land binnen de EER beschikt over zijn eigen nationale normalisatie-instellingen die de
Europese normen omzetten naar nationale normen. Deze nationale instanties hebben tevens
de verplichting om geen nieuwe nationale normen op te stellen of bestaande normen te
herzien, wanneer een Europese norm op dat gebied wordt voorbereid of al bestaat.
Niveau
Elektrische normen
Overige normen
Mondiaal
IEC
ISO
Europees
CENELEC
CEN
BEC
NEC
BIN
NNI
Nationaal
België
Nederland
Tabel 1: Een overzicht van de organisaties die de normen opstellen.
Er is tegenwoordig een zeer groot aanbod aan Europese normen, toch kunnen we deze normen
in drie verschillende hiërarchische categorieën indelen.
- Type A-normen, deze bevatten fundamentele veiligheidsbeginselen en zijn van toepassing
op alle machines
- Type B-normen, deze bevatten fundamentele technische veiligheidsaspecten en
voorzieningen , ook van toepassing op alle machines.
- Type C-normen, deze bevatten veiligheidsspecificaties voor bepaalde
machinegroepen of machines.
Pagina 15
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.3 Hoe zijn normen opgebouwd?
Onze uitleg staven we aan de hand van de opbouw van de normen NEN EN 292-1-2 en NEN
EN 60204-1.
5.3.1
NEN EN 292-1
Als voorbeeld beschouwen we de eerste norm (NEN EN 292-1) waarmee je begint na de
richtlijnen gehanteerd te hebben.
Deze kunnen we opvatten als een inleidende norm, louter bestaande uit wat definities en
algemene begrippen.
Veiligheid van machines. Basisbegrippen, algemene ontwerpbeginselen.
Deel 1: Basis-terminologie, methodologie
Safety of machinery. Basic concepts, general principles for design. Part 1: Basic terminology, methodology
Dit document bevat de vertaling van de Europese norm EN 292-1:1991, le druk, september
1991. De Europese norm EN 292-1 heeft de status van Nederlandse norm.
Inleiding
Deze norm is opgesteld om ontwerpers, fabrikanten en andere belanghebbenden de
fundamentele veiligheidseisen te helpen interpreteren met het doel overeenstemming met
Europese regelgeving op het gebied van machineveiligheid te bereiken.
Het is de eerste in een reeks van normen die door CEN/ CENELEC wordt opgesteld onder
mandaten van de CEC en de EFTA. Deze reeks is opgedeeld in verscheidene groepen om
herhalingen te voorkomen en om een logica te ontwikkelen dat het mogelijk is om snel
normen op te stellen en verwijzingen naar normen te vergemakkelijken.
De hiërarchische opbouw van de reeks normen is als volgt:
Type A-normen
(fundamentele veiligheidsnormen: behandelen basisbegrippen,
ontwerpbeginselen en algemene gezichtspunten die toepasbaar zijn op alle machines.
Type B-normen (groepsveiligheidsnormen) die handelen over een enkel
veiligheidsaspect of over een enkel type veiligheidsbepalende voorziening die voor een
breed scala van machines kan worden toegepast:
- type
B1-normen
over
bijzondere
veiligheidsaspecten
(bijvoorbeeld:
veiligheidsafstanden, oppervlaktetemperatuur, lawaai)
- type
B2-normen
over
veiligheidsbepalende
voorzieningen
(bijvoorbeeld:
tweehandenbediening,
blokkeerinrichtingen,
drukgevoelige
voorzieningen,
afscherming).
Type C-normen (machineveiligheidsnormen) waarin gedetailleerde
veiligheidsvoorschriften zijn opgenomen voor een bepaalde machine of groep van
machines.
Het belangrijkste doel van EN 292 is om ontwerpers, fabrikanten, enz. een allesomvattend
raamwerk te verschaffen en als leidraad te dienen bij het produceren van machines die veilig
zijn voor het doel waarvoor zij zijn bestemd. Het biedt ook, in samenhang met ENV 1070 en
EN 414, een strategie aan opstellers van normen die type C-normen maken. Bovendien is
deze strategie ook een bruikbare leidraad voor ontwerpers en fabrikanten van machines
waarvoor geen type C-normen bestaan; het kan ontwerpers ook behulpzaam zijn bij het zo
goed mogelijk gebruiken van de type B-normen en bij het opstellen van het
constructiedossier.
Pagina 16
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
De reeks normen ontwikkelt zich voortdurend en sommige hoofdstukken van EN 292 zijn nu
onderwerp van in voorbereiding zijnde type A- of B-normen. In gevallen waarin een
dergelijke type A- of B-norm bestaat, wordt bij de titel van het betreffende hoofstuk in EN
292 een verwijzing naar deze norm gegeven. Het is de bedoeling dat, in gevallen waar een
andere type A- of een type B-norm bestaat die een bepaald hoofdstuk van EN 292 omvat,
deze andere type A- of type B-norm voorrang heeft op EN 292.
EN 292 betaat uit twee delen:
- Deel 1 "Veiligheid van machines. Basisbegrippen, algemene ontwerpbeginselen.
Basisterminologie, methodologie~" waarin de basismethodieken worden beschreven die
moeten worden toegepast bij het opstellen van veiligheidsnormen voor machines, samen
met de basisterminologie die samenhangt met de aan dit werk ten grondslag liggende
filosofie.
- Deel 2 "Veiligheid van machines. Basisbegrippen, Algemene ontwerpbeginselen.
Technische beginselen en beschrijvingen" waarin wordt geadviseerd hoe deze filosofie kan
worden toegepast met gebruikmaking van de beschikbare technieken.
5.3.1.1 Onderwerp en toepassingsgebied
Deze Europese norm geeft definities van basisterminologie en tevens algemene
ontwerpmethoden als een leidraad waarmee ontwerpers en fabrikanten ervoor kunnen zorgen
dat machines (zie 3.1) voor beroeps- en privégebruik veilig zijn. De norm kan ook worden
toegepast voor andere technische producten met overeenkomstige gevaren.
Het wordt aanbevolen om deze norm op te nemen in cursussen en leerboeken om ontwerpers
de basisterminologie en de algemene ontwerpmethoden bij te brengen.
5.3.1.2 Normatieve verwijzingen
Deze Europese norm bevat door gedateerde en ongedateerde verwijzing bepalingen uit andere
publicaties. Deze normatieve verwijzingen zijn op passende plaatsen in de tekst aangehaald en
de publicaties zijn hierna opgesomd. Bij gedateerde verwijzingen zijn latere wijzigingen of
herzieningen van een van deze publicaties slechts van toepassing op deze Europese norm,
indien ze door wijziging of herziening daarin zijn verwerkt. Bij ongedateerde verwijzingen is
de laatste druk van de publikatie waarnaar is verwezen van toepassing.
NEN EN 292-1 : Veiligheid van machines. Basisbegrippen, algemene
ontwerpbeginselen.
NEN EN 292-2: Technischebeginselen en omschrijvingen.
EN 414 :
Veiligheid van machines. Regels voor het opstellen en de
presentatie van veilîgheidsnormen.
EN 1050 :
Veiligheid van machines. Risicobeoordeling. (in voorbereiding)
ENV 1070 :
Veiligheid van machines. Termen en definities.
EN 60204-1 :
(uitgave 1985) Elektrische uitrusting van industriële machines.
5.3.1.3 Basisbegrippen (zie EN 292-1 en ook ENV 1070)
In het kader van deze norm zijn de volgende termen en definities van toepassing
Zie origineel document.
Pagina 17
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.3.1.4 Beschrijvingen van gevaren (zie EN 292-1)
Zie origineel document.
5.3.1.5 Strategie voor de keuze van veiligheidsmaatregelen
Veiligheidsmaatregelen zijn een combinatie van maatregelen die in de ontwerpfase zijn
genomen en maatregelen die door de gebruiker moeten worden genomen.
De ontwerper moet, onder alle omstandigheden, achtereenvolgens:
- de grenzen van de machine vastîeggen (zie 5.1);
- de gevaren identificeren en de risico's beoordelen (zie 5.2);
- de gevaren wegnemen, of het risico zoveel mogelijk beperken (zie 5.3);
- beveiligingen inbouwen tegen resterende risico's (zie 5.4);
- de gebruiker informeren over resterende risico's (zie 5.5);
- alle noodzakelijke aanvullende voorzorgsmaatregelen in beschouwing nemen.
OPMERKING:
De strategie in dit hoofdstuk is iteratief; soms is het nodig de procedure zoals die schematisch
in tabel is weergegeven, afgewisseld door experimentele fasen, enkele malen te herhalen om
een bevredigend resultaat te verkrijgen. Bij het doorlopen van dit proces moet, in de
aangegeven volgorde, rekening worden gehouden met:
- de veiligheid van de machine;
- de mogelijkheid om de machine te laten werken, op te stellen, in te stellen en te
onderhouden;
- de productiekosten en de operationele kosten van de machine.
Alle maatregelen die in het ontwerpstadium kunnen worden genomen, verdienen de voorkeur
boven alle maatregelen die door de gebruiker moeten worden genomen (zie tabel in het
origineel document).
De verantwoordelijkheden van gebruikers voor het uitvoeren van maatregelen om resterende
risico's te minimaliseren worden in deze norm niet behandeld.
Voor een voortdurend veilig werken van de machine is het noodzakelijk dat de
veiligheidsmaatregelen eenvoudig kunnen worden toegepast en het bedoeld gebruik niet
hinderen. Indien hieraan niet wordt voldaan, kan dat tot gevolg hebben dat
veiligheidsmaatregelen worden omzeild of buiten werking worden gesteld om het maximale
nut van de machine te kunnen bereiken (zie ook 5.7.1).
Art. nr. 5.7.2 van NEN EN 292-1 :
Indien de door de ontwerper genomen veiligheidsmaatregelen er niet
volledig toe leiden dat aan de fundamentele veiligheidseisen wordt voldaan,
moet dit worden gecompenseerd door veilige werkmethoden (oefening,
procedures voor veilig werken, toezicht, werkvergunningssystemen, enz.) die
behoren tot de verantwoordelijkheid van de gebruiker en daarom buiten het
toepassingsgebied van deze norm vallen.
Art. nr. 5.7.3 van de norm NEN EN 292-1:
Bij niet-professioneel gebruik moet er van worden uitgegaan dat er geen
voorafgaande oefening of instructie plaatsvindt en in het ontwerp van de
machine (veiligheidsmaatregelen die door de ontwerper worden genomen,
met inbegrip van informatie) moet daarmee rekening worden gehouden .
Pagina 18
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.3.2 NEN EN 292-2
De tweede norm die bij het A-type behoort, is de norm NEN EN 292-2.
Deze norm is net als z’n voorganger (EN 292-1) een inleidende norm.
Het verschil met EN 292-1 :
Hier geeft men al meer technische begrippen weer. Deze begrippen zijn voor ons van belang.
Daar we een praktische handleiding trachten op te stellen i.f.v. de bordenbouw gaan we de
norm verknippen en gebruiken enkel nog de zaken die voor ons van toepassing zijn.
Normatieve verwijzingen in de norm NEN EN 292-2 :
Verwijst naar de volgende normen die voor ons belangrijjk kunnen zijn.
EN 292-1:
Basisbegrippen,
EN 418:
Noodstopvoorziening,
EN 954-1:
Veiligheid van machines,
EN 60 204-1: Elektrische uitrusting van industrielemachines,
Algemene eisen,
5.3.3 NEN EN 60 204
5.3.3.1 Onderwerp en toepassingsgebied
Deze norm is van toepassing op elektrische uitrusting van machines, evenals op een groep van
machines die gecoôrdineerd samenwerken. De norm is niet van toepassing op de hogere
niveaus.
N.B,: Elektrisch is ook elektronisch.
De in deze norm beschreven uitrusting begint op het punt waar de voeding op de elektrische
uitrusting van de machine wordt aangesloten.
Deze norm geldt voor (delen van) uitrustingen met nominale voedingspanningen tot:
- l 000 V wisselspanning en nominale frequenties tot en met 200 Hz , of
- l 500 V gelijkspanning.
Ook de in deze norm beschreven begrippen zijn voor ons van belang.
Aanvullende en bijzondere eisen kunnen gelden voor de elektronische uitrusting van
machines die:
- in de buitenlucht gebruikt worden;
- explosieve materialen gebruiken of produceren;
- in explosieve / brandbare atmosfeer worden gebruikt;
- bijzondere gevallen kunnen veroorzaken bij de productie van bepaalde materialen;
- naaiwerk verrichten (zie EN 60 204-3-1);
Uitgesloten van deze norm zijn hoofdstroomketens waarbij de elektrische energie rechtstreeks
voor bewerkingen wordt gebruikt (bijv. in elektrochemische processen).
Pagina 19
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.3.3.2 Normatieve verwijzingen
Geharmoniseerde Europese normen:
EN 292-1 "Basisterminologie"
NEN EN 292-2 "Technische beginselen en beschrijvingen";
EN 414 "Presentatie van veiligheidsnormen";
EN 418 "Noodstopvoorzieningen".
lnternationale normen van IEC:
44 titels: zie norm.
Internationale normen van ISO:
2 titels.: zie norm
Pagina 20
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.4 Een overzicht van de richtlijnen en normen die voor een
bordenbouwer van belang zijn
5.4.1 De richtlijnen
Voor de bordenbouw zijn van belang:
- de Laagspanningsrichtlijn;
- de EMC-richtlijn;
- de machinerichtlijn.
5.4.2 De normen
TYPE
A-normen (Basisbegrippen en vormgevingsprincipes voor alle machines)
EN 292 deel 1+2: Veiligheid voor machines en
basisbegrippen
EN 414: Regels voor de opstelling en vormgeving van
veiligheidsnormen
EN 1050: Beoordeling van risico's
IEC 61508 : Risicoanalyse voor systemen
TYPE B-normen
Type B1-normen (Algemene veiligheidsaspecten)
EN 60 204: Elektrische uitrusting
pr EN 294 : Veiligheidsafstanden tegen het bereiken van de
gevarenpunten
pr EN 954-1 : Veiligheidsgerelateerde onderdelen van
besturing.
Type B2-normen (normen voor speciale beveiligongsinrichtingen)
EN 418 : Noodstop
EN 60 947 : Laagspanning- schakelapparaten (vermogenschakelaars,…)
pr EN 1088 : Vergrendelingsinrichting met en zonder borging
IEC 1131-1-2-3-4-5 : Norm voor PLC (algemeen)
EN 60 529 : Beschermingsgraden
EN 60439-1 : Geisoleerde schakel en verdeeltoestellen
Opbouw van kasten
Fig. 3 : Een overzicht over de belangrijkste normen voor een bordenbouwer.
Pagina 21
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 6: Risicobeheer
6.1 Inleiding
De machinerichtlijn legt aan de fabrikant de verplichting op om een risicoanalyse uit te
voeren. Het exact bepalen van de risicograad gebeurt moeizaam en is ingewikkeld en
subjectief. Daarom is het raadzaam een genormaliseerde methodiek te hanteren. In de prEN
1050 wordt de techniek uitgelegd voor het identificeren van de gevaren. Ook wanneer de
machinerichtlijn niet van toepassing is, en de risicoanalyse niet verplicht is, blijft de
risicoanalyse een krachtig hulpmiddel om andere gevaren zichtbaar te maken en in te
schatten. De van toepassing zijnde richtlijnen zullen aanduiden welk risico aanvaardbaar is
en welk niet.
In de richtlijn zal men dan meteen doorverwijzen naar normen, waarin uitgelegd wordt hoe
men dit risico kan voorkomen.
De omvang van de beveiligingsmaatregelen, wordt bepaald door het af te dekken risico.
Het is noodzakelijk een onderscheid te maken tussen een incident en een accident.
- Incident: een ongewenste en onopzettelijke gebeurtenis die tot schade kan leiden.
- Ongeval (Accident): een incident met menselijke schade tot gevolg.
Er bestaat een frequent voorkomende verwarring tussen de begrippen:
gevaar en risico. (Zie ook Fig. 4 op de volgende pagina.)
- Gevaar: een bron van een mogelijke schade.
- Risico:
een combinatie van de waarschijnlijkheid op een schadeverwekkend
voorval en de omvang van de eventueel te verwachten schade.
R = Ws x E
( Risico = Kans x Effect )
Schade kan zich in verschillende vormen manifesteren nl. :
- menselijke schade (verwonding, ziekte);
- materiële schade.
Vermits de richtlijnen het doel hebben de menselijke schade te beperken,
( persoonlijke veiligheid ) zullen we ons ook hiertoe beperken.
Een risicoanalyse bestaat uit de volgende stappen.
- omschrijving van het product;
- identificatie van de gevaren (opsporen);
- risicobeoordeling (gevaarinventarisering) (risicograadschatting);
- risico evaluatie;
- risicobeperking (reductie).
Pagina 22
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
De begrippen gevaar en risico worden vaak verward en in verkeerde context gebruikt. Het
verschil leggen we uit aan de hand van een voorbeeld met een beer.
Stel er loopt een beer in de woestijn maar
er zijn geen mensen in de buurt.
Op dat moment spreekt men van een GEVAAR.
Op het moment dat er mensen in de buurt zijn
spreekt men van een RISICO.
Dit risico gaan we zo klein mogelijk maken.
Dit kan op de één of een combinatie van meerdere
mogelijkheden:
1) Het risico elimineren
2) Het risico verminderen
3) Collectieve bescherming
4) Individuele bescherming
5) Waarschuwing / instructies
Fig. 4: Risico en gevaar
Pagina 23
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
6.2 Definitie van de grenzen van het systeem
Bij het bepalen van het systeem moet men rekening houden met alle levensfasen. Bovendien
moet men naast het normale gebruik ook het te voorziene abnormale gebruik van de machine
beschouwen Deze begrippen worden beschreven in de norm EN 292.
6.3 Identificatie van de gevaren
(interactie mens
product in een omgeving)
Bij het opsporen van de gevaren voor het menselijk individu dient rekening te worden
gehouden met alle omstandigheden die tot menselijke schade kunnen leiden. Zonder te
oordelen over het feitelijk risico dat de gebruiker loopt.
Ieder geïdentificeerd gevaar is even belangrijk.
Men moet rekening houden met:
De omgeving
- fysieke omgeving: vb luchttemperatuur, explosie;
- sociale omgeving: vb opleidingsniveau, gebruiksgroepen.
De mens
Een product kent meerdere soorten gebruikers. Het is aan te raden een opsomming te maken
van alle mensen die met het product in aanraking kunnen komen.
Als hulpmiddel kan een beschrijving van de levensduur van het product dienen.
Doelgroep
- constructiefase;
- transportfase;
- montagekamer;
- exploitatiefasen;
- demontagefase.
met de verschillend functionele toestanden:
- normale + abnormale werking;
- voorzienbaar verkeerd gebruik.
6.4 Risicograadschatting
Voor het uitvoeren van een risicobeoordeling bestaan verschillende methodes waaronder
Failure Mode and Effects analysis (IEC 812) en Fault Tree Analysis (IEC 1025).
Wij zullen ons beperken tot het bespreken van de prEN1050-methode.
Zoals eerder gezegd, dient men bij de risicograadschatting rekening te houden met volgende
factoren. :
- de waarschijnlijkheid op schade (Ws);
- de ernst van de schade (E).
De waarschijnlijkheid op schade is op haar beurt afhankelijk van de hierna volgende
parameters
- de waarschijnlijkheid dat een ongewenste gebeurtenis plaatsgrijpt (Wi);
- de waarschijnlijkheid dat een schadedrager aan een potentieel gevaarlijke toestand wordt
blootgesteld (Wb);
- de mogelijkheid tot afwending van het gevaar (A).
Pagina 24
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
De risicograad wordt nu als volgt bepaald :
R = Wi x Wb x A x E
Deze factoren zijn meestal niet exact te bepalen, maar kunnen slechts geschat worden. Dit
inschatten gebeurt vrij subjectief, het is dan ook niet zo belangrijk onweerlegbare cijfers te
bekomen, maar veeleer de vastgestelde risico’s tegenover elkaar af wegen.
6.5 Risico-evaluatie
Voor het evalueren van de gedetecteerde risico’s worden deze vergeleken met :
- de gangbare reglementaire voorschriften;
- de gepubliceerde richtlijnen.
Bij de risico-evaluatie wordt bepaald of de gevonden risico’s laag genoeg zijn om over een
aanvaardbaar veiligheidsniveau te kunnen spreken.
Het bepalen of een risico aanvaardbaar is, zal afhangen van de persoonlijke ervaringen van de
persoon die het risico evalueert. Daarnaast zullen factoren als economische haalbaarheid en
stand van techniek het resultaat beïnvloeden.
6.6 Risicobeperking
Nu de schadeverwekkende factoren zijn gereduceerd en geëvalueerd, moeten voor de nietaanvaardbare risico’s, reductiemaatregelen worden getroffen.
Voor de niet aanvaardbare risico’s bepaald door de richtlijnen, zal vaak een kant-en-klare
oplossing gegeven worden , die men kan terugvinden in de normen waarnaar verwezen
worden.
Hierbij is belangrijk dat de maatregel een voldoende effect heeft, (de schadeverwekkende
eigenschappen moeten voldoende gereduceerd zijn)
De effectiviteit van een maatregel kan men bepalen door opnieuw een risicobeoordeling uit te
voeren. De maatregel met de grootste effectiviteit verdient de voorkeur, wel zal men nog
rekening moeten houden met de volgende keuzecriteria:
- prioriteit aan de meest schadeverwekkende risico’s;
- het blijvend karakter van de maatregel;
- integratiemogelijkheid van de maatregel in het normale productieproces;
- geen nieuwe en geen verschuiving van risico’s teweegbrengen;
- de draagwijdte van de maatregel;
- de logische prioriteiten;
- de uitvoeringtermijnen.
Pagina 25
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
6.7 De norm EN 954-1: Algemene ontwerpbeginselen voor onderdelen van
besturingssystemen met een veiligheidsfunctie
De EN 954-1 kan enkel aangewend worden om de veiligheidscategorie voor stuurkringen te
bepalen. De gevaren waarbij het risico verminderd wordt, via elektrische componenten,
worden in overweging genomen via de risicograaf van de EN 954.
De geharmoniseerde norm EN 954-1 m.b.t. het ontwerp van faalveilige bedieningschakelingen geeft aan dat er 5 niveaus van risico bestaan. Men is van oordeel dat het de
verantwoordelijkheid is van de ontwerpers om op een objectieve manier naar het risico-niveau
voor een bepaalde machine te identificeren, en alle veiligheidsmaatregelen te ontwerpen naar
het betreffende niveau.
In onze opdracht hoort bij het samenstellen van een praktische handleiding en checklist ook
een risicoanalyse om de veiligheidscategorieën te bepalen van een bestaande installatie.
6.7.1 Beknopte beschrijving van de procedure
Onderverdeling van de installatie in afzonderlijke veiligheidscircuits
Inschatting van het potentiële risico
Classificatie in categorieën volgens prEN 954-1
Keuze van desbetreffende apparaten
Veilige bedrading, veilig bedrijf en veilig onderhoud
Fig. 5: Schematische beschrijving van de procedure.
-
-
Onderverdeling van de installatie:
Elke veiligheidsschakelkring van een systeem moet afzonderlijk bekeken worden en dus
niet het systeem of de installatie in zijn geheel.
Een veiligheidscircuit bestaat altijd uit sensoren, evaluatiesystemen, actuatoren en
bedrading van de componenten.
Inschatting van het potentiële risico:
Het is belangrijk dat voorafgaand aan de classificatie van elk beveiligingscircuit de
risicograad zo nauwkeurig mogelijk wordt bepaald.
Gevaren kunnen ontstaan door:
- menselijke fouten;
- storingen in de machine of van de installatie
afhankelijke factoren;
- constructeur van de machine moet risico zelf
inschalen;
- in elke machine is er een restrisico aanwezig;
- verkeerde keuze van de componenten;
- …
Pagina 26
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
6.7.2 Risicoanalyse
De procedure is op de volgende normen gebaseerd :
- prEN 954-1;
- EN 1050.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen klassen en categorieën:
- de 8 vereiste klassen volgens DIN V 19250 (om te verglijken met de DIN-norm);
- de 5 beveiligingsklassen volgens IEC 1508 (om te verglijken met de IEC-norm);
- de 5 categorieën volgens prEN 954-1.
Vergelijking van de beveiligingsklassen:
IEC 1508
Klasse
DIN V 19250
Klasse
prEN 954-1
Categorieën
0
1
B
1
2,3
1,2
2
4
3
3
5,6
4
4
7,8
Tabel 2: Een vergelijking van de verschillende klassen en categorieën
Gevaren in een elektrisch ontwerp volgens EN 60204-1
- storingen of defecten in de elektrische uitrusting (directe aanraking, brand);
- storingen of defecten in stuurkringen;
- ontregeling of storingen in externe stroomkringen;
- elektrische storingen die hetzij van buiten de elektrische uitrusting komen hetzij inwendig
worden opgewekt (magnetische radiofrequenties die storen, …).
Bij een ontwerp moet er aandacht besteed worden aan het verminderen van risico’s. Indien
onmogelijk, moet een beveiliging overwogen worden.
Keuze van het elektrisch materiaal:
- de elektrische onderdelen en toestellen moeten geschikt zijn voor de beoogde toepassing;
- de elektrische onderdelen en toestellen moeten voldoen aan de van toepassing zijnde
Europese Normen (EN…), indien ze bestaan;
- bij ontstentenis van de EN-normen, volstaan de desbetreffende IEC-normen.
Let op!
Met de norm En 954 bepalen we enkel de veiligheidscategorie voor stuurkringen.
Andere gevaren kunnen ook opgespoord worden en geëvalueerd, maar het evalueren van deze
risico’s leidt niet tot een ‘voorstel voor een oplossing’ volgens de EN 954.
Pagina 27
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Een eenvoudig te lezen en aan elke machine aan te passen tabel die toelaat een eerste risicoanalyse uit te voeren:
prEN 954-1
B
1
2
DIN V 19250
IEC 1508
3
S1
4
1
0
2
1
P1
P2
P1
4
2
Veiligheidstechnisch
beproefde componenten
Redundantie
P2
5
3
Zelfbewaking
4
Bij de beveiliging van
machines niet van
belang
F1
S2
Besturing volgens de
stand van de techniek
3
F2
F1
6
S3
7
F2
8
S4
Fig. 6: Risicobepaling op een eenvoudige grafische manier
Verklaring van de symbolen S, F en P:
S – ernst van de verwonding
S1: lichte verwonding
S2: zware blijvende verwondingen van 1 of meerdere personen of overlijden van een
persoon
S3: overlijden van meerdere personen, invloeden op het milieu
S4: catastrofale gevolgen, zeer veel doden
F – frequentie en / of duur van het oponthoud
F1 : zelden of af en toe
F2 : vaak tot continu
P – mogelijkheid vermijden
van risico’s
P1 : mogelijk onder bepaalde
condities
P2 : nauwelijks mogelijk
De keuze van de categorie:
Is de afwijking naar een lagere categorie.
De normale categorie voor het risico-niveau.
Is de afwijking naar een hogere niveau.
Pagina 28
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
6.7.3
Beschrijving van de categorieën volgens prEN 954-1
B:
De beveiligingsgerelateerde onderdelen van machinebesturingen en/of beveiliging.
Inrichtingen en de componenten ervan moeten volgens de stand van de techniek zo
worden geselecteerd dat ze bestand zijn tegen de verwachte invloeden.
Gedrag van het systeem:
Wanneer zich een fout voordoet, kan dit leiden tot verlies van de beveiligingsfuncties
Enkele fouten blijven ongedetecteerd.
Gebruik van componenten en principes die in beveiligingstechnisch opzicht beproefd
zijn.
Gedrag van het systeem:
Zoals beschreven voor categorie B, maar met een hogere beveiligingsgerelateerde
betrouwbaarheid van de beveiligingsfuncties.
De beveiligingsfuncties moeten met regelmatige tussenpozen door de
machinebesturing
gecontroleerd worden.
Gedrag van het systeem:
Het optreden van een fout kan tot verlies leiden van de beveiligingsfuncties tussen de
controle- intervals.
De fout wordt door de controle gedetecteerd.
De besturingen moeten zo vormgegeven zijn dat:
- een enkele fout in de besturing niet tot verlies leidt van de beveiligingsfunctie;
- de afzonderlijke fout gedetecteerd wordt;
Gedrag van het systeem:
Als een afzonderlijke fout optreedt blijft de beveiligingsfunctie behouden.
Niet alle fouten worden gedetecteerd.
Een opeenhoping van fouten kan leiden tot verlies van de beveiligingsfunctie.
Vormgeving van de besturing:
Een enkele fout mag niet tot verlies leiden van de beveiligingsfunctie en indien
mogelijk, een opeenstapeling van fouten mag niet leiden tot verlies van de
beveiligingsfunctie.
Gedrag van het systeem:
Wanneer fouten optreden, blijft de beveiligingsfunctie behouden.
De fouten worden op tijd gedetecteerd om verlies van de beveiligingsfunctie te
voorkomen.
1:
2:
3:
4:
6.7.4 Toepassingsvoorbeelden van deze norm
In de onderstaande tabel worden enkele toepassingsgebieden van deze norm voorgesteld. Er is
aangeduid in welke categorie bijvoorbeeld een tweehandenschakeling geklasseerd wordt.
Categorie
B 1 2 3
Tweehandenschakelaars
Schakelmatten
Nood-uit-bediening
Elektrische uitrusting volgens EN 60204-1
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
4
x
x
x
x
Pagina 29
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 7: Inleidende begrippen naar industriële
installaties
7.1
Voorwoord
In dit hoofstuk komen een aantal basisbegrippen voort uit de normen en het AREI.
AREI staat voor Algemeen Reglement op Elektrische Installaties.
Er bestaan verschillende uitgaven:
- de GROTE LOSBANDIGE UITGAVEN;
Bevatten de volledige tekst van het AREI.
Deze uitgave is, voor zover wij vernomen hebben, bijgewerkt tot eind maart 1992.
- de compacte uitgave voor de professionele gebruiker complementair aan de uitgave van
AIB-VINCOTTE.
7.2
Spanningsgebied gedefinieerd door het AREI
7.2.1 Wisselspanning (AC) in volt (V)
Code
Categorie
Zeer lage spanning
ZLS
Laagspanning
LS
1°
2°
Hoogspanning
HS
1°
2°
Spanningsgebied
U < 50
50 < U <500
500 < U < 1.000
1.000< U < 50.000
U > 50.000
Fig. 7: Wisselspanningsgebied
7.2.2 Gelijkspanning (DC) in volt (V)
Code
Zeer lage spanning
ZLS
Laagspanning
LS
Hoogspanning
HS
Categorie
Met rimpel
Zonder
rimpel
U <75
U<120
1°
75 < U < 750
120
< U<750
2°
750 < U < 1.500
U > 1500
750
< U< 1500
U > 1500
Fig. 8: Gelijkspanningsgebied
Pagina 30
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.3 Netstelsels en toepassing
7.3.1 Algemeen
Er bestaan twee groepen netstelsels n.l.:
- de geaarde ;
- de niet-geaarde .
Eerste letter : De eerste letter wijst op de aanwezigheid, afwezigheid of geisoleerde
verbinding van het sterpunt in de transfo met de aarde.
T:
rechtstreekse galvanische verbinding met de aarde.
I :
isolatie van alle actieve delen t.o.v. de aarde, hetzij galvanische verbinding met de
aarde via een impedantie.
Tweede letter : geeft de relatie aan tussen de massa’s van de installatie en de aarde
T:
rechtstreekse galvanische verbinding met de aarde.
N:
galvanische verbinding van de massa’s van de toestellen met het sterpunt, via een PEgeleider (beschermingsgeleider).
I :
isolatie van alle massa’s t.o.v. de aarde.
U:
isolatie van alle massa’s t.o.v. de aarde, doch onderlinge rechtstreekse verbinding
d.m.v. een niet geaarde geleider.
Eventuele derde of vierde letter :
S :
de functies van de nulgeleider en de PE-geleider worden verzekerd door afzonderlijke
geleiders.
C:
een geleider functioneert zowel als nulgeleider als PE-geleider.
C-S : de functies van de nulgeleider en de beschermingsgeleider worden, in een deel van de
elektrische installatie door 1 geleider vervuld.
Tabel 3: Betekenis van de betreffende letters waarmee een onderscheid tussen de netten kan gemaakt worden
7.3.2 We bespreken de belangrijkste netstelsels
A) Het TN-stelsel (geaard stelsel)
Een punt van de actieve geleiders van de stroombron is rechtstreeks geaard en de massa’s van
de elektrische installatie zijn met dit punt verbonden d.m.v. een beschermingsgeleider.
Naar gelang de uitvoering van de nulgeleider en de beschermingsgeleider spreken we van een
TN-S, TN-C of een TN-C-S-stelsel.
In een TN-S-stelsel zijn de nulgeleider en de beschermingsgeleider afzonderlijke geleiders in
de gehele elektrische installatie
Fig. 9: Een TN-S-stelsel met N
Fig . 10: Een TN-S-stelsel zonder N
Pagina 31
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
In een TN-C-stelsel worden de functie van de nulgeleider en de beschermingsgeleider door
één zelfde geleider vervuld in de gehele installatie. Deze geleider noemen we de PEN
geleider.
Fig. 11: Een TN-C-stelsel
In een TN-CS-stelsel vinden we de PEN-geleider terug in een gedeelte van de installatie, in
de rest van de installatie splitst men de geleider op in een nulgeleider en een beschermingsgeleider.
Fig. 12: Een TN-CS-stelsel
B) Het TT-stelsel (geaard stelsel)
Een punt van de actieve geleiders in de stroombron is verbonden met de aarde en de massa’s
van de elektrische installatie zijn verbonden met één of meerdere aardelektroden,
onafhankelijk van de stroombron.
Fig. 13 : Een TT-stelsel met N
Fig. 14: Een TT-stelsel zonder N
C) Het IT-stelsel (geaard stelsel)
Geen enkel punt van de actieve geleiders van de stroombron is verbonden met de aarde doch
de massa’s van de elektrische installatie zijn rechtstreeks geaard.
Fig. 15: IT -stelsels met N
Fig. 16: IT- stelsels zonder N
Pagina 32
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
D) Het TI-stelsel (geaard stelsel)
Een punt van de actieve geleiders van de stroombron is geaard en de massa’s van de
elektrische installaties zijn niet geaard.
E) Het TU-stelsel (geaard stelsel)
Een punt van de actieve delen van de voedingsbron is geaard en de massa’s van de elektrische
installatie zijn door middel van een niet-geaarde beschermingsgeleider met elkaar verbonden
F) Het IU-stelsel (niet-geaard stelsel)
Geen enkel punt van de stroombron is rechtstreeks geaard, de massa’s van de elektrische
geleider zijn door middel van een niet-geaarde beschermigsgeleider met elkaar en met de
massa van de stroombron verbonden . Dez e geleider noemen we de PU i.p.v. PE.
Fig. 17: IU-stelsel zonder N
Fig. 18: IU-stelsel met N
G) Het IN-stelsel (niet-geaard stelsel)
Geen enkel punt van de stroombron is geaard, doch de massa van de stroombron is verbonden
zowel met een punt van de stroombroon als met alle massa’s van de elektrische installatie
door middel van een niet-geaarde beschermingsgeleider.
Naar gelang van de uitvoering van de nulgeleider spreekt men van een IN-S of een IN-Cstelsel.
In een IN-S-stelsel wordt het omhulsel van de installatie verbonden met N. Het sterpunt is
niet geaard. Dus er is geen aarding.
Fig. 19: Een IN-S-stelsel
Fig. 20: Een IN-S-stelsel met 2 toestellen
In een IN-C-stelsel zijn de nulgeleider en de beschermingsgeleider vervangen door één
geleider die we PUN noemen i.p.v. PEN omdat er geen aarding aanwezig is. Het sterpunt is
niet geaard.
Fig. 21: Een IN-C-stelsel
Pagina 33
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.3.3 Berekenen van foutstromen
A) In een TT-stelsel
Fig. 22 : Berekeningsvoorbeeld met een TT-stelsel
Rpa
3Ω
16 A
Rta
20Ω
Ita
Ima, Uta
Rma = 1000Ω
Rpa = 3Ω , dit is de weerstand van de leiding tussen aarde en sterpunt.
Rta = 20Ω, dit is de weerstand van de leiding tussen aarde en toestel.
In de leidingen naar het toestel zijn smeltveiligheden van 16A aangebracht.
Stel dat de foutstroom ook door een menselijk lichaam vloeit. Voor een menselijk lichaam
nemen we als weerstand ongeveer 1000Ω.
Ita = U/ (Rta + Rpa) = 230 / (3+20) = 10A à De smeltveiligheid zal hier niet op reageren.
Uta = Ita * Rta = 20 * 10 = 200V
Ima = Uta / Rma = 200 / 1000 = 0,2A of 200mA
De klassieke smeltveiligheid reageert niet op de 10A of op de 200mA. Het gevaar voor
hartfibrilatie ligt tussen 80mA…300mA. à Beveiligen met een aardlekwachter (differenteel)
B) In een TN-S-stelsel
Rlt 0,5Ω
16A
RlPE 0,5Ω
Rta 3Ω
Ita
Lijnspanning (tussen lijndraden) is 400V.
Fasespanning (tussen fase en nul) is 230V.
Rma = 1000Ω.
Rma is de geschatte weerstand van het menselijk
lichaam.
Rlt = 0,5Ω , is de weerstand van een leiding.
RlPE = 0,5Ω , is de weerstand van de PE geleider.
Smeltveiligheid van 16A.
Ima
Uta
Rma = 1000Ω
Fig. 23 : Een TN-S-stelsel
Ita = U / (Rlt + RlPE) = 230 / (0,5 + 0,5) = 230A à Hier reageert de smeltveiligheid wel.
Uta = RlPE x Ita = 0,5 x 230 = 115V à Te hoog, moet worden afgeschakeld d.m.v. een
overstroombeveiliging.
Ima = Uta / Rma = 115 / 1000 = 0,115A
Pagina 34
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Overstroombeveiliging :
Opdat er snel genoeg wordt afgeschakeld moet de kleinste foutstroom > Im (magnetische
drempel.
De lengte van de kabels mag niet te lang zijn, anders wordt de foutstroom te klein en reageert
de overstroombeveiliging niet snel genoeg of niet meer.
t
Hier reageert ze niet snel genoeg.
Hier zal wel snel genoeg afgeschakeld
worden.
Im
I
Fig. 24: Uitschakelkarakteristiek
C) In een IT-stelsel
Ib
Lijnspanning (tussen 2 lijndraden) is 400V.
Fasespanning (tussen fase en nul) is 230V.
Rma 1000Ω.
Rma is de geschatte weerstand van het menselijk
lichaam.
RL1 0,45Ω , is de weerstand van lijndraad L1.
RlL3 0,45Ω , is de weerstand van lijndraad L3.
Smeltveiligheden van 16A.
RlPE 0,1
Fig. 25 :Een berekeningsvoorbeeld met een IT-stelsel
Bij het op treden van een eerste fout is er geen gevaar.
Bij een tweede fout ontstaat er wel gevaar :
We onderscheiden 2 gevallen aangegeven met rood en blauw.
Berekening voor de rode stroom :
Ib = Ul / (RlL2 + RlL1 + RlPE) = 400 / (0,45 + 0,45 + 0,1) = 400A
U12 = RPE * Ib = 0,1 x 400 = 40V
Ima = U12 / (2 x Rma) = 40 / 2000Ω = 20mA
Pagina 35
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
D) Overzicht van de netten
Net
Toepassing
Beveiliging
Wanneer afschakelen
TT
Privé woning
(Thuis)
Automaten
Vermogenschakelaars
Differentiaalschakelaars
Perfecte PE-installatie
Bij een eerste fout
TN
Fabrieken
Automaten
Bij een eerste fout
Vermogenschakelaars
e.v. differentieelschakelaars
Perfecte PE-installatie
ITMN
Ziekenhuizen
Noodvoedingen
Permanente isolatiecontrole Bij een tweede fout
Perfecte PE-installatie
Automaten of vermogenschakelaars met beveiliging
van de nulgeleider
e.v. differentieelschakelaars
ITZN
Permanente isolatiecontrole
Perfecte PE-installatie
Overstroombeveiliging
Tabel 4: Overzicht van de bestaande netten
Pagina 36
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.4
Diverse componenten voor veilige elektrische stuurkringen
in het kader van de arbeidsmiddelenrichtlijn
7.4.1 Betrouwbare onderdelen en componeneten
Componeneten en onderdelen conform met de voorwaarden van de EN60-947.5.1 voldoen
zeker aan de voorwaarden van ‘betrouwbaar zijn’ indien de juiste technische karakteristieken
aanwezig zijn op de plaats van de opstelling. De plaats van opstelling wordt bepaald door een
aantal parameters :
- al of niet aanwezigheid van stof ;
- al of niet aanwezigheid van vocht ;
- al of niet aanwezigheid van trillingen ;
- al of niet aanwezigheid van bijtende dampen ;
- omgevingstemperatuur ;
- EMC-richtlijn voorwaarden ;
- mogelijkheid tot mechanische beschadiging van leidingen .
7.4.1.1 Kenplaten
Kenplaten zijn als identiteitskaarten. Ze zouden een aantal basisformaties moeten bevatten.
Het is van belang kenplaten te kunnen lezen, de gegevens te begrijpen en een juist oordeel te
kunnen maken. Alvorens men de componenten plaatst, moet men een beoordeling maken van
de gegevens op het kenplaatje en de technische specificaties die vermeld staan in de cataloog.
Diverse componenten en de desbetreffende normen.
Een stuurkring wordt opgebouwd uit diverse componenten en leidingen. Laten we eerst de
meest gebruikte componenten opsommen met hun bijhorende normen.
Componenten
Stuurtransfo’s
Overstroombeveiligingen
Smeltveiligheden
Noodstopppen
Positieschakelaars
Bedieningssystemen
Vergrendelingen
Dubbele handbediening
Matten
Temperatuurbewaking
Nadreingschakelaars
Veiligheidsrelais
Drukknoppen
Kontaktoren
Algemeen
Normen
EN 60-742, EN 61-558.2
EN 60-898, EN 60-947.2
IEC 269,
IEC127
EN 418, EN 60-204.1
EN 60-947.5.1, EN 60-204.1
EN 292-1 en 2, EN 60-204.1
EN 1088, EN 60-204.1
EN 574, EN 60-204.1
EN 999, prEN 50-1000.1
EN 60-204.1
EN 60-947.5.2, EN 50-010
EN 60-204.1, EN 60-947.5.1
EN 60-204.1, EN 60-947.5.1
EN 60-204.1, EN 60-947.5.1
EN 292-1, EN 292-2 en EN 60-204-1
Tabel 5: Overzicht van de componenten en hun normen
Pagina 37
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
A) Enkele bijzondere aandachtspunten
- een component is niet zonder meer bruikbaar omdat er het CE-teken op staat ;
- een component is niet zonder meer bruikbaar omdat er een keurmerk op staat zoals
CEBEC of KEMA ;
- een component is niet zonder meer bruikbaar omdat er een norm IEC of EN of NBN op de
kenplaat vermeld staat ;
- een component moet in zijn geheel beoordeeld worden, in functie van de diverse aspecten
zoals uitwendige invloeden, bedrijfsvoorwaarden, EMC-omgeving, … ;
Dit alles wil zeggen dat de kenplaat, samen met de technische specificaties moeten
beoordeeld worden, alvorens ze geplaatst kunnen worden. Daarom worden nu van een aantal
componenten van stuurkringen, de technische informaties op een rijtje gezet, om in de
toekomst juist te leren oordelen over het gebruik van de desbereffende componenten.
Elk van de desbetreffende EN-normen eist dat er een kenplaat moet zijn.
B) Kenplaatgegevens : (De gegevens zoals normen die van toepassing zijn symbolen,
aansluitingen, keurmerken, … die onduidelijk zijn worden verder behandeld en
verklaard in deze cursus)
De volgende gegevens staan op kenplaatjes :
- merk en type ;
- primaire en secundaire spanningen en stromen;
- vermogen, frequentie, aantal fasen ;
- IP-graad ;
- isolatieklasse (B-E-F-H) ;
- normen (vb. : EN 60-742) ;
- symbolen, indien toepasselijk ;
- te voorziene overstroombeveiliging, indien toepasselijk ;
- maximale toelaatbare omgevingstemperatuur ;
- beschermingswijze tegen aanraking ;
- CE-markering, indien toepasselijk ;
- plaatsingswijze, indien toepasselijk.
Voorbeeld 1: Automaten
- merk en type ;
- nominale spanning en nominale stroom ;
- afschakelvermogen, in een rechthoek, voluit geschreven: 6000
- uitschakelcurven vb. : B-C-D ;
- norm en / of keurmerk ;
- CE-markering, indien toepasselijk ;
- symbool ;
- in de cataloog vinden we verder de isolatiespanning Ui, ultiem afschakelvermogen Icu.
Voorbeeld 2: Vermogenschakelaar
- merk en type ;
- nominale spanning en nominale stroom ;
- afschakelvermogen, uitgedrukt in kA, vb. : 6kA ;
- regelbereik (thermisch en magnetisch) ;
- Norm en / of keurmerk ;
- CE-markering, indien toepasselijk ;
Pagina 38
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
-
symbool ;
in de cataloog vinden we verder de isolatiespanning Ui, het ultiem afschakelvermogen
Icu, de toegelaten korteduurstroom Icw, gebruikerscategorie AC 21-22 of
23,
selectiviteitsgetal A of B (indien toepasselijk), de IP-graad.
Voorbeeld 3: Smeltveiligheden
- merk en type ;
- nominale spanning : 250 – 400 – 500V - … ;
- nominale stroom : 2 – 4 – 6 – 10A - … ;
- afschakelvermogen:
- bij een PEN-BUS uitvoering (20mm) 10kA ;
- DIAZED ± 50kA ;
- HOV ± 100kA ;
- glaszekeringen 100 à 1000A.
- constructienorm: - IEC 269 voor HOV ;
- IEC 127 voor glaszekeringen.
- uitschakelcurven :
- gL :
beveiligen van leidingen ;
- aM :
motorbeveiliging ;
- aR :
ultra snel / half geleiders enkel Icc;
- gR :
ultra snel / halfgeleiders Icc + Io ;
- aTr :
transformatorbeveiliging.
Voorbeeld 4: Noodstop
- mogelijke uitvoeringsvormen :
-
-
- paddestoelvormige drukknop ;
- trekkoordschakelaar, touwen, slangen ;
- hendels, voetpedalen zonder beschermkap.
systeem reageert als een stop van categorie 0 of 1 ;
bedieningsorganen moeten besturingsorganen activeren, via een MENSELIJKE
tussenkomst ;
kenplaatgegevens van het besturingsorgaan:
- merk en type ;
- EN 60-947.5.1 + symbool ;
- Ue en Ie ;
- schakelklasse ;
- Ith ≥ 10A ;
- Ui ≥ 250V .
kenplaatgegevens van het bedieningsorgaan :
- dit is meestal een deel van de behuizing ;
- merk en type ;
- klasse I en II ;
- IP-graad ;
- keurmerk en comformiteit met IEC 536.
7.4.1.2 Keuze van elektrisch materieel volgens norm EN 60-204.1
Elektrische onderdelen en toestellen moeten geschikt zijn voor de beoogde toepassing.
Elektrische onderdelen en toestellen moeten voldoen aan de van toepassing zijnde Europese
Normen, indien ze bestaan.
Bij het ontbreken van EN normen, volstaan de desbetreffende IEC normen.
Pagina 39
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.5
Bescherming tegen vaste lichamen en vloeistoffen (IP)
De beschermingsgraden worden aangeduid met IP X1X2.
IP staat voor international protection.
X1 X2 zijn 2 getallen: Getal X1: is een maat voor bescherming tegen indringen van vaste
deeltjes.
Getal X2: is een maat voor bescherming tegen indringen van vocht.
Omschrijving
Geen bescherming
Bescherming tegen vaste lichamen
groter dan 50 mm
Bescherming tegen vaste lichamen
groter dan 12,5 mm
Bescherming tegen vaste lichamen
groter dan 2,5 mm
Bescherming tegen vaste lichamen
groter dan 1 mm
Bescherming tegen stof
Volledig beschermd tegen stof
Bescherming tegen vaste
lichamen ( X1 )
IP 0X
IP 1X
IP 2X
IP 3X
IP 4X
IP 5X
IP 6X
Tabel 6: Beschermingsgraad tegen vaste lichamen
code
AD 1
AD 2
AD 3
AD 4
AD 5
AD 6
AD 7
AD 8
Omschrijving
Droge ruimten: woonkamer, …
Tijdelijk vochtige ruimten:
Keukens, kelders, WC’s,
Individuele garages, …
Vochtige lokalen:
Bijstations van stoom of warm water
Natte ruimten: werven, sauna’s
Koelkamers, …
Besproeide ruimten: stortbaden,
Stallen, slagerijen, …
Pieren, kaaien, …
Ondiepe baden: Fonteinen
Diepe baden
Bescherming tegen vloeistoffen
( X2 )
IP X0
IP X1
IP X3
IP X4
IP X5
IP X6
IP X7
IP X8
Tabel 7: Beschermingsgraad tegen vocht
Waarom vermelden we de IPXX-codering? In het volgende punt behandelen we de
verschillende klassen waarin men toestellen kan klasseren. De bijkomende eisen aan
toestellen zijn vaak bestendigheid tegen indringen van vocht en vaste lichamen. Deze
codering is van groot belang indien de toestellen aan een droge, vochtige of ondergedompelde
omgeving worden blootgesteld. De codering dient aangebracht te zijn op het toestel.
Pagina 40
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Bijkomende letter na IP X1 X2
Bijkomende letter
Indien X1 gelijk is aan
Bescherming tegen aanraking van onderspanning staande delen.
A
0
Bescherming tegen aanraking met de rug
van de hand.
B
0 of 1
Bescherming tegen aanraking met een
vinger.
C
1 of 2
Bescherming tegen aanraking met een
gereedschap.
D
1 of 2 of 3
Bescherming tegen aanraking met een
hand.
Tabel 8
Er kan ook nog een derde letter gegeven worden X3 à Ipxx-X3.
Deze geeft de beschermingsgraad aan tegen mechanische stoten.
X3
Schokweerstand
Hamer
Massa in kg
Valhoogte
in m
Slagenergie
in J
0,5
0,15
0,1
0,2
1
0,15
0,15
0,3
1,5
0,15
0,2
0,4
2
0,15
0,25
0,5
3
0,25
0,2
0,6
4
0,5
0,2
1
5
0,5
0,4
2
6
1,5
0,27
4
7
1,5
0,4
6
8
5
0,2
10
9
5
0,4
20
10
15
0,235
35
11
15
0,4
60
Tabel 9
Pagina 41
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.6
Klassen van elektrisch materiaal volgens bescherming tegen
schokken. Art. nr. 30.07 in het AREI
Ten behoeve van de mate waarin een gebruiker wordt beveiligd tegen elektrische gevaren
veroorzaakt door elektrisch materieel is een beschermingsklasse-indeling opgesteld.
A) Beschermingsklasse 0
De bescherming tegen elektrische schokken berust uitsluitend op een basisisolatie m.a.w. er
zijn geen bijkomende veiligheidsmaatregelen genomen.
Functionele isolatie
Bijkomende isolatie
Fig. 26: Beschermingsklasse 0
B) Beschermingsklasse 0I
Elektrisch materieel van beschermingsklasse I, waarbij op het niveau van de installatie
geen supplementaire veiligheidsmaatregelen getroffen zijn.
Het betreft elektrisch materieel, uitgerust met een aansluitmiddel (klem of strip) voor de
aansluiting van een beveiligingsgeleider. De aansluitkabel is een soepele kabel zonder beschermingsgeleider en het stopcontact is niet voorzien van een beveiligingscontact.
C) Beschermingsklasse I
Bescherming wordt verwezenlijkt door een basisisolatie (klasse 0) en het aarden van aanraakbare elektrische geleidende delen (metalen omhulsels).
Elektrisch materieel van klasse I kan onderdelen bevatten die voorzien zijn van een
dubbele of versterkte isolatie of die werken onder ZLVS (*).
Fig. 27:
Beschermingsklasse I
Beschermingsgeleider
Tweede fout
Eerste fout
Het is te hopen dat de smeltveiligheid hier afspringt.
Het is noodzakelijk hier te beveiligen met een differentiaalschakelaar.
(*) ZLVS = Zeer Lage Veiligheid Spanning
Pagina 42
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
D) Beschermingsklasse II
De bescherming bestaat uit een basisisolatie en een versterking van de basisisolatie door
een bijkomende isolatie of een versterkte isolatie.
Het materieel kan onderdelen bevatten die werken onder Z.L.V.S..
De beveiligingsvoorziening bevat geenszins de mogelijkheid tot aansluiting van de
eventuele aanraakbare geleidende delen op een beveiligingsgeleider.
Functionele isolatie
Bijkomende isolatie
De toestellen mogen niet geaard worden.
Fig. 28: Beschermingsklasse II
E) Beschermingsklasse III
Bescherming tegen elektrische schokken berust op de aanwezigheid van lage veiligheidsspanning (Z.L.V.S.) en waarin geen andere spanningen worden opgewekt.
Dus elektrisch materieel gevoed met Z.L.V.S., met inwendige stroombanen op een
spanning verschillend van de Z.L.V.S., behoort niet tot klasse III.
Veiligheidstransformator
Functionele isolatie
Fig. 29: Beschermingsklasse III
Voor spanningen hoger dan 50 V kan men klasse III niet toepassen.
De geleidende delen mogen niet geaard worden anders aarden we de secundaire ook en
krijgen we de aangeduide fout. Dus secundaire moet zwevend zijn.
Pagina 43
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
F) Samenvattende tabel
Klassen
Beschrijving
Klasse 0
- bescherming berust op basisisolatie
- geen beschermingsgeleider
Klasse 0I
-
Klasse I
- bescherming berust op basisisolatie
- snoer omvat een beschermingsgeleider
Klasse II
- bescherming door dubbele isolatie of versterkte isolatie
- geen aardingsmogelijkheid
Klasse III
- bescherming berust door voeding op zeer lage spanning
- veiligheidsspanning
Symbool
bevat ten minste een basisisolatie
bescherming berust op basisisolatie
beschermingsklem
geen beschermingsgeleider in voedingskabel
III
Tabel 10: Overzicht van de klassen
Pagina 44
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.7
Gebruikscategorieën
Om de gebruikscategorie te bepalen geven we een overzicht over de indeling in de
verschillende categorieën en hoe de normen een indeling maken.
7.7.1
Norm EN 60 947-2
Behandeld de vermogenschakelaars.
De indeling wordt hier door 2 letters (A en B) weergegeven.
A:
B:
Vermogenschakelaars NIET ontworpen voor selectiviteitsdoeleinden.
Vermogenschakelaars ontworpen voor selectiviteitsdoeleinden.
7.7.2
Norm EN 60 947-3
Deze norm beschrijft de gebruikscategorie voor last- en scheidingsschakelaars.
De indeling begint met het bepalen of ze wel/niet geschikt is om frequent te schakelen.
A:
Voor frequente schakelingen.
B:
Niet geschikt voor frequente schakelingen.
Gebruikscategorie
Gebruiksdoeleinden
Toepassingen
Wisselstroom Gelijkstroom
AC 20 A
B
DC 20 A
B
In- en uitschakelen
bij nullast
Scheidingsschakelaars met een actioneel
in- en uitschakelvermogen.
AC 21 A
B
DC 21 A
B
Resistieve belasting
Eventueel licht
overbelast
Schakelaars t.b.v. resistieve belastingen
(verwarming, verlichting)
AC 22 A
B
DC 22 A
B
Schakelen van
gemengde belasting
Eventueel matig
overbelast
Schakelaars t.b.v.inductieve belastingen
(condensatoren, batterijen, ontladingslampen, shunt motoren)
AC 23 A
B
DC 23 A
B
Schakelen van
Motoren of sterk
Inductieve belastingen
Schakelen van meerdere sterk inductieve
belastingen (elektroremmen, serie motor)
Tabel 11
Elektrische levensduur :
Schakelaars geschikt voor het scheiden mogen geen lekstroom per pool hebben die groter zijn
dan : - 0,5mA per pool, voor de gebruiksklasse AC20A of 20B ;
DC20A of 20B ;
- 2mA per pool, voor andere gebruikscategorien ;
- 6mA per pool, voor schakelaars die geschikt zijn voor scheiding.
Pag. 45
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.7.3
Norm EN 60 947-4
A) Wisselstroom
Deze norm bepreekt de gebruikscategorie van motoraanzetters en magneetschakelaars in
hoofdstroombanen van het wisselspanningsgebied.
Gebruikscategorie
AC 1
AC 2
AC 3
AC 4
AC 5a
AC 5b
AC 6a
AC 6b
AC 7a
AC 7b
AC 8a
AC 8b
Toepassingsgevallen
Niet-inductieve of zwakke inductieve belastingen (weerstandsovens).
Sleepringankermotoren : inschakelen, zonder tegenstroomremmen,
ompolen nadat de nominale stroom bereikt is.
Kooiankermotoren : inschakelen, zonder tegenstroom remmen,
uitschakelen nadat de nominale stroom bereikt is.
Kooiankermotoren : inschakelen, tippen, uitschakelen terwijl de motor
nog in aanloop is met tegenstroom remmen, ompolen voordat de
nominale stroom bereikt is.
Besturing van ontladingslampen.
Besturing van gloeilampen.
Besturing van transformatoren.
Besturing van condensatoren.
Zwakke inductieve belastingen voor huishoudelijke doeleinden.
Motorbelastingen voor huishoudelijke doeleinden.
Besturing van koelcompressoen met manuele herinschakeling van de
overstroomlosser/relais.
Besturing van koelcompressormotoren met automatische
herinschakeling van de overstroomlosser/relais.
Tabel 12
B) Gelijkstroom
DC 1
DC 2
DC 3
DC 4
DC 5
DC 6
Niet-inductieve of zwakke inductieve belastingen (weerstandovens).
Shuntmotoren : inschakelen, uitschakelen nadat de nominale stroom
bereikt is.
Shuntmotoren : inschakelen, tippen, uitschakelen terwijl de motor
aanloopt, met tegenstroom remmen, ompolen voordat de nominale
stroom bereikt is.
Seriemotor : inschakelen, uitschakelen voordat de nominale stroom
bereikt is.
Seriemotor : inschakelen, uitschakelen terwijl de motor in aanloop is ,
met tegenstroom remmen, ompolen voordat de nominale stroom bereikt
is.
Besturen van gloeilampen
Tabel 13
Pag. 46
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.7.4
Norm EN 60 947.5
Beschrijft de gebruikscategorieën voor stuurstroomelementen en magneetschakelaars in
hulpstroomketens.
A) Wisselstroom
Gebruikscategorie
AC 12
Toepassingsgevallen
Bediening van resistieve belastingen en van statische belastingen
gescheiden d.m.v. optokoppelaars.
Bediening van statische belastingen gescheiden d.m.v. transformatoren.
Bediening van zwakke elektromagnetische belastingen van
elektromagneten. (≤ 72 VA)
Bediening van zwakke elektromagnetische belastingen van elektromagneten. (> 72 VA)
AC 13
AC 14
AC 15
Tabel 14
B) Gelijkstroom
DC 12
Bediening van resistieve belastingen en van statische belastingen
gescheiden d.m.v. optokoppelaars.
Bediening van elektromagneten.
Bediening van elektromagneten met economische weerstanden in hun
leidingen.
DC 13
DC 14
Tabel 15
7.7.5
Wat betekent nu bijvoorbeeld AC 20 –21 –22 --… ?
U:
Ue :
Ur :
I:
Ie :
Toegepaste spanning vóór de inschakeling.
Gebruiksspanning.
Heropkomende spanning bij industrieële frequentie of gelijkstroom.
Toe te passen stroom.
Gebruiksstroom.
U/Ue = 1,05 (Voorwaarde voor inschakelen)
Ur/Ue = 1,05 (Voorwaarde voor uitschakelen)
Voorwaarden :
AC21 è 1,5 . Ie bij cos ϕ = 0,9
AC22 è 3 . Ie bij cos ϕ = 0,65
AC23 è 10 . Ie bij cos ϕ = 0,35
I/Ie
10
AC23
3
Voor AC23 : Ie ≤ 100A bij cos ϕ = 0,45
Ie > 100A bij cos ϕ = 0,35
AC22
1,5
AC21
Kat. A = Veelvuldig schakelen
Kat. B = Niet frequent schakelen
0,95
cosϕ
0,65
0,45 à 0,35
Pag. 47
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.8
Overspanningscategorie volgens de norm IEC 664
Apparatuur van categorie I
Geen overspanning te verwachten of beveiligen d.m.v. filters, overspanningsafleiders, …
Apparatuur van categorie II
Apparatuur waarbij geen rekening moet gehouden worden met overspanning ten gevolge van
een blikseminslag.
Met overspaanning ten gevolge van schakelingen is wel rekening te houden.
Apparatuur van categorie III
Apparatuur waarbij geen rekening moet gehouden worden met overspanning ten gevolge van
een blikseminslag
Met het oog op veiligheid en beschikbaarheid zijn wel eisen gesteld.
De door het apparatuur zelf gegenereerde overspanningen mogen de waarden van categorie II
niet overtreffen. Bv. Relais, schakelaars, stopcontacten.
Apparatuur van categorie IV
Er is rekening gehouden met de gevolgen van een blikseminslag.
De door het apparaatzelf gegenereerede overspanningen mogen de waarden van categorie II
niet overtreffen. Bv. Zend- en ontvangapparatuur.
Pag. 48
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
DEEL 2 :
INDELING OPGESTELD UIT DE
NORMEN EN 292-2 en EN 60 204-1
In de normen NEN EN 292-2 en EN 60 204-1 komen een aantal punten voor die voor een
bordenbouwer van groot belang zijn.
Om een overzichtelijker beeld te geven over deze normen maken we een volgende indeling :
Hoofdstuk
Titel
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
Kasten en borden
Hoofdschakelaar
Voeding
Aarding
Beveiligingen
Stuurkringen
Bedieningsorganen
Noodstop
Signalisatie en aanduidingen
Bedrading en aansluitingen
PLC
EMC
Praktische tips i.v.m. frequentieregelaars
Documentatie
De twee boven vermelde normen gaan we schikken naar deze indeling, op een zodanige
manier, dat enkel de praktische zaken overzichtelijk vermeld worden. Bij ieder thema gaan we
het doel na, gevaren onderzoeken, …, zodat dit tot een praktische handleiding leidt.
Het verhaal krijgt telkens een staartje door de specifieke normen van een bepaald thema.
Bijvoorbeeld :
Stel : we hebben het over de noodstop.(Deel 2, Hoofdstuk 8)
Men leidt dit thema in, in de NEN EN 292-2.
De NEN EN 292-2 maakt een normatieve verwijzing naar EN 60204-1.
Hier vertelt men een aantal belangrijke eisen voor een noodstop, maar
voor een uitgebreide studie verwijst de EN 60 204-1 verder naar de EN
418. De EN 418 is een norm voor noodstopvoorzieningen.
Pagina 1
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 1: Kast / omhulsel / borden
1.1 Schakelkastsystemen
1.1.1
Soorten kasten
Als men catalogen raadpleegt om een kast te kiezen heeft men een grote keuze uit een groot
assortiment. We onderscheiden:
- compacte behuizingen;
- grote kasten;
- lessenaarsystemen;
- roestvrije schakelkasten;
- explosieveilige kasten;
- EMC-afgeschermde kasten.
De grootte van een kast bepaalt men best op het einde van een elektrisch ontwerp om
verrassingen te vermijden. De belangrijkste gegevens voor het bestellen van een kast zijn de
maten: breedte, hoogte en de diepte. Verder geeft men, afhankelijk van de mechanische
betrouwbaarheid en eisen de beschermingsklasse, toepassingsgebieden, corrosievastheid,
hygiëne en EMC-afscherming op.
1.1.2
Overzicht van de opbouw van een kast
A) De kast
Voorgemonteerde profielen voor bussystemen en
aansluitklemmen.
Aansluitmogelijkheden voor aarding in de deur
en kast.
Slot.
Fig. 30: Kast
B) Aankomst en vertrek van kabels naar en van de kast
Opening. Hier wordt de
wartelplaat op bevestigd.
Een wartelplaat is een plaat
met wartels, hier gaan de
kabels de kast in of uit.
De wartels zorgen voor een
goede afsluiting.
Fig. 31: Kast en wartelplaat
Pagina 2
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Een wartelplaat moet niet perse aan de bovenzijde
aanwezig zijn, er is ook de mogelijkheid deze aan de
bodemplaat te bevestigen zoals hiernaast wordt
weergegeven.
Fig. 32: Wartelplaat aan de onderzijde
C) Het aarden van de kast en de deur
De kast en de deur worden met elkaar verbonden door
een groen/gele kabel. In hoofdstuk (aarding) vermeldt
men dat een groen/gele kabel niet de juiste methode is
om deze verbinding te verwezenlijken. Men opteert er
voor aardingsstrips (Brede geleidende, flexibele band).
Fig. 33: Aarden van de kast
Kast
Profielen
Deur
PE-rail
PEverbinding
Fig. 34: Aarding in de kast
Pagina 3
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
D) Beschrijving van constructieonderdelen van een kast
Fig. 35: PE-litzen
Vlakke aardlitzen gaan het skin-effect tegen en bieden
tegelijkertijd zeer flexibele aansluitmogelijkheden.
Een beschrijving van het skin-effect en EMC vindt u in
hoofdstuk 12 van deel 2.
Fig. 36: EMC-litzen
Hier staat de PE-rail rechtop.
Via een groen/gele kabel wordt de bevestigingsrail
verbonden met de PE-rail.
Fig. 37: Aarden van de bevestigingsprofielen
In deze figuur zijn automaten die bekabeld worden.
De kabels, naar en van de automaten, worden geleid
door een afgedekte kabelgoot.
Fig. 38: Bekabelen
Pagina 4
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
1.2 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. kasten ,borden
Art. nr. 13.1 Algemene eisen
Het schakelmaterieel moet goed toegankelijk zijn voor werkzaamheden en bestand zijn tegen
externe invloeden.
Art. nr. 13.2 Plaats en montage
Schakelonderdelen moeten goed herkend worden en gecontroleerd of vervangen zonder
verplaatsing of demontage van (andere) machinedelen.
Bediening of onderhoud dient gemakkelijk vanaf de voorzijde plaats te kunnen vinden.
Eventueel speciaal gereedschap dient te worden geleverd. Voor regelmatig toegang tot
schakelinrichting worden minimale toegangsafmetingen gegeven.
Op deuren en afneembare panelen mogen alléén toestellen gemonteerd worden voor
bediening, signalering, meting en koeling. Insteekeenheden moeten voorzien zijn van
onverwisselbare kenmerken.
Art. nr. 13.2.2. Het schakelmaterieel mag de werking en het onderhoud van de machine niet
belemmeren. Toestellen die niet tot de elektrische uitrusting behoren, mogen niet geplaatst
worden binnen het omhulsel dat het schakelmaterieel bevat.
Besturingstoestellen welke alleen met stuurspanningen verbonden zijn, moeten apart worden
gegroepeerd. Klemmenstroken voor hoofdstroomketens moeten gescheiden worden van die
voor stuurstroomketens.
Art. nr. 13.3 Beschermingsgraden
Er moet een afdoende bescherming van schakelmaterieel zijn tegen binnendringen van
vreemde vaste deeltjes en vloeistoffen. Omhulsels van schakelmaterieel moeten een
beschermingsgraad van ten minste IP54 (zie EN 60529) bieden.
- geventileerde omhulsels die slechts bepaalde weerstanden bevatten: IP22;
- motoren: IP23;
- geventileerde omhulsels die andere toestellen bevatten: IP33 .
Een hogere beschermingsgraad kan noodzakelijk zijn.
Art. nr 13.4 Omhulsels, deuren en openingen
Bevestigingsmiddelen van deuren en afschermingen mogen niet losraken. Vensters moeten
bestand zijn tegen mechanische spanning en chemische aantasting.
Pagina 5
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 2 : De hoofdschakelaar
2.1 Praktische tips i.v.m netscheiders
Om te kunnen voldoen aan de voorwaarden van de norm EN 60 204-1 moet een schakelaar
net zoals alle andere elementen gekenmerkt worden door een aantal karakteristieken zodat de
gebruiker een juiste keuze zou kunnen maken.
Gebruiksspanning (Ue)
Het is de waarde van de spanning die, in combinatie met de gebruikstroom Ie, het gebruik
bepaald van het elektrisch materieel, overeenkomstig de overeenstemmende proeven en
gebruikscategorie (in- en uitschakelvermogen).
Voor meerpolig materiaal wordt over het algemeen de spanning tussen de fasen vermeld.
Gebruiksstroom (Ie)
Deze stroom wordt bepaald door de fabrikant en houdt rekening met de gebruikscategorie, de
frequentie, de gebruiksspanning, de beschermingswijze, indien noodzakelijk.
Nominale isolatiespanning (Ui)
Is de toegekende isolatiespanning, als ze groter is dan de maximaal toegekende
gebruikersspanning
De Ui van een materieel is de spanningswaarde naar dewelke men verwijst voor de
dielektrische testen en voor de kruip- en luchtwegen. In geen geval mag de hoogste waarde
van de nominale gebruiksspanning de nominale isolatiespanning overschrijden.
Ue ≤ Ui
De voorwaarden voor deze proeven zijn niet dezelfde in alle normen.
Nominale schokgolfspanning (Uimp)
Piekwaarde van de schokspanning, de vorm en de voorgeschreven polariteit, dat het materieel
geacht wordt te verdagen zonder doorslag, onder de voorgeschrevenvoorwaarden, en waarbij
men rekening gehouden heeft met de lucht- en kruipweg afstanden.
Conventionele thermische stroom in open lucht (Ith)
Het is de maximale stroom (testwaarde), die te gebruiken is om de verwarmingstesten van het
materiaal, zonder omhulsel, geplaatst in open lucht, uit te voeren. Deze stroom moet
gedurende 8 uren door de contacten vloeien.
Ithe ≥ Ie
Open lucht wil zeggen, normale binnen voorwaarden, zonder stof en/of straling.
Toegekende conventionele thermische stroom (Ithe)
Deze waarde moet opgegeven worden door de fabrikant. De voorgeschreven proeven van Ith
worden nu evenzeer uitgevoerd, zij het dan in andere omstandigheden d.w.z. onder omhulsel.
Pagina 6
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Inschakelvermogen
Inschakelvermogen van een lastschakelaar of een lastscheider is de waarde van de stroom,
bepaald door de fabrikant, die genoemde schakelaars veilig kunnen inschakelen, onder de
voorwaarden die specifiek zijn voor inschakelen.
Voorwaarden:
- karakteristieken van de te beproeven stroomkring;
- de toegepaste spanning: dit is de spanning tussen de klemmen van 1 pool van een
verbindingstoestel onmiddellijk voor het sluiten.
Het inschakelvermogen wordt uitgedrukt in functie van :
- Ue;
- Ie;
- gebruikscategorie AC20-21-22-23 A en B conform met de norm EN 60 947.3 in dit geval.
Afschakelvermogen
Het afschakelvermogen van een lastschakelaar of lastscheider is de waarde van de stroom,
bepaald door de fabrikant, die genoemde schakelaars veilig kunnen onderbreken onder
specifieke voorwaarden.
Voorwaarden :
- karakteristieken van de te beproeven stroomkring ;
- Ue ;
- Ie
Toegelaten korte duurstroom (Icw)
De toegelaten korte duurstroom van lastschakelaars, van een scheider of van een lastscheider,
is de waarde van aangeduide korte duurstroom opgegeven door de fabrikant, die het materieel
kan verdragen zonder schade, en onder de voorwaarden opgesomd in deze norm.
De korte duurstroom zal tenminste 50 milliseconden aanhouden. Andere toegelaten tijden
voor korte duurstroom zijn: 100 – 250 – 500 of 1000 milliseconden.
Minimale waarden voor Icw:
IN ≤ 2500A
à
Icw ≥ 12 . IN of 5kA (normaal gedurende 1 seconde)
Grootste van de 2 waarden kiezen.
IN > 2500A
à
Icw is 30kA
Pagina 7
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
2.2 Karakteristieken bij kortsluiting
Sluitvermogen bij kortsluiting Icm
Het sluitvermogen bij kortsluiting van een lastschakelaar of een lastscheider, is de waarde van
het sluitvermogen bij kortsluiting vastgesteld voor dit materieel door de fabrikant en dit voor
de spanning Ue, de aangeduide frequentie en voor een specifieke vermogenfactor. Deze
waarde wordt uitgedrukt door de piekwaarde.
Ultiem onderbrekingsvermogen Icu in kA
Dienst onderbrekingsvermogen Ics in kA
Dit is het afschakelvermogen bij kortsluiting. Het is de waarde van het afschakelvermogen bij
kortsluiting, toegekend door de fabrikant, aan de vermogenschakelaar, bij de normale
gebruiksspanning, onder specifieke voorwaarden.
Zo kent men :
Icu : Ultiem toegekend afschakelvermogen in kA.
Ics : Dienst afschakelvermogen in kA.
Ics : Gebruiksklasse A kan 25 – 50 – 75 – 100 % van Icu zijn.
Ics : Gebruiksklasse B kan 50 – 75 of 100 % van Icu zijn.
Berekend kortsluitvermogen Icc
Icc is het berekend kortsluitvermogen op de plaats van de opstelling
Icu ≥ Icc
Ics = k . Icu
k wordt opgegeven door fabrikanten en is 0,25 of 0,5 of 0,75 of 1
2.3 Selectiviteit
Selectiviteit: Gecoördineerde werking van de beveiligings-inrichtingen. Bij een fout X
schakelt enkel de onmiddellijke stroomopwaartse beveiliging uit.
Totale selectiviteit: Bij een optredende fout X zal V1 gegarandeerd ingeschakeld blijven,
zowel indien X een overbelasting dan een onbeperkte kortsluiting tot
gevolg heeft.
Gedeeltelijke selectiviteit: Als de kortsluitstroom, veroorzaakt door X, een bepaalde
waarde (selectiviteitgrens) overschrijdt zal V1 wel schakelen.
V1
V2
X
Fig. 39: Selectiviteit
Pagina 8
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
2.4 Symbolen
Schakelaars hebben normaal een kenplaat waarop één van de volgende symbolen te vinden is:
Vermogenschakelaar, niet geschikt als netscheider.
Scheidingsschakelaar, niet geschikt als netscheider.
Lastschakelaar, niet geschikt als netscheider.
Lastscheidingsschakelaar, toegelaten als netscheider mits vergrendeling.
Vermogenscheidingsschakelaar, toegelaten als netscheider indien ze
vergrendelbaar is
Stel we hebben een automaat met dit volgende symbool.
De automaat zou in dit geval geschikt zijn voor scheiding.
Fig. 40: Symbolen van vermogen, scheidings- en lastschakelaars
Pagina 9
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
2.5 Praktische tips
De handbediende scheidingsschakelaars dienen voor de
netaftakking geplaatst te worden. Het moeten scheidingschakelaars van gebruiksklasse AC23 zijn (IEC 947-3).
Functies:
- scheiden van de toestellen in de hoofdkring;
- zichtbare onderbreking;
- vergrendeling dient mogelijk te zijn;
- kleur: zwart/grijs;
- alle actieve geleiders dienen onderbroken te zijn;
- voldoende uitschakelvermogen om de zware motor
samen met de overige verbruikers te onderbreken;
- bedieningshoogte: tussen de 0,6 en 1,9m.
Fig. 41 : Scheidingsschakelaars
OPMERKING:
Als de scheidingsschakelaar als noodstopschakelaar wordt toegepast moet de bedieningsknop
rood zijn.
Merk
Type
Ui = Toegekende isolatiespanning
Uimp = Toegekende stoothoudspanning
Norm IEC 947-3
Symbool van scheidingsschakelaar
Geschikt voor scheiden
Ie = Gebruiksstroom
Ue = Gebruiksspanning
Fig. 42 : Kenplaatje
Pagina 10
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
2.6 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. hoofdschakelaars
Art. nr. 5.3 Toestellen voor het scheiden van de voeding (scheiders)
1. Elke inkomende voeding moet zijn voorzien van een met de hand bediende scheider. Indien
zich een gevaarlijke situatie kan voordoen of schade kan ontstaan door de aanwezigheid van
twee of meer scheiders, moeten vergrendelingen worden gebruikt.
2. De scheider moet een van de volgende typen zijn:
a) lastscheider volgens EN 60 947-3, gebruiksklasse AC23B of DC23B;
b) scheider met hulpcontact waardoor schakeltoestellen ten alle tijde eerst de
hoofdstroomketen onderbreken;
c) vermogenschakelaar volgens EN 60 947-2, geschikt voor het scheiden;
d) stopcontact voor machine van maximaal 16 A en 3 kW.
Het uitschakelvermogen moet minimaal gelijk zijn aan toegekende- of overbelastingsstroom
bij de toegekende spanning. Daarnaast moet wel een aan / uit schakelaar voor de machine
aanwezig zijn.
3. Een scheider van de eerste 3 typen moet aan de volgende eisen voldoen:
- scheiden van voeding en elektrische uitrusting;
- één "aan" en één "uit" -stand. aangegeven met "0" en " 1", met juiste bedieningsrichtingen;
- zichtbare opening of "uit"-stand die alleen kan worden aangeven wanneer alle contacten
fysiek verbroken zijn;
- externe bedieningsbendel in grijs/zwart of, indien ook noodstop, in rood;
- de "uit"-stand moet kunnen worden vastgezet;
- scheiden van voeding en alle spanningdragende stroomgeleiders en eventueel nulleider;
- voldoende uitschakelvermogen om stroom te kunnen onderbreken van de grootste
vastgelopen motor samen met stromen van andere motoren/lasten.
Een met hulpenergie aangedreven scheider van het derde type (vermogensschakelaar) moet
bovendien aan de volgende eisen voldoen:
- een hulpmiddel bezitten voor handbediening;
- indien vastgezet in "uit"-stand, niet ingeschakeld kunnen worden met de hand of op afstand.
4. De bedieningshendel van de scheider moet zich bevinden tussen 0,6 m en 1,9 m boven de
bedieningsvloer. Voorkeurhoogte bedraagt 1.70m gemeten vanaf de bedieningsvloer.
5. Stroomketens die niet hoeven gescheiden te worden bv. voor:
- verlichting voor onderhoud en reparatie;
- wandcontactdozen voor gereedschap voor onderhoud en reparatie;
- onderspanningsbeveiliging voor automatische uitschakeling bij storing;
- voeding van uitrustingen die normaal onder stroom dienen te blijven;
- stuurstroom voor vergrendeling.
Indien het om een vermogenscheider gaat, moet deze geen externe bedieningshendel hebben,
als er andere middelen zijn om hem te schakelen. De kleur blijft ZWART of GRIJS.
In sommige landen moet ook de nulleider onderbroken worden, als hij aanwezig is.
Pagina 11
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Schakelaars ter voorkoming van het onverwacht inschakelen mogen ook vervangen worden
door scheiders, inplugbare smeltveiligheden, inplugbare messen, als ze gelokaliseerd zijn in
gesloten elektrische ruimten.
Bescherming tegen onbevoegd, onopzettelijk en/of verkeerd schakelen.
Mogelijkheden :
- netscheider met hangslot ;
- waarschuwingspictogrammen op inplugbare smeltveiligheden, messen of scheiders als
deze zich bevinden in gesloten ruimten van de elektrische dienst.
Art. nr. 5.4 Schakelaars ter voorkoming van onverwacht inschakelen
Een scheider kan deze functie vervullen.
Een scheider moet, als hij deze functie vervult, voldoen aan de volgende voorwaarden :
- overzichtelijk en toegankelijk aangebracht zijn ;
- duidelijk herkenbaar zijn ;
- ongewild inschakelen voorkomen wordt.
Pagina 12
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
2.7 Volgens norm EN 60 947-3 (norm voor scheiders, lastschakelaars, …)
Art. nr. 4.4 De gebruikscategorie
Indeling volgens het schakelen :
A:
Veelvuldig schakelen
B:
NIET veelvuldig schakelen
Gebruikscategorie
Gebruiksdoeleinden
Toepassingen
Wisselstroom Gelijkstroom
AC 20 A
B
DC 20 A
B
In- en uitschakelen
bij nullast
Scheidingsschakelaars met een actioneel
in- en uitschakelvermogen.
AC 21 A
B
DC 21 A
B
Resistieve belasting
Eventueel licht
overbelast
Schakelaars t.b.v. resistieve belastingen.
(verwarming, verlichting)
AC 22 A
B
DC 22 A
B
Schakelen van
gemengde belasting
Eventueel matig
overbelast
Schakelaars t.b.v.inductieve belastingen
(condensatoren, batterijen, ontladingslampen, shunt motoren)
AC 23 A
B
DC 23 A
B
Schakelen van
Motoren of sterk
Inductieve belastingen
Schakelen van meerdere sterk inductieve
belastingen (elektroremmen, serie motor)
Tabel 16: Overzicht van de gebruikscategorien bij scheiders en lastscheiders
Art. nr. 6 Dienstvoorwaarden
De normale te voorziene vervuilingsgraad, door de fabrikant is 3.
Vervuilingsgraad 1 : Er is geen droge, niet geleidende verontreiniging mogelijk. De
verontreiniging heeft geen invloed.
Vervuilingsgraad 2 : Er is niet geleidende verontreiniging. Soms moet men rekening houden
met condensvorming, die tijdelijk voor geleiding zou zorgen.
Vervuilingsgraad 3 : Er is geleidende verontreiniging of droge niet geleidende
verontreiniging die geleidend kan worden als er condensvorming
optreedt.
Vervuilingsgraad 4 : Verontreiniging leidt tot kontinue geleiding zoals geleiden door stof,
regen of sneeuw.
Pagina 13
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 3: Voeding
3.1 Transformatoren
3.1.1
Vraag en antwoord
A) Wat is het verschil tussen een transformator of een spaartransformator ?
De wikkelingen van een spaartransformator hebben een gemeenschappelijk deel, anders dan
bij een transformator is er dus geen scheiding van de kringen.
Een transformator kan men voorstellen als
een primaire en een secundaire die elk een
wikkeling hebben.
Prim.
Sec.
Een spaartranformator kan men voorstellen als een primaire en een secundaire
die dezelfde wikkeling delen.
Prim.
Sec.
Fig. 43: De transformator
Fig. 44: De spaartransformator
Fig. 45: Symbool van de transformator
Fig. 46: Symbool van de spaartransformator
B) Welke zijn de voordelen van een scheidingstransformator ?
Deze transformator is zo opgebouwd dat men een veilige elektrische scheiding bekomt tussen
de primaire en de secundaire wikkelingen (spanningsbron en gebruik).
Prim.
Sec.
Fig. 47 : Scheidingstransformator
Fig. 48: Genormaliseerd symbool
Bij het maken van een eerste fout (op één fase) is er geen elektrocutiegevaar. De secundaire is
niet geaard. Een tweede fout (tussen twee fasen) kan echter wel gevaarlijk zijn.
Pagina 14
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
C) Welke zijn de voordelen van een veiligheidstranformator ?
Prim.
Sec. 24V
Fig. 49: Veiligheidstransformator
Fig. 50: Genormaliseerd symbool
Een veiligheidstranformator is bedoeld voor het voeden van gebruikers uitgerust met een zeer
lage veilige spanning (< 50V). Het contact tussen twee fasen kan zelfs in een goed geleidend
milieu geen gevaar opleveren.
D) Hoe beveiligt men personen tegen een onrechtstreeks contact ?
Tranformatoren worden in drie klassen ingedeeld volgens de graad van beveiliging die zij te
bieden hebben.
Transformator van klasse 0
Dit is een transformator met een functionele isolatie (welke bij een behoorlijke werking een
fundamentele beveiliging verzekert) zonder voorziening voor het aansluiten van de bereikbare
metalen delen op een veiligheidsgeleider. Bij gebruik is men verplicht deze binnen een
omhulsel te gebruiken.
Transformator van klasse 1
Dit is een open of beschermde transformator met een functionele isolatie die het aansluiten
van de bereikbare metalen delen aan de aarde mogelijk maakt. Deze toestellen moeten
voorzien worden van een aarding met een weerstand van minder dan of gelijk aan 0,1Ω.
Transformator van klasse 2
Dit is een tranformator waarvan de bereikbare delen van de actieve delen gescheiden zijn door
een dubbele isolering of een versterkte isolering. Het aansluiten op een beveiligingsgeleiding
is verboden.
Dubbele isolering = Functionele isolering + Bijkomende isolering.
Versterkte isolering = Verbeterde functionele isolering, gelijkwaardig aan dubbele isolering.
Genormaliseerd symbool :
E) Hoe moet men transformatoren beveiligen tegen kortsluitingen ?
Voor elke transformator wijst een tabel de referentie aan van de te gebruiken smeltpatronen in
functie van de primaire en secundaire spanningen.
Prim.
Sec.
Men beveiligt zowel de primaire als de secundaire wikkeling
door middel van smeltveiligheden. In de primaire gebruikt men
smeltveiligheden van het type aM en in de secundaire wikkeling
passen we smeltveiligheden van het type gI toe.
Fig. 51: Beveiligen tegen kortsluiting
Pagina 15
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
F) Is het normaal dat transformatoren warm worden ?
Ja, het Joule-effect in de geleiders en de magnetisering van de kern veroorzaken warmte. De
temperaturen zijn beperkt tot de waarden die bepaald worden door de gebruikte
isolatieklassen. In de klasse E (120°C) mag het toestel maximaal 85°C verhitting bereiken
voor een omgevingstemperatuur van 35°C.
Isolatieklassen
Temperatuur in °C
Y
A
E
B
F
H
C
90
105
120
138
155
180
> 180
Tabel 17: Isolatieklassen ingedeeld volgens temperatuur
G) Wat noemt men het nominaal vermogen van een transformator ?
Het is het schijnbaar vermogen (S), uitgedrukt in V.A (Volt x Ampère) dat overeenstemt met
de nominale waarde van de spanning maal de npminale stroomsterkte.
Het werkelijk gebruiksvermogen (P), uitgedrukt in watt, hangt af van de arbeidsfaktor (cos ϕ)
van de betreffende installatie.
P = S x cos ϕ
P in W (watt)
S in V.A (voltampère)
H) Wat is de kortsluitspanning Ucc in % ?
Het is de spanning, uitgedrukt in procenten van de nominale spanning, die men aan de
primaire van de transformator moet aanleggen om er de nominale primaire stroom te doen
vloeien, als de secundaire kortgesloten is. De kennis van de kortsluitspanning is nuttig voor de
berekening van de bescherming van de transformator en die van de lijn.
I) Wat is een ’middenaftakking uitgang’ (PM)?
Het is de aftakking die zich bevindt op het midden van de secundaire wikkeling en is bestemd
om op de massa te worden aangesloten
De secundaire spanning tussen een gebruiksdraad en de massa
zal gelijk zijn aan de helft van de nominale spanning.
Prim.
Sec.
Fig. 52: Transformator met middenaftakking
Pagina 16
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
3.1.2
Stuurtransformatoren
In de Europese norm deel 1, wordt voorgeschreven dat voor de voeding van
stuurkringen stuurtransformatoren
moeten gebruikt worden.
Stuurtransformatoren zijn basisgeisoleerde nettransformatoren voor stuurkringen,
gebouwd en getest.
Uitgangsspanningen voor:
- veiligheidstransformatoren
AC ≤ 50V; DC ≤ 120V
- scheidingstransformatoren
AC ≤ 1000V; DC ≤ 1000V .
53: Stuurtransformator
3.1.3
Gelijkstroomvoeding
De nieuwe voedingen zijn ontworpen
voor de groeiende Europese markt en
zijn geschikt voor alle toepassingen bij
elektronische besturingen.
Fig. 54: Gelijkstroomvoeding
Pagina 17
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
3.2 Condensatoren
De stroom die door de elektrische geleiders loopt is de lijnstroom. Het is ook deze stroom die
gemeten wordt. Deze stroom is groter of gelijk aan het actieve deel van de stroom. Het is
echter alleen deze stroom die voor de verbruiker nuttig is. Toch vloeit de lijnstroom door de
leidingen, schakel- en beveiligingsapparatuur en door de transformatoren.
Voorbeeld :
Indien de stroomcomponent 10A is en de cos ϕ = 0,5 dan is de lijnstroom 10A / 0,5 = 20A
Indien de cos ϕ = 1 dan is de lijnstroom slechts 10A / 1 = 10A
Dit maakt duidelijk dat een slechte (lage) cos ϕ de volgende nadelige gevolgen heeft:
- grotere spanningsverliezen ;
- grotere vermogenverliezen ;
- hogere te installeren transformatorvermogens ;
- hogere kostprijs van de verbruikte energie.
Daar een slechte cos ϕ veroorzaakt wordt door inductieve verbruikers, ligt het voor de hand
dat deze kan verbeterd worden door het toepassen van condensatoren.
Verklaring :
Condensatoren vragen een stroom die 90° voorijlt op de spanning, terwijl inductieve
verbruikers een stroom vragen die 90° naijlt op de spanning. Door een juiste dimensionering
van de condensator kan men er zelfs voor zorgen dat de lijnstroom precies gelijk wordt aan de
actieve stroom. De stroom zou dan dus in fase zijn met de spanning.
Iind.
I in fase
Spanning
Icond.
Fig. 55: Vectoriele voorstelling
A) De voordelen van een goede cos ϕ ?
- vermijden van boetes op de factuur van de elektrische energie, de kostprijs zal het laagst
zijn indien men een cos ϕ kan bereiken van 0,9 resp. 0,95 ;
- lagere koperverliezen van de transformator ;
- geringere spanningsdalingen van de transformatoren ;
- minder jouleverlies in de kabels ;
- ontlasting van het net .
B) Compensatiemethodes
Individuele compensatie
De condensatoren worden direct op de klemmen van de verbruikers geschakeld. Ze worden
dus met een gemeenschappelijke schakelapparatuur samen in- en afgeschakeld. Uiteraard
moet het vermogen van de condensatoren nauwkeurig afgestemd worden op de verbruiker.
Individuele compensatie is enkel zinvol indien de verbruikers in een constant regime werken
en indien ze een lange inschakelduur hebben. Deze methode wordt toegepast bij
gasontladingslampen, bij het compenseren van de nullastverliezen van transformatoren en bij
constant belaste driefasige asynchrone motoren.
Het schema wordt op de volgende pagina afgebeeld.
Pagina 18
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Motor
3~
Condensator
Fig. 56: Individuele compensatie
Groepscompensatie
Een groep gasontladingslampen of asynchrone motoren met gemeenschappelijk
schakelapparatuur kan gezamenlijk gecompenseerd worden met één condensator. Deze
methode kan enkel toegepast worden indien de gehele groep gebruikers gezamenlijk worden
in- en afgeschakeld
Motor 1
3~
Motor 2
3~
Condensator
Fig. 57:
Groepscompensatie
Centrale compensatie
Zo een centrale compensatie-eenheid bevat naast het vermogendeel met schakelapparatuur en
condensatoren, een meetinrichting welke voortdurend de actuele cos ϕ meet en vergelijkt met
de ingestelde. Naargelang het resultaat van de vergelijking beslist deze regeleenheid ofwel
condensatoren bij- of af te schakelen.
Indien vereist, wordt deze automatische condensatorbatterij vervolledigd met sperkringen
voor de pulsadis-signalen of met filters indien het net vervuild is met hogere harmonischen.
Een centrale compensatie is meestal de meest economische.
Relais
Motor 1
3~
Motor 2
3~
C1
C2
C3
C4
Fig. 58: Centrale compensatie
Pagina 19
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
3.3 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. voedingen
Art. nr. 5.1 Aansluitklemmen voor inkomende voedingsleiding
Indien mogelijk moet de elektrische uitrusting op één enkele voedingsbron worden
aangesloten. Indien voor bepaalde delen een andere voeding noodzakelijk is kan (deze zoveel
mogelijk worden betrokken van onderdelen (b.v. transformatoren, gelijkrichter, omzetters)
van de elektrische uitrusting.
Indien de machine geen contactstop heeft voor de voeding wordt aanbevolen de
voedingsleidingen rechtstreeks op de scheider aan te sluiten, of anders aparte
aansluitklemmen aan te brengen.
Een nulleider (N) mag alleen met toestemming van de gebruiker worden gebruikt en indien
deze duidelijk in de technische documentatie is aangegeven en aan een aparte geï soleerde en
gemerkte aansluitklem is aangebracht.
Er mag geen verbinding zijn tussen de nulleider en de beschermingsketen in de uitrusting
noch mag een PEN-klem zijn toegepast in het omhulsel.
Alle aansluitklemmen voor de netvoeding moeten duidelijk zijn gemerkt volgens EN 60 445.
Art. nr. 5.2 Aansluitklem van de externe beschermingsleiding
Bij de fase-aansluitingen moet een aansluitklem voor de externe beschermingsleiding zijn
aangebracht. Deze aansluitklem moet een maat hebben die aansluiting mogelijk maakt van
een externe koperen leiding met een kerndoorsnede volgens Tabel 1 zie norm.
De aansluitklem voor de beschermingsleiding mag uitsluitend op de plaats waar de
machinebeschermingsketen wordt verbonden aan de voedingsbeschermingsleiding zijn
aangeduid met de letters PE. Overige klemmen voor aansluiting aan de beschermingsketen
moeten het aardingssymbool of de groen/geel combinatie gebruiken.
Pagina 20
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofstuk 4: Aarding
4.1 Praktische tips i.v.m. kabel aansluitingen en montage
A) Hoe maken we de beste verbinding met een aardingskabel?
Verwijder verf, vernis, lijm of om het even welke isolerende materialen, alvorens een
verbinding te maken. De overgangweerstand trachten we zo klein mogelijk te houden. Zorg
voor een degelijke verbinding met borging.
Een verflaag op de plaats waar de verbinding moet plaats vinden.
De verflaag is hier verwijderd
Fig. 59: Hoe een verbinding maken?
Nadat de verbinding gemaakt is, wordt er vet aangebracht om corrosie te voorkomen. Zorg
ervoor dat de verbinding steeds bereikbaar en controleerbaar is.
Detailschets van de bout en moer verbinding:
Moer
Verend sluitstuk (borgring)
Sluitstuk (rondel)
Nadat de verbinding gemaakt is
mag er een verflaag over.
Fig. 60: Detailschets van de verbinding
Pagina 21
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
B) Potentiaalvereffeningselementen
Potentiaal verbindingen kunnen met de volgende elementen gerealiseerd worden :
L
B
Fig. 61: Aardingsstrip
Fig. 62:Aardingsstaaf
Fig. 63: Groen/geel gekleurde geleider
De aardingsstrip (litze) en de aardingsstaaf hebben een rechthoekige doorsnede, een grote
bevestigingsoppervlakte en laag inductief vandaar dat de rechthoekige doorsnede beschouwd
wordt als een betere oplossing dan het toepassen van een groen/gele geleider (ronde
doorsnede).
L/B<3
C) De kabelgoot aarden
Deksel
Communicatiekabels
Kabelgoot
Meetkabels en Analoge signaalkabels
Besturingskabels
Vermogenkabels
Aarden
Fig. 64: Aarden van kabelgoten.
In bovenstaande figuur zien we een aantal kabelgoten boven elkaar opgesteld. De kabels
liggen in kabelgoten die afgedicht worden met een deksel. Men raadt aan plasticgoten te
vermijden zodat ook de goten geaard kunnen worden. Al de kabelgoten worden aan de paal
bevestigd d.m.v. bout- en moerverbindingen.
Pagina 22
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
D) Verbinding van de kabelgoot met de kast
Geperforeerde kabelgoot
Kast 1
Kast 2
Kast 1
Kast2
Fig. 65: Verbinding tussen kabelgoot en kast
De kabelgoot dient mechanisch bevestigd te worden aan de kast d.m.v. een bout- en moerverbinding.
E) Verlengen, doorverbinden van kabelgoten
In het voorbeeld hiernaast toont men een zeer
goede verbindingswijze van twee kabelgoten,
indien de verbindingen zijn uitgevoerd zoals eerder
reeds beschreven werd.
De kwaliteit van de eindverbindingen, links en
rechts, zijn van groot belang, wil men de efficiëntie
behouden. Probeer er dus voor te zorgen, dat de
kabelgoten elkaar overlappen.
Fig. 66: Doorverbinden van kabelgoten
OPMERKING:
Het wordt afgeraden deze verbinding te maken met een gewone aardingsgeleider. Men raadt
verder aan metalen kabelgoten te gebruiken (geventileerde of ongeventileerde). Plastic
kabelgoten raadt men af te gebruiken in installaties.
Fig. 67: Verbinding tussen verschillende kabelgoten
Kabelgoten die uit verschillende richtingen samenkomen, dienen ook verbonden te worden
met bout- en moerverbindingen.
Pagina 23
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
F) Aarding van de kast
Kast
Deur
Aardingsstrip
verbind deur
en kast
Fig. 68: Aarden van kast en deur
G) Verbindingen tussen machine- en systeemcomponenten
Machine 1
Machine 2
Gelast of geschroefd
Fig. 69: Verbinden van systeemcomponenten
Pagina 24
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
H) Kabels verbinden met toestellen en massa’s
De kabel door een metalen plaat wordt door middel van een geleidende verbinding verbonden
met de metalen plaat.
Verf verwijderen om een goed contact te maken
Fig. 70: Verbinding van een kabel d.m.v. een geleidende ring
De kabel die bvb. op een metalen zijwand moet bevestigd worden kan bevestigd worden met
een metalen beugel die op zijn beurt met bouten en moeren bevestigd wordt op de zijwand.
De verbinding wordt gerealiseerd door een beugel rechtstreeks
op de zijwand van de machine te bevestigen.
deze
Een andere manier: De beugel op een bevestigingsrail plaatsen
, deze wordt op zijn beurt met de machine verbonden.
Fig. 71: Beugelverbindingen
De
hiernaast
afgebeelde
aansluitingsmogelijkheden zijn foutief. De juiste oplossing
bestaat erin, de mantel via een geleidende ring,
te verbinden met een referentievlak. Let er
dus op dat het referentievlak verbonden is met
de massa.
Om een zo klein mogelijke overgangsweerstand te bekomen, kan men het best de
verbinding maken via een zo groot mogelijk
oppervlak.
Fig. 72: Aansluiten van afgeschermde kabels
Elke niet benutte geleider van een kabel wordt aan beide zijden verbonden met de
beschermingsketen.
Laat niet toe dat vermogengeleiders en gevoelige signaaldraden in één zelfde kabel liggen.
Leg AC kabels gescheiden van DC kabels.
Pagina 25
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
I) De aardingsinrichting voor informatica systemen.
Steraarding:
- afwezigheid van stroom in de aardgeleider;
- goede equipotentiaal indien:
- kleine systemen;
- korte aardverbinding en kabels.
Meervoudige aarding:
- laat stroomcirculatie toe;
- beperkte potentiaalverschillen tussen toestellen;
- onafhankelijk aardingsnet.
Bij kleine lokale systemen: massa’s van toestellen onderling verbinden.
J) Basisvoorwaarde voor een goede aarding
- de aardinstallatie die, alle massa ‘s verbindt, via de geel/groen geïsoleerde PE of blanke
PE, is te realiseren zoals voorgeschreven in het AREI;
- de potentiaalvereffeningsinstallatie is te realiseren volgens de regels van goed
vakmanschap;
- men moet streven naar minimale impedanties;
- het aardnet is indien mogelijk, vermaasd uit te voeren;
- zowel op LF, als op HF moet een potentiaalvereffening, t.o.v. de aarde tot stand kunnen
komen.
K) De afschermingsmantel van kabels
Doel : Onderbreking van de veldlijnen, waardoor de elektromagnetische beïnvloeding wordt
voorkomen . De stoorgrootheden dienen dus opgenomen en afgeleid te worden door de
afscherming.
Aansluitingswijze :
- de aarding aan één zijde betekent een beveiliging tegen LF storingen;
- de aarding van beide zijde biedt een beveiliging tegen HF storingen, deze methode wordt
echter minder vaak toegepast. Meestal zal men de tweede zijde aarden via een kleine
capaciteit;
- niet-symmetrische kabels (Coax) zullen slechts aan één zijde geaard worden;
- voor bescherming tegen HF storingen wordt er vaak nog een extra tweede afscherming
voorzien;
- massa’s in de directe omgeving van elektrische apparaten, fungeren als referentievlak
voor HF storingen. Dit enkel indien we beschikken over een goede potentiaal
vereffeningsinstallatie. In TN-C-netten kunnen, via afschermingen, metalen structuren
stromen vloeien. Immers de afscherming of structuur ligt voor 100% parallel met de PEN
geleider.
Door een zo een groot mogelijk aantal verbindingen te plaatsen tussen de massa’s verbetert
men de potentiaalvereffening. (oppervlakte-aardingslus wordt zoveel mogelijk verkleind).
Een massalus is het oppervlak ingesloten door functionele kabels en de massa in de directe
nabijheid. Het aantal massalussen is bijgevolg gelijk aan het aantal functionele kabels. We
trachten de oppervlakte van de massalussen zo klein mogelijk te maken. Voor elke
functionele kabel zullen we een massakabel zo dicht mogelijk bijleggen. Een goed systeem
heeft dus evenveel functionele kabels als massakabels.
Pagina 26
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
4.2 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. aarding
Art. nr. 8.2 De beschermingsketen
1. De beschermingsketen bestaat uit:
- de PE-aansluitklem;
- de metalen gestellen;
- dc beschermingsleidingen .
Deze delen moeten voldoende weerstand bezitten tegen thermische en mechanische
belastingen t.g.v. aardfoutstroomen. Een metalen gestel dat deel uitmaakt van de
beschermingsketen moet minimaal de doorsnede hebben van de vereiste koperen geleider.
2. Koperen geleiders hebben voorkeur. Andere geleiders mogen worden gebuikt met
maximaal de specifieke elektrische weerstand van koper die minimaal de doorsnede van een
koperen geleider (zie tabel 1 van de norm ).
3. Alle metalen gestellen van de elektrische uitrusting moeten verbonden zijn met de
beschermingsketen. Er mag geen gevaarlijke aanrakingsspanning kunnen ontstaan op metalen
gestellen.
Metalen buizen/mantels mogen niet worden gebruikt als beschermingsleiding.
Als er géén elektrische uitrusting (of slechts een PELV-keten) is gemonteerd op een deur ,
deksel of paneel, voldoen de bevestigingsmiddelen (scharnieren, montagerails) als
beschermingleiding.
Indien wel een elektrische uitrusting is gemonteerd, moet een afzonderlijke
beschermingsleiding worden aangebracht.
De beschermingsketen mag niet onderbroken zijn tijdens onderhoud.
4. In de beschermingsketen mogen geen inrichtingen zijn opgenomen die het systeem kunnen
onderbreken of nadelig beïnvloeden of een spanningsstijging kunnen doen ontstaan.
5. Kleine aanraakvlakken (< 50 x 50 mm, bv. schroeven) of nauwelijks aan te raken actieve
delen hoeven niet verbonden te worden met de beschermingsketen.
6. De beschermingsketen mag alleen onderbroken worden nadat de actieve geleiders zijn
onderbroken, en vice versa bij aansluiting. Metalen behuizingen van verbindingsklemmen en
stopcontacten moeten verbonden zijn met deze keten.
7. De aansluitklemmen voor beschermingsleidingen moeten gemerkt worden met het aardesymbool door de groen/geel combinatie. De letters PE zijn gereserveerd voor de aansluiting
van de externe leidingen.
Art. nr. 8.3 Functionele doeleinden
Het doel van de functionele aarding is het verminderen van de gevolgen van een isolatiedefect
en verminderen van storingen.
Art. nr. 8.4 Isolatiedefecten
Een isolatiedefect mag geen onopzettelijke inschakeling tot gevolg hebben. Mogelijke
beschermingsmethode: stuurstroomketen aan één zijde aansluiten op beschermingsketen.
Pagina 27
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 8.5 Verbindingen met een gemeenschappelijk referentiepotentiaal
Potentiaalvereffening via een ander gemeenschappelijk referentiepotentiaal is toegestaan.
Eenzijdige aarding moet worden toegepast indien dit de in-fase-interferenties zo klein
mogelijk houdt.
Art. nr. 8.6 Elektrische interferentie
Het vereffeningssysteem en de vereffeningsaansluitingen moeten een minimale impedantie
naar de massa hebben.
Pagina 28
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
4.3 Volgens norm EN 60439-1 i.v.m. aarding
Art. nr. 2.6 Beschermende voorzieningen tegen aanrakingsgevaar
Art. nr. 2.6.3 Beschermingsleiding (PE)
Dient ter bescherming tegen aanrakingsgevaar, om een elektrische verbinding tot stand te
brengen, tussen de volgende delen :
- metalen gestellen ;
- vreemde geleidende delen ;
- hoofdaardklem ;
- aardelektrode ;
- met de aarde verbonden punt van de aanvoer of kunstmatig sterpunt.
Art. nr. 7.4.3.1.7 De doornede van een beschermingsleiding PE moet op één van de volgende
manieren worden bepaald :
A) Volgens de tabel
Doorsnede van fasegeleiders (S)
mm²
S
16 < S
35 < S
400 < S
S
≤
≤
≤
≤
>
16
35
400
800
800
Minimale doorsnede van bijhorende
beschermingsleiding (Sp)
mm²
S
16
S/2
200
S/4
Tabel 18: Doorsnede van fasegeleiders de bepaling van de doorsnede van beschermingsgeleiders
OPMERKING :
De waarden van deze tabel gelden enkel indien de beschermingsgeleiding gemaakt is van hetzelfde materiaal als de fasegeleiders. Indien dit niet het geval is, moet men zorgen voor een
gelijkwaardige geleidbaarheid.
B) De doorsnede van de beschermingsgeleider kan berekend worden met de formule vermeld
in de bijlage B van de norm EN 60439-1
Sp =
I² . t
K
Sp is de doorsnede van de kabel, in mm².
I is de stroom die kan optreden biij een fout, in Ampère (A).
t is de tijd in seconden (s).
K is een materiaalconstante.
Art. nr. 7.4.3.1.11 De doorsnede van de PEN-geleider wordt op dezelfde manier bepaald als
die van de nulleider (N). Indien ze van koper (Cu) zijn moet de minimale doorsnede 10 mm²
zijn. PEN-geleiders hoeven niet geisoleerd te zijn.
Constructiedelen mogen niet gebruikt worden als PEN-leiding.
Monagerails van koper of aluminium mogen echter wel als PEN-leiding worden gebruikt.
Pagina 29
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 7.6.5.2 Aanduiding van de beschermingsgeleider van de hoofdstroomketen
beschermingsgeleider (PE) :
Beschermgeleiders moeten duidelijk herkenbaar zijn door vorm, ligging, merkteken of kleur.
Als kleur gebruiken we groen/geel en bij voorkeur over de hele lengte van de geleider.
De aanduiding van de beschermingsgeleider moet zijn gemerkt volgens IEC 445 met de
letters PE.
Als grafisch symbool past men symboolnr. 5019 toe van de norm IEC 417.
Pagina 30
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 5: Beveiliging
5.1 Beschermingsmaatregelen tegen elektrocutie
5.1.1
Elektrocutie kan het gevolg zijn van:
-
directe aanraking :
-
indirecte aanraking:
aanraken van een actief deel dat onder spanning staat;
Rechtstreekse aanraking.
aanraken van een massa die door een isolatiefout onder spanning
is gekomen.
Onrechtstreekse aanraking.
We onderscheiden verder:
- enkelvoudige rechtstreekse aanraking;
- tweevoudige rechtstreekse aanraking à op twee plaatsen maakt men een fout door
aanraking van een actieve geleider;
- enkelvoudige onrechtstreekse aanraking;
- tweevoudige onrechtstreekse aanraking;
- een combinatie van een rechtstreekse aanraking en een onrechtstreekse aanraking.
Gezien het onderscheid tussen de vermelde vormen van aanraking met onder spanning
staande delen, zullen ook de beschermingstechnieken verschillen.
5.1.2
Hoe kunnen we rechtstreekse aanraking voorkomen in laagspannings –
installaties?
Hiervoor passen we enkele technieken toe. Deze technieken beogen de vermindering van een
voor het menselijk individu gevaarlijke lichaamsstroom. Deze doelstelling kan worden
verwezenlijkt door:
- de gelijktijdige aanraking van potentiaalverschillen tussen actieve delen enerzijds, massa's
of vreemde geleidende delen anderzijds enkel toe te staan voor zover ze ongevaarlijk zijn;
- de gelijktijdige aanraking van potentiaalverschillen tussen actieve delen enerzijds, massa's
of vreemde geleidende delen anderzijds te verhinderen, door het voorkomen van de
aanraking van: - actieve delen;
- de massa's of de vreemde geleidende delen om zo eender welke
lichaamsstroom te voorkomen.
- het ontstaan van alle potentiaalverschillen tussen actieve delen enerzijds, massa's of
vreemde geleidende delen anderzijds te verhinderen.
Tot de delen die op een verschillend elektrisch potentiaal kunnen staan, behoren enerzijds de
(blanke) actieve delen en anderzijds de (geaarde) massa's of vreemde geleidende delen.
A) De verhindering van de gelijktijdige genaakbaarheid van delen op een eventuele
verschillende elektrische potentiaal kan worden verwezenlijkt door:
- de blanke actieve delen;
- de (geaarde) massa's en vreemde geleidende delen.
ongenaakbaar te maken.
Pagina 31
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Het ongenaakbaar maken van de blanke actieve delen kan worden bekomen door:
- afscherming d.m.v. omhulsels;
- afscherming d.m.v. rechtstreekse applicatie erop van een isolerende bedekking;
- afscherming d.m.v. hindernissen (principieel enkel toepasselijk op vast elektrisch
materieel of elektrisch materieel met vaste standplaats);
- een verwijderde opstelling principieel enkel toepasselijk op vast elektrisch materieel of
elektrisch materieel met vaste standplaats).
Het ongenaakbaar maken van zowel de andere blanke actieve delen, als de (geaarde) massa's
en de vreemde geleidende delen daarentegen kan worden bekomen door:
- afscherming d.m.v. rechtstreekse applicatie erop van een isolerende bedekking;
- afscherming d.m.v. hindernissen;
- verwijdering.
B) Het aanraken van actieve delen is toelaatbaar indien de lichaamsstroom, die hieruit vloeit,
ongevaarlijk is. De gevaargraad wordt bepaald door de parameters stroomsterkte en duur van
de stroomdoorgang.
Een mogelijke oplossing is het toepassen van zeer lage veilige spanningen (ZLVS).
Een andere mogelijke oplossing is het beperken van de duur van de stroomdoorgang door een
zeer gevoelige schakelaar nl. de differentieelschakelaar.
C) Een niet te overzien gevaar is ook het potentiaalverschil tussen enerzijds de actieve
delen en anderzijds geaarde onderdelen. Deze potentiaalverschillen kan men op 2 manieren
vermijden.
Een eerste mogelijkheid is het toepassen van isolatiematerialen en het elimineren van massa’s
en geleidende delen. Zo creëert men een elektrisch zwevend werkmilieu waardoor de
aanraking van een actief deel mag worden toegestaan.
Een andere beschermingsmaatregel beoogt de uitbouw van een elektrisch zwevend stroomnet.
5.1.3
Welke beschermingstechnieken past men toe tegen het onrechtstreeks aanraken?
Het doel is het verhinderen van aanraking van een gevaarlijke spanning. Dit kan men op
verschillende manieren bereiken:
- gestelfouten onmogelijk maken;
- gelijktijdig aanraken van potentiaalverschillen als gevolg van gestelfouten verhinderen, of
enkel toe te staan indien ze ongevaarlijk zijn;
door het toepassen van:
- een afscherming, d.m.v. een isolerend omhulsel;
- hindernissen;
- verwijdering.
Een aantal mogelijke oplossingen tegen het rechtstreeks- en onrechtstreeks aanraken worden
op de volgende pagina ’s afgebeeld.
Pagina 32
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.1.4
Een aantal voorbeelden om een rechtstreekse- of onrechtstreekse aanraking te
voorkomen:
A) Afschermen van actieve delen
Een eerste techniek van beveiligen berust op het afschermen van de gevaarlijke delen zoals
aangeduid wordt. Tussen de afscherming en de vloer is er dan geen potentiaal- verschil. Dus
bij het aanraken van de afscherming is er geen gevaar.
Afscherming
0V
Fig. 73
Actief deel (werkend op een spanning van bijvoorbeeld 240V)
Afscherming die aangebracht is rond de actieve delen
B) Scheiden van de voeding
Een tweede oplossing zou eventueel een scheidingstransformator kunnen zijn. Deze heeft als
doel het rechtstreeks contact met het net te vermijden met andere woorden deze transformator
is zo opgebouwd dat men een veilige elektrische scheiding bekomt tussen de primaire en de
secundaire wikkeling (stroombron en gebruiker).
Bij een eerste fout is er geen
elektrocutiegevaar
230V
Fig. 74
Pagina 33
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
C) Een afscherming om toegang te verhinderen
23 0V
Fig. 75
Afschermplaat die de toegang tot het apparaat verhindert.
De afscherming kan ook een kooi of een kast zijn die rond het
toestel aangebracht is.
D) Buiten zone voor aanraking brengen
Door te zorgen dat het gevaarte buiten
bereik wordt gehouden en aanraking
voorkomen wordt
H
h
Fig. 76
Het toestel wordt dus buiten het bereik geplaatst wat de bediening van het toestel zou
bemoeilijken. Dit past men dus best niet toe op toestellen die geregeld bediend moeten
worden.
Pagina 34
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.1.5
Potentiaalverschil beperken
A) Isoleren van wand en vloer
Geï soleerde wand en vloer, ik kan niets aanraken.
Hetzelfde vinden we terug bij hoogspanningslijnen.
230V
Fig. 77
0V op de constructie
Isolator
Kabel transporteert 10 … 380kV
Mast
Fig. 78
0V
B) Zwevend net
eerste
fout
tweede
Dit wordt toegepast in operatiezalen en
plaatsen waar een eerste fout geen
afschakeling mag geven.
Een eerste fout is ongevaarlijk.
Men mag een lijndraad aanraken.
Stel men raakt een tweede lijndraad aan,
dit betekent dat de stroom van de ene lijndraad naar de andere gaat vloeien. Dit is
dus een gevaar.
In een zwevend net is het sterpunt van de
spanningsbron niet geaard.
Fig. 78
Pagina 35
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.2 Beschermingstoestellen
5.2.1
5.2.1.1
Zekeringen en automaten
Aanspreekstromen voor zekeringen en automatische schakelaars (algemeen)
In =
nominale stroom, is de stroom waarmee men rekening houd bij het bepalen van de
werkingsvoorwaarden van een beschermingsinrichting
Inf = niet conventionele aanspreekstroom
Deze stroom kan nog net verdragen worden gedurende de conventionele tijd.
If = conventionele aanspreekstroom
Deze stroom veroorzaakt de werking, van de beschermingsinrichting, binnen de
conventionele tijd
Im = Magnetische drempel, 2 à 12 maal In
t=
conventionele tijd in uren in functie van de nominale stroom (meestal 1 uur)
A) Zekeringen
In
Inf
A
A
If
A
t
h
6
10
15
20
25
30
40
50
60
11
19
26
35
44
48
64
80
96
1
1
1
1
1
2
2
2
2
9
15
21
28
35
39
52
65
78
t
In Inf
Tabel 19: Conventioneletijd i.f.v. In, Inf, If voor zekeringen
B) Automaten
In
Inf
A
A
If
A
t
h
6
10
15
20
25
30
40
50
60
8
13
19,5
26
32,5
39
52
65
78
1
1
1
1
1
1
1
1
1
7
11
16,5
22
27,5
33
44
55
66
If
I
Fig. 79: Smeltcurve van een smeltveiligheid
t
In Inf
Tabel 20: Conventioneletijd i.f.v. In, Inf, If voor automaten
If
Im
I
Fig. 80:De openingsduurcurve
Pagina 36
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
C) Toegekend kortsluitvermogen Icn (Bij automaten volgens de norm EN 60898)
Onder vermogen verstaan we in deze context het kunnen of het vermogen om deze
kortsluitstroom te onderbreken.
De norm EN 60898 definieert de eisen gesteld aan automaten huishoudelijke of aanverwante
installaties.
Bij de 2 kortsluitproeven, waaraan de automaten aan blootgesteld worden, wordt er
nadrukkelijk getest op de uitwendige verschijnselen door een rooster boven de te testen
automaat te plaatsen. Dit rooster detecteerd of er bij het onderbreken van een kortsluitstroom,
een overslag veroorzaakt wordt naar hoger geplaatste automaten of geleidende delen.
Automaat
35mm
Automaat
Fig. 81
De automaten bij fabrikant VYNCKIER zijn de automaten gekeurd voor een roosterafstand
van 35mm.
Het toegekende kortsluitvermogen Icn wordt uitgedrukt in A en wordt op de automaat
vermeld in een kleine rechthoek. Bijvoorbeeld :
6000
Bepalen van de toegekende kortsluitstroom Icn :
Twee automatische uitschakelingen bij een Icn (O – t – OC )* gevolgd door een proef op
dielektrische vastheid bij 900V en een proef op de uitschakelkarakteristiek.
Proef op de uitschakelkarakteristiek :
Proefstroom
Uitschakeltijd
2,8 . In
tu > 0,1s
tu ≤ tu bij 2,55 . In
Tabel 21
D) Bedijfskortsluitvermogen Ics (Bij automaten volgens de norm EN 60898)
Drie automatische uitschakelingen bij een Ics : (O – t – CO – t – CO)* gevolgd door een proef
op dielektrische vastheid bij 1500V en een proef op de uitschakelkarakteristiek.
Proef op de uitschakelkarakteristiek :
Icn (A)
Ics (A)
Proefstroom
Uitschakeltijd
≤ 6000
6000
> 6000
0,75 . Icn
0,96 . In
tu > 1h
≤ 10000
min. 6000
1,6 . In
tu < 1h
>10000
0,5 . Icn
min. 7500
Tabel 22 en 23
(*)
O = een autmatische uitschakeling
t = tijdsinterval van 3min. tussen twee kortsluitingen
CO = manuele inschakeling, gevolgd door een automatische uitschakeling
Pagina 37
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
E) Maximaal kortsluitvermogen Icu (Bij automaten volgens de norm IEC 947.2)
Onder vermogen verstaan we in deze contex het kunnen of het vermogen om deze
kortsluitstroom te onderbreken.
De norm IEC 947.2 definieert het gebruik van elektrische laagspanningsapparatuur in
industriële omgevingen. De Europese versie van deze norm vinden we terug onder EN
60947.2. Deze norm is ook opgenomen in de Belgische normering onder NBN EN 60947.2.
Bepalen van de maximale kortsluitstroom Icu:
Twee automatische uitschakelingen bij een Icu (O – t – OC )* gevolgd door een proef op
dielektrische vastheid bij 1000V en een proef op de uitschakelkarakteristiek.
Proef op de uitschakelkarakteristiek :
Proefstroom
Uitschakeltijd
2,5 . In
tu > 0,1s
tu ≤ tu bij 2 . In
Tabel 24
Icu wordt in kA uitgedrukt en op het apparaat vermeld vb. 10kA
Let op :
Bij automaten volgens de norm EN 60898 spreekt men van een toegekend kortsluitvermogen
Icn, bij automaten volgens de norm IEC 947.2 spreekt men van een maximaal
kortsluitvermogen Icu.
Bedijfskortsluitvermogen Ics (Bij automaten volgens de norm EN 60898)
Drie automatische uitschakelingen bij een Ics : (O – t – CO – t – CO)* gevolgd door een proef
op dielektrische vastheid bij 2 x Ui (isolatiespanning) en een proef op de
uitschakelkarakteristiek. Ics wordt uitgedrukt in kA en wordt op het apparaat vermeld.
Proef op de uitschakelkarakteristiek :
Proefstroom
0,96 . In
1,6 . In
Uitschakeltijd
tu > 1h
tu < 1h
Tabel 25
(*)
O = autmatische uitschakeling
t = tijdsinterval van 3min. tussen twee kortsluitingen
CO = manuele inschakeling gevolgd door een automatische uitschakeling
Pagina 38
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.2.2
Standaardisatie van smeltveiligheden
Volgens de nieuwe normalisatievoorschriften worden de smeltveiligheden ingedeeld in
bedrijfklassen. Deze bedrijfsklasse worden gekenmerkt door twee letters, waarvan de
eerste de functie- klasse en de tweede letter de gebruiksklasse aangeeft.
A) Functieklassen: leggen vast over welk stroombereik de smeltveiligheid kan uitschakelen.
- Functieklasse g: totaalbereik smeltveiligheden;
schakelen zowel overbelastingsstromen als kortsluitstromen uit;
- Functieklasse a: deelbereik smeltveiligheden;
schakelen enkel grote overbelastingsstromen en kortsluitstromen uit;
B) Gebruiksklassen: leggen vast voor welke objecten de smeltveiligheid kan gebruikt
worden.
We onderscheiden:
- I of II
: beveiliging van leidingen;
- G
: algemeen en zal op termijn I en II vervangen;
- M
: toestellen (motoren);
- R
: halfgeleiders;
- Tr
: transformatoren;
- B
: mijnbouw;
Uit de combinatie van de functieklasse en gebruiksklasse ontstaan de hiernavolgende
bedrijfsklassen.
- gI of gII : leidingbeveiliging voor totaal stroombereik;
- aM
: toestelbeveiliging voor een gedeeltelijk stroombereik;
- aR
: halfgeleiderbeveiliging voor een gedeeltelijk stroombereik;
- gG
: algemene beveiliging voor het totale stroombereik;
op lang termijn zullen deze de gI of gII vervangen;
- gM
: toestelbeveiliging voor het totale stroombereik;
- gR
: halfgeleiderbeveiliging voor het totale stroombereik;
- gTr
: transformatorbeveiliging;
- gB
: beveiliging van mijnbouwinstallaties voor het totale stroombereik;
C) Soorten smeltveiligheden voor tertiaire en industriële toepassing
Fig. 82: Smeltveiligheden met uittrekmechanismen
Deze worden geladen met de afgebeelde smeltpatronen.
Uitvoeringen: één-, twee-, driefasig en driefasig met nul.
Fig. 83: Symbolen van één-, twee-, driefasige en driefasige met nul
Fig. 84: Smeltveiligheidhouder SBI
Doorslag is zichtbaar door de rotatie van de sleden eventueel door een neonlampje.
Pagina 39
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.2.3
Standaardisatie van automaten of vermogenschakelaars
Kaliber In is de toegekende stroom, vroeger de nominale stroom genoemd.
Ue is de toegekende bedrijfsspanning.
Icn is het toegekende onderbrekingsvermogen (huishoudelijke norm).
Icu is het ultiem onderbrekingsvermogen (industriële norm).
Uimp is de schokgolfspanning (dielektrische).
Voor het gebied van overbelasting doet een bimetaal dienst als warmtegevoelig element. Het
zal thermische energie opnemen en doorbuigen. Het doorbuigen van het bimetaal is
afhankelijk van de temperatuur en kan niet uitmaken of het van de omgeving is of door een
overstroom. Om de invloed van de omgevingstemperatuur te beperken wordt gebruik gemaakt
van een compensatie-bimetaal waardoor het ontgrendelingspunt verplaatst met de omgeving temperatuur. Zoals bij smeltveiligheden kan men ook voor de vermogenschakelaars een Inf en
een If definiëren (definities zie smeltveiligheden).
Voor grote industriële toepassingen gebruikt men vermogenschakelaars met een elektro –
thermisch relais, die voorzien zijn van een regelmogelijkheid om de nominale stroom in te
stellen. In dergelijke gevallen spreekt men van Ir i.p.v. In.
Voor het gebied van de kortsluiting wordt een plunjer in beweging gebracht vanaf het
bereiken van een bepaalde overstroom Im (magnetische drempel). De beweging van de
plunjer zorgt voor een zeer snelle en volledige scheiding.
Industriële vermogenschakelaars laten toe om zowel de magnetische drempel Im te
verplaatsen als de uitschakelduur te vertragen om selectiviteit te kunnen toepassen.
Om een plotse uitschakeling te vermijden bij het aanlopen van kooiankermotoren past men
vermogenschakelaars toe met een magnetische drempel toe van 8 x In.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
Omhulsel
Uitgangsklem
Vonkenkamer met 9 vonkplaten
Elektromagneet met als kern de
slagpin voor opening contacten
Bedieningsknop
Vast contact
Beweegbaar contact
Boogafleider
Bij kortsluiting zal de stroom niet
meer door het bimetaal gaan maar
door de boogafleider afgeleid
worden.
Bimetaal garandeert de thermische
werking.
Ingangsklem
Railhaak
Fig. 85: Doorsnede van een automaat
Pagina 40
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
A) Huishoudelijke norm (EN 60 898 op Europees niveau)
De norm is van toepassing op automaten met een toegekende stroom In tussen 6 en 125A en
met een toegekend onderbrekingsvermogen Icn < 25.000 A.
De toegekende gebruiksspanning Ue is 230 of 400 V (AC).
Thermische uitschakeldrempels van 1,13 tot 1,45 In.
t
Magnetische werking
We onderscheiden 3 curven:
Curve B:
Magnetische uitschakeling tussen 3 en 5 x In.
Toepassen bij kleine aanloopstromen, resistieve
Belastingen vb. verwarming.
Vervangt curve L (2,6 tot 3,85 In).
Curve C:
Magnetische uitschakeling tussen 5 en 10 x In.
Toepassen bij middelgrote aanloopstromen,
verlichting, stopcontacten, kleine motoren.
Vervangt curve U (5,5 tot 8,8 In).
Curve D:
Magnetische uitschakeling tussen 10 en 20 x In
Toepassen bij grote aanloopstromen, zware motoren.
B C D
In
Fig. 86
B) Industriële norm NBN EN 60 947-2 (IEC 947-2)
De norm is van toepassing voor alle vermogenschakelaars die gebruikt worden bij een
toegekende gebruiksspanning Ue van 1000V (AC) ongeacht de toegekende stroom In en het
onderbrekingsvermogen Icu.
Zij bepaald 2 categorieën:
Categorie A: geen tijdselectiviteit
Categorie B: ontworpen om de tijdselectiviteit te verwezenlijken
Thermische uitschakeldrempels:
Voor de vermogenschakelaars van het industrieel type worden enkel de stroomwaarden als
thermische drempelwaarden 1uur vooropgesteld voor schakelaars met In < 63A en 2 uur voor
de schakelaars met In > 63A.
Deze bedragen 1,05 x In (als Inf waarde) en 1,3 x In (als If waarde).
Een bimetaal ontgrendelt het
Uitschakelmechanisme
Als referentie temperatuur neemt men: 30° C
I à 1,05 … 1,3 In
Proefstroom
Uitschakeltijd
1,05 x In
tu > 1h (In < 63A)
tu > 2h (In > 63A)
tu < 1h (In < 63A)
tu < 2h (In > 63A)
Tabel 26: Uitschakeltijden
Magnetische uitschakeldrempels:
De norm laat de producent de keuze om de magnetische uitschakeldrempels te bepalen.
Pagina 41
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
C) Hoe wordt de keuze bepaald van een automaat?
- de voedingsspanning;
- de kortsluitstroom van de automaat moet kleiner zijn dan het onderbrekingsvermogen van
het apparaat;
- het aantal polen van de verbruikers;
- de uitschakelcurven bepaald door de toepassing; Bij grote aanloopstromen wordt curve D
toegepast. Grote kabellengten in een TN- of een IT- nulleidersysteem vereisen een
uitschakelcurve B
- het kaliber van de automaat wordt bepaald door:
- de stroomsterkte voor de te beveiligen kring;
- de aard en de doorsnede van de kabels;
- de omgevingstemperatuur.
D) Verklaring van de symbolen op de automaat
1: type automaat volgens onderbrekingsvermogen
2: uitschakelcurve (C)
3: kaliber of nominale stroom (40A)
4: gebruiksspanning Ue
5: onderbrekingsvermogen volgens huishoudelijke norm
6: begrenzingklasse
7: onderbrekingsvermogen volgens industriële norm
8: commercieel referentienummer
9: elektrisch symbool volgens aantal polen
Fig. 87
E) De curven: types en toepassingen
Curve B:
uitschakelen tussen 3 tot 5 In
bescherming van personen, grote kabellengten
Curve C:
uitschakelen tussen 5 tot 10 In
beschermen van kringen
algemene toepassingen
Curve D:
uitschakelen tussen 10 tot 14 In
beschermen van kringen met hoge aanloopstromen
toepassen bij transformatoren en motoren
Curve K:
uitschakelen tussen 10 tot 14 In
beschermen van kringen en verbruikers met hoge aanloopstromen
toepassen bij transformatoren, motoren en hulpkringen
Curve MA: uitschakelen bij 12 In
beschermen van motoren
hier is GEEN thermische beveiliging aanwezig
F) Begrenzingklasse van volgens I²t van automaten
Klasse 1 :
I²t 120 . 10³
Klasse 2 :
I²t
80 . 10³
Klasse 3 :
I²t
40 . 10³
De begrenzingklasse wordt onder het afschakelvermogen vermeld
6000
3
Pagina 42
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.2.4
Hoe bepalen we het juiste kaliber?
De keuze van de bedrijfsklassen (smeltzekeringen) of de curven (automaten) moet na het
bovenstaande kinderspel zijn. De bepaling van het juiste kaliber:
Bepaling van het kaliber a.d.h.v. een verbruiker:
1 fasig actief vermogen P = U . I . cos ϕ
1 fasig schijnbaar vermogen S = U . I = P
cos ϕ
3 fasig actief vermogen P = 3 . Ul . Il . cos ϕ
3 fasig schijnbaar vermogen S = Ul . Il . cos ϕ
(uitgedrukt in pk, W of kW)
(uitgedrukt in kVA)
(uitgedrukt in pk, W of kW)
(uitgedrukt in kVA)
Voorbeeld:
Stel we hebben een machine met een vermogen van 2200W (Actief vermogen P) op een
eenfasig net van 220V en de cos ϕ bedraagt 0,5.
De stroom zal dan gelijk zijn aan I = P / (U . cos ϕ) = 2200 / (220 . 0,5) = 20 A.
Stel dat de verbruiker een cos ϕ heeft van 1 dan is de stroom gelijk aan 10A.
Voorbeeld:
Stel we hebben een driefase motor met een opgenomen vermogen van 16kW op een
netspanning van 3 x 380V, een cos ϕ = 0,8 en een rendement van 0,95.
S = P / cos ϕ = 16 / 0,8 = 20 kVA.
Il = S / (1,73 . Ul) = 20000 / (1,73 . 380) = 30,42A.
De aan de as geleverde vermogen Pa = η . 16kW = 15,2kW.
Voorbeeld:
Stel we hebben een boiler met een vermogen van 6kW op een net van 3 x 380V. Een boiler is
een zuivere ohmse belasting dus zijn cos ϕ = 1.
Il = P / (1,73 . Ul) = 6000 / (1,73 . 380) = 9A.
We zien duidelijk een lage stroom ten opzichte van de inductieve gebruikers.
A) Beveiligen van asynchrone motoren
Stel we hebben een 3 fase motor van 3kW. De nominale snelheid is 1425 tr/min en de
nominale stroom is 6,6 A.
De aanloopstroom voor een asynchrone motor bedraagt 6 à 8 à 10 maal de nominale stroom.
Voor de motor van 3kW trekken we een aanloopstroom van 62A. Kleine motoren mogen
rechtstreeks op het net aanlopen. Bij grotere motoren gaan we de aanloopstroom beperken
door een sofstart of de ster/driehoek (aanloopstroom tot 2 x In) schakeling toe te passen.
Opgelet:
Bij het overbelasten van een motor zal de stroom boven de nominale stroom stijgen. Bij het
verder dan het kipkoppel belasten valt hij stil.
De smeltpatronen gelden voor de aangegeven motorstromen ,bij direct inschakelen
(aanloopstroom tot 10 x In, aanlooptijden tot 5s) of in ster/driehoek aanlopen (aanloopstroom
tot 3 x In, aanlooptijden tot 15s)
Pagina 43
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Driefasenmotoren met 4 polen, 50/60Hz
Motor vermogen
kW
cosϕ η
0,25
0,37
0,55
0,75
0,7
0,72
0,75
0,8
62
64
69
74
230V
Inom Direct
insch.
1,4
4
2,1
4
2,7
4
3,4
6
2
2
4
4
400V
Inom Direct
insch.
0,8
2
1,2
4
1,6
4
2
4
2
2
2
4
1,1
1,5
2,2
3
0,83
0,83
0,83
0,84
77
78
81
81
4,4
6
8,7
11,5
6
16
20
20
6
10
16
16
2,5
3,5
5
6,6
4
6
10
16
4
4
6
10
4
5,5
7,5
11
0,84
0,85
0,86
0,86
82
83
85
87
14,7
19,8
26,5
39
25
35
50
63
20
25
35
50
8,5
11,5
15,5
22,5
20
25
35
35
16
20
25
35
15
18,5
22
30
0,86
0,86
0,87
0,87
87
88
89
90
52
62
74
98
80
100
100
125
63
80
80
100
30
36
43
57
50
63
63
80
35
50
50
63
37
45
55
75
0,87
0,88
0,88
0,88
90
91
91
91
124
147
180
246
200
225
250
350
160
200
225
250
72
85
104
142
100
125
160
200
80
100
125
160
90
110
132
0,88
0,88
0,88
92
92
92
287
350
416
355
425
500
300
355
425
169
204
243
225
250
300
200
225
250
160
200
260
300
0,88
0,88
0,88
0,88
93
93
93
93
500
-
600
-
600
-
292
389
465
563
355
425
600
710
300
425
500
600
Ster/drieh.
Ster/drieh.
Tabel 27
Uit de cataloog van TELEMECANIQUE:
Een motor tot een vermogen van 5,5 kW kan men ook beveiligen door een combinatie van
schakelmateriaal
en
beveiliging
voor
motoren
d.m.v.
thermisch-magnetische
motorbeveiligingschakelaars.
De thermische uitschakelaar is instelbaar (Zie cataloog).
De magnetische uitschakelaar reageert bij een stroom van 13 x In.
Fig. 88: Symbool
Pagina 44
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
B) Beveiligen van transformatoren LS / LS
Fenomenen :
Bij het onder spanning brengen van transformatoren van LS / LS transformatoren, treden
belangrijke ischakelstroom stoten op waarmee men rekening moet houden bij het kiezen van
de beveiliging tegen overstromen.
De piekwaarde van de eerste stroomgolf kan geregeld 10 tot 15 maal de nominale
stroomwaarde van de transformator bereiken en voor vermogens van 50kVA, 20 tot 25 maal
de nominale stroom.
Deze overgangsstroom bij de inschakeling valt na enkele milliseconden terug.
Keuze van de beveiliging:
MERLIN GERIN heeft een belangrijke reeks testen uitgevoerd om de beveiliging van de
LS/LS transformatoren te verzekeren. Met de tabellen die volgen kan men tegelijkertijd :
- de transformator beveiligen bij een abnormale overbelasting ;
- ongewenste uitschakeling vermijden bij het onder spanning brengen van de primaire
wikkeling ;
- de elektrische duurzaamheid van de automaten bewaren.
1ste piek, 10 tot 25 x In
I
t
Fig. 89: Piekstroom
Driefasige transformatoren (primair 400V)
Transformator
P (kVA)
In (A)
Ucc (%)
Automaat van curve D of K
Type
Kaliber
5
6,3
8
10
12,5
16
20
25
31,5
40
50
5
5
6
4
4,5
3,5
4
4
4
4
4
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
NC100
NC100
NC100
NC100
7,6
9,5
12,5
15
19
25
31
38
48
61
76
20
20
32
32
40
63
63
80
80
80
100
Tabel 28
Pagina 45
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Driefasige transformatoren (primair 230V)
Transformator
P (kVA)
In (A)
Ucc (%)
Automaat van curve D of K
Type
Kaliber
5
6,3
8
10
12,5
16
20
5
5
6
4
4,5
3,5
4
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
NC100
NC100
NC100
14
17
21,5
27
33
42
53
40
40
50
53
80
80
100
Tabel 29
Eenfasige transformatoren (primair 400V)
Transformator
P (kVA)
In (A)
1
1,6
2,5
4
5
6,3
8
10
12,5
16
20
2,6
4,2
6,5
10,5
14
17
21
27
33
42
53
Ucc (%)
Automaat van curve D of K
Type
Kaliber
5
5
6
4
4,5
3,5
4
C60
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
NC100
NC100
6
10
16
20
32
40
50
63
63
80
100
Tabel 30
Eenfasige transformatoren (primair 230V)
Transformator
P (kVA)
In (A)
0,1
0,16
0,25
0,4
0,63
1
1,6
2,5
4
5
6,3
8
10
12,5
0,4
0,7
1,1
1,8
2,8
4,5
7
11
18
23
29
37
46
57
Ucc (%)
Automaat van curve D of K
Type
Kaliber
5
5
6
4
4,5
C60
C60
C60
C60
C60
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
C60/NC100
NC100
NC100
NC100
1
2
3
4
5
10
16
20
40
50
63
80
100
100
Tabel 31
Pagina 46
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
C) Beveiligen van verwarmingstoestellen en gloeilampen
Vermogen
kW
Eénfasig (230V)
Ib
kaliber
3 x 230V
Ib
Kaliber
3 x 400V
Ib
Kaliber
1
1,5
2
2,5
3
3,5
4
4,5
5
6
7
8
9
10
4,35
6,52
8,7
10,9
13
15,2
17,4
19,6
21,7
26,1
30,4
34,8
39,1
43,5
2,51
3,77
5,02
6,28
7,53
8,72
10
11,3
12,6
15,1
17,6
20,1
22,6
25,1
1,44
2,17
2,89
3,61
4,33
5,05
5,77
6,5
7,22
8,66
10,1
11,5
13
14,4
6
10
10
16
16
20
20
25
25
32
32
38
50
50
3
6
10
10
10
10
16
16
16
20
20
25
25
32
2
3
6
6
6
10
10
10
10
10
16
16
16
20
Tabel 32
D) Beveiligen van hogedrukontladingslampen
Deze lampen werken volgens het elektrisch ontladingsprincipe in een ruimte gevuld met
metaalgassen of –dampen, tegen een bepaalde druk. Het vermogen in W wordt aangeduid op
de lampen. Let op: Het vermogen van de ballast is niet meegerekend (geschat op 5 à 10% van
het vermogen van de lamp).
Het duurt 3 tot 6 minuten vooraleer deze lampen op regime komen. Gedurende deze tijd
verbruiken ze een stroom die 40 tot 100% hoger ligt dan hun nominale stroom. De volgende
tabel is geldig voor spanningen 230 en 400V met al dan niet gecompenseerde ballast.
Kwikdamplampen + fluoresscentiepoeder
Kaliber in A
P ≤ 700W
P ≤ 1000W
P ≤ 2000W
6
10
16
Kwikdamplampen + metaalhalogeniden
P ≤ 375W
P ≤ 1000W
P ≤ 2000W
Kaliber in A
6
10
16
Hoge druk natriumdamplampen
P ≤ 400W
P ≤ 1000W
Kaliber in A
6
10
Tabel 33
Pagina 47
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.2.2
De differentieel foutschakelaar
We onderscheiden differentieelschakelaars met hulpvoeding en zonder hulpvoeding. De
differentiaalschakelaars zonder hulpvoeding zijn de meest gebruikte.
De differentiaalschakelaars bevatten een detectieorgaan, een meetorgaan en een stroomonderbrekingsorgaan.
We onderscheiden verder een 2-polige (L1 en N) en een 4-polige (L1, L2, L3 en N)
uitvoering.
1
2
3
4
5
Magneetkern
Stroomrelais
Schakelorgaan
Testschakelaar
Testweerstand
Fig. 90
Werking : Indien de elektrische installatie geen foutstromen vertoont blijft de magnetische
flux in de ringkern van de transformator nul waardoor geen stroom in de secundaire wikkeling
van de ringkerntransformator wordt opgewekt.
Indien er een isolatiefout optreedt met een foutstroom als gevolg, is de vectoriele som van de
stroomsterkten niet meer nul waardoor in de ringkern een magnetische flux onstaat evenredig
aan met de grootte van de foutstroom. Er onstaat een elektrische stroom in de secundaire
wikkeling. Indien deze de aanspreekwaarde van de losser bereikt, zal er een onderbreking van
de geleiders plaatsvinden.
De nominale aanspreekwaarden worden in 4 categorieën ingedeeld:
Voor een zeer hoge gevoeligheid ≤ 10mA.
10mA ≤ Hoge gevoeligheid ≤ 30mA
30mA ≤ Gemiddelde gevoeligheid ≤ 1000mA
Lage gevoeligheid > 1000mA.
Tengevolge van constructienormen dienen de ontgrendelingscurven te zijn gelegen binnen
een dispersieband bepaald door de stroomwaarden.
Inf = I∆n
2
en If = I∆n
In de Europese norm EN 61008 wordt enkel onderscheid gemaakt tussen de algemene en de
selectieve (tijdsvertraagde) differentieelfoutstroomschakelaars. De tijdvertraging van de
selectieve ligt bij een foutstroom van 5 x I∆n en bedraagt 45 tot 200ms.
Voor een onvertraagde is dit minder dan 45ms.
t
0,02 sec.
30mA
50mA
Fig. 91: Uitschakelcurve
I in mA
Pagina 48
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Uit de cataloog van MERLIN GERIN:
We onderscheiden bij de keuze:
Een differentieelschakelaar met ogenblikkelijke werking:
Uitschakeling indien tussen fase en aarde een isolatiefout
optreed van meer dan 30, 100 of 300mA
Of een differentieelschakelaar met selectieve werking (S):
Laat verticale selectieve uitschakeling toe in de stroomafwaarts
geïnstalleerde toestellen
Fig. 92: Een 2-polige uitvoering (boven) en een 4-polige uitvoering (onder)
De differentieelschakelaars zijn ook in andere uitvoeringen te verkrijgen. Zo zien we in de
figuur hieronder een combinatie van een automaat en een differentieelschakelaar. De
automaten zijn zo uitgevoerd dat op de rechterzijde een differentieelschakelaar kan
gemonteerd worden. Zo bekomen we een combinatie van een kortsluitbeveiliging,
overstroombeveiliging en een beveiliging tegen isolatiefouten. In deze combinatie kunnen we
3 uitvoeringen krijgen nl. 2-polig , 3polig en een 4polige voor 30, 100 of 300mA.
Fig. 93: Een combinatie van een automaat en een differentieelschakelaar
Fig. 94: Een combinatie van een differentieelschakelaar en een automaat die van groter kaliber is dan de
automaat in de vorige figuur. Dat hier sprake is van grotere stromen zien we ook aan de contacten van de
differentieelschakelaar.
Pagina 49
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.2.3
Isolatiebewakingstoestelen
Het doel van een isolatiecontroletoestel is het permanent controleren van het isolatieniveau
van de gehele elektrische installatie. Het toestel wordt toegepast in stroomnetten die geen
rechtstreekse verbinding hebben met de aarde zoals IT- en IU-netten.
In IT-netten:
De toestellen meten de globale isolatieweerstand t.o.v. de aarde of
geaarde toestellen.
In IU-netten:
De toestellen meten de globale isolatieweerstand t.o.v. de aarde
geïsoleerd aangebrachte metalen toestelbehuizingen.
De controle wordt uitgevoerd door gebruik te maken van het injecteren van een gelijkstroom
of een wisselstroom via het nulpunt of het mediaanpunt.
Bij gelijkstroom:
Bij gelijkstroom wordt enkel de globale resistieve impedantie Rt van
het stroomnet gemeten.
Bij wisselstroom:
Bij wisselstroom wordt naast de resistieve impedantie Rt ook de
globale capacitieve impedantie Xct van het stroomnet gemeten.
De waarde van de geïnjecteerde stroom is in functie van het isolatieniveau van het stroomnet.
Het meettoestel dat geschakeld is tussen de stroombron en de aardverbinding en dat doorlopen
wordt door de geïnjecteerde stroom geeft de continue waarde, uitgedrukt in kΩ, van het
isolatieniveau aan.
OPMERKING:
Er dient op gewezen te worden dat het noodzakelijk is om ook een overspanningsbeveiliging
toe te passen die iedere rechtstreekse galvanische verbinding van actieve geleiders van het
stroomnet waarborgt vooraleer op het net een spanning kan worden overgedragen die de
dielektrische vastheid van het in het stroomnet ondergebracht elektrisch materieel waarborgt.
Toepassing:
Ze bewaken de isolatie van een wisselstroomnet met geïsoleerde
nulleider of impedante nulleider. Ze detecteren en signaleren
isolatiefouten.
Ze kunnen toegepast worden tot een afstand van 50km.
Afhankelijk van het type geeft men voor de specifieke
karakteristieken de volgende waarden:
- de nominale spanning tussen de fasen moet kleiner of gelijk
aan 220, 380, 780V zijn;
- werkingsdrempel tussen 10 en 150kΩ.
Fig. 95: Isolatiecontroletoestellen
Pagina 50
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.2.4
Overspanningsbeveiliging en motorbeveiliging
Spanningsbeveiligers beveiligen de apparaten tegen tijdelijke overspanningen van
atmosferische en industriële oorsprong. Ze voorkomen tijdelijke overspanning die via de
aarde of via het net wordt doorgegeven. Tijdens de fout zorgen ze voor een verbinding tussen
de aarde en het net, waardoor de storende energie kan afgevoerd worden.
Voor installatie geldt de regel van 50cm m.a.w.
de verbindingen moeten zo kort mogelijk zijn.
Niet langer dan 50cm.
Fig. 96
Fig. 97
Bij plaatsing in cascade geldt de regel van 10m. Tussen twee opeenvolgende overspanningbegrenzers dient minstens 10m kabel te zijn, om hun gelijktijdige overslag te vermijden.
We onderscheiden tweepolige of vierpolige uitvoeringen.
Pagina 51
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Het type wordt bepaald door het netsysteem (TT net, TN-S net, TN-C net, IT net).
Als voorbeeld beschouwen we een overspanningsbeveiliging voor een TT of TN-S net.
L1
L2
L3
N
Aansluiting voor
een signalering
Aansluiting voor
een signalering
Fig. 98: Overspanningbegrenzer type PF
Twee- en vierpolige uitvoerig.
toepassen in een TT of een TN-S
Bij aanwezigheid van een differentieel-inrichting:
Bij installaties, die uitgerust zijn met een algemene differentieelbeveiliging, veroorzaakt de
afleiding van een overspanning naar de aarde de uitschakeling van de opwaartse
differentieelbeveiliging. Dit is een ongewenst effect.
Door echter een selectieve differentieelbeveiliging toe te passen, kan men een betere
bedrijfscontinuï teit bekomen
Differentieelschakelaar
of automaat type S
U
Automaat
Up
OverspanningsBegrenzer
Uc
Differentieel
schakelaar met
hooggevoeligheid
Fig. 99
In
Imax
I
Fig. 100
Uc is de maximale effectieve spanning die continu op de klemmen van de overspanningsbegrenzer mag staan zonder de werking te beinvloeden;
Imax is de maximale piekwaarde van de ontladingsstroom die slechts éénmaal kan weerstaan
worden;
In is de maximale ontladingsstroom die ten minste 20 maal kan weerstaan worden.
Up is de piekspanning aan de klemmen van de overspanningsbegrenzer tijdens het
doorvloeien van de ontladingsstroom.
Pagina 52
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.3 Beveiliging door middel van afscherming of afbakening
Art. nr. 3.8 uit de bijlage van de Arbeidsmiddelen Richtlijn:
Wanneer bij bewegende delen het risico bestaat van mechanisch contact waardoor zich
ongelukken zouden kunnen voordoen, moeten de bewegende delen afgeschermd worden door
middel van schermen waarmee de toegang tot de gevaarlijke zones wordt verhinderd of de
beweging wordt stilgezet voordat de gevaarlijke zones bereikt worden.
5.3.1
Schermen (Volgens prEN 1088)
Vast scherm: Wordt op zijn plaats gehouden, hetzij door lassen hetzij via schroeven.
Beweegbaar scherm: Zij kunnen door mechanische middelen (scharnieren) zonder gebruik
van gereedschap geopend worden.
Instelbaar scherm: Vast of beweegbaar dat in zijn geheel instelbaar is.
Blokkeerscherm: De afscherming is verbonden met blokkeringen via vb.
naderingsschakelaars, eindschakelaars, … . Het openen van het scherm tijdens de gevaarlijke
werking moet tot een stop leiden.
Blokkeerschermen kunnen ook uitgevoerd zijn met vergrendelingen.
Bedieningsschermen: De afscherming is verbonden met de blokkering op een zulke wijze dat
de gevaarlijke functie kan starten als de afscherming gesloten is.
Een maaswijdte van meer dan 60mm is niet toelaatbaar bij hekwerk
Pagina 53
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.3.2
Eindschakelaars toegepast bij schermen
Het gebruik van schermen gaat meestal gepaard met het plaatsen van eindschakelaars.
Belangrijk wordt dan:
- aantal (1 of 2 of 4);
- type 1 of type 2;
- enkelpolige of dubbelpolige uitvoering;
- veiligheidscomponent ja of nee (B-1-2-3-4).
Positieschakelaars: We onderscheiden 2 typen.
TYPE 1: Het bedieningsdeel en het schakeldeel vormen 1 geheel.
TYPE 2: Het bedieningsdeel en het schakeldeel zijn 2 afzonderlijke delen.
TYPE 1
TYPE 2
Bedieningsdeel
Schakeldeel
Fig. 101: Type 1
Fig. 102: Type 2
Belangrijk is voor beiden typen:
- dwangmatige opening van de contacten;
- speciale vorm van het bedieningsorgaan van het type2;
- stootspanningsvastheid ≥ 2,5kV;
- moeilijk te verwezenlijken fraude;
- conformiteit met de norm EN 60-947.5.1 voor de veiligheidscategorie 1;
- voldoende IP-graad.
Pagina 54
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Voor veiligheidscategorie 3 zijn ten minste 2 positieschakelaars noodzakelijk, uiteraard ook
bij veiligheidscategorie 4.
Elke positieschakelaar heeft nu een NO of een NG contact. Beide schakelaars zijn conform
met de voorwaarden van de norm EN 60 947-5.1.
Voorbeeld 1:
Beweging
Fig. 103: Toepassing volgens categorie 3 of 4
Voorbeeld 2: Voor een TYPE 1 en een TYPE 2
Voorwaarden die men stelt:
- de schakelaars moeten conform zijn met de norm EN 60-947.5.1;
- veiligheidstechnische beproevingen;
- mechanisch gedwongen contacten;
- voor klasse B of 1 of 2 volstaat 1 schakelaar;
- voor klasse 3 en 4 zijn twee schakelaars nodig.
GOED indien dit een
TYPE 1 is.
GOED indien dit een
TYPE 2 is.
Fig. 104: Toepassingen van het type 1 en 2
Pagina 55
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.3.3
-
Plaatsing van de positiedetectoren
de steun van de detectoren moet voldoende hard zijn om een correct functioneren te
verzekeren;
voordat de positieschakelaar van toestand veranderd is, mag de beschermingsinrichting
niet verwijderd zijn, op een zulke wijze dat er een risico door ontstaat;
positiedetectoren moeten zo geplaatst worden, dat ze niet gemakkelijk kunnen beschadigd
worden, omwille van externe redenen;
onderhoud moet makkelijk zijn;
bevestigingspunten mogen enkel gewijzigd worden met behulp van gereedschap;
de bewegingsnok mag niet gemakkelijk ontkoppeld of ontregeld kunnen worden;
voorzie zoveel mogelijk positieve positiedetectoren om fraude te reduceren;
indien men werkt met nokkenschakelaars, voorzie dan een afscherming over het nok en
positiedetector, om eenvoudige fraude te voorkomen.
5.3.4
Immateriële naderingsschakelaars
Hiermee bedoelt men de foto-elektrische cellen. Aan de ene zijde staat de lichtgevende diode
(LED) , die licht afgeeft in infrarode frequentiegebied. Aan de andere kant staan de
ontvangers of de reflectoren. Bevindt zich tussen de zender en ontvanger een object, dan
wordt een signaal naar het beveiligingssysteem gestuurd waardoor een stop volgt van de
machine in dienst.
Voorzieningen:
- er moet een echte barrière van lichtstralen komen zodat elke toenadering niet omzeild kan
worden;
- de afstand D tussen de lichtbarrière van lichtstralen en de gevarenzone moet voldoende
zijn, d.w.z. groter dan de naderingsnelheid V van de personen vermenigvuldigd met de
reactietijd T van het systeem.
D > VxT
5.3.5
Veiligheidsfotocellen
De veiligheidsfotocellen worden toegepast als toegangsbeveiliging in gevaarlijke zones. Een
externe schakel- en beveiligingsmodule kan aangesloten worden.
Fig. 105: Veiligheidsfotocellen
Pagina 56
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.3.6
Veiligheidsmatten
Deze matten worden in de buurt van de gevaarlijke zone (vb. binnen de hekken, rond de
robot) gelegd. Wanneer een persoon op de mat trapt wordt een signaal geproduceerd dat naar
een controle eenheid gaat die op zijn beurt vb. de robotbewegingen stillegt.
Men onderscheidt 3 types:
- luchtdruk geactiveerde;
- elektrisch geactiveerde;
- licht geactiveerde (optische vezels in de mat à bij betreden van de mat verandert de
brekingsindex en dit wordt gedetecteerd);
Fig. 106: Veiligheidsmat
5.3.7
Lichtgordijnen
Lichtgordijnen bestaan uit een zender en een ontvanger. Het systeem wordt gekenmerkt door
zijn compacte bouw en heeft als doel het beveiligen van personen tegen gevaarlijke plekken
en zones. Het scherm beveiligt volgens veiligheidscategorie 2, de apparaten voeren zelftests
uit op regelmatige tijdstippen
Fig. 107: Lichtgordijn en een toepassingsvoorbeeld
Pagina 57
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.3.8
Tastende laserscanner
Een laserscanner wordt toegepast voor horizontale zonebeveiliging waardoor een
aanrakingsvrije zone wordt bereikt.
Werking van het apparaat:
De uitgezonden lichtpulsen worden door een rotterende spiegel afgebogen. Hierdoor wordt
een detectiezone gecreëerd van 180°. Indien zich in de afgetaste zone een object bevindt,
wordt het gereflecteerde licht gedetecteerd en berekent de tijd nodig voor het uitzenden en
ontvangen ervan.
Fig. 108: 180° rotatie van de spiegel
Bij het apparaat wordt de nodige software bijgeleverd om de zone, die afgetast moet worden,
op een gebruiksvriendelijke manier in te stellen. Het is mogelijk om zelfs
waarschuwingszones in te voegen. Indien een passant echter in de beschermzone treedt zal dit
door de laserscanner gedetecteerd worden en zal de beweging van de machine stilleggen.
Fig. 109: Toepassing bij een productiemachine
Fig. 110: Toepassing op een AGV
In de Figuren zien we een licht- en een donkerblauwe zone.
De lichtblauwe zone is een waarschuwingszone, de donkerblauwe is de beveiligingszone.
Pagina 58
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.4 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. beveiliging
A) Beschermen tegen elektrisch aanrakingsgevaar :
Art. nr. 6.1 Algemeen
Personen moeten beschermd worden tegen aanrakingsgevaar.
a) tegen directe aanraking : aanraken van actieve delen ;
b) tegen indirecte aanraking : aanraken van geleidende delen bij een defect.
Art. nr. 6.2 Beschermen tegen directe aanraking :
1. Bescherming door omhulsels:
Actieve delen moeten zijn ingebouwd in omhulsels (zie hoofdstukken 4. 13 en 16).
Een omhulsel mag alleen onder een van de volgende voorwaarden kunnen worden geopend:
a) gebruik van sleutel of gereedschap door een deskundige of voldoend onderrichte persoon,
waarbij het scheiden van de uitrusting ongewenst is. Enige bescherming dient aanwezig te
zijn (zie norm);
b) (automatisch) scheiden van actieve delen binnen het omhulsel.
Dit (automatisch) scheiden mag soms ongedaan worden gemaakt (zie norm);
c) actieve delen zijn voldoende geï soleerd volgens ten minste IP2X ;
(zie EN 60529)
2. Bescherming door isolatie van actieve delen:
Actieve delen moetcn geheel zijn overdekt met isolatiemateriaal.
Isolatie moet bestand zijn tegen normale bedrijfsinvloeden en kan alleen door beschadiging
worden verwijderd.
3. Bescherming tegen restspanningen:
Aanraakbare geleidende delen met restspanningen moeten zo mogelijk worden ontladen;
Indien restspanningen optreden (> 60 V na 5 s en >60 µC) moet hiervoor duidelijk worden
gewaarschuwd. Eventueel moet tegen aanraking worden geï soleerd (zie norm).
Bij contactstoppen e.d. waarbij de stroomgeleiders bij het verbreken van het contact
bereikbaar zijn moet de ontladingstijd ≤ 1 seconde. Als dit niet kan, is een IPXXB te
voorzien.
Art. nr. 6.3 Bescherming tegen indirecte aanraking
Ter bescherming tegen indirecte aanraking moet ten minste èèn van de volgende actieve (1) of
passieve (2 en 3) maatregelen worden toegepast:
1. Automatische onderbreking van de voeding, door:
- verbinding van metalen gestellen met beschermingsketen (zie aarding)
- gebruik van beveiligingstoestellen (hoofdstuk 7 in de norm).
2. Gebruik van toestellen van uitvoeringsklasse 11 of gelijkwaardige isolatie.
3. Elektrische scheiding (aparte ketens).
Art. nr. 6.4 Bescherming door gebruik van PELV (beschermende extra lage spanning)
PELV-stroomketens beschermen personen tegen direct en indirect aanrakingsgevaar. De
PELV-stroornketens moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
Pagina 59
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
-
maximaal 25 V wisselspanning of 60 V gelijkspanning; maximaal 1 A wisselstroom of
0,2 A gelijkstroom;
maximale niet-beschermde oppervlakken 80 mm2;
toepassing binnen huis en droog;
PELV-stroomketens scheiden/isoleren van andere stroomketens en verbinden met
beschermingsleiding van andere stroomketen;
metalen gestellen bij PELV- stroomketens scheiden/isoleren van andere stroomketens, of
verbinden met beschermingsleiding van andere stroomketen;
contactstoppen en -dozen mogen niet passen in contactdozen en -stoppen van andere
stroomketens;
stuurstroomketens moeten ook voldoen aan hoofdstuk 9 van norm EN 60204-1 ;
Voedingen voor het gebruik van de PELV kunnen zijn :
- veiligheidstransformator à zie ook norm EN 60742 ;
- bron die de zelfde veiligheid biedt als een veiligheidstransformator ;
- batterijen ;
- dieselalternatorgroepen ;
- elektronische bronnen.
B) Beveiliging van uitrusting :
Art. nr. 7.1 Algemeen
De uitrusting moet beveiligd zijn tegen gevolgen van:
- overstroom door kortsluiting (paragraaf 7.2);
- overbelasting (paragraaf 7.3);
- aardingsfouten ;
- afwijkende temperaturen (paragraaf 7.4);
- voedingsspanningsverlies of -verlaging (paragraaf 7.5);
- verkeerde fasevolgorde ;
- overtoerental van machine(delen) (paragraaf 7.6).
Art. nr. 7.2 Overstroombeveiliging
Indien toelaatbare vermogen van een onderdeel of de toelaatbare stroom in de stroomketen of
in geleiders kan worden overschreden, moet een overstroombeveiliging zijn aangebracht als
volgd: de specificaties overstroombeveiligingstoestel moeten zijn aan gegeven op het
installatieschema ;
Welke ketens beschermen?
2. hoofdstroomketens (nulleiders: zie norm);
3. (stroomketens naar transformatoren voor) stuurstroomketens ;
4. stroomketens naar contactdozen;
5. werkplekverlichtingketens (beveiliging moet gescheiden zijn van andere stroomketens!);
6. transformatoren (zie EN 60742) ;
7. moeten zijn aangebracht bij aansluiting van de voeding ;
8. het uitschakelvermogen van overstroombeveiligingstoestellen moet ten minste gelijk zijn
aan de verwachte kortsluitstroom. (Een lager uitscbakelvermogen is soms toegestaan: zie
norm);
9. de instelstroom van overstroombeveiligingstoetellen moet zo laag mogelijk worden
gekozen, maar wel praktisch bruikbaar zijn (zie ook paragraaf 14.4).
Pagina 60
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 7.3 Overbelastingsbeveîliging voor elektromotoren
Elke motor (>0.5 kW), moet zijn beveiligd tegen overbelasting. (bv. door
overbelastingsbeveiligingstoestellen, stroombegrenzers of (soms) temperatuursensoren.
In elke actieve geleider (m.u.v. de nulleider) moet een opsporing van overbelasting aanwezig
zijn. Dit geldt anders bij:
- aanwezigheid van stroombegrenzing of ingebouwde thermische beveiliging;
- éénfase- of gelijkstroomvoeding;
- motoren (< 2 kW) die frequent moeten aanlopen of afremmen ;
- op verzoek van de gebruiker .
Automatisch opnieuw aanlopen van een motor moet worden voorkomen bij gevaar.
Art. nr. 7.4 Beveiliging tegen afwijkende temperaturen
Stroomketens waarin afwijkende temperaturen kunnen optreden die een gevaar kunnen
veroorzaken moeten zijn voorzien van een geschikt detectiesysteem.
Art. nr 8.5 Beveiliging tegen voedingsonderbreking of spanningsverlaging met aansluitend
herstel. Wanneer een verlaging/onderbreking van de voeding een gevaar kan opleveren moet
een onderspanningstoestel evt. met vertraagde werking, zijn aangebracht. De stopfunctie van
de machine mag hierbij niet nadelig worden beï nvloed. Automatisch herstarten moet worden
voorkomen bij gevaar.
Art. nr. 7.6 Beveiliging tegen overtoerental van motoren.
Dit kan door een centrifugaalschakelaar of een snelheidsbegrenzer.
Beveiligen van de fasevolgorde is te voorzien als een verkeerde fasevolgorde schade of
gevaarlijke toestanden kan veroorzaken.
Pagina 61
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.5 Volgens norm EN 60439-1 i.v.m. beveiliging
Art. nr. 7.2.1 Beschermingsgraad
Voor schakel- en verdeelinrichtingen voor binnenopstellingen waarvoor geen eis over het
binnendringen van water bestaat, worden aanbevolen :
IP00, IP2X, IP3X, IP4X, IP5X.
Indien er een bepaalde beschermingsgraad tegen binnendringen van water is vereist, geeft de
volgende tabel de aanbevolen IP-aanduidingen :
Eerste cijfer
Bescherming tegen binnendringen
van vaste deeltjes.
Tweede cijfer
Bescherming tegen binnendringen
van water.
1
2
3
4
5
2
IP21
3
IP31
4
IP32
IP42
5
IP43
IP53
6
IP54
IP55
IP64
IP65
Tabel 34: Beschermingsgraden van toestellen
Art. nr. 7.2.1.2 De beschermingsgraad van een schakel- en verdeelinrichting moet ten minste
IP2X zijn.
Art. nr. 7.2.1.3 Schakel- en verdeelinrichtingen voor buitenopstellingen die niet voorzien zijn
van aanvullende beschermingen moeten minstens een beschermingsgraad van IP3X hebben.
Art. nr. 7.4.2 Bescherming tegen directe aanraking
Bescherming tegen directe aanraking kan worden verkregen door passende constructieve
maatregelen aan de schakel- en verdeelinrichting.
1
Bescherming door isolatie van actieve delen.
De isolatie kan alleen verwijderd worden door beschadiging.
2
Bescherming door afschermplaten of omhulsels
Aan de volgende bepalingen moet zijn voldaan :
alle uitwendige oppervlakken moeten een bzschermingsgraad hebben van ten minste
IP2X of IPXXB als bescherming tegen directe aanraking ;
-
Pagina 62
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
-
-
stevige bevestiging en duurzaam, bestand tegen bij normaal bedrijf optredende
belastingen ;
indien het noodzakelijk is van de afscherming te verwijderen of te openen dient aan de
volgende eisen voldaan te worden :
het wegnemen of openen mag slechts mogelijk zijn met een sleutel of gereedschap ;
alle actieve, aanraakbare delen moeten uitgeschakeld worden bij het openen van de
deuren ; Bijvoorbeeld vergrendeling van de deur met een scheider, zodat de deur pas
kan openen als de scheider geopend is. De scheider mag niet kunnen worden
ingeschakeld zolang de deur geopend is.
schakel- en verdeelinrichting moet voorzien zijn van een afschermplaat zodat actieve
delen afgeschermd zijn en niet opzettelijk aangeraakt kunnen worden bij geopende deur ;
Art. nr. 7.4.3 Bescherming tegen indirecte aanraking
Bijvoorbeeld door gebruik te maken van beschermingsstroomketens die het volgende
voorzien :
- bescherming tegen de gevolgen van fouten binnen de schakel- en verdeelinrichting ;
- bescherming tegen de gevolgen van fouten in uitwendige stroomketens die door de
schakel- en verdeelinrichting worden gevoed.
Art. nr. 7.4.3.1.2 Bepaalde delen van de installatie hoeven niet geaard te worden :
- omdat zij niet op een groot oppervlak kunnen aangeraakt worden of met de hand kunnen
vastgepakt worden ;
- of omdat ze kleiner zijn dan 50mm x 50mm ;
- bijvoorbeeld schroeven, klinknagels en naamplaatjes.
Art. nr. 7.4.3.1.3 Bedieningsorganen (handels, handwielen, …) moeten :
- verbonden zijn met de beschermingsketen ;
- of voldoende veilig geisoleerd zijn.
Art. nr. 7.4.3.1.4 Metalen delen die zijn voorzien van vernis of email, zijn niet voldoende
geisoleerd.
Art. nr. 7.4.3.1.5 De verbinding van beveiligingsstroomketens moet gewaarborgd blijven.
Tijdens een routine-onderhoud :
a) Indien er omhulsels van schakel- en verdeelinrichtingen dienen geopend te worden,
mogen de beveiligingsketens van overige delen niet worden onderbroken.
! Flexibele metalen kabelbuizen mogen niet als beschermingsgeleider worden gebruikt !
c) schroefverbindingen en metalen scharnieren voldoen om deksels, deuren, afsluitplaten en
dergelijke van een doorgaande verbinding te verzekeren mits op deze delen geen
elektrische componeneten zijn geplaatst.
Pagina 63
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Indien op de deuren en deksels componenten zijn geplaatst met een hogere spanning dan de
grens voor veilige zeer lage spanning, moeten bijkomende maatregelen getroffen worden om
te zorgen voor een continue verbinding met de beveiligingsstroomketen.
De onderdelen worden voorzien van een aansluiting op de beschermingsketen met een
geleider die een doorsnede heeft gelijk aan grootste doorsnede van de voedingsleiding op de
uitrusting.
d) alle delen van de beschermingsketen dienen bestand te zijn tegen de hoogste thermische
en dynamische belastingen die kunnen optreden.
f) Indien een doorgaande verbinding die gescheiden kan worden door een connector of
stopcontact mag de beveiligingsketen pas worden gescheiden na het onderbreken van de
actieve geleiders.
Art. nr. 7.4.3.1.9 Leidingen naar bepaalde beveiligingstoestellen moeten zorgvuldig zijn
geisoleerd.
Art. nr. 7.4.3.1.10 Aanraakbare delen die niet met bevestigingsmiddelen met de
beschermingsketen kunnen verbonden worden, moeten om een beveiliging te bekomen
worden verbonden met de beveiligingsstroomketen met behulp van een geleider met een
doorsnede volgens de tabel op de volgende pagina.
Nominale bedrijfsstroom
Ie in A
20
25
32
63
<
<
<
<
Ie
Ie
Ie
Ie
Ie
≤
≤
≤
≤
20
25
32
63
Minimale doorsnede van de geleider
in mm²
S
2,5
4
6
10
S = doorsnede van fasegeleider
Tabel 35: Doorsnede van geleiders in functie van de nominale bedrijfsstroom
Art. nr. 7.4.3.1.11 De doorsnede van de PEN-geleider wordt op dezelfde manier bepaald als
die van de nulleider (N).Indien ze van koper (Cu) zijn moet de minimale doorsnede 10 mm²
zijn. PEN-geleiders hoeven niet geisoleerd te zijn.
Constructiedelen mogen niet gebruikt worden als PEN-leiding.
Montagerails van koper of aluminium mogen echter wel als PEN-leiding worden gebruikt.
Art. nr. 7.4.3.2 Bescherming zonder beschermingsstroomketen door :
- elektrische scheiding van stroomketens ;
- volledige isolatie.
Pagina 64
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 7.4.3.2.2 Bescherming door volledige isolatie
Voor de bescherming tegen indirecte aanraking door volledige isolatie moet zijn voldaan aan :
- volledige omringing door isoleerend materiaal
Het symbool moet op de buitenzijde zichtbaar zijn :
- het isoleerende materiaal moet bestand zijn tegen veroudering, vlamvast, elektrische en
thermische belastingen ;
- het omhulsel mag op geen enkele plaats worden onderbroken ;
- wanneer het schakel- en verdeelmechanisme is aangesloten op de voeding, moeten alle
actieve delen worden omsloten. De beschermingsgraad van het omhulsel moet tenminste
IP3XD zijn ;
- indien deuren en deksels geopend kunnen worden zonder sleutel, moet er een hindernis
van isolerend materiaal aanwezig zijn, die bescherming biedt tegen onopzettelijke
aanraking.
Art. nr. 7.4.4 Beveiliging tegen restspanning
Indien de schakel- en verdeelinrichtingen uitrustingen bevatten die na het uitschakelen nog
een gevaarlijke lading bevatten (bijvoorbeeld condensatoren), moet er een waarschuwing zijn
aangebracht.
Art. nr. 7.5 Kortsluitvastheid en beveiliging tegen kortsluiting
Schakel- en verdeelinrichtingen kunnen beveiligd worden tegen kortsluitstromen door
bijvoorbeeld vermogenschakelaars, smeltveiligheden of combinaties van beide.
Art. nr. 7.5.4.2 Continuiteit van energievoorzieningen
Beveiligingstoestellen zo instellen dat, indien er een fout optreedt, een kortsluiting in het
afgaande veld wordt afgeschakeld zonder dat andere aftakkingen worden beinvloed, zodat de
selectiviteit gewaarborgd blijft.
Art. nr. 7.5.5.1 Hoofdstroomketens
De stroomrails dienen zo te zijn uitgevoerd dat geen kortsluiting onder normale
omstandigheden is te verwachten.
Art. nr. 7.5.5.2 Hulpstroomketens moeten beveiligd zijn tegen de gevolgen van kortsluiting.
Er mogen geen kortsluitbeveiligingen worden toegepast, indien het in werking treden daarvan
gevaren met zich meebrengt.
Pagina 65
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 6: Stuurkringen en bedieningssystemen
6.1 Betrouwbare onderdelen en componenten
Algemeenheden
Componenten en onderdelen conform met de voorwaarden van de EN 60 947-5.1 voldoen
zeker aan de voorwaarden van ‘betrouwbaar zijn’ . Elektrische onderdelen en toestellen
moeten geschikt zijn voor de beoogde toepassingen (huishoudelijk – industrieel – uitwendige
invloeden) en moeten voldoen aan de van toepassing zijnde Europese normen, indien ze
bestaan. Bij ontstentenis (ontbreken) van Europese normen volstaan de desbetreffende IEC
normen.
De plaats van opstelling wordt bepaalt door :
- al of niet aanwezig zijn van stof ;
- al of niet aanwezig zijn van vocht ;
- al of niet aanwezig zijn van trillingen ;
- al of niet aanwezig zijn van bijtende dampen ;
- al of niet aanwezig zijn van ongedierte ;
- omgevingstemperatuur ;
- EMC-richtlijn voorwaarden ;
- mogelijkheid tot mechanische beschadigingen van leidingen en/of componenten ;
- explosierisico (wordt niet behandelt in EN 60204-1) ;
- verhoogd brandgevaar als gevolg van diverse omstandigheden .
6.2 Bijlage uit richtlijn Arbeidsmiddelen :
Voorwaarden gesteld aan bedieningssystemen
Art. nr. 3.1
- de bedieningssytemen moeten veilig zijn ;
- een storing of beschadiging van het bedieningssysteem mag niet tot gevaarlijke situaties
leiden;
- de bedieningssytemen moeten zich buiten de gevaarlijke zones bevinden, behalve in
uitzonderlijke gevallen ;
- onopzettelijke handelingen mogen geen gevaren tot gevolg hebben ;
- de persoon die de bediening uitvoert moet vanaf de bedieningspost kunnen vaststellen of
er zich personen in de gevaarlijke zones bevinden ;
- indien er toch personen in de gevaarlijke zones zijn, zonder dat dit zichtbaar is, zijn
waarschuwingssignalen verplicht, voorbeeld geluid- en/of lichtsignalen. Deze signalen
moeten voor de machinestart gegeven worden. Dit systeem moet veilig zijn.
- de blootgestelde personen moeten de tijd of de middelen hebben om een ontstane gevaar,
als gevolg van starten of stoppen, snel te onlopen.
Art. nr. 3.3
- elk arbeidsmiddel moet binnen de kortst mogelijke tijd gestopt worden op een veilige
manier ;
- de bediening moet binnen handbereik zijn van de operator ;
- stoppen moet voorang hebben op starten .
Pagina 66
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 3.4
Indien het nodig is met het oog op de gevaren van het arbeidsmiddel en de normale
uitschakeltijd, moet een arbeidsmiddel voorzien zijn van een noodstopinrichting.
6.3 Voorstel tot mogelijke oplossingen
-
-
voer een risicoschatting uit volgens de normen EN 1050 en EN 954 ;
bepaal de veiligheidsklasse B, 1, 2, 3 of 4 ;
een sturing via een IT net is meestal een ernstig risico, ook voor bestaande machines en
arbeidsmiddelen ;
een TT-net is aanvaardbaar in bepaalde machines mits het risico gering is ;
een TN-S-net kan in een aantal gevallen ;
een sturing rechtstreeks van het laagspanning netsysteem is sterk af te raden indien
veiligheidsklasse 2 noodzakelijk is ;
voor veiligheidskringen van categorie 3 en/of 4 is rechtstreekse voeding vanaf het
laagspanningsnet onmogelijk. Het advies wordt nu een veiligheidsrelais te gebruiken dat
conform is met de normen en deze aan te sluiten zoals voorgeschreven wordt ;
Art. nr. 9 van EN 60204.1 kan u inspireren ;
niet alle omstandigheden en voorwaarden moeten gevolgd worden die in Art. nr. 9 van EN
60204.1 beschreven staan. In functie van de risicoschatting volstaat het principen te
volgen, maar hoe dan ook de ‘stand der technologie’ te volgen op vlak van de veiligheid.
6.4 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. stuurkringen
Art. nr. 9. l Stuurstroomketens
1. Voor de voeding van de stuurstroomketens moeten transformatoren worden gebruikt met
aparte wikkelingen (behalve machines met een vermogen van < 3kW) m.a.w.
scheidingstransfo’s.
Bij meer dan één transformator wordt aanbevolen ervoor te zorgen dat de secundaire
spanningen in faze zijn. Gelijkspanningsstuurstroomketens die verbonden zijn met
beschermingsketen moeten worden gevoed vanaf een aparte wikkeling van de transformator
van wissel-spanningstuurstroomketen of vanaf de transformator van een andere
stuurstroomketen.
AC
AC
DC
AC
AC
AC
DC
Fig. 111
2. De stuurspanning moet geschikt zijn voor een juiste werking van de keten, maar mag niet
hoger zijn dan 277 V, indien geleverd door een transformator.
3. Beveiliging moet aanwezig zijn tegen overstroom en tegen overbelasting.
4. Aansluiting van bedieningstoestellen
Indien uitgevoerd met een TN-S-net moet elk elektrisch toestel met één aansluitklem
verbonden worden met de beschermingsketen van de stuurstroomketen (indien aanwezig).
Pagina 67
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 9.2 Besturingsfuncties
1. Startfuncties werken door inschakeling (sluiting) van de desbetrefende stroomketen.
2. Er zijn drie soorten stopfuncties:
categorie 0 : niet bestuurde stop ;
categorie 1 : bestuurde stop, verbreking van de voeding nadat de machine gestopt is ;
categorie 2 : bestuurde stop, machine stopt zonder verbreking van de voeding ;
Elke machine moet stopfunctie 0 bezitten.
Stopfunctie 1 moet aanwezig zijn wanneer de veiligheidsfunctionaliteit dat vereist, o.a.
blijkens de risicobeoordeling. Stopzetten gebeurt door stroomloos maken van de stroomketens
en moet dominant zijn over startfuncties.
3. Via vergrendeling zijn gevaarlijke toestanden te voorkomen (bijvoorbeeld door een
sleutelschakelaar, een toegangscode, …). De operator moet via een aparte handeling zelf de
opdracht tot het starten geven. De beveiliging moet doeltreffend zijn in al de
bedrijfsmogelijkheden.
4. Indien een tijdelijke overbrugging van 1 of meer beveiligingen nodig is, moet een
keuzeschakelaar of andere middelen toegepast worden, die in de gewenste stand kan worden
vergrendeld tegen het automatisch gaan werken.
Art. nr. 9.2.5
A) Starten
Een machine mag alleen dan kunnen starten, wanneer alle beveiligingsmiddelen
functioneren. Als meer dan één bedieningsplaats bij de start nodig is geldt:
- aan alle vereisten voor werking moet zijn voldaan;
- alle startschakelaars moeten gelijktijdig worden bediend.
Voor iedere bedieningsplaats geldt:
- een aparte startschakelaar met handbediening moet aanwezig zijn;
- alle startschakelaars moeten in de "uit"- stand staan voor het aanzetten van de machine.
B) Stoppen
Passende maatregelen zijn vereist voor het betrouwbaar stopzetten van de machine. De keuze
van de stop is het gevolg van de evaluatie van de risico’s, eigen aan het gebruik van de
machine. Bovendien zijn passende maatregelen vereist voor betrouwbaar stopzetten. Het
terugstellen van de stopfunctie mag niet tot gevaarlijke situaties leiden.
Art. nr. 9.2.5.4 Noodstop
- voor meer gedetaileerde uitleg verwijzen we in hoofdstuk 8 naar 8.8 Noodstop;
- de noodstopvoorziening moet conform zijn met EN 418 ;
- resetten mag de machine niet opnieuw doen starten ;
- indien nodig moeten bijkomende noodstoppen kunnen aangesloten worden ;
- de noodstop moet werken als een stop van categorie 0 of 1 ;
- de keuze van 0 of 1 is functie van de risico-evaluatie ;
- noodstop van categorie 0 is gebouwd met elektromechanische onderdelen en vaste
bedrading ;
- noodstop van categorie 1à uitschakelen van de energietoevoer via elektromechanische
onderdelen.
Pagina 68
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 9.2.6 Gecombineerde start-stop
Drukknoppen en andere toestellen die afwisselend een beweging of een stop realiseren.
Art. nr. 9.3 Vergrendelingen
Art. nr. 9.3.1 Terugstellen van vergrendelingen
Het terugstellen van een vergrendeling mag geen machine in beweging brengen of een
indienststelling tot gevolg hebben als dit een gevaar zou meebrengen.
Art. nr. 9.3.2 Begrenzing van de bewegingen
Wanneer een overschrijden van een loop tot een gevaar kan leiden moet een eindeloop
geplaatst worden die de desbetreffende VERMOGENKRING onderbreekt.
Art. nr. 9.3.3 Werking van hulpfuncties
De werking van hulpfuncties moet gecontroleerd worden door middel van passende
toestellen. Bijvoorbeeld : een drukvoeler.
Art. nr. 9.3.4 Onderlinge vergrendeling tussen verschillende bedrijfstoestanden voor
tegengestelde bewegingen.
- contactoren, relais en andere stuurtoestellen die de machine bevelen gevaarlijke toestanden
kunnen leiden moeten beveiligd worden tegen deze gevaarlijke situaties ;
- omkeercontactoren (PING-PONGS) moeten zo vergrendeld zijn, dat bij normale
omstandigheden een kortsluiting is uitgesloten tijdens het schakelen ;
- om continue werking te verzekeren moeten geschikte vergrendelingen voor passende
coordinatie zorgen.
Art. nr. 9.3.5 Tegenstroomremmen
Wanneer men voor de afremming van een motor tegenstroom gebruikt, moeten er
maatregelen genomen worden om te beletten dat op het einde van de afremming, de motor in
tegengestelde richting gaat draaien. Een toestel dat op enkel werkt op tijdsinstelling is
hiervoor NIET toegelaten.
Stuurkringen moeten zo gerealiseerd worden dat de rotatie van een motoras, hetzij manueel of
via een andere wijze, geen gevaar met zich meebrengt.
Art. nr 9.4.2.3 Toepassing van diversiteit
Het gebruik van stuurstroomschakelingen met verschillende soorten toestellen, kunnen
risico’s in geval van fout of defect verkleinen door bijvoorbeeld ;
- combineren van normaal open en gesloten contacten ;
- gebruik van verschillende soorten onderdelen in de stuurstroomkringen ;
- redundante configuraties.
Art. nr 9.4.3 Aardfouten in stuurstroomketens mogen niet leiden tot onopzettelijk starten,
gevaarlijke bewegingen of een niet te stoppen machine. Daarvoor dient verbinding met de
beschermingsketen en juiste aansluiting aanwezig te zijn. Stuurstroomketens die worden
gevoed door transformatoren zonder verbinding met de beschermingsketen moeten zijn
voorzien van isolatiebewaking.
Machinefuncties die bij onjuiste start en stop gevaar kunnen opleveren moeten meerpolige
stuurstroomschakelaars bezitten die alle actieve geleiders onderbreken, indien de
stuurstroomketen niet rechtstreeks is verbonden met de geaarde geleider.
Pagina 69
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
6.5 Volgens norm EN 60439-1 i.v.m stuurkringen
Deze internationale norm is van toepassing op schakel- en verdeelinrichtingen voor
laadspanning (geheel of gedeeltelijk aan typeproeven onderworpen schakel- en
verdeelinrichtingen : TTA’s resp. PTTA’s) met een nominale spanning van ten hoogste
1000V bij wisselstroom met frequenties tot maximaal 1000Hz, of ten hoogste 1500V bij
gelijkstroom
Art. nr. 2.3.2 Schakel en verdeelbord
Een schakel en een verdeelbord dat is voorzien van een frontplaat moet aan de voorzijde een
beschermingsgraad bieden van tenminste IP2X, voor andere zijden mogen actieve delen
toegankelijk zijn.
Art. nr. 2.3.3 Omsloten schakel- en verdeelinrichtingen
Schakel en verdeelinrichting die aan alle zijden, eventueel met uitzondering van het
bevestigingsvlak, zodanig is omsloten dat een beschermingsgraad wordt bekomen van ten
minste IP2X.
Art. nr. 2.4.5 Het omhulsel
Dit deel van de uitrusting beschermt tegen bepaalde uitwendige invloeden en biedt naar alle
zijden bescherming tegen directe aanraking zodat een beschermingsgraad wordt verkregen
van ten minste IP2X.
Art. nr. 2.4.11 Afscherming
Een deel dat bescherming biedt tegen directe aanraking vanuit elke gebruikelijke
toegangsrichting en tegen eventuele ontladingsbogen van schakeltoestellen en dergelijke dient
ten minste een beschermingsgraad te hebben van IP2X.
Art. nr. 2.6 Beschermendevoorzieningen tegen aanrakingsgevaar
Art. nr. 2.6.3 Beschermingsleiding (PE)
Dient ter bescherming tegen aanrakingsgevaar, om een elektrische verbinding tot stand te
brengen tussen de volgende delen :
- metalen gestellen ;
- vreemde geleidende delen ;
- hoofdaardklem ;
- aardelektrode ;
- met de aarde verbonden punt van de aanvoer of kunstmatig sterpunt.
Art. nr. 2.8 Elektronische functies
Art. nr. 2.8.1 Afscherming
Een omhulsel dient toegepast te worden ter bescherming van geleiders of uitrusting tegen
storing, in het bijzonder die welke veroorzaakt wordt door elektromagnetische straling
afkomstig van andere geleiders of uitrusting.
Art. nr. 5.1 Naamplaten
Elke schakel- en verdeelinrichting moet zijn voorzien van één of meer naamplaten die op
duurzame wijze zijn gemerkt en zo zijn aangebracht dat zij zichtbaar en leesbaar zijn, nadat
de schakel- en verdeelinrichting is opgesteld.
Pagina 70
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Welke gegevens op een naamplaat horen te staan volgens de norm EN 60439-1 wordt op de
volgende pagina weergegeven.
Gegevens op een kenplaatje :
- handelsmerk of naam van de fabrikant ;
- typeaanduiding of identieficatienummer ;
- IEC 439-1 ;
- stroomsoort (en frequentie bij wisselstroom) ;
- nominale bedrijfsspanning ;
- nominale isolatiespanning ;
- nominale spanningen van hulpstroomketens (indien van toepassing) ;
- grenswaarden voor de werking ;
- nominale stroom voor elke stroomketen (indien van toepassing) ;
- kortsluitvastheid ;
- beschermingsgraad ;
- beschermende voorzieningen voor personen ;
- aardingssytemen waarvoor de schakel- en verdeelinrichting is berekend ;
- afmetingen ;
- gewicht.
Art. nr 6 Bedrijfsomstandigheden
Art. nr. 6.1.1.1 Omgevingstemperatuur bij binnenopstellingen
De omgevingstemperatuur mag niet hoger zijn dan 40°C, de gemiddelde waarde gedurende
een periode van 24 uren niet hoger dan 35°C.De ondergrens voor de omgevingstemperatuur
bedraagt –5°C.
Art. nr. 6.1.1.2 Omgevingstemperatuur bij buitenopstellingen
De omgevingstemperatuur mag niet hoger zijn dan 40°C, de gemiddelde waarde gedurende
een periode van 24 uren niet hoger dan 35°C.De ondergrens voor de omgevingstemperatuur
bedraagt –25°C in een gematigde klimaatzone, en –50°C in een poolzone.
Art. nr. 6.1.2.3 Vervuilingsgraad
Heeft betrekking op de omgevingsomstandigheden waarvoor de schakel- en verdeelinrichting
is bedoeld. Om de lucht- en kruipwegen te bepalen, worden de volgende 4 vervuilingsgraden
in het micromilieu onderscheiden.
Vervuilingsgraad 1 : Er treedt geen vervuiling op of alleen droge, niet-geleidende vervuiling.
Vervuilingsgraad 2 : Gewoonlijk treedt er slechts niet-geleidende vervuiling op. Af en toe
kan er echter tijdelijk enige geleidbaarheid optreden ten gevolge van
condensatie.
Vervuilingsgraad 3 : Er treedt geleidende vervuiling op of er treedt droge, niet-geleidende
vervuiling op die als gevolg van condensatie geleidend wordt.
Vervuilingsgraad 4 : De vervuiling veroorzaakt aanhoudende geleidbaarheid die het gevolg
is van bijvoorbeeld geleidende stof of regen of sneeuw.
Art. nr. 6.1.3 Hoogte
De hoogte van de plaats van opstelling bedraagt niet meer dan 2000m boven de zeespiegel.
Art. nr. 7.1.2.1 Kruip- en luchtwegen
Moeten voldoen aan de voor de uitrusting (blanke, actieve geleiders, aansluitpunten zoals
stroomrails, verbindingen, kabelschoenen) geldende eisen. Zij moeten gehandhaafd blijven bij
normale bedrijfsomstandigheden. Bij het installeren van de schakel- en verdeelinrichtingen
Pagina 71
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
moeten de voorgeschreven kruip- en luchtwegen of de stoot-houdspanningen worden
aangehouden.
Art. nr. 7.1.2.3.2 Stoot-houdspanningen van de hoofdstroomketen
- luchtwegen vanaf actieve delen tot geaarde delen en tussen polen moeten bestand zijn
tegen de proefspanning volgens tabel aangegeven bij de nominale stoot-houdspanning ;
- luchtwegen tussen open contacten, in scheidingsstand, moeten bestand zijn tegen
proefspanningen volgens tabel.
Art. nr. 7.1.2.3.4 Luchtwegen
Moeten ruim genoeg zijn zodat de stroomketens bestand zijn tegen de proefspanningen.
Luchtwegen moeten groter zijn dan de waarden van tabel geval B, voor homogeen veld
Er is geen beproeving indien de luchtwegen groter zijn dan geval A in tabel.
Art. nr. 7.1.2.3.5 Kruipwegen
Vervuilingsgraad 1 en 2 :
de kruipwegen mogen niet kleiner zijn dan de luchtwegen
volgens Art. nr. 7.1.2.3.4.
Vervuilingsgraad 3 en 4 :
de kruipwegen mogen niet kleiner zijn dan geval A van tabel om
het risico van doorslag ten gevolge van overspanning te
verminderen.
Art. nr. 7.1.3 Aansluitklemmen voor uitwendige geleiders
1 Aansluitklemmen dienen geschikt te zijn voor aluminium, koper of beiden.
3
De beschikbare aansluitruimte moet een goede aansluiting van uitwendige geleiders en bij
gebruik van meeraderige kabels, het uitsplitsen van de aders mogelijk maken.
4
In driefasenstroomketens met nul moeten de klemmen voor de nulleider geschikt zijn voor
het aansluiten van koperen geleiders voor een stroomvoeringscapaciteit :
die gelijk is aan de helft van de stroomvoeringscapaciteit van de fasegeleider, met een
minimum van 10 mm², indien defasegeleider groter is dan 10 mm².
die gelijk is aan de stroomvoeringscapaciteit van de fasegeleider, indien de doorsnede van
de fasegeleider gelijk of kleiner is dan 10 mm².
-
5
Aansluitmogelijkheden voor de nul-, beschermings- of PEN-geleider moeten aangebracht
zijn in de nabijheid van de aansluitklemmen van de fasegeleiders.
6
Openingen in kabelinvoeringen, afsluitplaten, …dienen zo te zijn uitgevoerd dat na het
aansluiten van de kabels een beschermende voorziening tegen aanrakingsgevaar en de
aangegeven beschermingsgraad zijn verkregen.
7
Aanduidingen van aansluitklemmen dienen te voldoen aan IEC 445.
Art. nr. 7.6.2.1 Toegankelijkheid
Aansluitklemmen dienen zich te bevinden op ten minste 0,2 m boven het opstellingsvlak
(Bijvoorbeeld de vloer) zodat de kabels makelijk kunnen worden aangesloten.
Aanwijsinstrumenten die zich in schakel- en verdeelinrichtingen bevinden, mogen zich niet
hoger dan 2 m bevinden ten opzichte van de vloer voor de bediening.
Pagina 72
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Bedieningsorganen, zoals handels, drukknoppen, … ,moeten zonder moeite kunnen worden
bediend, dit betekent dat ze zich niet hoger dan 2 m ten opzichte van de vloer van de
bediening mogen bevinden.
Noodstop elementen zouden toegankelijk moeten zijn in een zone tussen 0,8 en 1,6 m boven
de vloer voor de bediening.
Art. nr. 7.6.2.3 Afschermplaten
Om gevaren bij het vervangen van smeltpatronen tot een minimum te leiden, moeten
afschermplaten tussen de fasen aangebracht zijn tenzij de uitvoering van de smeltveiligheden
dit overbodig maakt.
Art. nr. 7.6.5.1 Aanduidingen van geleiders in hoofdstroomketens
De aanduidingen moeten overeenkomen met de aanduidingen in de schakelschema’s.
Voor de aanduidingen kunnen kleuren of symbolen gebruikt worden.
Art. nr. 7.6.5.2 Aanduiding van de beschermingsgeleider en de nul van de hoofdstroomketen
Beschermingsgeleider (PE) :
Beschermgeleiders moeten duidelijk herkenbaar zijn door vorm, ligging, merkteken of kleur.
Als kleur gebruiken we groen-geel en bij voorkeur over de hele lengte van de geleider.
De aanduiding van de beschermingsgeleider moet zijn gemerkt volgens IEC 445 met de
letters PE.
Als grafisch symbool past men symboolnr. 5019 toe van de norm IEC 417.
Nulgeleider (N) :
Nulgeleiders dienen duidelijk herkenbaar te zijn door vorm, merkteken, ligging of kleur. Als
kleur wordt lichtblauw aanbevolen.
Art. nr. 7.8.3 Bedrading
1 De geisoleerde geleiders moeten ten minste de nominale isolatiespanning kunnen
verdragen.
2 Kabels tussen 2 aansluitpunten mogen geen lassen of gesoldeerde verbindingen bevatten.
Verbindingen moeten met aansluitklemmen worden uitgevoerd.
3 Geisoleerde leidingen mogen niet rusten op blanke actieve delen met een ander potentiaal
of op scherpe hoeken. Ze moeten goed en veilig ondersteund worden.
4 Voedingsleidingen in deuren of deksels mogen niet beschadigd worden bij het bewegen
van de deur of deksel.
Pagina 73
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 7: Bedieningsorganen
7.1 Soorten bedieningselementen
We geven een overzicht over de soorten drukknoppen en schakelaars en in welke kleuren ze
te verkrijgen zijn.
A) Drukknoppen en vuistslagdrukknoppen
Fig. 111: Drukknopschakelaar
met vlakke drukknop
Fig.112: Drukknop met
verhoogde drukknop
Fig. 114: Verhoogde drukknop
met vergrendeling
Fig. 113: Paddestoeldrukknop
Fig.115: Paddestoeldrukknop
sleutelvergrendeld
B) Keuzeschakelaars
De keuzeschakelaars zijn in verschillende uitvoeringen verkrijgbaar.
De kleur van de draaiknoppen:
Vormgeving: - rond, metaal;
- rond, thermoplast;
- vierkant, thermoplast.
Aantal standen: 2, 3, 4 of 5 standen.
Vast of terugverende.
Met of zonder sleutel.
Fig. 116
C) Verlichte drukknoppen en verlichte keuzeschakelaars
Mogelijk te verkrijgen kleuren:
of kleurloos
Fig. 117
Pagina 74
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
D) Andere drukknoppen en schakelaars
Noodknop met rode hendel.
Resetknop met een blauwe achtergrond en een wit symbool.
Fig. 118: Boven: noodstopknop; Onder: Resetknop
E) Uitgeruste kastjes
Fig. 119: Kastje met 3 boringen
Fig. 120: Kastjes met 1 boring
F) Toebehoren voor de noodstop
De nood-uit-schakelaar heeft altijd een rode bedieningselement
Om een goed contrast te krijgen gebruikt men een gele achtergrond met
het opschrift ‘NOOD-UIT’
Fig. 121: Achtergrondplaatjes voor noodstopschakelaars
Pagina 75
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7.2 Volgens norm NEN EN 292-2 i.v.m. bedieningsorganen
Art. nr 3.7.7 Beginselen i.v.m. handbediening
- de bedieningsorganen moeten voldoen aan de ergonomische eisen;
- voor iedere start moet een stop staan;
- bedieningsorganen moeten op een veilige plaats staan, buiten de gevaarlijke zone, met
uitzondering voor de noodstop;
- maar slechts 1 bedieningsorgaan mag werkzaam zijn;
- bedieningsorganen mogen niet bedienen bij een onopzettelijke handeling;
7.3 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. bedieningsorganen
Bedieningsinterface en bedieningstoestellen op de machine
Art. nr 10.1 Algemeen
1. Eisen aan bedieningstoestellen op machines:
- goed toegankelijk;
Eisen aan met de hand bediende hedieningstoestelten:
- niet lager geplaatst dan 0,6 m boven bedieningsvloer;
- geen gevaar opleveren voor bedieningspersoneel;
- minimale mogelijkheid tot onbedoeld bedienen.
2. Bedieningsinterface en besturingstoestellen moeten bestand zijn tegen te verwachte
belastingen, minimaal volgens 1P54, en tegen de gevolgen van agressieve en verontreinigende
omgevingsstoffen.
3. Standopnemers mogen niet worden beschadigd bij te grote uitslag. Mechanisch bediende
standopnemers ter beveiliging moeten werken met gedwongen schakelende contacten.
Art. nr. 10.2 Drukkooppen
1. Drukknoppen moeten een kleur bezitten volgens tabel 2 (zie norm)
Te gebruiken kleuren voor genoemde functies:
START:
wit (voorkeur), grijs, zwart;
groen (eventueel) ;
geen rood;
NOODSTOP :
rood;
STOP :
zwart (voorkeur) ;
grijs, wit, rood (rood niet toepassen in de omgeving van een nnodstop);
geen groen! ! !
Afwisselend START/STOP:
wit, grijs, zwart;
geen rood, geel of groen ! ! !
Dodèmans-knop : wit, grijs, zwart;
geen rood, geel of groen ! ! !
RESET met STOP: wit, grijs. zwart;
géén groen ! ! !
2. Aanbevolen wordt de drukknoppen te merken met symbolen uit deze norm.
Pagina 76
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 8 : Noodstop
8.1 Inleiding naar noodstop
Elke installatie, machine of machineonderdeel, moet voorzien zijn van één of meerdere
noodstopinrichtingen waarmee in een plots dreigende of gevaarlijke situatie de installatie, de
machine of machineondereel kan worden stilgelegd.
Onder noodstopinstallatie verstaan we het geheel
noodstopsignallisatiekringen in één of meerdere machines.
van
noodstopkringen
en
8.1.1 Algemeen princiepe van een noodstopkring
-
stopzetting van een gevaar of dreigend gevaar ;
geen bijkomende risico’s scheppen ;
elementaire stroombanen voor de voeding van spaninrichtingen, reminrichtingen, afzuigen
van dampen en gassen, … mogen niet onderbroken worden.
8.1.2
Complexe installaties
Bij installaties, machines of machinedelen die ontworpen zijn om in combinatie te
functioneren, moet de installatie of machine zo ontworpen worden dat met een noodstopkring
niet alleen de installatie of machine zelf in noodstop wordt gebracht maar tevens alle daarvoor
of daarachter geschakelde installaties of machines, indien het blijven functioneren daarvan
gevaar kan opleveren.
Opsplitsen in secties
Een noodstopkring kan opgesplitst worden in secties die afzonderlijk in noodstop kunnen
gebracht worden . Het kan tevens nodig zijn een gemeenschappelijke noodstop te voorzien die
alle secties samen in noodstop brengt.
Bij het bepalen van de secties moet men rekening houden met :
- samenhorigheid van machinedelen ; Machinedelen die zich in een zelfde omgeving
bevinden dienen tot eenzelfde sectie te behoren.
- producttechnische samenhorigheid van machinedelen ;
- onderlinge afhankelijkheid van secties ‘combineren van secties’.
Combineren van secties
Het is mogelijk dat verschillende secties omwille van veiligheidsredenen en/of het proces
moeten gecombineerd worden. Wanneer één sectie in noodstop wordt gebracht komen de
overige secties, die deel uitmaken van de combinatie, ook in noodstop.
Er moet voor gezorgd worden dat deze maatregel geen bijkomende gevaren levert.
Een typisch voorbeeld hiervan is de ‘cascade-schakeling’. Wanneer hier 1 sectie in noodstop
gebracht wordt, komen alle secties stroomafwaarts in de cascade eveneens in noodstop terwijl
de voorliggende secties in dienst blijven.
De juiste keuze van een noodstopbeveiliging is van vitaal belang voor de mensen op de
werkvloer. Om een duidelijke inleiding te geven naar de noodstop bespreken we eerst een
aantal belangrijke basisbegrippen die meespelen bij de keuze van een noodstopbeveiliging.
Pagina 77
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.1.3
Relevante normen
EN 292 deel 1: Beveiligen van machines – algemene princiepen
prEN 954-1: Beveiligen van machines – veiligheidsgerelateerde onderdelen van machines
EN 60204-1: Veiligheid van machines – elektrische uitrusting van machines
EN 60947-5-1 : Geforceerde opening van laagspanningschakelapparaten
De praktische zaken, die van belang zijn voor GA uit de normen EN 292-1-2 en EN 60204-1,
worden toegevoegd op het einde van dit hoofdstuk.
8.1.4
-
Conformiteit met EN 418: norm voor noodstop
éénpolige en tweepolige uitvoering van de schakelementen ;
paddestoeldrukknop in het rood met geel contrastvlak ;
geforceerde opening van de verbreekcontacten = positieve actie;
verhoogde veiligheid door sleutelvergrendeling ;
De praktische zaken, die van belang zijn voor GA uit de norm EN 418, worden op het einde
van dit hoofdstuk toegevoegd.
8.1.5
Stopcategorieen (NEN EN 60 204-1)
Wanneer spreekt men van een stopfunctie ?
Elke installatie, machine of machinedeel moet voorzien zijn van één of meerdere
bedieningselementen waarmee de installatie of machine kan worden stilgelegd of
uitgeschakeld.
Een machine kan door middel van de elektrische en/of elektronische uitrusting op
verschillende manieren worden stopgezet waarvan de navolgende in de norm NEN-EN
60204-1 zijn gespecificeerd.
Er bestaan drie categorieen stopfuncties, te weten:
categorie 0: stoppen door onmiddellijke onderbreking van de voeding van de machineaandrijving (d.w.z. een niet-bestuurde stop);
categorie 1: een bestuurde stop waarbij de voeding van de machine-aandrijving, benodigd
voor het stoppen, aanwezig blijft en de voeding wordt onderbroken nadat de
machine tot stilstand is gekomen;
categorie 2: een bestuurde stop waarbij de voeding van de machine-aandijving aanwezig
blijft.
Wanneer heeft men dan een noodstop ?
Elke installatie, machine of machinedeel moet voorzien zijn van één of meerdere
noodstopinrichtingen waarmede in een plots dreigende of plots ontstane gevaarlijke situatie de
installatie of machine kan worden stilgelegd.
Pagina 78
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.1.6
Noodstopcategorieen (NEN EN 60 204-1)
Niet alle bovengenoemde stopcategorieen zijn toegestaan bij de noodstopvoorziening, hetgeen
duidelijk blijkt uit wat de norm NEN-EN 418 hierover zegt.
De noodstop fungeert als:
Noodstop van categorie 0, dat wil zeggen de machine wordt stilgezet door:
- de onmiddellijke onderbreking van de energietoevoer naar de aandrijving(en) van de
machine;
- of mechanische scheiding (loskoppeling) van de gevaarlijke elementen en de
desbetreffende aandrijving van de machine;
- en, indien nodig, door mechanisch remmen (niet gecontroleerde stop).
Noodstop van categorie 1, dat wil zeggen een gecontroleerde stop waarbij de energietoevoer
naar de aandrijving(en) van de machine aanwezig is, om met de toegevoerde energie de stop
te kunnen realiseren, waarna de energietoevoer wordt onderbroken zodra de stop is
gerealiseerd.
Hoewel de bovengenoemde norm de functie van de diverse stopcategorieen voor noodstop
aangeeft, stelt de norm NEN-EN 60204-1 eisen aan de te gebruiken middelen.
De noodstopuitrusting moet zorgen voor stopzetting volgens categorie 0 of categorie 1.
Welke categorie van stopzetting wordt gekozen, hangt af van de vaststelling van de risicoanalyse van de machine.
Indien wordt gekozen voor een noodstop volgens categorie 0, mag deze uitsluitend uitgerust
met elektromechanische onderdelen met vaste bedrading. Bovendien mag de werking ervan
niet afhankelijk zijn van elektronische logica (apparatuur of programmatuur) of van de
verbinding van opdrachten via een communicatienet of -verbinding.
Indien wordt gekozen voor een noodstop volgens categorie 1, moet zijn gewaarborgd dat de
voeding naar de machine-aandrijving uiteindelijk wordt uitgeschakeld, hetgeen met
elektromechanische onderdelen moet gebeuren. (NEN-EN 60204-1 Art. nr. 9.2.5.4)
8.1.7
Gebruikscategorie
Volgens Art. 4 van de norm NEN EN 60947-5-1 moeten de karakteristieken van de
schakelaars en componenten van de stuurstroomkringen voldoen aan de navolgende eisen :
- Ui (nominale isolatiespanning) moet groter of gelijk zijn aan 250V ;
- Ith (conventionele thermische stroom in de lucht) moet groter of gelijk aan 10A zijn ;
- De gebruikscategorie moet bij wisselspanning AC15 en bij gelijkspanning DC13 zijn ;
AC15 : Deze klasse heeft betrekking op de aansluiting van elektromagnetische
belastingen waarvan het opgenomen vermogen met gesloten elektromagneet
groter is dan 72VA.
DC13 : Deze klasse heeft betrekking op de sturing van elektromechanische
belastingen waarvan de tijd nodig om 95% te bereiken van de stroom in vol
bedrijf (t 0,95) gelijk is aan 6 maal het vermogen P opgenomen door de
belasting (met P kleiner dan of gelijk aan 50W).
Pagina 79
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.1.8
Wat is redundantie en zelfbewaking?
De Europese normen eisen het gebruik van veilige componenten waarvan het ontwerp
rekening houdt met de verschillende faalwijzen. Dit is zo voor veiligheidsschakelaars en
veiligheids-detectors met positieve actie,…
Wat is positieve actie?
Een noodstop bijvoorbeeld wordt uitgevoerd als een normaalgesloten contact. Bij bediening
wordt de kring onderbroken zodat een veilige toestand wordt bereikt.
Fig. 122: Een noodstop
Redundantie
Redundantie is de toepassing van meer dan één toestel of systeem, of een deel van het toestel
of systeem, om ervoor te zorgen dat in geval één ervan niet juist functioneert, een ander
beschikbaar is om de functie over te nemen.
Redundantie kan verkregen worden door het in parallel schakelen van de relais en het in serie
plaatsen van hun uitgangscontacten.
Lichtgordijn
Noodstop
Hekschakelaar
K1
K2
Fig. 123: Een schets van een redundantie
Er blijft echter een groot risico : het kleven van één van de relais wordt niet automatisch
gedetecteerd waardoor dus opnieuw gestart kan worden en dus de redundantie verdwenen is.
Dit probleem is in de huidige praktijk opgelost met behulp van de schakeling op de volgende
pagina ( bovenaan). Hier wordt gebruik gemaakt van drie relais met mechanisch verbonden
contacten en is er sprake van zelfcontrole en redundantie. In het navolgend schema is slechts
één veiligheidscontact getekend. De complexiteit van de bedrading neemt evenredig toe met
een vermeerdering van het aantal te onderbreken hoofdstroomkringen.
Het toepassen van relaisschakelingen wordt daardoor niet meer of zelden toegepast voor
stuurkringen. Voor het aansturen van motoren, met vermogencontacten van de relais, zijn
deze niet weg te denken en worden dus nog toegepast in de vermogenkringen.
Het minder toepassen van relaisschakelingen wordt mede mogelijk gemaakt door de
programmeerbare logica en de compacte veiligheidsrelais. Een noodstoprelais bijvoorbeeld
bevat de nodige ingebouwde redundanties en andere veiligheidscombinaties afhankelijk van
de veiligheidscategorie.
Let op !
Let er op dat de noodstop en beveiligingen steeds in serie staan zodat bij het bereiken van
gevaarlijke situaties de kring onderbroken wordt en de voeding wegvalt.
Pagina 80
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Noodstop
Hekschakelaar
Lichtgordijn
K1
K3
K1
K2
K2
K3
K3
K2
K1
Fig. 124: Een schets van een redundantie uitgevoerd met relais
In onderstaand schema is de schakeling uitgevoerd met slechts één veiligheidsrelais. Deze
relais moeten redundant zijn. Dit wordt inwendig verwezenlijkt door middel van 2
relaisgroepen met inwendig verbonden contacten. De relais zijn zo gebouwd dat, bij storing
van een relais (in de noodstopmodule), de kring steeds uitgeschakeld wordt. Een
bewakingslogica controleert bij elke start/stop-cyclus tenminste éénmaal automatisch of de
relais correct openen en sluiten Dit zijn relais met een functie voor kortsluitdetectie, een
geintegreerd diagnosesysteem, … afhankelijk van het type en merk. De
veiligheidsuitgangscontacten van het relais schakelen direct de aangesloten
magneetschakelaar af.
Fig. 125: Een schets van een redundantie.
Hierboven is sprake van een redundant circuit met zelfcontrole dat beantwoordt aan de criteria
uit normen en dat in alle veiligheidsrelais wordt gebruikt.
8.1.9
Herwapenen (resetten van een noodstop)
De noodstopkring moet na bediening van een noodstop vergrendeld blijven. Het
herbewapenen mag enkel door een daartoe passende handeling kunnen gebeuren. Dit mag de
installatie niet in werking stellen, maar enkel de mogelijkheid bieden om, via een nog te
bedienen start, de installatie in te schakelen.
Pagina 81
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.2 Opbouw van de NOODSTOPKRING
8.2.1
Bedieningselementen
A) Drukknoppen
Fig. 126: Paddestoeldrukknop vastklikkend
met manipuleerbeveiliging
Fig. 128: Veiligheidslot
Fig. 127: Paddestoeldrukknop vastklikkend met
veiligheidsslot en manipuleerbeveiliging
Fig. 129: Extra beschermde NOOD-UITpaddestoeldrukknop
Fig. 126: Nood-uit-paddestoeldrukknop vastklikkend met manipuleerbeveiliging (EN 418).
Bedienen: enkel in noodsituaties, door slag of stoot waardoor de kring wordt onderbroken.
Ontgrendelen: door draaien of trekken.
Fig. 127: Nood-uit-paddestoeldrukknop vastklikkend met veiligheidsslot en manipuleer –
beveiliging.
Bedienen: enkel in noodsituaties, door slag of stoot waardoor de kring wordt onderbroken.
Ontgrendelen: de vergrendeling verwijderen met sleutel. De noodstop kan niet ontgrendeld
worden zonder de sleutel.
Fig. 128: Een veiligheidslot.
Fig. 129: Extra beschermde nood-uit-paddestoeldrukknop met manipuleerbeveiliging (EN
418).De bediening en ontgrendeling is hetzelfde als bij Fig. 126.
Pagina 82
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
B) Noodstoptrekkoordschakelaar
Volgens de machinerichtlijn moeten, op enkele uitzonderingen na, machines uitgerust worden
met noodstopvoorzieningen. De functionele aspecten en vormgevende principes worden in de
norm EN 418 beschreven. Volgens deze norm behoren de noodstoptrekkoordschakelaars tot
de categorie van de noodstopvoorzieningen. Als bedieningsorgaan wordt een rode kabel
gebruikt.
De schakelaar en zijn bedieningsorgaan moeten volgens het principe van dwangmatige
bediening werken (gedwongen opening volgens EN 60947-5-1).
Elke handeling van het bedieningsorgaan moet tot een vergrendeling van de schakelaar leiden,
zodat na het loslaten van het bedieningsorgaan het noodstopbevel gewaarborgd blijft, tot de
schakelaar ontgrendeld wordt.
Bovendien moet men ervoor zorgen dat vanuit de ontgrendelpositie de kabel over zijn
volledige lengte zichtbaar blijft.
Belangrijke bestelgegevens:
- beschermingsgraad IPXX; (zie rubriek ‘5 Beveiliging’ pag.)
- contactelementen : 1NG/1NO, 2NG, 2NG/2NO, 3NG/3NO, 4NG;
- kabellengte (volgens type veerkracht);
- nominale isolatiespanning Ui;
- gebruikscategorie ACXX; (zie volgende pag.)
- nominale bedrijfsstroom;
- nominale bedrijfsspanning;
- kortsluitvastheid;
- bedrijfstemperatuur;
Montage-aanwijzingen:
Bij spanlengten van de kabel van meer dan 2, 5, 10, 20 m (afhankelijk
van het type) is ondersteuning nodig.
Om een veilige werking te garanderen, moet de bijgevoegde
montage- en aansluitingshandleiding in acht genomen worden.
Opgepast:
Daar de kabel en de kabelkousen onderhevig zijn aan rek en dus
vervormen na bepaalde tijd, moet men geregeld naspannen.
Fig. 130: Voorbeeld van een montage van een noodstoptrekkabelschakelaar
1=Kabel, 2=klem, 3=kabelkous, 4=oogschroef, 5=kabelklem
Fig. 131
Pagina 83
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.2.2
Noodstopmodules
A) Bewakingsrelais
Als voorbeeld beschouwen we een bewakingsrelais van SCHMERSAL n.l. het type AES
3075.
Deze is geschikt om tot 4 beschermingsvoorzieningen te beveiligen. Het bewaakt zijdelings
verschuifbare, scharnierbare en afneembare beschermingsvoorzieningen alsook noodstoppen
tot stuurcategorie 3 volgens prEN 954-1.
De contactconfiguratie van de aan te sluiten schakelaars is voor elke
beschermingsvoorziening vrij te kiezen : NO/NG-contact of NG/NG-contact.
In deze relais zijn tevens ingangs-LED’s voor alle contacten, kortsluitherkenning, een
vertragingstijd van 1 seconde voor vrijgave alsook een geintegreerd diagnosesysteem voor
verschillende schakeltoestanden voorzien.
Fig. 132: Een bewakingsrelais van SCHMERSAL
Het modulaire bewakingsrelais AES 3267 in combinatie met ingangsuitbreidingsmodule
AES-E 1067 maakt het mogelijk om tot 20 beschermvoorzieningen te bewaken. Per module
kunnen er 2 beschermvoorzieningen aangesloten worden. Deze combinatie is voor de zelfde
toepassingen geschikt als de vorige. Maar voor de noodstoppen kan men beveiligen tot
stuurcategorie 4.
Fig. 133: Een modulaire veiligheidsrelais
Pagina 84
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
B) Veiligheidsrelais (noodstopcircuits)
Voor de keuze van een juiste relais moet een aantal zaken vooraf bepaald worden :
- stuurcategorie volgens prEN 954-1;
- stopcategorie 0 of 1;
- het aantal vrijgave contacten;
- het aantal extra contacten open en/of gesloten;
- bedrijfsspanning AC/DC;
Volgens STOPCATEGORIE 0
De meestal toegepaste stopfunctie bij een noodstop is stopcategorie 0, waarbij direct de
voeding van de aandrijvende delen wordt afgeschakeld. Deze niet-gecontroleerde heeft
volgens de norm NEN-EN 60204-1 de voorkeur boven de andere stopcategorie.
Daar deze stopcategorie volgens de hierboven genoemde normen, uitsluitend mag uitgerust
met elektromechanische onderdelen met vaste bedrading, en de werking niet afhankelijk mag
zijn van elektronische logica (apparatuur of programmatuur), hieronder enkele voorbeelden
van de opbouw van de noodstopvoorziening door gebruikmaking van een relais.
Voorbeeld : Veiligheidsrelais type PNOZ X1, stopcategorie 0, stuurcategorie 2, 24V AC/DC.
Uit de cataloog van PILZ :
De noodstopschakelaar wordt aangesloten aan de L+ van
de voeding en aan de klem A1 van het relais.
Men krijgt dan de keuze om een schakelaar bij te plaatsen
om de situatie, in geval van een noodstop, manueel te
resetten. Deze schakelaar is een normaal open en wordt
aangesloten op de contacten y1 en y2.
Indien men een automatische reset wenst, verbindt men de
Contacten y1 en y2 door, zonder gebruik te maken van
een schakelaar.
Fig. 134: Veiligheidsrelais PNOZ X1, aangesloten volgens categorie 2
OPMERKING :
De maximaal toegelaten weerstand van de ingangselementen, die schommelt tussen de 100 en
de 200 Ohm, laat toe dat een groot aantal ingangselementen in serie kan geplaatst worden.
Er zijn noodstoprelais met meerdere contacten. Het verhogen van het aantal veiligheidscontacten heeft als doel dat men nog meer veiligheidsfuncties kan aansluiten.
Pagina 85
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Noodstopcircuits voor een gecontroleerde stop (stopcategorie 1)
Deze stopcategorie, beter bekend als de gecontroleerde stop, is alleen van toepassing op
machines waarbij de onmiddellijke onderbreking van de energietoevoer naar de aandrijvende
delen kan leiden tot gevaarlijke situaties of defecten.
Gevaarlijke situaties kunnen optreden als de machine een grote massatraagheid (bijvoorbeeld
een vliegwiel) heeft, waardoor direct uitschakelen van de energietoevoer van de aandrijvingen
een zeer lange uitlooptijd tot gevolg heeft. Een voorbeeld van een machine waarbij
stopcategorie 0 kan leiden tot mechanische beschadigingen is bijvoorbeeld een robot.
Volgens de normen aanbevolen methode : gevaarlijke bewegingen (van de machine)
afremmen bij het bedienen van de noodstop, door bijvoorbeeld de frequentieregelaar of een
gelijkstroom te injecteren in de wikkelingen van de motor en vervolgens de spanning af te
schakelen bij het bereiken van de stilstand van de machine.
Dit uiteindelijke uitschakelen is een veiligheidsfunctie, die niet met een conventioneel
tijdrelais kan worden uitgevoerd, daar deze niet over de nodige zelfcontrole en redundantie
beschikt. Uit de onderstaande schema's valt af te lezen dat een methode om dit te bereiken, de
toepassing van een noodstoprelais met afvalvertraging of een afvalvertraagd uitbreidingsrelais
is.
Vertraagd veiligheidscontact
Frequentieregelaar
Veiligheidscontact
van de veiligheidsrelais
Motor
Fig. 135: Basisschema, afremmen door een frequentieregelaar
Een andere variant van een uitvoering volgens stopcategorie 1 kan gerealiseerd worden door
een systeem dat een gelijkstroom injecteert en hierdoor een remmende werking geeft.
8.2.3
Vermazen
In installaties waar een groot aantal noodstopelementen deel uitmaken van de noodstopkring
van een sectie, is het raadzaam deze elementen te groeperen. Zulk een groep van
noodstopelementen wordt een maas genoemd.
Pagina 86
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.3 Zelfbewakende en redundante ingangselementen.
Hoe aansluiten volgens de verschillende categorieen ?
Hieronder is voor elke bij noodstop mogelijke risicocategorie afzonderlijk aangegeven welke
noodstopschakeling kan worden toegepast overeenkomstig met prEN 954-1.
De categorie is afhankelijk van gebruikte apparaten en de verbindingen tussen de apparaten.
Het zwakste element bepaald de hoogte van de bereikte categorie.
8.3.1
Noodstopschakelaars volgens categorie 1 en 2
Veiligheidscategorieen voor schakelaars volgens pr EN 954
In de risicocategorie 1 en 2 is er sprake van een enkelpokige noodstopschakelaar zoals
hieronder getekend.
Categorie 1 : Conform EN 60 947.5.1 – schakelklasse AC 15 : Ui > 250 V, Ith > 10 A
Categorie 2 : Categorie 1 + geregelde (manuele) test
Fig. 136: Een noodstop tot categorie 2, 1 kanaals, niet redundant
Hoe aansluiten?
De categorie (bepaald na de risico- analyse) is enerzijds afhankelijk van het gebruik van de
apparaten en anderzijds van het soort verbinding tussen de apparaten.
Beide aansluitdraden in 1 kabel. Stel de kabel wordt ergens door gepitst waardoor beide
geleiders in contact komen. De beveiligingsfunctie is buiten werking gesteld.
De heen en teruggaande van en naar de noodstop in een aparte kabel heeft minder gevaar
omdat de beveiligingsfunctie niet overbrugd wordt indien een kabel doorgepitst wordt. Men
moet echter 2 kabels trekken in de plaats van 1.
De eenkanaalsaansluiting wordt toegepast tot categorie 2.
stopschakelaar op een
Fig. 137: Aansluitvoorbeeld volgens
categorie 2, met een éénkanaalsnoodstop
zonder redundantie, een start, een stop en
een noodstoprelais.
Pagina 87
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.3.2
Noodstop volgens categorie 3
Bij risicocategorie 3 is er sprake van een dubbelpolige noodstopschakelaar.
Hoe aansluiten volgens categorie 3 en 4?
Bedrijven zitten hier vaak met vragen. De normen
schrijven categorieën voor maar vermelden niets over de
aansluiting.
Om hierop een antwoord te vinden zijn we naar
verschillende constructeurs gestapt.
Op het antwoord hebben we een controle laten uitvoeren
door AIB-VINCOTTE en dhr. HAEKENS.
redundantie
Fig. 138: Een noodstopschakelaar van categorie 3, 2 kanaals, redundant
Aansluiten volgens categorie 3
Voor categorie 3 raadt men aan van de heen- en teruggaande in 2 aparte kabels te leggen zoals
aangeduid. De 2 teruggaande mogen in 1 kabel daar ze het zelfde signaal overbrengen.
Voor categorie 3 past men dus een tweekanaalsaansluiting toe.
K Kabel naar noodstopschakelaar
Kabel van noodstopschakelaar naar
relais bevat de 2 redundantiegeleiders
Fig. 139: Aansluitvoorbeeld volgens
categorie 3 met een 2-kanaalsnoodstop
Een sluiting tussen de heen en één van de teruggaande leidingen zou in dit geval door het
evaluatie-apparaat tijdig gedetecteerd worden. De veiligheidscombinatie zorgt dan voor een
betrouwbare afkoppeling en voorkomt herinschakelen.
Een elektrische sluiting tussen kanaal 1 en 2 wordt echter niet gedetecteerd en blijft bestaan.
Dus na een bepaalde tijd kan zich een tweede fout voordoen. Een sluiting tussen de heen- en
de teruggaande betekent de uitschakeling van de beveiligingscombinatie.
Pagina 88
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.3.3
Noodstopschakeling volgens categorie 4
In noodstopcategorie 4 is er sprake van een dubbelpolige noodstopschakelaar zoals hieronder
getekend m.a.w. een dubbele uitvoering.
Categorie 4 : Categorie 3 + COMMON MODE FOUT DETECTIE
Noodstop
+
Afgeschermde kabel
-
+
+
-
+
Fig. 140
Hoe aansluiten volgens categorie 4?
Fig. 141: Aansluitvoorbeeld volgens categorie 4
met een 2-kanaalsnoodstop met kruisbewaking
tussen de contacten van de noodstopknop.
Om een sluiting tussen kanaal 1 en 2 te detecteren, zijn 2 heen en 2 teruggaande geleiders
nodig. Deze geleiders mogen in dezelfde kabel zitten. Met de veiligheidcombinaties wordt
een dwarssluitbeveiliging bereikt doordat kanaal 1 de L+ en kanaal 2 de L- schakelt. Een
dwarssluiting tussen de kanalen leidt tot een kortsluiting die op zijn beurt de beveiliging
activeert. Maar constructeurs raden aan de heen- en teruggaande met afzondelijke kabels uit te
voeren om een eventuele overbrugging te voorkomen. Men kan bijvoorbeeld een sluiting
krijgen tussen de + van de heen en een + van de terugvoerend kabels (idem voor de -).
OPMERKING :
Met alle relais van categorie 3 en 4 is het mogelijk om een noodstopschakelaar aan te sluiten
als enkelpolige schakelaar. Let erop dat de werkelijke veiligheidscategorie dan slechts 1 of 2
is.
Pagina 89
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.4 Algemene of een lokale noodstop
Dit schema is ontworpen voor productielijnen met weinig personeel waarbij men een
noodstop wil genereren met verschillende niveau’s om de productie stil te leggen volgens de
plaatsing van noodstops. De bediener van de machine legt de machine stil door een lokale
noodstop te bedienen. In de controlekamer kan men de gehele installatie stilleggen door een
algemene noodstop.
Lokale Noodstops
Relais 1
Relais 2
Relais 3
Algemene Noodstops
Fig. 142: Een schema met algemene en plaatselijke noodstops
OPMERKING :
Het kan zijn dat de normen van het type C, betreffende bepaalde machines met een hoog
risico, redundantie aanbevelen voor het vermogengedeelte van alle motoren.
X1
Terugvoerkring naar de relais
X2
MOTOR
Fig. 143: Redundantie van het vermogengedeelte
Pagina 90
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.5 Pricipiele noodstopschakelingen met relais volgens EN 418 en
veiligheidsklassen
8.5.1
Veiligheidsklasse 1
AUTOMAAT
NOODSTOP
STOP
START
K1
K1
OVERNAMECONTACT
VERMOGENRELAIS
MOTOR
3~
Praktische gegevens :
NOODSTOP : is een mechanisch gedwongen openend contact
RELAIS
: gebruikscategorie AC 3
STOP
: mechanisch gedwongen openend contact
Klasse II
OVERSTROOMBEVEILIGING : magnetische drempel kurve B
IN waarde zo laag mogelijk
voldoende hoog afschakelvermogen
Pagina 91
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.5.2
Veiligheidsklasse II
NOODSTOP
STOP
3K3
START
4K1
3K1
K3
K1 2K3
K1
K2
K2
4K2
3K2
TRANSFO
GELIJKRICHTER
K3
K4
MOTOR
Werking :
3~
- start drukken à K3 bekrachtigd à 1K3 en 2K3 sluiten ;
- K1 en K2 bekrachtigd en blijven bekrachtigd door overname contacten ;
- 4K1 en 4K2 zijn nu gesloten ;
- K3 is een tijdrelais, valt vertraagd af ;
- 3K3 is gesloten à K4 trekt aan ;
- er is redundantie voor wat relais betreft ;
- bij een onderbreking in de veiligheidsstuurkring gaat de motor in stop ;
- bij een aardfout in de veiligheidsstuurkring gaat de machine in stop ;
- stel 1K1 of 1K2 blijft plakken, dan blijft 3k1 of 3K2 geopend à K3 wordt bekrachtigd ;
herstarten is onmogelijk.
- als 4K1 blijft plakken, blijft 1K1 ook plakken door mechanische verbinding ;
3K1 is bijgevolg open à K3 trekt niet aan à herstarten is onmogelijk .
Pagina 92
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.5.3
Veiligheidsklasse III
START
NOODSTOP
3K3
2K1
STOP
2K2
3K1
1K4
K3
K1 2K3
K1
K2
K2
3K2
1K3
TRANSFO
GELIJKRICHTER
K3
K4
K5
Praktische voorwaarden van klasse III
- relais K5 en K5: gebruiksklasse AC3 ;
- K1 - K2 - K3: gebruiksklasse AC15 of DC 15 ;
- Noodstop : 2-polig ;
- Stop : 2-polig ;
- veiligheidsstuurkring fungeert volgens ruststroomprinciepe ;
- leidingen : volgens HAR, mechanisch beschermd waar noodzakelijk ;
- overstroombeveiliging : uitschakelcurve B ;
IN zo laag mogelijk ;
afschakelvermogen meestal voldoende met 3 kA ;
- stuurttransfo :
secundaire aansluiten als TN-S ;
bedrading volgens art. nr 9.1.4 van EN 60 204-1 ;
- de behuizingen van noodatop, stop en relais, in klasse II materiaal .
MOTOR
3~
Pagina 93
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.6 Noodstop via de PLC
8.6.1
Veiligheidssturingen
De PLC heeft al sinds jaren een plaats ingenomen in de automatiseringstechniek en kon op
nagenoeg alle fronten de conventionele schakeltechniek verdringen. De voordelen van een
PLC ten opzichte van de conventionele schakeltechniek zijn: flexibiliteit, veelvoudige
diagnosemogelijkheden en beperkte bedrading. Tot op heden konden deze voordelen enkel
een weg banen in niet-veiligheidsgerichte toepassingen.
De vele veiligheidsfuncties moesten opgebouwd worden met elektromechanische onderdelen
met vaste bedrading. Bovendien mocht de werking niet afhankelijk zijn van elektronische
logica. Als bewijs hiervan geven we een verouderde norm EN 60204-1 met het desbetreffende
commentaar hierop :
De norm EN 60204-1 eist expliciet:
Voor de noodstopfunctie van de stopcategorie 0 mogen er alleen vastbekabelde
elektromechanische componenten gebruikt worden. De werking mag niet van een
schakellogica (hardware of software) of van de overdracht van commando’s via een
communicatienetwerk of een dataverbinding afhangen.
In Art. nr 12.3.5 van de norm EN 60204.1 geeft men hierover als opmerking dat het moment
dat deze norm is opgesteld men ervan uitgegaan is, dat in situaties waarin een slecht
functioneren van het besturingssysteem een duidelijk gevaar kan veroorzaken, het moeilijk is
om met enige zekerheid vast te stellen dat men kan vertrouwen op de elektronische
programmeerbare uitrusting.
Enkele fabrikanten hebben naast een uitgebreid gamma veiligheidscomponenten nog vele
andere
automatiseringsproducten
zoals
bewakingsrelais,
timers,
tekstdisplays,
industriecomputers en enkele modulaire PLC-systemen in hun gamma.
Dat laatste samen met een grote hoeveelheid aan kennis op gebied van de ‘standaard’
veiligheidstechniek , heeft ertoe geleid dat men in nauwe samenwerking met de BG EMIII,
wat staat voor Berufsgenossegeschaft für Eisen und Metall, enkele jaren geleden gestart is
met het ontwikkelen van programmeerbare veiligheidssturingen.
Pagina 94
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.6.2
Siemens Siguard
De SIMATIC S5-95F werd door de BIA (Beroepsverzekeringsinstelling voor
arbeidsveiligheid) getest en bezit een certificaat van de categorie 4 volgens de norm pr EN
954-1.
Fig. 144: 2 identieke deeltoestellen verbonden door een FO-kabel
Sensoren met veiligheidsverantwoording worden aan de SIMATIC S5-95F aangesloten. Deze
is aan de PLC aangesloten via een punt-tot-punt (SINEC L1) verbinding. Zoals het menselijke
reflex wordt de te hoge temperatuur nu door de S5-95F herkend en wordt er onmiddellijk een
uitschakelcommando naar de actuator gestuurd. De uigevoerde veiligheidsreactie wordt via de
SINEC L1-bus aan de besturings-PLC gemeld.
A) Systeemprinciepe
De S5-95F bestaat uit 2 deeltoestellen die via een FO-kabel gesynchroniseerd worden. Dit
gebeurt alleen indien een gegevensuitwisselling noodzakelijk is voor een foutvrij bedrijf. In
de deeltoestellen lopen er naast het gebruikersprogramma verschillende zelftests die interne
hardwarefouten detecteren.
Fig. 145:
Beide deelapparaten bezitten
een robuuste behuizing van
kunststof waarin de
- processor;
- stroomvoorziening;
- 20 veiligheidsgerichte ingangen;
- 8 veiligheidsgerichte
uitgangen;
- 4 niet-veiligheidsgerichte
uitgangen;
Pagina 95
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
B) Werking
Beide apparaten wisselen tijdens het bedrijf via de glasvezelkabel snel en betrouwbaar
gegevens uit. Deze werken synchroon met hetzelfde gebruikersprogramma en vergelijken
cyclisch:
- de in- en uitgangssignalen;
- andere relevante gegevens van markeerinrichtingen en tellers.
C) Programmering
De S5-95F wordt geprogrammeerd zoals een SIMATIC S5 met STEP 5 software.
D) Aansluiten van sensoren en actuatoren
Digitale ingangen
Aan de S5-95F kunnen zowel éénkanaals als redundante gevers aangesloten worden. Bij
gebruik van redundante gevers wordt er telkens één gever aan een deeltoestel aangesloten. Bij
éénkanaalige gevers wordt de aansluiting parallel op beide deeltoestellen vertakt. Hierbij moet
men erop letten , dat éénkanaalige gevers een toelating nodig hebben, dit wil zeggen dat ze
voor hun toepassing als veiligheidstechnisch geclassificeerd moeten zijn.
FO-kabel
DO
DI
Fig. 146: Eénkanaals gever
DI
FO-kabel
DO
DI
Fig. 147: Redundante gever
DI
Externe digitale ingangen
Naast de aansluiting van de gevers op de onboardperiferie kunnen deze natuurlijk ook op de
beveiligde externe periferie aangesloten worden. Bovendien heeft men bij de onboardperiferie
en de externe periferie de optie van de kortsluittest. Hierbij wordt de gever door speciale
digitale uitgangen gevoed. Bij een kortsluiting op 24 V of andere signalen wordt dit door de
S5-95F automatisch herkend.
Pagina 96
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Digitale uitgangen
Er bevinden zich 8 digitale uitgangen in het compacte toestel. Als dit ontoereikend is, kan de
S5-95F met veilige DA-kaarten (24V, 2A) uitgebreid worden.
Er zijn 2 verbindingsopties voor de onboard periferie en externe DA:
- directe aansturing:
- de actor (bijvoorbeeld ventiel) wordt direct aangestuurd;
- hij krijgt dan 24V van het ene of 0V van het andere
deeltoestel.
FO-kabel
DO
-
Fig. 148: Directe aansturing
DO
indirecte aansturing: Als de door de actor geëiste spanning niet direct door de S5-95F
geleverd kan worden, wordt de actor indirect aangestuurd. Hierbij stuurt een deeltoestel
telkens een koppelrelais aan. De contacten van dit koppelrelais worden serieel geschakeld.
FO-kabel
DO
Fig. 149: Indirecte aansturing
DO
Pagina 97
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.7 Volgens norm NEN EN 292-2 i.v.m. noodstop
Art. nr. 3.6.6 Plaatsen en aanduiden van bedieningsorganen
Men moet ervoor zorgen dat deze duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn, waar nodig.
Art. nr. 6.1.1 Noodstopvoorziening
Iedere machine moet zijn voorzien van één of meer noodstopvoorzieningen om zich
voldoende op dreigende gevaarlijke situaties af te wenden. Hierop gelden de volgende
uitzonderingen:
- machines waarbij een noodstopvoorziening het risico niet zou verkleinen, hetzij omdat de
tijd die nodig is om tot stilstand te komen er niet door wordt verkort, hetzij omdat door
een dergelijke voorziening de bijzondere maatregelen om het risico weg te nemen niet
kunnen worden genomen;
- draagbare machines en met de hand geleide machines.
Deze voorziening moet:
- duidelijk herkenbare, duidelijk zichtbare en snel toegankelijke bedieningsorganen hebben;
- het gevaarlijke proces zo snel mogelijk tot stilstand brengen, zonder bijkomende gevaren
te veroorzaken;
- waar nodig, bepaalde bewegingen van beveiligingen in werking stellen of het in werking
stellen daarvan mogelijk maken.
Het bedieningsorgaan voor de noodstopvoorziening moet in de ingeschakelde stand blijven
staan. Het mag alleen door een gerichte handeling kunnen worden uitgeschakeld. Het
uitschakelen mag de machine niet opnieuw in werking stellen, maar alleen het opnieuw in
werking stellen moge!ijk maken.
Meer bijzonderheden voor het ontwerpen van elektrische noodstopvoorziening worden
gegeven in Art. nr 10.7 van ce norm EN 60204-1.
Pagina 98
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.8 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. noodstop
Art. nr. 9.2.5.4 Noodstop
Functionele aspecten van de noodstopuitrusting: zie EN 418.
Eisen m.b.t. de noodstop :
- noodstop MOET voorrang hebben boven alle andere functies;
- noodstop moet voeding naar macine-aandrijving die gevaren kan veroorzaken
onderbreken, zonder andere gevaren te veroorzaken;
- de machine mag niet opnieuw starten door reset.
De noodstop moet werken als een stop van cat. 0 of 1.
(keuze afhankelijk van risico beoordeling)
categorie 0:
- onmiddellijke onderbreking van de energietoevoer;
- mechanische scheiding (loskoppeling) van de gevaarlijke elementen en de desbetreffende
aandrijvingen;
- indien nodig remmen (ongecontroleerd).
categorie 1:
- gecontroleerde stop ;
- energietoevoer naar de aandrijving blijft aanwezig ;
- met de toegevoerde energie wordt de stop gerealiseerd ;
- de energie wordt onderbroken als de stop gerealiseerd is.
Art. nr 10.7.1 Noodstoptoestellen moeten aangebracht worden op elke bedieningsplaats en
elke werkplek waar een noodstop vereist kan zijn.
Art. nr 10.7.2. Soorten noodstoptoestellen :
- drukknopschakelaar;
- trekkoordschakelaar;
- voetschakelaar zonder afschermingsinrichting.
De toestellen moeten uitgevoerd worden met automatische blokkering en met gedwongen
schakelende contacten.
Art. nr 10.7.3 De stroomketen mag pas worden hersteld, wanneer alle schakelaars van het
noodstoptoestel met de hand zijn teruggesteld. De noodstop moet gedwongen schakelende
contacten bezitten (zie EN 60947-5.1).
Art. nr 10.7.4 Noodstoptoestellen moeten rood zijn met een gele achtergrond.
De drukknopschakelaar moet handpalm- of paddestoelvormig zijn.
Pagina 99
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8.9 Volgens EN 418 (norm voor noodstop)
Art. nr. 3.1 Noodstop is bedoeld om :
- schade af te wenden voor personen ;
- schade aan machine voorkomen ;
- schade aan een werk in uitvoering te reduceren.
Noodstop moet door één enkele handeling geactiveerd worden !
Gevaren (door EN 418) onstaan als gevolg van :
- menselijke fout ;
- machinestoring ;
- normaal bedrijf ;
- niet acceptabele eigenschappen van de bewerkte materialen.
Art. nr. 4.1.2 Besturingsorgaan en bedieningsorgaan werken volgens de positieve
mechanische invloed. Bijvoorbeeld : Schakelaar met positieve opening, d.w.z. scheiding van
de contacten.
Art. nr 4.1.10 De noodstop mag de bevrijding van personen die vastzitten niet negatief
Beinvloeden. Bijvoorbeeld : De noodstopfunktie kan bepaalde voorzieningen aktiveren zoals
walsen ‘’openen’’.
Art. nr. 4.1.11 De bediening van het bedieningsorgaan van de noodstop moet gepaard gaan
met vergrendelen van het besturingsorgaan.Vergrendelen moet onmogelijk zijn, zolang er
geen noodstopcommando gegeven wordt.
Art. nr. 4.5.1 Noodstopcategoriëen
- Noodstop van categorie 0 :
- onmiddellijke onderbreking van de energietoevoer ;
- mechanische scheiding van gevaarlijke elementen .
- Noodstop van categorie 1 :
- is een gecontroleerde stop ;
- energietoevoer naar aandrijvingen blijft aanwezig ;
- energie wordt onderbroken als de stop gerealiseerd is.
Art. nr. 4.1.7 Noodstop MOET voorrang hebben op alle andere commando’s.
Art. nr. 4.1.12
- ontgrendelen mag alleen mogelijk zijn door het orgaan zelf met de hand te bedienen ;
- ontgrendelen mag niet resulteren in een commando voor een nieuwe start.
- de noodstop voorzieningen moeten gekozen worden in overeenstemming met de
omgevingsinvloeden : AH - AG - AA - AE - AD – AF ;
- bedieningsorganen voor noodstops kunnen :
- paddestoelvormig zijn ;
- drukknoppen zijn ;
- touwen ;
- stangen ;
- handels en voor specifieke voetpedalen, drukstroken.
Pagina 100
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr 4.4.3
De bedieningsorganen moeten ROOD zijn.
In mate van het mogelijke is de achtergrond GEEL.
Art. nr 4.5.2
Indien gebruik wordt gemaakt van kabels of touwen, moet een breuk automatisch een
noodsignaal genereren.
Pagina 101
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 9: Sigalisatie en aanduidingen
9.1 Symbolen van bedieningsorganen
1
Aan.
0
Uit.
Voeding
Paraat – Stand by.
Verhoging
Aan – Uit.
Vermindering
Aan – Uit, terugverend naar nul.
Automatische cyclus
Gedeeltelijke stop.
Blokkering
Input.
Deblokkering
Output.
Stop
STOP .
Tweede functie
Start
START
Derde functie
R
Stop / Reset
Rechtlijnige beweging
R
Reset
Rotatie naar rechts
Koelvloeistof
Rotatie naar links
Smering
Pagina 102
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
9.2 Gebods-, informatie, verbods- en waarschuwingsborden
A) Gebodsborden: Deze tekens zijn verplicht na te leven
Oogbescherming Oversteekplaats
verplicht
voetgangers
Veiligheidshandschoenen
Gehoorbescherming Gelaat
Ademhaling
verplicht
bescherming bescherming
Veiligheidsschoenen
Veiligheidspak
Veiligheidshelm
Opgelet!
Vanggordel
Fig. 150: Gebodsborden
B) Informatieborden: Geven informatie die nuttig zijn in noodgevallen
Nooddouche
Vluchtroute
Richtingspijl
Naar hulppost
Vluchtweg
Vluchtweg
Uitgang
Oogdouche
Vluchtroute
EHBO
Draagberrie
Telefoon
Fig. 151: Informatieborden
Nooduitgang
C) Verbodsborden: Duiden een verbod aan. Het is verboden te …
Verboden
te roken
Versperring
Verboden
Verboden vuur
of open vlam
Verboden
Verboden
toegang voor onbevoegden
Verboden voor Verboden aan te
industriële- en
raken
transportvoertuigen
Verboden te
blussen met water
Geen
drinkwater
Fig. 152: Verbodsborden
Pagina 103
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
D) Waarschuwingstekens: Waarschuwen voor gevaar
Ontvlambaar
Elektrocutiegevaar
Transportvoertuigen
Vallen door
hoogteverschil
Oxiderende stoffen
Radioactieve stoffen
Struikelgevaar
Hangende laste
Elektromagnetische velden
Slipgevaar
Explosieve stoffen
Giftige stoffen
Irriterende stoffen
Biologisch risico
Lage temperaturen
Laser
Gat in vloer
Gevaar
Bijtende stoffen
Fig. 153: Waarschuwingsborden
Pagina 104
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
9.3 Veiligheidstoebehoren
Signaallampen.
Signaallampen mogen om de aandacht te trekken rood,
geel, groen of blauw zijn, eventueel knipperend.
Fig. 154: Signaallampjes
Achtergrondplaatje voor een Noodstop.
Om duidelijk aan te geven dat het om een noodstop gaat
wordt aangeraden een gele achtergrond met zwarte tekst
‘Nood-uit’ of ‘Noodstop’ te gebruiken.
Fig. 155: Naamplaatje of achtergrondplaatje voor een noodstopschakelaar
Waarschuwingsteken op elektrische apparaten.
Het waarschuwingsteken moet een gele driehoek zijn
met een zwarte rand. In de driehoek moet een zwarte
bliksemschicht staan.
Ze moet duidelijk zichtbaar zijn.
Vb.: Bij verdeelborden van elektrische energie dient het
waarschuwingsteken op de buitenkant vermeld te
worden, eventueel op de deur die de toegang verleend tot
de verdeelinrichting.
Fig. 156: Waarschuwingsteken
Pagina 105
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
9.4 Volgens norm NEN EN 292-2 i.v.m. signalisatie
Art. nr 3.6.6 Plaatsen en aanduiden van bedieningsorganen.
Men moet ervoor zorgen dat deze duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn, waar nodig.
Art. nr. 5.2 Plaats en aard van informatie voor de gebruiker zijn afhankelijk van:
- het risico;
- het tijdstip waarop de gebruiker de informatie nodig heeft;
- het ontwerp van de machine.
Afhankelijk van deze gegevens moet worden besloten of de informatie, of gedeelten daarvan,
worden gegeven:
- in/op de machine zelf ; (zie 5.3 en 5.4 in de norm)
- in begeleidende documenten (in het bijzonder de gebruiksaanwijzing) (zie 5.5 in norm)
en/of welke andere middelen, zoals signalen en waarschuwingen, moeten worden
gekozen.
Het gebruik van genormaliseerde uitdrukkingen moet worden overwogen indien belangrijke
mededelingen, zoals waarschuwingen, moeten worden gedaan.
(zie Bijlage B van NEN EN 292-2)
Art. nr. 5.3 Signalen en waarschuwingsvoorzieningen
Zichtbare signalen (knipperlichten) en hoorbare signalen (sirenes), kunnen worden gebruikt
om te waarschuwen voor een dreigende gevaarlijke gebeurtenis zoals het in werking komen
van een machine of een te hoge snelheid.
Het is essentieel dat deze signalen:
- worden afgegeven voordat de gevaarlijke gebeurtenis plaats vindt;
- ondubbelzinnig zijn;
- duidelijk van alle andere signalen kunnen worden waargenomen en onderscheiden;
- duidelijk door de gebruikers kunnen worden herkend.
Waarschuwingsvoorzieningen moeten zo zijn ontworpen en geplaatst dat zij eenvoudig zijn te
controleren. De gebruiksaanwijzing moet voorschrijven dat de waarschuwingsvoorzieningen
regelmatig worden gecontroleerd.
Ontwerpers moeten zich bewust zijn van de risico's van verzadiging van de zintuigelijke
waarneming die wordt veroorzaakt door het te vaak geven van zichtbare en hoorbare signalen,
dit kan ook leiden tot het buiten werking stellen van de waarschuwingsvoorzieningen.
OPMERKING:
Het raadplegen van de gebruikers is vaak noodzakelijk.
Pagina 106
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 5.4 Aanduidingen, tekens (pictogrammen) schriftelijke waarschuwingen
Machines moeten alle opschriften dragen die nodig zijn:
a) voor de ondubbelzinnige herkenning tenminste:
- naam en adres van de fabrikant;
- aanduiding van type of serie;
- serienummer, indien van toepassing.
b) om aan te geven dat de machine aan de voorschriften voldoet:
- merken;
- schriftelijke waarschuwingen (bijvoorbeeld voor machines die in potentieel explosieve
atmosfeer gebruikt kunnen worden).
c) voor een veilig gebruik van de machine, bijvoorbeeld:
- maximale snelheid van draaiende delen;
- maximale middenlijn van gereedschappen;
- massa (van afneembare delen, enz.);
- de noodzaak om persoonlijke beschermingsmiddelen te dragen;
- gegevens voor het instellen van afschermingen;
- inspectiefrequentie.
Informatie die direct op de machine is aangebracht, hoort permanent te zijn en leesbaar te zijn
gedurende de gehele verwachte levensduur van de machine.
Tekens of schriftelijke waarschuwingen met alleen de tekst mogen niet worden gebruikt.
Aanduidingen, tekens en schriftelijke waarschuwingen moeten direct kunnen worden
begrepen en ondubbelzinnig zijn, in het bijzonder ten aanzien van het deel of de functie(s) van
de machine waarop zij betrekking hebben. Bij voorkeur moeten, in plaats van teksten, direct
te begrijpen tekens (pictogrammen) worden gebruikt.
Schriftelijke waarschuwingen moeten worden gesteld in de taal of talen van het land waar de
machine gaat worden gebruikt en, op verzoek, in de taal of talen die door de bedieners wordt
begrepen.
Aanduidingen moeten in overeenstemming zijn met aanvaarde normen (zie de normen die als
voorbeeld zijn aangehaald in bijlage B, in het bijzonder voor pictogrammen, symbolen,
kleuren, enz....).
Pagina 107
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
9.5 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. signalisatie
Art. nr. 10.1.1 Kleuren van signaallampen en beeldschermen
Signalering (aandacht trekken): rood, geel, groen of blauw:
Art. nr. 10.1.2 Signaallampen dienen een kleur te hebben volgens tabel 3 (zie norm) of
anders opgegeven door de gebruiker.
Art. nr. 10.1.3 Knipperlichten kunnen gebruikt worden om extra indruk te geven bij:
- aandacht trekken;
- onmiddellijk ingrijpen te vragen;
- aangeven van verschil tussen gewenste en werkelijke toestand;
- aangeven van uitvoeren van aanwijziging.
Aanbevolen wordt de knipperfrequentie overeen te laten komen met de prioriteit.
Art. nr. 10.4 Verlichte drukknoppen
Verlichte drukknoppen dienen een kleur te hebben volgens tabel 2 en 3 of anders wit.
(Tabellen zie norm)
De kleur rood van de noodstop dient altijd zichtbaar te blijven.
Art. nr. 18.1 Naamplaten en merktekens
Op elektrische uitrusting moet de volgende informatie aanwezig zijn:
- de naam en het symbool waangegeven zijn;
- de naam van de leverancier;
- een certificatieteken indien gewenst.
De naamplaten en merktekens moeten duurzaam en bestand zijn tegen
omgevingsompstandigheden.
Art. nr. 18.2 Waarschuwingstekens
Voor elektrische apparaten/toestellen of de omhulsels:
- een zwarte bliksemschicht in een gele driehoek;
- deze driehoek is omlijnd met een zwarte lijn.
Art. nr. 18.3 Identificatie naar functie
Functies van besturingstoestellen moeten duidelijk en duurzaam worden aangegeven , bij
voorkeur genomeerde svmbolen uit IEC 417 en ISO 7000 of volgens gebruikerspecificaties.
Art. nr. 18.4 ldentificatie van regelapparatuur
Regelapparatuur moet duidelijk en duurzaam zijn gemerkt, zichtbaar vanaf de elektrische
uitrusting. Indien mogelijk moet een typeplaat met informatie over de regelaar zijn bevestigd
op het hulsel of op de machine.
De stroomwaarde bij volle belasting moet minstens de waarde van de totale vollaststroom
bedragen. Eventueel moet het vereiste vermogen zijn vermeld.
Pagina 108
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 10 : Bedrading en aansluitingen
10.1 Kabels
In dit hoofdstuk zullen we de Joule effecten op een stroomvoerende geleider bespreken.
Als gevolg van de resistiviteit van een elektrische geleider zal er bij stroomdoorgang een
hoeveelheid warmte ontwikkeld worden in de geleider. Deze thermische energieontwikkeling
zal de temperatuur van de geleider doen toenemen, om daarna via de isolatie naar de
omgeving afgevoerd te worden. We kunnen twee toestanden van opwarming onderscheiden:
- de geleidelijke opwarming;
- de adiabatische opwarming.
Voor deze twee toestanden zullen we enerzijds de maximale toelaatbare stroom Iz berekenen
en anderzijds de maximum kortstondige belasting, ook wel thermische kortsluitvastheid
genoemd, bepalen.
10.1.1 De thermische evenwichtstoestand van een leiding
A) Bepaling van de Iz waarde van een geleider
Indien er een constante stroom I door een geleider loopt, zal hij door het Joule effect een
thermische energie per tijdseenheid opwekken. Dit zien we in de formule:
P = R . I2 = ρ .
L 2
.I
A
Wanneer de temperatuur van de stroomvoerende geleider de omgevingstemperatuur overtreft
zal er een warmteuitwisseling met de omgeving plaatsvinden. Deze warmteuitwisseling
geschiedt doorheen de isolatie en andere samenstellende delen van de geleider (vb. buis)
De afgevoerde warmteenergie per tijdseenheid wordt gegeven door de formule:
Q =
∆T
.L
R th
Bij thermische is de opgewekte thermische energie per tijdseenheid gelijk aan de afgevoerde
energie per tijdseenheid. We nemen aan het evenwicht zich pas na 7200 sec. plaats vindt.
We kunnen in dit geval de vorige formules aan elkaar gelijk stellen:
P=Q
Pagina 109
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hieruit volgt :
∆T
R.I =
.L
Rth
2
ρ.
Met
∆T het verschil tussen de temperatuur van de
stroomvoerende geleider en de omgeving.
L 2 ∆T
.I =
.L
Rth
A
Let er op dat dit een vereenvoudigde oplossing is, er werd hier
namelijk geen rekening mee gehouden dat de weerstand van de
stroomvoerende geleider toeneemt bij een stijgende
temperatuur.
ρ 2 ∆T
.I =
Rth
A
Er werd ook geen rekening mee gehouden met het
stroomverdringingsverschijnsel in de geleider.
I=
∆T . A
ρ .Rth
De levensduur van een leiding is voornamelijk afhankelijk van
de
isolatie
welke
deze
omhult.
De
maximum
werkingstemperatuur die de isolatie kan verdragen is dus
bepalend.
Men stelt vast dat , om een voldoende levensduur (ca. 20 jaar) voor de geleider te waarborgen,
de maximum toelaatbare temperatuursgrens (regimetemperatuur) van een geleider moet
worden vastgelegd op:
- 60°C voor rubber;
- 70°C voor PVC;
- 85°C voor butylrubber;
- 90°C voor ethyleenpropyleen rubber en vernet polyethyleen.
Wanneer Iz de maximum toelaatbare gelijkmatige stroomsterkte in de stroomvoerende
geleider voorstelt die overeenstemt met de hiervoor opgegeven temperatuursgrenzen, dan
wordt de formule:
Iz =
( T1 Max − T Omg ). A
ρ . R th
De grootste moeilijkheid om Iz te berekenen ligt bij de bepaling van de globale
warmteweerstand van de geleider. Deze is immers afhankelijk van de warmteoverdracht naar
de omgeving. Dit kan op drie manieren gebeuren, nl:
- geleiding;
- convectie;
- straling.
B) Warmteoverdracht door geleiding
Door geleiding gaat over het algemeen slechts weinig thermische energie verloren, aangezien
de isoleerstoffen doorgaans slechte warmtegeleiders zijn.
De thermische energie wordt gemakkelijker verspreid in het geval van dunne geleiders dan
dikke geleiders.
Pagina 110
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
C) Warmteoverdracht door convectie
In verband met warmteoverdracht met convectie kan gesteld worden dat de opgewarmde lucht
langsheen een kabel laminair stelt en zich dan op turbulente wijze vermengt met de
bovengelegen lucht.
Zodoende zal een enkele éénaderige kabel ongehinderd warmte door convectie afgeven.
Bij éénaderige kabels, die in één laag zijn gelegen, zal dit nog het geval zijn wanneer de
onderlinge afstand tussen de kabels niet te klein is.
Bij drie éénaderige kabels, die in driehoek zijn gelegen, wordt de warmte uitwisseling door
convectie met ongeveer met een derde verminderd, omdat het koelend oppervlak verkleind is
en omdat tussen de kabels geen afkoelingslucht kan stromen.
Fig. 157
D) Warmteoverdracht door straling
In verband met warmteoverdracht met straling kan gesteld worden dat de warmte vanuit het
kabeloppervlak door straling wordt overgedragen naar de ruimte waarin de kabel zich in
kwestie bevindt.
Men stelt dus vast dat de plaatsingswijze een grote impact zal hebben op de bepaling van de
regimestroom aangezien de warmte afgifte van de leiding in de verschillende plaatsingswijze
niet hetzelfde is.
Het is begrijpelijk dat een bepaalde elektrische kabel, die rechtstreeks in een bepleistering
verzonken is en die dus gemakkelijk de geproduceerde warmte kan verspillen een hogere
waarde voor de maximum toelaatbare belastingsstroom zal hebben, dan wanneer diezelfde
elektrische kabel door middel van een thermoplastbuis in de bepleistering is verzonken,
aangezien de omringde lucht een minder goede warmtegeleider is dan het materiaal waaruit
de bepleistering bestaat.
Ook de omgevingstemperatuur zal een belangrijke invloed hebben op de regimestroom,
aangezien een leiding geplaatst in een ruimte met hoge omgevingstemperatuur moeilijk haar
warmte zal kwijt geraken. Een geleider geplaatst in een ruimte met lage
omgevingstemperatuur zal dit des te gemakkelijk kunnen doen.
Zodoende zal één enkele éénaderige kabel ongehinderd naar alle richtingen kunnen uitstralen.
Bij éénaderige kabels die in één laag zijn gelegen, zal dit nog het geval zijn wanneer de
onderlinge afstand vrij groot is.
Bij drie éénaderige kabels, die in driehoek zijn gelegen, wordt de warmte uitstraling
sterk gehinderd vermits het stralend oppervlak van iedere kabel met ongeveer een derde wordt
verminderd.
Fig. 158
Pagina 111
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Dit verklaart ook waarom men bij de bepaling van de maximum toelaatbare stroomsterkte er
wordt uitgegaan van standaard plaatsingsomstandigheden, en dat in functie van de afwijkende
plaatsingsomstandigheden op de bekomen waarden correcties worden uitgevoerd.
Men stelt dus vast dat de plaatsingomstandigheden een belangrijke rol spelen bij de bepaling
van Iz.
E) De Norm NEN 1010
Aanvankelijk hadden meerdere landen zo hun eigen berekeningsmethoden die doorgaans in
een norm werden vastgelegd.
In België zijn deze berekeningsmethoden vrij beperkt, daarom zullen we de Nederlandse
norm, welke verreweg de meest uitgebreide is, bespreken.
Deze berekeningsmethoden is geldig voor gewapende als ongewapende elektrische
geleidingen en dit voor zowel vast als verplaatsbare aanleg met een beperking van 1000V.
In deze norm wordt de maximum toelaatbare stroomsterkte Iz bepaald door de formule:
I z = A .S
m
+ B .S
n
A en B zijn coëfficiënten, m en n exponenten waarvan de waarden per kabeltype en per
plaatsingswijze in tabelvorm is opgegeven. Bij nazicht van deze tabel stelt men vast dat de
coëfficiënt B meestal gelijk is aan nul. De formule herleidt zich tot:
I z = A .S
m
Vooreerst
zal
men
voor
zeer
goed
omschreven
bedrijfsomstandigheden
(standaardomstandigheden) een welbepaalde plaatsingswijze, de aard van het
geleidersmateriaal, de aard van het isolatiemateriaal, het aantal belaste geleiders en de
omgevingstemperatuur in functie van de doorsnede van de stroomvoerende geleiders, de
maximum toelaatbare stroomsterkte Izo bepalen.
Daarna passen we op de waarde een aantal correctiefactoren toe, wanneer de werkelijke
bedrijfsomstandigheden verschillen van voorgemelde standaardomstandigheden.
In de Nederlandse norm schrijft de formule zich:
I z = K n .K T .K w .K m
Kn :
Kt :
Kw :
Km :
Correctiefactor in aanleg van meerdere afzonderlijke leidingen naast elkaar.
De correctiefactor wanneer:
- luchttemperatuur verschilt van 30°C;
- aardbodemtemperatuur verschilt van 15°C.
De correctiefactor wanneer de soortelijke warmteweerstand van de aardbodem
verschilt van 1°K*M/W
De correctiefactor wanneer het geleidermateriaal van de stroomvoerende geleider
niet uit koper is. Voor aluminium is Km = 0,78
Pagina 112
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
F) De standaardomstandigheden kunnen als volgt worden ingedeeld.
1 Leidingen voor vaste aanleg.
1.1 Aanleg in open plaatsingssystemen zoals:
- kabels gehecht tegen wanden en zolderingen;
- kabels op horizontaal aangelegde geperforeerde kabelrekken;
- kabels opgehangen aan een draagkabel of zelfdragend (zie tabel 36).
2
-
1.2
Aanleg in gesloten plaatsingssystemen zoals:
- draden in buis in opbouw;
- kabels in buis in opbouw;
- kabels in goten vastgehecht aan een wand;
- kabels op horizontaal aangelegde niet geperforeerde kabelrekken;
- draden in buis in verzonken in een wand;
- kabels in buis in verzonken in een wand;
- kabels in open of geventileerde kanalen (zie tabel 37).
1.3
Aanleg zonder plaatsingssystemen zoals:
- buitenleidingen;
- draden vastgehecht op isolatoren (zie tabel 38).
1.4
Aanleg in de aardbodem zoals:
- kabels met of zonder bewapening (zie tabel 39).
Verplaatsbare leidingen zoals:
snoeren;
mantelsnoeren;
mantelleidingen (zie tabel 40).
Voor elke van deze vijf standaardomstandigheden worden in functie van:
- het aantal “stroomvoerende” geleiders;
- de aard van het geleider isolatiemateriaal;
- koper als geleidermateriaal;
- de “stroomvoerende” geleiderdoorsnede.
De Izo waarde in tabelvorm opgegeven (zie tabellen 36, 37, 38, 39, 40)
Aangaande de tabel A dient vermeld te worden dat:
- de tabel enkel geldig is voor afzonderlijk gelegde éénaderige of meeraderige kabels
aangelegd in open systemen en dat wanneer meerdere éénaderige of meeraderige kabels
naast elkaar gelegd worden, de correctiefactor Kn moet toegepast worden; (zie tabel 45)
- de tabel enkel geldig is voor een omgevingstemperatuur van 30°C en dat wanneer de
omgevingstemperatuur daarvan afwijkt, de correctiefactor Kt moet toegepast worden
(zie tabel 41);
Aangaande de tabel 37 dient vermeld te worden dat:
- de tabel enkel geldig is voor afzonderlijk gelegde meeraderige kabels aangelegd in
gesloten systemen en dat wanneer meerdere meeraderige kabels naast elkaar gelegd
worden, de correctiefactor Kn moet toegepast worden (zie tabel 44);
Pagina 113
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
- de tabel is enkel geldig voor een omgevingstemperatuur van 30°C wanneer de
omgevingstemperatuur daarvan afwijkt de correctiefactor Kt moet toegepast worden
(zie tabel 1).
Aangaande de tabel 38 dient vermeld te worden dat:
De tabel enkel geldig is voor draden in openlucht met een luchttemperatuur van 30°C en dat
wanneer de luchttemperatuur daarvan afwijkt de correctiefactor Kt moet toegepast worden
(zie tabel 36).
Aangaande de tabel 39 dient vermeld te worden dat:
- de tabel enkel geldig is voor afzonderlijke gelegde éénaderige of meeraderige kabels
aangelegd in de aardbodem en dat wanneer meerdere éénaderige of meeraderige kabels
naast elkaar gelegd worden, de correctiefactor Kn moet toegepast worden (zie tabel 46);
- de tabel geldig is voor kabels die op een diepte begrepen tussen 0,5 m of 1 m onder het
aardoppervlak zijn gelegen;
- de tabel enkel geldig is voor een aardbodemtemperatuur van 15°C en dat wanneer de
aardbodemtemperatuur daarvan afwijkt de correctiefactor kt moet toegepast worden
(zie tabel 42);
- de tabel enkel geldig is wanneer de soortelijke warmteweerstand van de aardbodem
1 K°m/W bedraagt en dat wanneer de soortelijke warmteweerstand van de aardbodem
daarvan afwijkt de correctiefactor Kw moet toegepast worden. (zie tabel 43).
OPMERKING:
Inzake het algemeen gebruik van de tabellen die de Izo waarde bepalen, dient opgemerkt te
worden dat:
- de beschermingsgeleider niet in rekening mag gebracht worden voor de bepaling van het
aantal aders, aangezien hij als een “niet stroomvoerende” geleider wordt beschouwd;
- de waarden voor Izo afgelezen voor leidingen met 3 aders geldig zijn voor leidingen met
zowel 3 fasegeleiders als met 3 fasegeleiders en een nulgeleider, aangezien men ervan
uitgaat dat dergelijke voedingsleidingen symmetrisch zijn belast;
- de waarden voor Izo afgelezen voor leidingen met twee aders zowel gelden voor twee
fasegeleiders, als voor een fase- en een nulgeleider;
- de tabellen de verhouding aangeven tussen de geleidersdoorsneden en Izo
(niet te verwarren met Iz);
- als omgevingstemperatuur moet worden beschouwd deze van de omgeving in de
onmiddellijke nabijheid van de geleider of kabel wanneer de elektrische leiding onbelast is.
Wanneer de Iz gekend is en de doorsnede van een geleider moet bepaald worden, dient dus
vooreerst Izo te worden berekend d.m.v. de formule:
I zo =
Iz
K n .K T .K w .K m
Pas dan kan men door gebruik van de tabellen 36, … ,40 de waarde van de geleiderdoorsnede
bepalen.
Wanneer leidingen geïnstalleerd worden over een traject waar overheen de
afkoelingsomstandigheden veranderen, dienen de Iz waarden te worden bepaald voor het
gedeelte van het traject met de meest ongunstige omstandigheden.
Pagina 114
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Worden evenwel kabels (vb. ter bescherming tegen mechanische belastingen) in een buis of
een koker ondergebracht waarvan de lengte kleiner of gelijk is aan 1m dan wordt de
plaatsingswijze tot de open plaatsingssystemen beschouwd.
De in aanmerking te nemen omgevingstemperatuur is deze waarbij de leiding in kwestie zich
in een onbelaste toestand bevinden.
De in de tabel 41 opgenomen correctiefactoren houden geen rekening met de uit de omgeving
uitgestraalde thermische energie (vb. zonnestraling, kabels aan spandraden of
infraroodstraling).
In de tabellen 51 en 52 wordt een algemeen overzicht gegeven van de verschillende
correctiefactoren die in functie van de verschillende klassieke voorkomende plaatsingswijzen
moeten worden gebruikt.
Voorgaande methode is enkel geldig in het volgende toepassingsgebied:
- leidingen gebruikt in elektrische installaties van gebouwen, constructies en
openluchtwerkplaatsen en geenszins voor de openbare distributieleidingen of voor de
bedrading van elektrische machines of toestellen;
- een spanningsdomein tot 1000V of 1500V (tussen de fasegeleiders);
- zowel gewapende als niet gewapende leidingen en op leidingen voor zowel vast als ver
plaatsbare aanleg.
10.1.2 De thermische adiabatische opwarming van een leiding.
Wanneer een geleider door een kortstondige piekstroom doorlopen wordt, veronderstellen we
dat de opwarming adiabatisch gebeurd.
De geproduceerde thermische energie zal als gevolg van de beperkte tijdsduur niet kunnen
worden afgevoerd naar de omgeving, zodat deze wordt opgeslagen in het geleidermateriaal
en de temperatuursstijging enkel op de geleider wordt overgedragen.
De opgewekte thermische energie wordt gegeven door de formule:
dW
= R .i 2 . dt
R = ρ w.
L
A
Doordat de thermische energie wordt opgeslagen in het geleidersmateriaal krijgen we de
volgende formule:
dQ = m . c . dT
Indien de opgewekte thermische energie volledig wordt opgeslagen in de geleider kunnen we
de twee voorgaande formules gelijkstellen.
dW = dQ
Pagina 115
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hieruit volgt:
Aangezien de isolatie bij hoge temperaturen
snel haar isolerende eigenschappen verliest,
moet men eisen dat de eindtemperatuur Te, na
een adiabatische opwarming, veroorzaakt door
een overstroom, binnen bepaalde waarden blijft.
L
I .ρ w . .t = m.c.∆T
A
2
I2
.L. A.ρ w .t = ρ m .V .∆T
2
A
2
I
  .V .ρ w .t = ρ m .V .∆T
 A
ρ
 A
t =   .∆T .c. m
ρw
I
2
 A.K 
t =

 I 
De limietwaarden voor de eindtemperatuur Te
als gevolg van deze kortstondige opwarming
wordt vastgelegd op :
- 150°C voor rubber;
- 160 °C voor PVC;
- 220°C voor butylrubber;
- 250°C voor ethyleenpropyleenrubber en
vernet polyethyleen;
- 300°C voor silicoonrubber.
2
Indien gedurende een bepaalde tijd t, een geleider wordt doorlopen door een stroom met
stroomsterkte I, dan noemen we dit de opgewekte stroomwarmte impuls.
I 2 .t
Let wel op dat deze stelling enkel juist is, indien I een sinusoïdale is.
Om ingewikkelde berekeningen te voorkomen, kan men de k-waarden gemakkelijk aflezen in
tabellen en invullen in de formule :
I 2 .t = A 2 .K 2
Merk hier bij op dat de looptijden steeds minder dan vijf seconden bedragen, aangezien men
ervan uitgaat dat voor grotere tijden de opwarming niet meer adiabatisch verloopt.
In tabel 47, 48, 49 zijn de waarden van k voor een aantal plaatsingsomstandigheden die
veelvuldig voorkomen:
- geïsoleerde geleiders ondergebracht in een meeraderige kabel;
- geïsoleerde geleiders in een buis;
- blanke geleiders die isolerende kabelmantel aanleunen of blanke onafhankelijke geleiders.
BESLUIT:
Aangezien het de kortsluitstromen zijn die voor de adiabatische opwarming van de
geleider zorgen, wordt de onderstaande uitdrukking ook wel de thermische kortsluitvastheid
van een leiding genoemd.
A 2 .K
2
Pagina 116
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Het is de stroomwarmte impuls die overeenstemt met de hoeveelheid thermische energie
nodig om, bij adiabatische opwarming, de temperatuur van de stroomvoerende geleider te
doen overgaan van een bepaald begintemperatuur naar de vooropgestelde limiettemperatuur.
(eindtemperatuur)
De formule:
I 2 .t = A 2 . K
2
laat ons toe de thermische kortsluitvastheid van leidingen, in functie van een plaatsingswijze
grafisch voor te stellen in het bekende I-t-diagram.
10.1.3 De thermische limietcurve van een elektrische leiding
Uit voorgaande berekeningen hebben de maximum toelaatbare stroom in normale
bedrijfsomstandigheden bepaald, dit was voor stroomdoorgangen voor meer dan 7200
seconden.
We hebben ook de maximale toelaatbare stroom bepaald voor kortsluitomstandigheden,
dit was voor stroomdoorgangen van minder dan 5 seconden.
De thermische limietcurve wordt dus door twee berekeningen bepaald, een gedeelte boven de
7200 seconden en een gedeelte beneden de 5 seconden.
Voor het tussengelegen gedeelte bestaat er geen berekeningsmethode en neemt men zijn
toevlucht tot een curve welke rakend is aan de uiteinde van vermelde rechten.
10.1.4 De thermische evenwichtstoestand van een staafvormige geleider
Net zoals voor leidingen kunnen we ook voor staven de maximum toelaatbare stroomsterkte
berekenen in functie van bepaalde omgevingsomstandigheden. Ook hier wordt de thermische
evenwichtstoestand bereikt wanneer de opgewekte thermische energie gelijk is aan de
afgevoerde thermische energie.
Hoe deze warmte overdracht naar de omgeving gebeurt, hebben we reeds besproken. Toch
merken we op dat er enkele verschillen zijn.
Bij de warmte overdracht door geleiding zien we vaak dat we geen rekening moeten houden
met isolatie, omdat deze staven vaak blank worden geïsoleerd.
A) Warmte overdracht door convectie
De thermische energie die per oppervlakte eenheid door convectie wordt verspreid, is
afhankelijk van de vorm van de geleider, zijn afmetingen, de temperatuurstijging.
Belangrijk is ook de snelheid waarmee de lucht over de geleider strijkt.
Nu worden deze staven uitsluitend genuttigd voor binnengebruik en dus beschermd tegen
uitwendige luchtstroom. Om de best mogelijke afkoeling te verkrijgen, moet men de geleiders
op zulke wijze plaatsen dat ze de natuurlijke luchtstroming zo weinig mogelijk storen en dat
ze de maximale aanrakingsoppervlakte met de lucht bezitten.
Een rechthoekige staafgeleider plaatst men dus best met zijn grootste rechthoekzijde vertikaal.
Het is aan te raden om een enkele dikke staaf te vervangen door een zeker aantal dunne
staafgeleiders.
Pagina 117
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
B) Warmte overdracht door straling
De thermische energie die per oppervlakte- eenheid door straling wordt verspreid is
afhankelijk van de absolute temperatuur van het materiaal en de oppervlakte- toestand.
Bij normale werktemperatuur van de staafgeleiders is de warmtestraling sterk afhankelijk van
de aard van het oppervlak.
Proefondervindelijk kunnen we bewijzen dat de thermische energie die door een geleider
wordt verspreid, kan worden vergroot door de oppervlakte mat te maken met vb. schuurpapier
(het oppervlakte wordt hiermee vergroot) of hem met een matte verfstof te bedekken.
Aangezien het zwart mat oppervlak veel meer warmte uitstraalt dan een glanzend en gepolijst
koperoppervlak.
Oppervlakte toestand
Zwart lichaam
Uitstralingsvermogen
1
Gepolijst koper
0,3 à 0,6
Normaal geoxideerd koper
0,5
zeer geoxideerd koper
0,7
Geverfd koper: lak of glanzend email
0,8 à 0,95
Geverfd koper: matte verf
0,98
Tabel 36
C) De toelaatbare stroomsterkte bij gelijkstroom
Wanneer we de maximum toelaatbare stroomsterkte in een staafgeleider kennen, dan kan de
toelaatbare stroomsterkte in een meervoudige stroombaar niet berekend worden door het
vermenigvuldigen van de toelaatbare stroomsterkte in een enkelvoudige staaf met het aantal
staven. Want de afkoeling van iedere staaf zal minder doelmatig zijn dan in het geval van een
enkele staaf.
D) De toelaatbare stroomsterkte bij wisselstroom
In een geval van wisselstroom wordt er een elektromagnetisch veld gevormd dat een reactie
gaat teweegbrengen op naburige geleiders en ook op de stroomgeleider zelf die het veld heeft
doen ontstaan.
Hieruit volgt dat een wisselstroom in een stroombaar vervormingen in zijn stroomgeleiding
zal ondergaan, zodat de stroomdichtheid niet meer in alle punten van de doorsnede gelijk is.
Dit stroomverdringing verschijnsel kan zo ingewikkeld zijn, dat het niet altijd mogelijk is om
vooraf de gevolgen te bepalen.
Voor grote stroomsterkte in bijzonder, zal de enige methode bestaan in het uitvoeren van
proeven en metingen die de werkelijk werkingsvoorwaarden zo goed mogelijk benaderen.
E) Het skin-effect of huid-effect
Een geleider doorlopen door een wissel stroom zal een wisselend elektromagnetisch veld
veroorzaken. Dit veranderlijk veld zal een tegenovergesteld verschijnsel teweeg brengen,
namelijk een tegen-elektromotorische kracht die weerstand biedt aan de stroom die het
magnetisch veld heeft verwekt. We stellen vast dat de stromen op de as sterk worden
tegengewerkt, dit verschijnsel vermindert sterk naarmate men zich meer van de as verwijdert.
Hierdoor zal de stroom geleiding zich vooral aan het oppervlak van de geleider concentreren.
Een geleider zal dus bij wisselstroom een andere weerstand hebben dan bij gelijkstroom.
Pagina 118
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
F) Het proximiteits-effect of nabijheids-effect
Indien meerdere geleiders dicht bij elkaar gelegen zijn, zullen de elektromagnetische velden
die zij veroorzaken elkaar beïnvloeden, waardoor de stroomverdeling wordt veranderd .
Dit nabijheids-effect werkt samen met het skin-effect.
In het eenvoudig geval van twee dicht bij elkaar liggende staafgeleiders veroorzaakt het
nabijheids-effect een vergroting van de stroomdichtheid op de naburige zijden of op de
overstaande zijden van de staafgeleider naargelang de richtingen van de stroom.
Indien beide stromen in tegenovergestelde richting door de staafgeleiders lopen, neutraliseren
de magnetische velden zich in de ruimte tussen de staafgeleiders, de tegen-elektromotorische
krachten zijn minimaal in de naburige zijden van de staafgeleiders zodat dus de
stroomdichtheid aldaar haar maximum bereikt.
Indien beide stromen in dezelfde richting gaan, komt het omgekeerd verschijnsel voor, dus
met maximale stroomdichtheid aan de verst verwijderde zijden van de staafgeleiders.
Het nabijheids-effect strekt haar uitwerking uit op zowel enkel- als meervoudige stroombaren.
Het belang van het nabijheids-effect hangt o.a. af van de frequentie, van de tussenruimte en
van de schikking van de staafgeleiders.
Het evenwicht, door het nabijheids-effect verstoort, kan in zekere mate hersteld worden door
het zoveel mogelijk aan elkaar verwijderen van de verschillende staafgeleiders, en soms door
het veranderen van hun vorm volgens de tussenruimte (hoek- of U- profielen, ronde of
vierkante buizen, enz...).
In het geval van meervoudige stroombaren, kan men het nabijheids-effect eveneens
verminderen door het “sandwichen” van de staafgeleiders.
Als het uit elkaar plaatsen van de staafgeleiders mogelijk is, moet men een minimale
tussenruimte voorzien van 0,45m voor stroomsterkten van 3000 tot 4000 A, om het
nabijheids-effect redelijk te verminderen.
De beschikbare plaats is echter vaak beperkt, derwijze dat een compromis dient getroffen
tussen de soms tegenstrijdige maatregelen om het huid-effect en het nabijheids-effect te
verminderen.
Zo kan voor buisvormige staafgeleiders het huid-effect verminderd worden door het vergroten
van diameter en evenredig hiermee van de wanddikte te verminderen; door de
diametervergroting wordt echter de afstand tussen de naburige geleiders kleiner, waardoor
het nabijheids-effect toeneemt.
Het huid-effect en het nabijheids-effect zijn beide te wijten aan de stromen die in verscheiden
elementgeleiders gaan en die door het verschil in zelfinductie tussen deze geleiders worden
veroorzaakt.
De nodige voorwaarden om beide effecten te vermijden (en bijgevolg om de verliezen te
beperken) is dat de geleiders van een éénfasig systeem een schikking bezitten die zo veel
mogelijk met de vorm van gelijk zelfinductie overeenstemt.
Voor kleine tussenruimten, en indien de inductieve spanningsdaling zoveel mogelijk dient
beperkt te worden, vertonden rechthoekige staafgeleiders een bijna ideale vorm.
In het geval van samengestelde stroombaren voor hoge stroomsterkte dienen we met drie
factoren rekening te houden.
- de staafgeleiders moeten een maximaal oppervlakte bezitten voor het verspreiden van de
warmte;
- de staafgeleiders moeten zo opgelegd worden dat de natuurlijke luchtstromen zo weinig
mogelijk gestoord worden;
Pagina 119
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
- de stroomdichtheid moet zo gelijk mogelijk zijn in de verschillende delen van de
staafgeleiders.
Deze voorwaarde hangt voornamelijk af van de schikking van de koperen geleiders om de
magnetische as van de staafgeleiders.
Ook kunnen we voor de staafgeleiders de Izo waarden bepalen. Daarna kunnen we een aantal
correctiefactoren toepassen wanneer de werkelijk bedrijfsomstandigheden verschillen van de
standaardomstandigheden. Formule voor Iz waarde wordt:
Iz = K m .KT .K 0 .K v .K h .I zo
Km:
Kt:
Ko:
kv:
Kh:
Correctiefactor wanneer het geleidermateriaal verschilt van elektrolytisch koper of
aluminium.
Correctiefactor wanneer de luchttemperatuur verschilt van 60°C of de
regimetemperatuur van de staafgeleider verschilt van 100°C.
Correctiefactor wanneer: ofwel de rechthoekige staafgeleiders met de grootste
rechthoekzijde horizontaal zijn opgesteld ofwel de rechthoekige staafgeleiders met
de grootste rechthoekzijde vertikaal zijn opgesteld over een lengte groter dan 2
meter.
Correctiefactor wanneer iedere stroombaar is opgebouwd uit meerdere dicht bij
elkaar liggende stroomwaarden.
Let er op dat deze factor enkel geldig is indien de stroombaar doorlopen wordt door
een wisselstroom en dit voor zover er geen aftakkingen zijn over een afstand van 2
meter.
Correctiefactor wanneer de hoogte opstelling groter is dan 1000 meter.
Pagina 120
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
10.2 Tabellen en voorbeelden van kabelberekeningen
10.2.1 Tabellen
Tabel 37
Kabels in open systemen
Maximale toelaatbare belastingsstroom Izo in ampère (A).
Nominale
koper
Doorsnede
(mm2)
VDE + ERP
aantal aders
aantal aders
1
PVC
PVC
VPE
EPR
2
3
4
1
2
3
4
1
19
15
13,5
12
23
19
17
15
1,5
24
19,5
17,5
12,5
29
24
22
20
2,5
33
26
24
21
40
33
30
26
4
45
35
32
28
55
45
40
35
6
58
46
41
36
71
58
52
46
10
80
63
57
50
98
81
72
64
16
107
85
76
68
131
108
97
86
25
142
112
101
89
173
143
128
113
35
175
138
125
111
215
176
158
139
50
212
168
151
134
259
214
192
169
70
270
213
192
171
330
272
244
215
95
327
258
232
207
399
330
295
260
120
379
299
269
239
462
382
342
301
150
435
344
309
275
531
438
393
347
185
496
392
353
314
607
500
448
395
240
584
461
415
369
713
589
526
465
: Polyvinylchloride
: Vernet Polyethyleen
: Ethyleen-Propyleen
Pagina 121
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 38
Draden en kabels in gesloten systemen
Maximale toelaatbare belastingsstroom Izo in ampère (A).
Nominale
koper
Doorsnede
(mm2)
PVC
VPE
EPR
PVC
VDE + EPR
aantal aders
aantal draden naast elkaar
2
3
4
aantal aders
aantal draden naast elkaar
2
3
4
1
13,5
12
10,5
17
15
14
1,5
17,5
12,5
14
22
20
18
2,5
24
21
19
30
26
24
4
32
28
25
40
35
32
6
41
36
32
52
46
41
10
57
50
44
72
64
57
16
76
68
59
97
86
77
25
101
89
75
128
113
102
35
125
111
97
158
139
126
50
151
134
-
192
169
152
70
192
171
-
244
215
194
95
232
207
-
295
260
234
120
269
239
-
342
301
271
150
309
275
-
393
347
311
185
353
314
-
448
395
356
240
415
369
-
526
465
418
: Polyvinylchloride
: Vernet Polyethyleen
: Ethyleen-Propyleen
Pagina 122
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 39
Draden in open lucht
Maximale toelaatbare belastingsstroom Izo in ampère (A).
Nominale koper doorsnede
(mm2)
1
17
21
1,5
22
27
2,5
30
37
4
40
50
6
52
65
10
71
89
16
96
120
25
127
158
35
157
196
50
190
237
70
242
301
95
293
365
120
339
422
150
390
485
185
444
553
240
522
650
PVC
VPE
EPR
PVC
VPE +EPR
: Polyvinylchloride
: Vernet Polyethyleen
: Ethyleen-Propyleen
Pagina 123
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 40
Kabels in de grond
Maximale toelaatbare belastingsstroom Izo in ampère (A).
Nominale
koper
Doorsnede
(mm2)
PVC
VDE + EPR
aantal aders
aantal aders
1*
2
3~ 4
1*
2
3~ 4
1,5
27
24
19
34
30
25
2,5
40
30
28
51
39
35
4
52
40
36
67
52
46
6
66
52
46
92
67
59
10
89
73
61
112
92
78
16
117
97
81
148
123
103
25
150
-
103
191
-
130
35
182
-
122
231
-
156
50
225
-
154
237
-
195
70
276
-
193
351
-
246
95
328
-
230
417
-
291
120
374
-
265
471
-
338
150
429
-
300
543
-
381
185
487
-
335
621
-
424
240
569
-
374
723
-
472
300
643
-
403
815
-
520
400
758
-
473
962
-
601
500
870
-
-
1102
-
-
325
1001
-
-
-
-
-
800
1155
-
-
-
-
-
1000
1309
-
-
-
-
-
PVC
VPE
EPR
: Polyvinylchloride
: Vernet Polyethyleen
: Ethyleen-Propyleen
* Bij wisselstroom moet rekening worden gehouden met het skin-effect en nabijheids-effect.
Pagina 124
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 41
Verplaatsbare leidingen
Maximale toelaatbare belastingsstroom Izo in ampère (A).
Nominale koper doorsnede (mm2)
Éénaderig
0,75
9
1
11
1,5
15
2,5
23
4
29
6
40
10
61
16
84
25
102
35
130
50
163
70
200
95
242
120
284
150
326
185
372
240
446
300
530
Pagina 125
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 42
Correctiefactor KT
In lucht gelegen leidingen
Omgevingstemperatuur (°c)
10
1,29
1,22
1,15
15
1,22
1,17
1,12
20
1,15
1,12
1,08
25
1,07
1,07
1,04
1
1
1
35
0,93
0,93
0,96
40
0,82
0,87
0,91
45
0,71
0,79
0,87
50
0,58
0,71
0,82
30
RUBBER
Iz x
PVC
VPE + ERP
Tabel 43
Correctiefactor KT
Leidingen in de grond
Bodemtemperatuur
(°c)
5
1,09
1,06
10
1,04
1,03
1
1
20
0,96
0,97
25
0,91
0,93
30
0,85
0,89
15
PVC
Iz x
VDP + EPR
Pagina 126
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 44
Correctiefactor Kw
Leidingen in de grond
Specifieke
WarmteWeerstand
(K.m/W)
1,5 ≤ A ≤ 16
Doorsnede A
(mm2)
25 ≤ A ≤ 70
95 ≤ A ≤ 240
300 ≤ A
Iz x
PVC
Zeer
Vochtig
0,5
1,24
VPE + PVC
EPR
1,24
1,26
VPE + PVC
EPR
1,26
1,28
VPE + PVC
EPR
1,28
1,3
VPE +
EPR
1,3
0,7
1,11
1,11
1,13
1,13
1,14
1,14
1,15
1,15
Normaal
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Droog
1,2
0,94
0,94
0,94
0,94
0,93
0,93
0,93
0,93
Zeer
Droog
1,5
0,87
0,87
0,87
0,87
0,86
0,86
0,85
0,85
2
0,78
0,78
0,76
0,76
0,74
0,74
0,73
0,73
Tabel 45
Correctiefactor Kn
Leidingen in gesloten systemen
Onderlinge
Afstand
2
D ≤ d < 2D
Iz x
d<D
Aantal meeraderige kabels naast elkaar
3
4
5
6
PVC
0,95
0,93
0,92
0,91
0,9
VPE +
EPR
PVC
0,95
0,93
0,92
0,91
0,9
0,88
0,84
0,82
0,8
0,79
VPE +
EPR
0,88
0,84
0,82
0,8
0,79
D = Uitwendig diameter van de dikste kabel
d = Kleinste afstand tussen de uitwendige mantels van twee naast elkaar liggende kabel
Pagina 127
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 46
Correctiefactor Kn
Leidingen in open systemen
Onderlinge
Afstand
Aantal éénaderige kabels naast
elkaar
2
3
4
D ≤ d < 2D
Iz x
d<D
PVC
In overweging
VPE +
EPR
PVC
In overweging
0,89
0,79
0,71
VPE +
EPR
0,91
0,83
0,74
Onderlinge
Afstand
Aantal meeraderige kabels naast elkaar
2
D ≤ d < 2D
Iz x
d<D
3
4
5
6
PVC
0,98
0,96
0,95
0,94
0,93
VPE +
EPR
PVC
0,98
0,96
0,95
0,94
0,93
0,88
0,84
0,82
0,8
0,79
VPE +
EPR
0,88
0,84
0,82
0,8
0,79
D = Uitwendig diameter van de dikste kabel
d = Kleinste afstand tussen de uitwendige mantels van twee naast elkaar liggende kabel
Pagina 128
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 47
Correctiefactor Kn
Leidingen in de grond
Onderling
afstand
D ≤ 7 cm
Aantal kabels
naast elkaar
2
PVC
0,81
0,81
3
0,7
0,7
0,64
0,64
5
0,6
0,6
6
0,57
0,57
4
Iz x
VPE + EPR
d = Kleinste afstand tussen de uitwendige mantels van twee naast elkaar liggende kabel
Tabel 48
Thermische bestandheid van geïsoleerde geleiders deel uitmakend van
meer aderige geleiders
Isolatie Temperaturen
materiaal
Begin
Einde
In °C
In °C
70
160
PVC
Coëfficiënt
Verschil in Cu - kern
°C
90
115
Al - kern
Pb –kern
76
21
EPR +VPE 90
250
170
143
94
26
RUBBER
60
150
90
117
77
21
Butyl
Rubber
85
220
135
134
89
25
Pagina 129
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 49
Thermische bestandheid van geïsoleerde geleiders geen deel uitmakend van meerder
aderig geleiders
Thermische bestandheid van blanke geleiders die tegen een kabelmantel aanleunen
Isolatie Temperaturen
materiaal
Begin
Einde
in °C
In °C
30
160
PVC
Coëfficiënt
Verschil in Cu – kern
°C
130
143
Al - kern
Pb –kern
95
26
EPR +VPE 30
250
220
176
116
31
RUBBER
30
150
120
138
91
25
Butyl
Rubber
30
220
1190
166
110
29
Tabel 50
Thermische bestendigheid van blanke geleiders zonder enig beschadigingrisico voor de
omgeving m.a.w. Thermische bestandheid van onafhankelijk blanke geleiders
Temperaturen
Al
Cu
Fe
K
Zichtbare aanleg in
Aanleg in ruimten
Aanleg in ruimte
gereserveerde
zonder brand gevaar met brandgevaar
ruimten
Begin Einde Ver- Begin Einde Ver- Begin Einde Verin °C in °C schil in °C in °C schil in °C in °C Schil
in °C
in °C
in °C
30
300
270
30
500
470
30
200
170
30
Cu
228
159
138
Al
125
1056
91
Fe
82
58
50
150
120
Pagina 130
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
10.2.2 Voorbeeld oefeningen
Voorbeeld 1 :
Bepaal de doorsnede van een vieraderige PVC kabel met koperen geleiders. Deze kabel
bevindt zich te samen met drie andere kabels, gelegen in een laag, in een geperforeerd
kabelrek. De omgevingstemperatuur bedraagt 25°C. Voor een driefasige voeding met PEN
geleider bedraagt de bedrijfsstroom Ib=40 A.
Vermits Ib < Iz en Iz = Kn.Kt.Km.Izo is Ib < Kn.Kt.Km.Izo
en wordt Izo = Ib / (Kn.Kt.Km)
Volgens tabel 141 is Kt = 1,07
Volgens tabel 145 is Kn = 0,82
En Km = 1 (koper)
Bijgevolg is Izo > 40/(0,82.1,07) = 45,58A
Volgens tabel 36
vinden we voor 57 A een doorsnede van 10 mm2 en voor 41 A een doorsnede van 6 mm2.
Er dient dus te worden gekozen voor een vieraderige kabel van 4 x 10 mm2
Voorbeeld 2 :
Bepaal de Iz waarde van een vieraderige PVC kabel 4 x 2,5 mm2. De geleiders zijn
vervaardigd van Aluminium. De kabel is geplaatst in een geperforeerd kabelrek te samen met
twee andere kabels, gelegen in één laag. De omgevingstemperatuur is 25°C. De kabel wordt
gebruikt voor een driefasige voeding met PEN.
In Tabel 36 lezen we de Izo waarde af, deze bedraagt 24 A.
Deze waarde moet met drie correctiefactoren vermenigvuldigd worden.
Iz = Kn.Kt.Km.Izo
Volgens tabel 41 is Kt = 1,07
Volgens tabel 45 is Kn = 0,84
en Km = 0,78 (aluminium)
Bijgevolg is Iz = 0,84.1,07.0,78.24 = 16,82 A
Voorbeeld 3 :
Bepaal de Iz waarde van een drieaderige PVC kabel van 3 x 120 mm2. De geleiders zijn
vervaardigd uit koper. De kabel is gelegen in een aardbodem op 20°C met een soortelijke
warmteweerstand van 0,7 °C.m/W tezamen met vijf andere kabels in één laag gelegen met
een onderlinge afstand van 5 cm, onder een betonnen beschermingsplaat.
Volgens tabel 39 lezen we een Izo af van 265 A.
Deze waarde moet met drie correctiefactoren vermenigvuldigd worden. Iz = Kn.Kt.Kw.Izo
Volgens tabel 46 is Kn = 0,57
Volgens tabel 42 is Kt= 0,96
Volgens tabel 43 is Kw=1,14
Bijgevolg is de Izo = 0,57. 0,96. 1,14. 265 = 163,3 A
Pagina 131
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
10.2.3 Verklaring van de symbolen volgens de Belgische norm
Gebruik
Geleider
Materiaal (1)
Aderisolatie
E
Energiekabel
A
Aluminium
I (2)
Geïmpreg neerd
Papier
B
Bundelkabel
M
Mineraal
S
Signalisatie
Kabel
P (2,3)
Niet
Geimpregneerd
Papier
V
Polyvinylchloride
W
Polyethyleen
X
Vernet polyEthyleen
T
Telefoon
Kabel
Uitwendige
Interne
bescherming bescherming
smantel
smantel
A
J
Bewapening
Jute mantel
Tabel 51
Overeenkomst Norm
B
Overeenkomstig
Belgische
Norm
V
C
Concentrische Polyvinylchlo
ride mantel
nulgeleider
Gemeenschappelijk
scherm
W
D
Ontplooibare Polyethyleenmantel
nulgeleider
F
Schermbewap
ening
L
Lood
(1) Wanneer er geen symbool is aangeduid voor de aders, dan zijn ze uit koper.
(2) I en P onderstellen het gebruik van een loodmantel. De letter L wordt gebruikt wanneer de
aanwezigheid van een loodmantel duidelijk dient benadrukt te worden.
(3) Voor kabels die niet genormaliseerd zijn kunnen supplementaire letters gebruikt worden
om een element dat in de tabel niet voorzien is, te kenmerken.
Pagina 132
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
10.2.4 Verklaring van de symbolen volgens de Europese norm
Cijfer
Bestemming
1
Normen
2
Spanning
tussen de
aders
3
Aderisolatie
4
Mantel
isolatie
5
Speciale
bouwvormen
Materiaal
van de aders
6
Opbouw van
de aders
7
8
9
Samenstellin
g van de
kabel
Tabel 52
Betekenis
Aanduiding
Geharmoniseerd model
Nationaal model erkent door CENELEC
Nationaal model
Model volgens bijzonder norm of voorschrift
Model erkent door IEC
U < 100 V
100 V < U < 300 V
U ≤ 300 V
U ≤ 500 V
U ≤ 750 V
U ≤ 1000 V
Ethyleen Propyleen Rubber (EPR)
Polyethyleen (PE)
Glasvezelomvlechting
Polychloropreen (PCP)
Natuurrubber (SBR)
Silikoonrubber
Textielvezelomvlechting
Polyvinylchloride (PVC)
Vernet Polyethyleen (VPE)
Idem derde cijfer
H
A
N
S
J
00
01
03
05
07
1
B
E
J
N
R
S
T
V
X
Idem
Vlakke, deelbare leiding met, of zonder isolatie
Vlakke, niet deelbare leiding
Vlakke leiding waarvan de parallelgeleiders van
elkaar gescheiden zijn door een isoleerde band
Vlakke meeraderige leiding met één ongeïsoleerde
ader
Leiding met twee of meer aders, spiraalvormig
getwijnd
Koper
Aluminium
Soepele leiding (fijndradige ader)
Extra soepele leiding (fijndradige ader)
Leiding voor vaste aanleg (fijndradige ader)
Meerdradige stijve ronde ader
Meerdradige stijve sectoriele ader
Eéndradige stijve ronde ader
Geïsoleerd koperbandsnoer
Aantal aders
Wanneer de leiding geen beschermgeleider bevat
Wanneer de leiding een beschermgeleider bevat
Doorsnede van de aders
H
H2
H3
H4
H5
A
F
H
K
R
S
U
Y
X
G
Pagina 133
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
10.2.5 Tabellen
Tabel 53
Voorbeeld
Omschrijving
Referentie
Geïsoleerde geleiders in r onde
buizen (opbouw).
1
Enkel- of meeraderige kabels in
ronde buizen (opbouw).
2
Geïsoleerde geleiders in ronde
buizen verzonken in een wand.
3
KT
T
A
B
E
L
Enkel- of meeraderige kabels in
ronde buizen verzonken in een
wand.
Enkel- of meerderaderige kabels,
al dan niet gewapend, geplaatst
op en niet geperforeerd kabelrek.
Enkel- of meerderaderige kabels
in goten, horizontaal vastgehecht
aan een wand.
4
1
Kw
N
I
H
I
L
Kn
T
A
B
E
L
4
5
6
Pagina 134
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 54
Voorbeeld
Omschrijving
Enkel- of meerderaderige kabels
in gesloten kanalen.
Referentie
KT
Kw
Kn
7
T
A
B
E
L
Enkel- of meerderaderige kabels
in open of geventileerde kanalen.
Enkel- of meerderaderige kabels,
al dan niet gewapend, gehecht op
een wand.
Enkel- of meerderaderige kabels,
al dan niet gewapend, gehecht
tegen een zoldering.
Enkel- of meerderaderige kabels,
al dan niet gewapend, geplaatst
op een horizontaal aangelegd
geperforeerd kabelrek.
Enkel- of meerderaderige kabels,
opgehangen aan een draagkabel
of zelfdragend.
4
8
9
T
A
B
E
L
10
1
N
I
H
I
L
T
A
B
E
L
5
11
12
Pagina 135
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 55
Voorbeeld
Omschrijving
Enkel- of meerderaderige kabels
zonder bijkomende mechanische
bescherming, rechtstreeks
ingegraven.
Enkel- of meerderaderige kabels
met bijkomende mechanische
bescherming, rechtstreeks
ingegraven.
Blanke of geïsoleerde draden
vastgehecht op isolatoren.
-
Buigzame leidingen :
Snoeren;
Mantelsnoeren;
Mantelleidingen;
Referentie
KT
Kw
Kn
13
T
A
B
E
L
T
A
B
E
L
T
A
B
E
L
2
3
6
N
I
H
I
L
N
I
H
I
L
14
15
T
A
B
E
L
1
16
Pagina 136
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 56
Kabels in open systemen
Kabels rechtstreeks tegen de wand geplaatst.
Kabels rechtstreeks tegen de zoldering
geplaatst.
Kabel geplaatst op kabelrek waarvan de
bodem openingen vertoont.
Kabels op kabelhaken.
Kabel opgehangen aan een spandraad.
Pagina 137
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 57
Draden en kabels in gesloten systemen.
Draden of kabel in buis, welke op een
bouwelement is geplaatst.
Draden of kabel in buis, welke op een
bouwelement is geplaatst.
Draden in plint of gootlijst.
Kabel in gesloten kabelgoot.
Kabel in open kabelgoot.
Kabel geplaatst op kabelrek, waarvan de
bodem vol is.
Pagina 138
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 57
Vervolg
Draden en kabels in gesloten systemen.
Kabel rechtstreeks in geventileerd
kabelkanaal.
Kabel rechtstreeks in gesloten kabelkanaal.
Draden of kabel in buis, welke in een
geventileerd kabelkanaal, is aangebracht.
Draden of kabel in buis, welke in een gesloten
kabelkanaal, is aangebracht.
Kabel rechtstreeks in muur of stukwerk.
Kabel rechtstreeks in vormstenen van een
muur of in stukwerk.
Pagina 139
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Tabel 58
Draden in open lucht
1
2
3
Draden op isolatoren.
Tabel 59
Kabels in de grond
Kabels rechtstreeks in de grond.
Kabels rechtstreeks in de grond met
mechanische bescherming.
Pagina 140
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
10.3 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m bekabeling
Art. nr. 14.2 Stroomgeleiders
Stroomgeleiders moeten van koper zijn.
Nominale doorsnede van andere geleiders moeten zodanig zijn dat de temperaturen niet
worden overschreden.
Klasse 1:
Zeer geringe buigbelasting bij doorsnede < 0.5 mm2.
Klasse 5/6: Regelmatig optredende beweging.
Art. nr. 14.3 Isolatie
Soorten isolatie zijn o.a. PVC, natuur- of synthetisch rubber, SiR mineale stoffen XLPE en
EPR.
De isolatie moet van geschikt materiaal zijn gemaakt wat betreft:
- gevaar bij brand door uitstoot van giftige dampen of verspreiding van vuur;
- doorslagvastheid voor vereiste beproevingsspanning;
- mechanische sterkte en dikte om beschadiging tijdens bedrijf en tijdens het leggen te
voorkomen.
Art. nr. 14.4 Toelaatbare stroom tijdens normaal bedrijf
De toelaatbare stroom van elektrische leidingen wordt bepaald door:
- maximaal toegelaten geleidertemperatuur bij hoogst mogelijke stationaire stroom onder
normale omstandigheden;
- kortstondig toegelaten geleidertemperatuur bij kortsluiting.
De geleiderdoorsnede moet zodang zijn dat bij de hoogste stationaire stroom de
geleidertemperatuur de waarde uit tabel 4 (zie norm) niet overschrijdt.
De toelaatbare stroom voor continubedrijf van uitwendige bedrading wordt gegeven in
tabel 5. Bij veranderlijke belasting. zie bijlage C.2 van de norm.
Art. nr. 14.5 Spanningsval
De spanningsval mag niet meer bedragen dan 5 % van de nominale spanning.
Art. nr. 15.1 Aansluitingen en aanleg
1. Eisen voor aansluitklemmen en het aansluiten van geleiders:
- aansluiting beveiligd tegen toevallig losraken (vooral aansluiting van de
beschermingsketen;
- aansluiting geschikt voor de aan te sluiten geleiders;
- aansluiting bestand tegen corrosie;
- meer dan één geleider per aansluitklem enkel toegelaten wanneer de aansluitklem
daarvoor is ontworpen (bij beschermingsketen: altijd één geleider per aansluitklem);
- alleen solderen wanneer aansluitklem geschikt is voor soldeerwerk;
- klemmen op stroken duidelijk gemerkt in overeenstemming met markeringen op schema;
- einden en mantel van geleider mogen niet rafelen; solderen mag niet voor dit doel worden
toegepast;
- identificatieplaatjes permanent goed leesbaar;
- bedrading mag onderling niet over aansluitklemmen lopen.
2. Eisen voor aanleg van elektrische leidingen:
- geleiders zonder lassen gebuiken;
- voldoende extra lengte moet aanwezig zijn wanneer kabels moeten worden aangesloten en
Pagina 141
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
-
afgekoppeld,. aansluitingen moeten voldoende ondersteund zijn;
indien mogelijk beschermingsleiding nabij actieve geleiders leggen.
3. Eisen voor geleiders van verschillende stroomketens:
- de geleiders van verschillende stroomketens mogen bij elkaar liggen mits juiste werking
gewaarborgd blijft;
- stroomketens die niet worden afgeschakeld door de hoofdschakelaar, moeten fysiek of
door kleur zijn gescheiden van andere ketens.
Art. nr 15.2 Identificatie van stroomgeleiders
- stroomgeleiders moeten hij elk aansluitpunt in overeenstemming zijn en met de
documentatie geïdentificeerd kunnen worden;
- De beschermingsleiding moet gemakkelijk herkenbaar zijn.kleur: groen-geel;
- Keuridentificatie van nulleider: lichtblauw;
- Markering van andere geleiders moet gebeuren met kleine letters en / of Arabische cijfers
en/of Latijnse letters. Kleuridentificatie van geïsoleerde eenaderige stroomgeleiders:
zwart: hoofdstroomketens, wisselspanning en gelijkspanning;
rood: stuurstroomketens, wisselspanning;
blauw: stuurstroomketens, gelijkspanning ;
oranje: stuurstroomketens voor vergrendeling met externe voeding;
Uitzonderingen: zie norm.
Art. nr. 15.3 Bedrading binnen omhulsels
Indien nodig moeten stroomgeleiders op bedieningspanelen worden ondersteund door kokers
of kanalen van metaal of brandvertragend isolatiemateriaal.
Aanbevolen wordt om bedradingen in omhulsels van de voorzijde te kunnen bereiken voor
modificaties en anders via deuren of draaiende panelen.
Verbindingen op bewegende delen moeten buigzaam genoeg zijn voor regelmatige
bewegingen.
Voor stuurstroombedrading buiten omhulsel moeten klemmenstroken worden gebruikt.
Kabels voor hoofdstroom en meetschakelingen mogen rechtstreeks worden verbonden met
aansluitklemmen van desbetreffende toetellen.
Art. nr. 15.4 Bedrading buiten omhulsels
1. beschermingsgraad van omhulsels moet bij invoeren van kabels of kokers met
pakkingen/wartels behouden blijven;
2. Aansluitingen van stroomgeleiders buiten een omhulsel van een elektrische uitrusting
moeten zich bevinden in geschikte kokers, tenzij het deugdelijk beschermde kabels
betreft;
Kokers of meeraderige kabels moeten geschikt zijn voor de omgevingsomstandigheden.
Wanneer nodig moeten buigzame installatiebuizen/meeraderige kabels worden gebruikt. Deze
mogen niet het gewicht van hangende bedieningsstations dragen, tenzij speciaal daarvoor
ontworpen. Zij mogen de verbinding naar uitwendig gemonteerde toestellen voltooien.
Pagina 142
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
3. Eisen voor verbindingen naar bewegende delen:
- geschikte
stroomgeleiders
moeten
worden
gebruikt, overmatige buiging en
overbelasting dient te worden voorkomen;
- geen mechanische belasting mag optreden aan aansluitpunten;
- lus moet buigingsstraal mogelijk maken van 10 maal de kabelbuiten middellijn;
- tussen bewegende kabels en bewegende delen moet minimaal 25 mm vrij zijn;
- kabelmantel moet bestand zijn tegen slijtage en omgevingsingsinvloeden;
- buigzame installatiebuis mag niet kunnen worden beschadigd door bewegende delen;
- metalen buigzame installatiebuis mag niet worden gebruikt voor snelle of regelmatige
bewegingen;
- voorbedrade toestellen met gemerkte kabel hoeven geen aansluitvoorziening te hebben.
5. Voor verplaatsbare uitrusting zijn stopcontacten toegestaan, met pencontact aan lastzijde
van stroomketen (uitgezonderd bij PELV-stroomketens).
Eisen voor het stopcontact zijn:
- verbinding met de beschermingsketen moet tot stand komen voor spanning wordt
toegevoerd en omgekeerd bij onderbreking, behalve bij PELV en meerpolige
contactstoppen ten behoeve van montage en demmontage;
- stopcontacten van > 16 A of bij normaal bedrijf verbonden, moeten een
borgingsmogelijkheid bezitten stopcontacten van > 63 A moeten met een gecombineerde
schakelaar zijn vergrendeld;
- onopzettelijke aanraking van actieve delen moet altijd voorkomen worden;
- verschillende stopcontacten moeten duidelijk zijn gemerkt;
- huishoudelijke contactdozen of volgens EN 60309-1 zijn niet toegestaan voor
stuurstroomketens.
6.Voor demontage voorziene punten moeten uitgerust zijn met aansluitklemmen in
toegankelijk omhulsel of stopcontactverbin- dingen, en voldoende zijn beschermd tegen
omgevings -omstandigheden.
Art. nr. 15.5 Leidingkokers, aansluitkasten en verdeeldozen
1.Leidingkokers en aansluitkasten dienen voor de mechanische bescherming van
stroomgeleiders, ze moeten star en veilig worden ondersteund, met minimale mogelijkheid
van beschadiging of slijtage. De isolatie van geleiders mag niet beschadigd. Eventueel
aanvullende bescherming aangebrengen.
2. Elektrische leidingen moeten gemakkelijk in de leidingkokers kunnen worden aangebracht.
3. Stijve metalen buizen en hulpstukken moeten zijn gemaakt van een niet-roestend materiaal
dat geschikt is voor de bedrijfsomstandigheden. lnstallatiebuis en hulpstukken moeten stevig
worden bevestigd, indien mogelijk met schroefdraadverbinding. Bochten in de buis mogen de
inwendige diameter niet verkleinen noch de buis beschadigen.
4. Buigzame metalen
bedrijfsomstandigheden.
buis
en
hulpstukken
moeten
geschikt
zijn
voor
de
5. Buigzame niet-metalen buis en hulpstukken moeten bestand zijn tegen knikken en fysische
eigenscbappen bezitten zoals mantels van meeraderige kabels, en geschikt zijn voor de bedrijfsomstandigheden.
Pagina 143
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
6. Kabelgootsystemen buiten omhulsels moeten vast en veilig worden geplaatst. De deksel
moet de zijkanten overlappen, goed zijn bevestigd en goed gesloten worden. Naden van
verschillende secties moeten nauw op elkaar aansluiten.Er mogen geen ongebruikte, geopende
uitbreekpoorten voorkomen, behalve voor bedrading of vochtafvoer.
8. Aansluitklemmen moeten in gemakkelijk toegankelijke omhulsels worden geplaatst. Op
machines gemonteerde aansluitkasten moeten minimaal beschermingsgraad 1P44 hebben. De
afdichtingen moeten bestand zijn tegen verwachte effecten van omgevingsomstandigheden.
In aansluitkasten en verdeeldozen mogen geen ongebruikte openingen voorkomen en er
mogen geen verontreinigende stoffèn in kunnen komen.
9. In motoraansluitkasten mogen alleen aansluitingen voorkomen voor de motor en
bijbehorende toestellen.
10.4 Volgens norm EN 60439-1 i.v.m. bekabeling
Art. nr. 7.6.5.2 Aanduiding van de beschermingsgeleider en de nul van de hoofdstroomketen
Beschermingsgeleider (PE) :
Beschermgeleiders moeten duidelijk herkenbaar zijn door vorm, ligging, merkteken of kleur.
Als kleur gebruiken we groen-geel en bij voorkeur over de hele lengte van de geleider.
De aanduiding van de beschermingsgeleider moet zijn gemerkt volgens IEC 445 met de
letters PE.
Als grafisch symbool past men symboolnr. 5019 toe van de norm IEC 417.
Nulgeleider (N) :
Nulgeleiders dienen duidelijk herkenbaar te zijn door vorm, merkteken, ligging of kleur. Als
kleur wordt lichtblauw aanbevolen.
Art. nr. 7.8.3 Bedrading
1 De geisoleerde geleiders moeten ten minste de nominale isolatiespanning kunnen
verdragen.
2 Kabels tussen 2 aansluitpunten mogen geen lassen of gesoldeerde verbindingen bevatten.
Verbindingen moeten met aansluitklemmen plaats vinden.
3 Geisoleerde leidingen mogen niet rusten op blanke actieve delen met een ander potentiaal
of op scherpe hoeken. Ze moeten goed en veilig ondersteund worden.
4 Voedingsleidingen in deuren of deksels mogen niet beschadigd worden bij het bewegen
van de deur of deksel.
Pagina 144
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofstuk 11 : PLC
11.1 Volgens norm NEN EN 292-2 i.v.m PLC
Art. nr 3.7.8 Herprogrammeerbare besturingssystemen
In de herprogrammeerbare logica moet men vermijden dat een programma gewist kan worden
door een onopzettelijke handeling.
Men kan de toegang voorkomen door gebruik te maken van:
- sleutels;
- wachtwoorden;
- ROM-geheugen.
11.2 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m PLC
Art. nr. 11.1 Algemeen
Welke eisen worden gesteld aan signalen tussen de numerieke of programmeerbare besturing
en externe toestellen?
Art. nr. 11.2 Interfaces tussen digitale ingang en uitgang. De numerieke of programmeerbare
besturing moet voor elk digitaal signaal ten minste één passende aansluiting bezitten met
voldoende aansluitpunten voor massa aansluitingen en afschermming.
1. De toestanden van digitale in en uitgangen zouden zichtbaar moeten zijn
Aansluitcontacten van ingangstoestelen moeten in de normale toestand geopend zijn.
Elke uitgangsstroomketen zou moeten verbonden zijn met slechts één uitgangstoestel.
Indien de uitgangen van de besturing inductief belast worden, dient dit volgens aanbevelingen
van de leverancier van de besturing te worden geschakeld.
Storingen over de wikkelingen van motoren, die worden gestart of gestopt, moeten worden
onderdrukt.
2. Potentiaalvereffening
Alle metalen gestellen van de in- en uitgangen, gestellen van verwerkingstoestellen en de
voeding moeten volgens de specificaties van de leverancier elektrisch onderling zijn
verbonden en zijn aangesloten op de beschermingsgeleider.
Art. nr. 11.3 Programmeerbare uitrusting
1 Programeerbare besturingen moeten voldoen aan de desbetreffende IEC-normen
2 Er moeten maatregelen genomen worden om te voorkomen dat onbevoegden de inhoud van
het geheugen kunnnen wijzigen. Bovendien moet aan de in 9.4.3.2 beschreven eisen voldaan
worden.
Pagina 145
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 11.3.4 Gebruik in veiligheidsfuncties
Programmeerbare uitrusting mag niet worden gebruikt voor noodstopfuncties van categorie 0.
Voor alle andere stopfuncties die niet met veiligheid samenhangen, gaat de voorkeur uit naar
elektromechanische onderdelen met bedrading. Voor gevallen waarin programmeerbare
elektronische uitrusting voor deze functies wordt gebruikt, moeten geschikte maatregelen in
overeenstemming met 9.4 zijn getroffen.
11.3 Volgens IEC 1131 deel 1 en 2 (PLC-norm)
Deze norm is bestemd voor fabrikanten van Programeerbare Logische Controllers (PLC).
Indien de instructies worden gevolgd zoals vermeld in de gebruikershandleiding, zal dit
toestel op een veilige manier functioneren. We mogen dan ook veronderstellen dat er aan de
EMC-richtlijn voldaan is.
Toch moeten we bij de aanschaf van een PLC een aantal punten extra aandacht geven:
- werkingstemperatuur;
- stockeertemperatuur;
- relatieve vochtigheid;
- vervuilingsgraad;
- corrosie immuniteit;
- hoogte;
- elektrische ruis;
- werkspanning ;
- piekspanningen;
- trillingen;
- schokken;
- vrije val.
Vooraleer de PLC aan te sluiten moeten we er zeker van zijn dat er een degelijke aardgeleider
aanwezig is.
We moeten ervoor zorgen dat isolatie van de externe verbindingskabels geschikt is voor het
voorziene voltage en temperatuur. Ook moeten deze kabels voorzien zijn van een
trekontlasting.
Alle kabels moeten mechanische bevestigd worden, zodat een continue elektrische stroom
verzekerd is.
Beschermende externe aardgeleiders moeten een groene kleur met een gele streep hebben.
Beschermende aardgeleider: Onderspanning staande delen op aardpotentiaal te brengen
Functionele aarding:
Heeft geen veiligheidsfunctie dient enkel om de ruis
immuniteit te verbeteren.
Pagina 146
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 12: EMC
12.1 EMC- basisprincipes
12.1.1 Inleiding
Door de toename van het aantal elektrische apparaten komt het steeds meer voor dat deze
apparaten elkaar in hun gebruikssituatie storen als gevolg van de elektromagnetische
eigenschappen, denk maar aan hoogfrequente toestellen zoals de GSM (Globaal Systeem voor
Mobiele communicatie). De stromen en spanningen die aanwezig zijn in een elektrisch
apparaat kunnen elektrische velden opwekken, dit noemt men emissie. Deze velden kunnen
door omgevende apparaten worden opgevangen. Deze velden zullen nu op hun beurt een
ongewenste spanning of stroom induceren, die de goede werking van het apparaat
verhinderen, dit noemt men susceptibiliteit. Indien een apparaat niet gevoelig is voor
elektromagnetische storing, zeggen we dat het apparaat immuun is.
Indien de apparaten in een elektromagnetisch milieu goed functioneren, zonder zelf
ontoelaatbare stoorsignalen aan dit milieu toe te voegen, dan kunnen we zeggen dat deze
apparaten elektromagnetisch compatibel zijn (etc.). Dit is helaas niet het geval er zullen dus
nog steeds Elektromagnetische interferentie problemen moeten worden opgelost. Het is
duidelijk dat deze uitstraling gevaarlijke situaties kan veroorzaken, dit probleem omvat een
aantal aspecten:
- de geïnduceerd e stralingen hebben betrekking op de performantie van de machines en
uitrustingen;
- de fabrikant moet er voor zorgen dat de storingen geen gevaarlijke situaties kunnen
creëren. vb.: automatisch starten of stoppen;
- fysiologische effecten op de mens ten gevolge van blootstelling aan de uitstraling.
Daarom heeft de wetgever een aantal richtlijnen voorgesteld. De EMC- richtlijn, hierin wordt
beschreven aan welke voorwaarde elektronische apparaten moeten voldoen die op de markt
gebracht worden aan zekere emissie en immuniteitslimieten moeten voldoen.
De machinerichtlijn, en meer bepaald paragraaf 1.2.7 (defecten in bedieningscircuits t.g.v.
externe invloeden) en paragraaf 1.5.11 (gevaren door uitwendige straling) van bijlage I.
EMC
Elektromagnetische compatibiliteit
(Het bevredigend kunnen functioneren)
EME
Elektromagnetische emissie
(Het storen)
Binnen het systeem
zelf
Naar andere
systemen toe
EMS
Elektromagnetische susceptibiliteit
(Het gestoord worden)
Door andere
systemen
Door systeemdelen
zelf
Fig. 159: Onderverdeling van EMC
Pagina 147
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
12.1.2 Model
Het fysische mechanisme van de elektromagnetische interferentie kunnen we als volgt
voorstellen:
Stoorbron
Koppelingsmechanisme
Gestoorde
Dit model kunnen we op vier mogelijke niveaus terugvinden:
- systeemniveau;
- apparaatniveau;
- PCB niveau (printplaat);
- componentniveau.
De koppeling tussen de stoorbron en gestoorde kan op verscheidene manieren plaats vinden.
A) Er zijn 2 mogelijke koppelingen (symmetrische of asymmetrische)
Is
Symmetrische
Komt vooral voor LF storingen.
In gesloten lus stroomt de stroom
Is.
R
Signaalbron
Storing
Fig. 157
Is1
Asymmetrische
Via de parasitaire capaciteit Cp
wordt een gesloten lus gevormd.
Voor LF is de lusimpedantie groot
en is de storing te verwaarlozen.
Voor HF-storingen vloeien Is1 en
Is2. Op de meetweerstand R veroorzaken zij een foutspanning Us1
Us2.
Is2
Signaalbron
Storing
Cp
Us1
Cp
Us2
Is1 + Is2
Fig. 158
B) Soorten koppelingen
De galvanische koppeling
De galvanische koppeling van signaalketens gebeurt vaak over een gemeenschappelijke
impedantie, vb.: de massageleider, gemeenschappelijke retourleiding.
De capacitieve koppeling
Stel, een meetkring met twee signaallijnen in de omgeving van een vermogenkabel en het
aardvlak. Deze geleiders vormen onderling capaciteiten evenredig met de lengte van de
kabel. Normaal verdelen de capaciteiten zich over de volledige lengte van het meetsysteem,
maar worden in de figuur voorgesteld door equivalente capaciteiten.
Pagina 148
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Schematische voorstelling van een capacitieve koppeling:
Fig. 159: Capacitieve koppeling
De capacitieve koppeling is enkel mogelijk indien de geometrische omvang van de
beschouwde structuur kleiner is dan 10% van de in acht genomen golflengte.
De inductieve koppeling
Ook hier zal inductieve koppeling slechts mogelijk zijn indien de twee geleiders voldoende
dicht bij elkaar liggen. Er zal dan een aanzienlijke wederzijdse inductantie M ontstaan.
De wederzijdse inductantie is hier voorgesteld door equivalente symbolische spoelen, in
werkelijkheid is de inductantie verdeeld over de volledige lengte van de geleiders. De
sinusvormige stroom i in de vermogenkring zal een stoorspanning in de meetkring induceren
Fig. 160: Inductieve koppeling
Vs = 2 x pi x f x M x i
Voorbeeld van een inductieve koppeling en hoe voorkomen (Fig. zie volgende pag.)
De motorstroom Im veroorzaakt een magnetisch veld. De signaalkring die een gesloten lus
vormt, wordt door dit veld gesneden. Daardoor wordt een stoorspanning Us geïnduceerd.
Enkel bij een wisselstroomvoeding of een pulserende gelijkstroom wordt er een Us
geïnduceerd.
Pagina 149
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Voorkomen:
- hoe groter de afstand hoe kleiner de stoorspanning;
- stoorspanning is maximaal indien de geleider loodrecht op de storende geleider staat;
- grotere frequentie heeft een grotere stoorspanning tot gevolg;
- de stoorspanning is evenredig met het omsloten oppervlak.
Im
Us
Fig. 161
Er zijn2 manieren om storingen te voorkomen: Twisten van de draad en afschermen.
Im
Us
Us
Us
Us
Fig. 162
Twisten van de draad: Daar de draden vast tegen elkaar liggen is het omsloten oppervlak
klein. De geïnduceerde spanning is ook klein. Bovendien hebben de spanningen van de
deelvlakken een tegengesteld teken zodat de som een zeer lage waarde heeft.
Een verklaring waarom het twisten een oplossing biedt vinden we op pag. 151, onder 12.1.4.
Door het toepassen van een afgeschermde kabel wordt het oppervalk dat omsloten is door de
aardingslus merkelijk kleiner. De geïnduceerde spanning zal dus ook kleiner worden.
Koppeling door straling
Deze koppeling gebeurt via elektrische en / of magnetische velden.
Om koppeling door straling te begrijpen, moeten we eerst even dieper ingaan op het fysische
aspect.
Pagina 150
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
12.1.3 De wetten van kirchoff
De wet van Kirchoff voor stromen stelt dat alle stromen die naar een bepaald punt vloeien
daar ook weer vertrekken, m.a.w. er hoopt zich geen lading op in een bepaald punt. Vermits
stroom een verplaatsing van ladingdragers is, en niet uit het niets kan ontstaan, is het duidelijk
dat er enkel stroom kan vloeien in een gesloten kring. Let hier wel op dat het niet altijd om
een zichtbare verbinding moet gaan, zoals we reeds gezien hebben zijn er verschillende
koppelingsmogelijkheden.
De wet van Kirchoff voor spanningen doet uitspraak over de som van spanningen in een
gesloten netwerk. Deze zijn namelijk nul.
Deze veronderstelling is juist indien we aannemen dat het netwerk afgeschermd is van
magnetische velden.
Indien het netwerk in een magnetisch wisselveld ligt, dan geld volgens de inductie wet van
Faraday het volgende: de som der spanningen is niet gelijk aan nul, maar gelijk aan de
afgeleide van de magnetische flux naar de tijd, m.a.w. de verandering van het magnetische
veld per tijdseenheid.
E= - dfi/dt
12.1.4 Uitvoeren van kringen
Men kan zich nu de vraag stellen waar deze velden die de spanningen induceren vandaan
komen? Het antwoord hierop vinden we in de wet van Biot-Savart, een elektrische stroom in
een geleider wekt in de omgeving van deze geleider een magnetisch veld op.
Is deze stroom een wisselstroom, dan ontstaat een wisselveld. We hebben hier dus te maken
een omkeerbaar mechanisme. Een stroom voerende geleider zorgt voor een magnetisch veld,
dit veld zal op zijn beurt een spanning induceren en deze spanning zal, indien we beschikken
over een gesloten kring, weer omgezet worden in een stroom.
Het is duidelijk dat indien deze spanning nu opgewekt wordt in een open kring, er geen
stroom zal vloeien.
Om elektromagnetische storingen te voorkomen is het dus nodig de stromen te beperken en de
frequenties laag te houden.
De gevoeligheid voor velden kan men ook verminderen door de oppervlakte der stroom
voerende kringen te beperken. Dit kunnen we realiseren door bijvoorbeeld de twee geleiders
van een kring zo dicht mogelijk bij elkaar te leggen, dit betekend dat we een maximale
afstand kunnen overbruggen met een minimale lusoppervlakte, dus een ook een klein veld.
Een typische voorbeeld hiervan is de ‘twisted pair’ kabel, dit zijn twee geleiders die in elkaar
verwikkelt, zodat de as van beide geleiders gelijk is.
Indien zulke kabel in een elektromagnetisch veld ligt zal de grootte van de opgewekte
stoorspanning in twee opeenvolgende lussen gelijk zijn. De lussen die gevormd worden,
hebben trouwens allemaal dezelfde oppervlakte.
Twee opeenvolgende lussen zijn
tegengesteld aan elkaar, dit heeft tot gevolg dat ook de opgewekte stoorspanningen
tegengesteld aan elkaar zijn, zodat deze spanningen elkaar opheffen. De differentiele
stoorspanning is in dit geval gelijk aan nul.
Pagina 151
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Fig. 163: Twisted pair immuniteit
Omgekeerd zal een stroom in de geleiders, in twee opeenvolgende lussen een tegengesteld
veld opwekken, zodat de emissie hier ook tot een minimum wordt beperkt.
Fig. 164: Twisted pair emissie
12.1.5 Kabels
In een kabel kunnen we vaak twee stroomkringlopen onderscheidden. De differential mode
(verschilmode) of common mode (sommode).
Fig. 165
De differential mode stroom is de
gewenste stroom in de kabel door
bijvoorbeeld een foutieve aarding van
de kabel kan er een common mode
stroom ontstaan. De oorzaak van deze
slechte aarding ligt in de veronderstelling dat het aardpotentiaal overal 0
volt bedraagt. Dit is niet het geval
want zware elektrische machines
kunnen stromen teweeg brengen die
door de aarde vloeien, waardoor
verschillende potentialen ontstaan op
verschillende punten van het aardvlak.
Deze stroom wordt een probleem
indien de gebruikte frequenties hoog
Pagina 152
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
zijn. De kabel werkt dan als een antenne. De common mode stroom vloeit dan in een kring
gevormd door de kabel en zijn ‘antenne impedantie’. We hebben hier te maken met emissie
door straling. Wanneer een kabel een verbinding maakt tussen twee apparaten, die ook via
andere geleiders met elkaar verbonden zijn, vb. Doordat beide toestellen geaard zijn.
Impedantie kortstuk is veel kleiner alle stroom zal via app2 terug stromen naar app1
Fig. 166
Deze andere geleiders sluiten de common mode kring. Hier hebben we emissie via geleiding.
Deze common mode kringen kunnen vaak erg groot zijn - vierkante meters zijn geen
uitzondering- zodat er in de praktijk met een lage stroomsterkte per cm, reeds een relatief
groot veld kan opgewekt worden. Omgekeerd kan men ook twee stroompaden onderscheiden
bij stoorspanningen.
Fig. 167: Differential mode
Deze spanningskring is onderworpen aan een differential mode stoorspanning.
De
stoorspanning staat in serie met de bronspanning. Dit betekent dat de foutspanning over Zl
gelijk is aan het volledig stoorsignaal.
Fig. 168: Toevoegen common mode
Deze spanningskring is op zijn beurt onderworpen aan een common mode stoorsignaal.
De spanning over Zl wordt over beide potentialen verhoogd met de stoorspanning, relatief
t.o.v. de gemeenschappelijke aardpotentiaal. De spanningsval over de impedantie blijft dus
ongewijzigd, en heeft geen kwalijke gevolgen voor het systeem indien deze beperkt blijft.
Pagina 153
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
12.1.6 De transfertimpedantie
Om de afschermende werking van een kabel te karakteriseren, is het nodig een nieuwe
grootheid te definiëren, nl. De transfert- of te wel de koppelingsimpedantie. Deze
kabelspecifieke grootheid beschrijft de verhouding tussen de skinstroom op de
buitenafscherming van de kabel en de spanning tussen de afschermmantel en binnen geleider.
Vb. indien er door de buitenmantel van een coaxiale kabel een stroom Ia (l) vloeit, zal er
hierdoor een veld geïnduceerd worden, dat een spanning Ui teweegbrengt in de binnen
geleider. De koppelingsimpedantie is al volgt gedefinieerd:
Zk= dUi/dZ . 1/l
Een kleine koppelingimpedantie stelt een goede ontkoppeling voor tussen de stoorstroom en
de stoorspanning in de kabel, m.a.w. een hoge afscherming.
Fig. 169: Transfertimpedantie
12.1.7 Problemen vermijden en oplossen
EMC- problemen kan men best zo vroeg mogelijk trachten op te lossen, het liefst reeds in de
ontwerpfase. Het minder duur en efficiënter EMC te voorkomen dan deze naderhand op te
lossen.
Zoals reeds eerder aangehaald is, bestaat elk storingsprobleem uit een stoorbron,
koppelingsmechanisme en gestoorde. Door een van deze drie elementen te elimineren lossen
we ook het storingsprobleem op.
- interventie op de storingsbron;
- interventie op het koppelingsmechanisme;
- interventie op de gestoorde uitrusting.
Indien het mogelijk is om storingen ter hoogte van de storingsbron uit te schakelen, dan moet
hiervan gebruik gemaakt worden.
Pagina 154
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
12.1.8 De betekenis van de CE- markering op functionele componenten
De CE-markering op functionele componenten, bijvoorbeeld op frequentiesturingen voor
motoren, betekent dat de sturing voldoet aan alle facetten van de EMC- en
laagspanningsrichtlijn op voorwaarde dat de samenbouwer rekening houdt met de in de
documentatie opgegeven voorschriften. Hierin worden de EMC-maatregelen vermeld die
door de gebruiker te nemen zijn zoals het plaatsen van filters, het aarden van het geheel en
plaatsen van kabels.
12.1.9 Inbouw van functionele componenten
Bij het inbouwen van functionele componenten zoals plc’s en frequentieregelaars voor
motorbesturingen kunnen deze volgens de EMC- richtlijn als eindproduct worden beschouwd.
Ze zijn direct in de handel verkrijgbaar en eenvoudig aan te sluiten.
Anderzijds kunnen ze beschouwd worden als een onderdeel van een eindproduct,
bijvoorbeeld als element in een schakelkast.
Vandaar kunnen we een onderscheid maken tussen twee soorten benaderingen:
- de integrale benadering;
- de modulaire benadering.
12.1.10 De integrale benadering
Bij de integrale benadering wordt de gehele installatie samengebouwd en als één geheel
getest. Alle nodige EMC- maatregelen, zoals plaatsen van filters, aanbrengen van
afschermingen, uitvoeren van juiste bekabeling en omkasting, uitvoeren van de testen,
samenstellen van het technische dossier, goedkeuring van een bevoegde instantie en CEmarkering, vallen onder de verantwoordelijkheid van de samenbouwer.
12.1.11 De modulaire behandeling
Bij de modulaire behandeling wordt de machine samengesteld uit onderdelen waarbij alle
noodzakelijke EMC-maatregelen zijn genomen door de leverancier van dat onderdeel en dus
op zich al voldoet aan de EMC-richtlijn.
Door als samenbouwer uitsluitend gebruik te maken van EMC-gecertificeerde onderdelen, en
deze onderdelen in de installatie te integreren volgens de installatievoorschriften aanbevolen
door de leverancier, is de samenbouwer vrijgesteld van alle EMC-beproevingen.
Het strikt naleven van deze instructies is niet altijd mogelijk, indien hiervan afgeweken wordt,
is het nodig een competent body in te schakelen, die het technische constructie dossier zal
samenstellen en controleren.
Pagina 155
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
12.2 Praktische richtlijnen voor EMC vriendelijk ontwerp bij machines
Bij de uitrusting van een machine treft men meestal de volgende samenstellende delen aan:
- stuurkast met eventueel controlepaneel; Hier in treffen we voedingen, transformatoren,
netfilters, contactoren, relais en tijdschakelaars aan. Buiten deze klassieke elektrische
apparatuur zit er in zo een stuurkast vaak heel wat elektronische eenheden zoals plc’s, cncsturingen en frequentieregelaars.
- motoren, meestal AC-servomotoren;
- frequentie omvormers voor de snelheidsregeling van motoren, die afzonderlijk op de
machine geplaatst zijn. Dit omwille van plaatsgebrek in de stuurkast van de machine.
- sensoren en actuatoren staan verspreid opgesteld op de machine;
- veiligheidscomponenten;
- TL- verlichting;
- bedrading tussen alle bovengenoemde componenten en stuureenheden.
We zullen nu vervolgens elk onderdeel apart bespreken, zowel om de uitstraling (emissie)
als immuniteit tegen instraling te waarborgen.
12.2.1 De stuurkast
De stuurkast of controlekast is het omhulsel waarin onderdelen zoals transformatoren,
voedingen, relais, plc’s en sturingen zijn ondergebracht. Hoewel de uitrusting van een
stuurkast, sterk kan verschillen van de ene tot de andere toepassing, zijn volgende punten bij
de installatie ervan toch belangrijk.
- de stuurkast steeds met de grondreferentie verbinden via een laag impedante verbinding;
- tussen losstaande constructie en machineframes dienen verbindingen aangebracht worden;
Zorg ervoor dat deze verbindingen een goed galvanisch contact hebben met het frame,
houd ook rekening met het eventueel optreden van galvanische corrosie tussen
verschillende materialen van deze verbinding.
- het aantal en de grootte van de gaten beperken in de stuurkast, dit in functie van de in- en
uitstraling;
- de indeling van de stuurkast zo uitvoeren dat er steeds een onderscheid gemaakt wordt
tussen een sterkstroom- en zwakstroomgedeelte. Componenten die functioneel bij elkaar
horen, moeten zo dicht mogelijk bij elkaar geplaatst worden. Dit om de bedrading zo kort
mogelijk te houden, de gevoeligheid voor storingen te verminderen.
- een deur of luik kan het best voorzien worden van een afschermende pakking op de randen.
12.2.2 Voedingen en transformatoren
Een voedingtransformator moet voorzien zijn van RC netwerken aan de primaire en
secundaire zijde. Gelijkrichterbruggen dien te worden gefilterd met RC- netwerken.
De secundaire piek laadstroom moet worden begrensd door de inwendige weerstand van de
transformator of door een serieweerstand.
Het is aan te bevelen aan de primaire zijde een varistor te plaatsen tussen fase en nul ten
opzichte van de aarde, en /of over de fase en de nulgeleider.
Secundair wordt soms een transient-surpressor geplaatst, dikwijls over de voedingselko.
Wordt de voeding voor digitale systemen gebruikt, dan kan ter voorkoming van emissie een
‘common mode’ spoel in de secundair lijnen worden geplaatst.
Pagina 156
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Voor het onderdrukken van laagfrequentstoringen is het aan te bevelen een transformator met
scherm (tussen primaire en secundaire windingen) toe te passen. Dit scherm dient met een zo
kort mogelijke verbinding verbonden te worden aan de aardstrip. Het is aan te bevelen
transformatoren in een apart stalen compartiment te plaatsen.
Praktisch gezien zou een voeding een netonderbreking van vier perioden kunnen opvangen en
een netspanningvariatie van -20% tot +10% kunnen verwerken.
12.2.3 Netfilters
Het toepassen van netfilters verbetert de laagfrequente uitstraling van de apparatuur naar het
net, bijvoorbeeld de uitstraling op het gebied van lage frequenties van een geschakelde
voeding.
Voor hoogfrequente uitstraling, boven de 1MHz is het de bedrading rond de filter die nog
voor straling kan zorgen. Daarom is het noodzakelijk de bedrading zo kort mogelijk te houden
en ervoor te zorgen dat er een goede aardverbinding is met de kast.
Het is noodzakelijk de netfilter als eerste te plaatsen op de inkomende kant van het net.
Indien we eerst de netschakelaar zouden plaatsen en hierna pas de netfilter, dan brengen we in
feite de bedrading tot aan de kast, zodat ingezonden of uitgezonden storingen over deze
bedradingen verspreid worden.
12.2.4 Contactoren, relais en spoelen
Ontstoren van contacten:
Het openen en sluiten van contacten van contactoren en relais heeft een stroomonderbreking
tot gevolg welke gepaard gaat met een boogvorming tussen de contacten. De boog blijft
bestaan totdat de stroom onvoldoende is en de boogontlading uitdooft.
De strooicapaciteit van de contacten en de inductantie van de bedrading geven in de praktijk
een repetitieve ontlading totdat de energie is uitgestorven, met als gevolg dat er een
aanzienlijke breedbandinterferentie optreedt.
Elk contact dat vonk vorming kan veroorzaken dient in principe te worden ontstoort. Zulk
ontstoorcircuit bestaat uit een RC-netwerk rechtstreeks over de contacten geplaatst. De
waarde van de condensator is bepalend voor de begrenzing van de spanningsstijging over de
contacten, terwijl de weerstand de stroom door de condensator beperkt bij het sluiten van het
contact. Vaak kunnen de constructeurs van deze relais en contactoren aangepaste
ontstoornetwerken leveren, afhankelijk van de toepassing.
Ontstoren van spoelen:
Wanneer de stroom door een zelfinductie (spoel) plots wordt onderbroken, ontstaat er een
hoge overgangsspanning bepaald door V = - L di/dt. Theoretisch, wanneer di/dt oneindig is, is
ook de spanning dit.
In de praktijk wordt de spanning begrensd door de parallelcapaciteit en de ontstane golfvorm
is een gedempte sinusoïde, warvan de frequentie b epaald is door de capaciteit en de waarde
van inductantie.
Pagina 157
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Typische voorbeelden van geschakelde inductieve belastingen zijn motoren, spoelen van
relais en transformatoren, maar ook een lange kabel kan genoeg inductantie bezitten om
storingen te veroorzaken.
Het schakelen gebeurt meestal via een elektromechanisch contact of halfgeleider. In het
laatste geval kan deze doorslaan door overspanning indien de stoorpuls niet wordt onderdrukt.
De RF-interferentie wordt meestal uitgestraald door de bedrading tussen schakelaar en
belasting met een frequentie afhankelijk van de elementen die de resonantie bepalen.
Ook hier worden er weer RC- netwerken gebruikt voor het onderdrukken van de inductieve
overgangsverschijnselen.
Bij gelijkstroom wordt dikwijls gebruik gemaakt van dioden om de tegen-emk te
onderdrukken. Let op dat deze diode zich zo dicht mogelijk bij de te onstoren spoel moet
bevinden om een zo klein mogelijk lusoppervlak te krijgen.
Fig. 170: DC - spoel
12.2.5 Afschermingen
Afscherming en filtering zijn complementair.
Afschermingen zorgen voor het onderdrukken van inkoppeling afkomstig van schakelingen
en geleiders. De afscherming zorgt voor dit terugvoer pad en vormt eveneens de afscherming
tegen indirecte inkoppeling met inwendige schakelingen en geleiders.
Onder een afscherming verstaat men een geleidend oppervlak rond kritische onderdelen,
zodat het elektromagnetische veld dat in straalt verzwakt wordt door een combinatie van
reflectie en absorptie.
Voor lage frequenties is het nodig een volle metalen behuizing te gebruiken. Voor frequenties
boven de 30 MHZ kan een dunne geleidende laag volstaan, aangebracht op een plastic
behuizing. Afgeschermde kabels geven geen afschermende werking tegen laagfrequente
magneetvelden, bijvoorbeeld afkomstig van een transformator. Daarom moeten deze kabels
steeds zo dicht mogelijk tegen de metalen kant van de kast worden gelegd of beter nog in een
goed geaarde kabelbaan. Het veld zal gereduceerd worden door de metalen omhuizing.
Voor afscherming tegen hoogfrequente velden is het aan te raden een kast te kiezen met
voldoende wanddikte (>2 mm) ten gevolge van het ‘skin-effect’, omdat anders de binnen en
buiten velden onvoldoende van elkaar gescheiden worden. Eventuele openingen in de
afscherming kunne best kleiner blijven dan 20 mm en ventilatoropeningen dienen afgedekt te
worden met geleidende gaas in goed contact met de omkasting.
Voor de afscherming tegen hoogfrequent invloeden kunnen speciale plastische stoffen worden
gebruikt. Deze materialen kunnen ook gebruikt worden voor een totale omkasting. Ideaal
afschermend materiaal voor magneetvelden is µ-metaal omwille van de hoge permeabiliteit.
Pagina 158
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Het materiaal heeft echter als nadeel dat het na mechanische bewerkingen nabehandeld dient
te worden.
Als magnetische afscherming komen anderzijds staalplaat en silicium ijzer (transfoblik) het
meest voor omdat de materialen ferromagnetisch moeten zijn. Koper en aluminium geven
nauwelijks enige demping en zijn hiervoor niet geschikt.
12.2.6 PLC’s en sturingen
Hierbij dienen de installatie voorschriften en schema’s van de constructeur strikt gevolgd te
worden.
Men mag geen conventionele PLC’s gebruiken voor het uitvoeren van
veiligheidscircuits. Hiervoor zal men gebruik moeten maken van speciaal ontwikkelde
veiligheid- PLC’s en veiligheidsrelais.
12.2.7 Frequentieomvormers
Een norm voor toepassing van filters op frequentieomvormers is de IEC 1800-3.
Hieronder volgen enkele aandachtspunten voor bij de installatie van frequentieomvormers.
- gebruik steeds het aangepast type netfilter;
Aarding van de netfilter dient zo dicht mogelijk bij de aarding worden uitgevoerd. De
verbindingskabel tussen filter en omvormer dient zo kort mogelijk gehouden te worden en
voorzien te zijn van een afscherming, geaard aan de twee zijden.
- de vermogenkabels naar de motor moeten zo kort mogelijk worden uitgevoerd. In deze
kabels mogen nooit controlesignalen voorkomen. Het is aan te raden deze vermogenkabels
onder te brengen in een goed geaarde kabelbaan, gescheiden van andere kabels.
- alle afgeschermde kabels dienen aan beide zijde geaard de zijn.
- aardingskabels in ‘Multipoint’ aanleggen om een goed equipotentiaal geheel te verkrijgen
en de oppervlaktelussen van de aarding te beperken. Men dient er wel rekening mee te
houden dat er een onderscheid bestaat tussen de ‘geelgroen’ geleiders en de
‘massageleider.
12.2.8 Sensoren en actuatoren
Sensoren die volgens elektromagnetische principes werken, dienen goed afgeschermd te zijn
tegen elektromagnetische velden.
Bij de actuatoren treft men vaak elektro-ventielen aan die bekrachtigd worden door een spoel.
Het EMC gedrag van deze elementen is identiek aan die van relaisspoelen.
Het gebruik van een storingvrije voeding is een must.
12.2.9 Tl-verlichting
Tl-verlichtingsarmaturen welke op machines aangebracht worden vallen onder de CEmarkering. Hiervoor zijn de normen EN 61547 van toepassing.
Let op voor storingen via conductieve emissie, in het geval van verlichtingsarmaturen met
‘elektronische transformatoren of ballasten’. Zorg voor een goede aarding met de rest van de
machine.
Pagina 159
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
12.2.10 Bekabeling en connectoren.
De belangrijkste stralingsbronnen van een systeem, of inkoppelingswegen naar een systeem,
zijn de uitwendige kabels.
Door hun enorme lengte bestaat er een grote interactie met de elektromagnetische omgeving.
Kabels en de bij horende connectoren voor verbindingen met de verschillende onderdelen
moeten zorgvuldig gekozen worden en aangelegd worden.
Doel :
Uitstraling in differential mode instraling onderdrukken via common mode
Merk op dat de wijze waarop een connector verbonden wordt met een kabel sterk de
afschermende eigenschappen van de kabel bepaalt. Het verbinden van de afscherming van de
kabel met een pin van de connector vermindert zeer sterk de afschermende eigenschappen wat
betreft de hoge frequenties. Het is aan te bevelen de afscherming door middel van een
geleidende klem met het huis van de connector te verbinden. Hiervoor zouden we de
zogenaamde ‘iris-shell’ klem kunnen gebruiken, omdat deze de hele afschermingmantel
omsluit.
12.2.11 Afscherming van signaalkabels
Fig. 171
Fig. 171:
Fig. 172:
Scherm van de kabel aan de massa van het toestel en het toestel niet geaard. Dit
is een GOEDE EMC afscherming. Op gebied van veiligheid minder geschikt.
Scherm van de kabel geaard en het toestel is niet geaard. Dit is een afsluiting
voor de veiligheid en is ONGESCHIKT voor EMC.
Fig. 173
Fig. 173:
Fig. 174
Fig. 172
Fig. 174
Het scherm is verbonden met de massa, en de massa is geaard. Zowel op
gebied van veiligheid als op het gebied van EMC GOED.
Het scherm is niet verbonden met de massa en is niet geaard. SLECHT.
Pagina 160
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
EM veld
i
Toestel 1
Toestel 2
i
Fig. 175
Fig. 175:
T.g.v. het potentiaalverschil tussen de twee aardingen is er een gevaarlijk
potentiaal tussen de kabelafscherming en de massa van toestel 2.
Deze oplossing is wel voldoende als afscherming voor LF (laagfrequente)
elektrische velden. De in de kabelmantel geïn duceerde stroom kan bij
voldoende lage impedantie naar de aarde vloeien.
Stroom door
het kabelscherm
Fig. 176
Fig. 176:
Om het probleem van het voorgaande te vermijden wordt de kabelmassa aan
beide kanten met de toestelmassa verbonden.
Het potentiaal verschil is niet meer aanwezig aan toestel 2, maar er kan een
hoge stroom over de kabelafscherming vloeien. Dit kan EMC-PROBLEMEN
geven.
Fig. 177
Fig. 177:
Een mogelijke oplossing voor de hoge stroom over de kabelafscherming zou
eventueel een parallelle aardgeleider kunnen zijn. Hij wordt best in de buurt
van een signaalkabel geplaatst. Een goede metalen kabelgoot, metalen
structuren of een aardingsmaas kunnen hiertoe dienen.
Pagina 161
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Fig. 178
Fig. 178:
Een gemeenschappelijke aarding voor de twee toestellen is soms wel een
oplossing. Dit is het geval met toestellen in eenzelfde rack.
Maar dan blijft het probleem van de aardingslus bestaan. Door het oppervlak
van de lus te beperken kan de geïnduceerde stroom kleiner worden.
Fig. 179
Fig. 179:
De massa aan één van de toestellen kan men vervangen oor een capacitieve
koppeling. Dit is een GOEDE oplossing. Voor LF-signalen is de aardingslus
onderbroken.
Pagina 162
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
12.3 Netten, EMC, persoonsbeveiliging
Net
EMC-gedrag
TT-net
GOED
GOED
Zorgen voor
Differentiaalschakelaar
een goede
is een verplichting.
bliksemafleider.
GOED
IT-net
SLECHT
Commonmode
filters kunnen
niet gebruikt
worden.
GOED
TN-C-net
SLECHT
GOED
Er vloeien stro- Differentiaalschakelaar is
men in de PE
niet mogelijk.
en de massa.
Geeft storingen
als gevolg.
SLECHT
Verboden in gevaarlijke omgevingen.
ZEER GOED
SLECHT
Differentiaalschakelaar van
500mA plaatsen.
TN-S-net
Persoonsbeveiliging
GOED
Differentiaalschakelaar
is geen verplichting.
Indien ze toegepast wordt,
kort bij de verbruiker.
GOED
Hoge foutstromen in de
PE. Er is een aardingspunt.
Beveiligen tegen brand e.a.
Hoge stromen in de PEN.
Tabel 60
Pagina 163
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
12.4 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. EMC
Art. nr. 4.4.1 Elektromagnetische compatibiliteit (EMC):
De elektrische stoorsignalen die de uitrusting zelf veroorzaakt, mogen geen niveau’s
overschrijden zoals aangegeven in de EMC-normen.
Stoorsignaten kunnen worden beperkt door:
- onderdrukking bij de bron (gebruik van condensatoren, spoelen, diodes, ... );
- afscherming van de uitrusting door galvanisch verbonden omhulsel (kooi van Faraday).
De gevolgen van stoorsignalen kunnen worden beperkt door:
- alle gemeenschappelijke aansluitingen afzonderlijk met centrale referentiepunten verbinden, die geaard zijn door geleider van minimaal klasse 6;
- alle gestel verbindingen aan gemeenschappelijk punt leggen m.b.v. zo kort mogelijke
geleiders;
- scheiden of afschermen van gevoelige uitrusting van schakelapparatuur.
12.5 Volgens norm EN 60439-1 i.v.m. EMC
Art. nr. 7.10 Elektromagnetische compatibiliteit (EMC)
Art. nr. 7.10.3 Immuniteit
Schakel- en verdeelinrichtingen zonder elektronische onderdelen zijn niet gevoelig voor
normale elektromagnetische storingen en hoeven niet te worden beproefd.
Schakel- en verdeelinrichtingen met elektronische componenten moeten voldoen aan de
immuniteitseisen van de relevante productnormen of algemene EMC-normen.
Art. nr. 7.10.4 Emissie
Zonder elektronische componenten, in dit geval worden de eisen voor elektromagnetische
emissie voldoende geacht en hoeft geen beproevingen te ondergaan.
Met elektronische componenten, deze kunnen voortdurend elektromagnetische storingen
veroorzaken. De componenten moeten elk afzonderlijk voldoen aan de productnormen en de
EMC-normen.
Pagina 164
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 13: Praktische tips i.v.m. frequentieregelaars
13.1
-
Praktische tips van algemene aard
een Frequentiesturing (F.S.) kan meestal principieel voorgesteld worden, zoals
onderstaande schema (fig. 180);
meestal is er de instructie van de fabrikant die zegt dat de FS, omwille van koeling,
vertikaal moet opgesteld worden ;
een FS blijft ook na uitschakeling nog enkele tijd onder spanning. Respecteer dus de
instructies van de fabrikant ;
toebehoren van een FS kunnen vermogenscheiders zijn, lastscheiders met of zonder
smeltveiligheden, contactoren, stuurstroomcomponenten e.d. ;
de EN 60947 reeks behandelt hoger genoemde componenten, zoals algemeen geweten ;
Verschillende van die normen zijn heruitgegeven in de loop van de voorbije jaren. Belangrijk
daarbij is dat er steeds een bijlage is toegevoegd aan die normen, waarin gezegd wordt, welke
karakteristieken vooraf moeten overeengekomen worden tussen fabrikant en gebruiker.
De voorwaarden beschreven in de bijlage van de EMC richtlijn 89/336IEEG (KB 18-05-'94)
zijn uiteraard te respecteren. Dit betekent in de praktijk veelal RFI filters, afgeschermde
motorkabels en een perfecte potentiaalvereffeningsinstallatie.
13.2
Frequentieomvormers
A) Werkingsprinciepe
AC spanning wordt omgezet in DC spanning. Deze DC wordt terug AC maar met variabele
gemiddelde amplitude en frequentie.
1. VOEDINGSSPANNING
2. GELIJKRICHTER
3. TUSSENKRING: UDC
4. STABILISATIESPOELEN in tussenkring
5. AFVLAKCONDENSATOREN in tussenkring
6. INVERTOR: DC wordt AC
7. MOTORSPANNING
8. STUURKAART
2
1
3
4
6
7
5
Motor
8
Fig. 180: Schema van een frequentieregelaar
Pagina 165
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Een FS kan aangesloten worden op een ITZN (IT-net zonder nulgeleider), een TT net of
een TN-S net, in normale industriele omstandigheden.
De uitwendige invloeden die op de plaats van de opstelling aanwezig zijn (BE2 en/of BE3)
kunnen voor bijkomende problemen zorgen. Het afschakelvermogen, op de plaats van
opstelling moet tenminste gelijk zijn aan de waarde van het berekende kortsluitvermogen.
Geadviseerd wordt, indien het om een FS met een motor gaat, de EN 1050 + EN 954 te
hanteren, om de risicoanalyse en evaluatie uit te voeren. De bekomen stuurcategorie (B-1-2-34) moet dan gerealiseerd worden.
Indien de FS opgenomen wordt in een geheel (meervoudige motoren, machine of installatie)
kan de filosofie van de EN 61508 steeds toegepast worden.
Het geheel moet voldoen aan de desbetreffende "regels van de kunst".
In de praktijk is "DE REGELS VAN DE KUNST’ beschreven in de EN 60204.1. Als nu een
FS geplaatst en aangesloten wordt, conform de voorwaarden van de genoemde norm, en de
FS zelf is conform met de eisen beschreven in art. 4.2. van de EN 60204.1, dan is er voldaan
aan de voorwaarden beschreven in het AREI art. 5 + 7 + 9.02 m.a.w. in dat geval is het geheel
conform de AREI voorwaarden.
Omdat de EN 60204.1 een geharmoniseerde Europese norm is, wordt geadviseerd, in alle
gevallen deze norm te hanteren of op te leggen, als het over FS gaat. Alle lidstaten worden
geacht de EN 60204.1 te kennen en te respecteren.
B) Bestelling
Het art. 4.2 van de EN 60204.1 zegt dat alle toestellen en componenten moeten voldoen aan
de desbetreffende EN en/of IEC normen (als ze bestaan). Een FS conform met de EN 50178
voldoet m.a.w. aan de eisen van art. 4.2 van de EN 60204.1 (en ook aan de eisen van het
AREI art. 5 + 7).
Het CE merkteken op de FS, kan aangebracht zijn op basis van de volgende richtlijnen
73/23/EEG +93/68/EEG +89/336/EEG
Een bijhorende verklaring van overeenstemming met verwijzing naar de genoemde RL en
liefst met verwijzing naar de EN 50178, zou moeten kunnen voorgelegd worden.
"CE + verklaring" betekent dat het toestel "mag verkocht" worden. Maar verkopen wil niet
zeggen; in dienst stellen.
Geadviseerd wordt de volgende informaties te vermelden op een bestelbon van een FS :
(art. 7.2.1 EN 50178)
- merk;
- type;
- Ue (gebruiksspanning) – f (netfrequentie);
- motorvermogen;
- verwachte IP-graad;
- constructienorm;
- taal van de instructies en aansluitvoorwaarden;
- beschermingsklasse (I of II).
Pagina 166
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Van de fabrikant wordt verwacht dat hij zonder meer, de vorige informaties weergeeft op de
kenplaat, en dat hij daarna aangeeft:
- of de nulleider moet geaard worden, in 't bijzonder als een geaard systeem werd
toegepast;
- waar het aardaansluitpunt zich bevindt. Deze klem duidt hij aan met het symbool of met
de letters "PE" naast de klem;
- wijzigingen aan de FS, uitgevoerd door de fabrikant tijdens de opbouwfase, in het
bijzonder als het gaat over veiligheidstoepassingen;
- een pictogram is te voorzien op de condensator omhullingen, als de ontladingstijd > 5
sec. na afschakelen van de voedingsspanning;
- aansluitpunten voor toekomende leidingen moeten gekenmerkt worden. De nodige specificaties en schema's zijn te voorzien door de fabrikant;
- info i.v.m. een RCD type B of andere maatregelen die moeten genomen worden, teneinde
de bescherming tegen elektrische schokken te waarborgen, zijn door de fabrikant te
geven;
- of er speciale maatregelen te nemen zijn of welke speciale voorwaarden moeten gevolgd
worden;
- de fabrikant dient verder te zorgen voor de nodige documentatie, af te geven met de
levering van de FS (7.2.3);
de taal van de documentatie dient vooraf overeengekomen te worden tussen de klant en
fabrikant;
- in verband met de werkingsvoorwaarden dient de fabrikant, in de mate van het mogelijke,
de volgende info te geven:
- alle info die nodig is voor de veiligheid in normale omstandigheden en tijdens het
onderhoud;
- de noodzakelijkheid om ja dan neen de nulleider te aarden;
- noodzakelijkheid om vaste aansluiting te voorzien;
- het tvpe i.f.v. de klimatologische omstandigheden binnen de welke de FS veilig kan
werken. Bvb. "B" wil zeggen, een omgevingstemperatuur begrepen tussen + 5°C en
+ 40°C bij een relatieve luchtvochtigheid van 85% en een luchtdruk van 86 tot 106
kPa;
- hij dient melding te maken van de kringen die expliciet elektrisch geisoleerd
werden;
- i.v.m. overstroombeveiligingstoestellen;
- i.v.m. transport en onderhoud;
- zo wordt ook gevraagd info te geven i.v.m. het opsporen van fouten en herstelling.
Nota: art. 7.3 van de EN 60204.1 (1997)
Dit artikel zegt dat motoren moeten beveiligd worden tegen overbelasting, door:
- thermische overbelastingsrelais;
- temperatuursensoren;
- stroombegrenzers.
In de praktijk zullen de temperatuursensoren dikwijls de ENIGE GOEDE oplossing zijn. Zie
ook art. 15.4 van de norm.
Pagina 167
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
C) De installatie
Een mogelijke oplossing bestaat erin, het voedingspunt uit te rusten met een vermogen
schakelaar, conform de EN 60947.2 geschikt voor scheiding volgens de EN 60947.3. Deze
schakelaar voorziet om in uitgeschakelde stand vergrendeld te kunnen worden is thermisch en
magnetisch instelbaar op waarden die in overleg met de fabriliant gekozen werden (of via de
technische info).
De voedingsleiding heeft bij voorkeur een interne PE in geel/groene kleur. Hij dient volgens
de regels der kunst aangesloten te worden.
De toegelaten lengte van de leiding tussen de FS en de motor, opgegeven door de fabrikant,
mag niet overschreden worden. Het overschrijden van die lengte kan op vlak van de EMC
voorwaarde inbreuken tot gevolg hebben.
Volgens de EN 50178, en misschien ook volgens de instructies van de fabrikanten, is in
bepaalde gevallen een extra potentiaalvereffeningsgeleider nodig tussen de FS (indien van de
klasse 1) en de motor. Dit is zeker het geval voor I lek normaal ≥ 35 mA AC of ≥ 10 mA DC.
Een FS is meestal uitgerust met een netfilter. (Deze filter veroorzaakt een lekstroom tussen FS
en aarde (condensatoren: Z= 1/ωC waarin ω = 2 . phi . f of hoe groter de frequentie hoe
kleiner de impedantie en hoe groter de lekstroom).
In IT netten kan dit dus een probleem gaan vormen even goed in een ander net uitgerust met
differentieelstroominrichtingen (DSI). Immers op 'n bepaald moment kan de totale lek (van
meerdere FS) groter worden dan de aanspreekwaarde van de DSI of 1ste foutmeldingswaarde
van het isolatiecontroletoestel. De EN 50178 geeft een oplossing daarvoor.
Bedenk dat in IT-netten met een 1 ste rechtstreekse fout de condensatoren, geschakeld tussen
de niet geaarde fase en aarde, op Ulijn terecht komen met alle gevolgen vandien voor die
condensatoren. Als ze niet berekend werden voor die lijnspanning (Uf . ¨3).
De motor dient beveiligd tegen de gevolgen van overstroom. Duidelijke afspraken vooraf
tussen leverancier en gebruiker zijn te maken. Een aantal fabrikanten zeggen zeer duidelijk
dat de motor-overlastbeveiliging geen deel uitmaakt van de fabrieksinstelling.
Een galvanische scheiding tussen de sturing en het vermogendeel is fundamenteel belangrijk.
Via "PELV' (art. 6.4 EN 60204.1 bvb.) kan dit probleem opgelost worden.
Pagina 168
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
13.3
EMC perikelen
A) EMC en kabels met hun toebehoren
Zorg ervoor dat de aders van een kabel bij aansluitingen zo dicht mogelijk bij elkaar blijven
zodat de ontstane velden worden gecompenseerd.
Goede potentiaalvereffeningsverbindingen zijn onontbeerlijk, zorg daarom voor:
- blank materiaal om verbindingen door te voeren;
- getande ringen;
- zo groot mogelijk contactoppervlak;
- zo groot mogelijke sectie;
- korte, brede massaverbindingen.
Stervornuge referentiesystemen voldoen meestal voor LF (Laagfrequente) terwijl
maasvormige systemen worden aangewend voor HF (Hoogfrequente) gebieden.
Met stervormige systemen kunnen potentiaalverschillen optreden als de impedantie (lengte)
van de aansluitleidigen, naar het sterpunt, sterk verschillen van elkaar. Dus, voorzie
desgevallend meerdere sterpunten.
Sterkstroom -, besturings- en datakabels moeten ter voorkoming van capacitieve en inductieve
inkoppelingen steeds zo ver mogelijk van elkaar geplaatst worden.
Deuren van borden worden bij voorkeur geaard met een breedband Litze leiding die zo kort
mogelijk dient te zijn.
Indien mogelijk, plaats kabels die storende effecten tot gevolg hebben in andere kabelgoten
dan gevoelige leidingen. Is dit niet mogelijk laat de kabelgoot dan "open".
Onderbrekingen in kabelgoten hebben een sterke negatieve invloed omdat de continulteit van
de massa onderbroken werd.
B) CE-markering op de frequentieregelaar (FS)
De Machine-Richtlijn is niet van toepassing op een FS. Een FS voldoet niet aan de definitie
van de machine, maar met een aangesloten motor die ‘wat’ aandrijft zal er wel voldaan zijn
aan de definintie van de voorwaarden.
De Laagspannings-Richtlijn is van toepassing indien de FS gevoed wordt door een spanning
tussen de 50V AC en de 1000V AC of tussen 75V DC en 1500V DC. Als een fabrikant van
FS conform is met de essentiele eisen, dan kan hij het CE-markeringsteken aanbrengen.
Noch op de FS noch op de installatie moet, omwille van de EMC-Richtlijn, het CEmarkeringsteken aangebracht worden. Het geheel en de FS moet wel voldoen aan de
essentiele eisen beschreven in deze richtlijn.
Pagina 169
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
13.4
Praktische schema’s
13.4.1 Frequentieregelaars op een IT-net
A) Vermogenscheider + contactor (pimair) - werkschakelaar (secundair)
Stroomopwaarts van de FS is een toestel voor permanente isolatiecontrole te voorzien. Dit
toestel dient gevoelig te zijn voor AC en DC isolatie foutstromen.
De beschermingsaardinstallatie en de potentiaa1vereffeningsinstallatie is uit te voeren volgens
de regels der kunst. Zie art. 8 van EN 60 204-1.
De vermogenschakelaar, conform de EN 60 947-2, geschikt voor scheiding, zal moeten
gedimensioneerd worden in functie van:
- kortsluitvermogen op plaats van opstelling;
- overbelasting;
- de DC omvormers dienen ook beveiligd te zijn, via de gekozen vermogenschakelaar;
- de kleur van de hendel en achtergrond is principieel grijs-zwart;
- de vermogenschakelaar wordt geplaatst binnen een behuizing, van de klasse I of II
(EN
60536) en met een IP-graad overeenkomstig de resultaten van de uitwendige
invloeden op de plaats van opstelling .
AC à DC
Meting
Motor
Vermogenscheider
Sturing
PE
Fig. 181: Frequentie gestuurde motor in een IT-net
De cat. A of B van de vermogenschakelaar is te bepalen in functie van de
bedrijfsomstandigheden en de gebruikerswensen.
De contactor, conform met de EN 60 947-4 moet een Ic waarde hebben, overeenkomstig de
schakelcategorie AC 3 (EN 60 947-4), AC 1 mogelijk (fabrikant FS)
Op basis van de resultaten van de risicoanalyse kan een noodstop nodig zijn. De voor de hand
liggende mogelijkheden zijn:
- inwerken op nulspanningsspoel ;
- inwerken op voeding stuurspanning ;
- via veiligheidsrelais enz.
Het ruststroomprincipe is steeds toe te passen.
Stroomafwaarts van de FS kan een lastschakelaar als werkschakelaar gebruikt worden. Hij
dient te voldoen aan de voorwaarden van de EN 60947.3 cat. B. (Hulpcontact, voorijlend)
Deze lastschakelaar dient een voorijlend hulpcontact te hebben zodanig dat eerst de IGBT's
(wisselrichter) onderbroken wordt en daarna de motorleiding. Deze schakelaar moet in
uitgeschakelde stand vergrendeld kunnen worden. Het soort en type van de leiding tussen de
Pagina 170
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
FS en de motor, als ook de maximale toegelaten voorziene lengte, wordt meestal
voorgeschreven door de fabrikant.
De sectie van de PE kan berekend worden met de formule :
Spe > Icc . t
k
Hierin is:
Icc : berekende waarde van de kortsluitstroom.
K:
constante 115-134-143.
t:
uitschakeltijd overstroombeveiliging met max. van 5 sec.
OPMERKING:
Omwille van de potentiaalvereffening en in omstandigheden BE2 of BE3 wordt zeer sterk
aanbevolen om voor t steeds 5 sec. te kiezen zodat Spe (stijgt) groot genoeg is.
De condensatoren moeten geschikt zijn voor een hogere spanning. Immers met 1 rechtstreeks
geaarde fase (1 ste fout omstandigheid) komt er een spanning UF. 3 over bepaalde
condensatoren te staan. Hetzelfde geldt natuurlijk voor RFI filters.
B) Lastschakelaar + smeltveiligheden + contactor (primair)
Isolatiecontrole zoals in het vorige (A) beproken.
PE + Pot. vereffening zoals in het vorige (A) besproken.
De lastschakelaar conform de EN 60 947-3 geschikt voor scheiding, cat. A of B, is nu
uitgerust met smeltveiligheden van het type gR, teneinde dus ook de DC richtercomponenten
te beveiligen. Het afschakelvermogen van de smeltveiligheden (IEC 269.1) moet zoals altijd
voldoende zijn.
De kleur van de hendel blijft grijs-zwart.
De schakelaar moet in uitgeschakelde stand kunnen vergrendeld worden, vermits
stroomafwaarts van de FS geen schakelaar is opgenomen.
Contactor zoals in het vorige (A) besproken.
Noodstop zoals in het vorige (A) besproken.
Contactor
AC à DC
Meting
Motor
Lastscheider
met smeltveiligheden
Sturing
PE
Fig. 182: Frequentie gestuurde motor in een IT-net
Pagina 171
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
C) Bescherming tegen indirecte aanraking
IT-net
Isolatie bewaker
Tweede fout
Voeding
Zn
Rpe
Frequentiesturing
Motor
UC
Fig. 183: Bescherming tegen indirecte aanraking
Zn symboliseert de totale lekimpedantie van het IT-net. Deze waarde is in functie van het
aantal aangesloten leidingen, hun lengte en hun sectie, de soort (afgeschermde kabels of niet capaciteitsarme zoals XVB of capaciteitsrijke zoals EVAVB) enz. De waarde is ook
afhankelijk van het aantal RFI filters en de totale isolatieweerstand van het net.
In geen geval mag de waarde UC > UL indien zich een 1 ste fout, zoals op 't schema zich
voordoet. Het concept moet derhalve zo gekozen worden dat bij een 1 ste fout omstandigheid
de isolatiewachter (AC-DC) de fout meldt en dat UC < UL.
In omstandigheden BB1 is UL 50 V.
Indien een 2de fout optreedt, gedraagt een IT-net zich als een TN-net. De
overstroombeveiliging (in onze voorbeelden de vermogenscheider of de gR smeltveiligheden)
moeten dan uitschakelen binnen een bepaalde tijd.
Volgens het HD 384.4.41 art. 413.1.5.6 gelden als toegelaten tijden voor een net 230/400 V,
0,4 sec. Indien de nul niet ter plaatse is uitgevoerd en 0,8 sec. indien hij wel ter plaatse is
uitgevoerd en dit dan bij een 2de rechtstreekse fout.
De voorwaarde is wel dat :
Zs <
Uo:
U:
Zs:
Ia:
3 . Uo (niet verdeelde nul)
2 Ia
spanning tussen fase en nul
Ueff tussen de fasen
impedantie van de kring, bestaande uit de fasen, de PE en de bron, die door het
defect tot stand komt
stroom die het beveiligingstoestel doet aanspreken op 0,4 sec. in de hierboven
genoemde voorwaarden.
Pagina 172
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
OPMERKING :
ITMN (IT-net met nulgeleider) is meestal af te raden, daarom wordt er niet verder op
ingegaan op dit moment. De EN 60 204-1 verwijst in art. 6.3 naar de IEC 364.4.41 art. 4.1.3.
Het AREI art. 31 legt lagere uitschakeltijden op.
In alle omstandigheden geldt, hoe lager de PE impedantie, hoe lager Uc, hoe veiliger voor de
persoon die een toevallige aanraking doet. M.a.w. het advies tot potentiaal vereffening wordt
hiermede nog is bevestigd.
D) FS op een IT-net zonder nulgeleider (ITZN) in BE3
Art. 110 AREI spreekt over:
Zone Z: Stof in zwevende toestand kan voorkomen tijdens normale werking, zodat een
ontplofbare atmosfeer kan ontstaan.
Zone Y: Ruimte waarin geen ontplofbare stoffige atmosfeer kan ontstaan tijdens normale
werking.
Art. 4.1 EN 60 204-1 spreekt over :
Het vastleggen van de aanwezige uitwendige invloeden op de plaats van opstelling. Verder
distantieert de norm zich van voorwaarden voor elektrische installaties in ruimten met
explosiegevaar.
Concreet is er in onze eerder genoemde voorbeelden een isolatiecontrole voorzien en zijn wij
conform met het nieuwe art. 104.05 van het AREI.
Praktisch geldt het advies tot het realiseren van een potentiaalvereffeningsinstallatie volgens
de regels der kunst. Deze kunnen samengevat worden als volgt:
-
Spe ≥ Icc .
k
t
(zie eerder in deze tekst) ;
- realiseer degelijke verbindingen, zoals beschreven in art. 14 van de EN 60 204-1;
- zorg voor 'n voldoende mechanische bescherming, daar waar beschadiging mogelijk is;
- respecteer de voorwaarden beschreven in art. 8 van de EN 60 204-1.
Motoren in zone X en Y: de minimum beschermingsgraad van de motor dient IP4X te zijn,
die van de aansluitdoos 5X (zone Y) of 6X (zone z).
De maximale oppervlakte temperatuur mag de volgende waarden niet overschrijden
- 2/3 van de ontstekingstemperatuur;
- glimtemperatnur < 75° C.
De laagste waarde van beide dient gerespecteerd te worden. Mogelijkheden om te voldoen
aan een van de twee voorwaarden: ingebouwde thermistor of Ex-motor, of certifcaat van
de fabrikant
Pagina 173
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
13.4.2 Frequentiesturing op een TT-net
Er wordt uitgegaan van het feit dat er industrieel weinig TT-netten aanwezig zijn tenzij dan op
plaatsen waar het vermogen beperkt is.
1
TT-net
Rn
Rpe
D.S.I
2
Frequentiesturing
3
Motor
4
UC
Fig. 184: Frequentiesturing op een TT-net
1. Is vermogenlastschakelaar met DSI (Differentieelstroominrichting) voor algemene LSnet.
2. Is een DSI van het type A of B of AC al naargelang het motorvermogen. Zie eerder de
algemene filosofie van de EN50l78.
Een motor met groot of zeer groot vermogen zal praktisch niet op een VEILIGE wijze op
een TT-net kunnen aangesloten worden tenzij RPE zeer klein is.
Zoals altijd zijn de passieve maatregelen of de potentiaalvereffeningsinstallatie een
mogelijkheid om Uc << te houden, maar het probleem in 't algemeen van RFI filters
gekoppeld aan DSI in 't algemeen blijft, vanwege de stroom naar de massa.
3. Frequentiesturing.
4. Motor die in geval van een l ste rechtstreekse fout een foutstroom zal veroorzaken waarvan
de waarde beperkt is door onder andere de som van de nulpuntsweerstand en de Rpe
aardingsweerstand. Hierdoor zal de kans dat een overstroombeveiligingstoesteI gaat
werken gevoelig kleiner worden.
Pagina 174
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
13.4.3 Frequentiebesturing op een TN-S-net
A) Algemeen
Een aIgemene LS-vermogenschakelaar wordt zoals eerder uitvoerig toegelicht. Dit kan een
vermogenscheider zijn of een lastschakelaar met smeltveiligheden, al of niet gekoppeld aan
een contactor enz.
De FS gaande van 0, ... tot ... MW.
Bij het optreden van een fout :
Motor, waarbij indien een 1 ste rechtstreekse aardfout ontstaat, er een foutstroom zal vloeien
die de waarde van een kortsluitstroom benadert. De foustroom wordt enkel begrensd door de
impedantie van de voedingsfase (in fout), de impedantie van de PE, de interne impedantie van
de FS en van de bron (HS-LS trafo). In functie van die totale impedantie en in functie van de
gekozen overstroombeveiliging, zal een uitschakeling volgen op een bepaalde tijd.
Als wij de filosofle van het HD 384.4.41 art. 413.1.3.3 volgen, dan mag de uitschakeltijd weer
oplopen tot 0,4 sec. indien Uo = 230V is.
Met het AREI (art. 31 en 80) voor ogen wordt die tijd bepaald door de waarden van Uc.
Uc = 0,8 . U
1+m
met m = Sf / Spe
Laagspannings-vermogenscheider
TN-C-net
Voeding
R
Vermogenscheider
of lastscheider met
smeltveiligheden
FrequentieSturing (FS)
Motor
UC
Fig. 185: Frequentiebesturing op een TN-S-net
Pagina 175
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Met Sf = Spe wordt Uc dan ongeveer 90 V, wat in omstandigheden BB 1 overeenkomt met
een tmax. van 0,5 sec. m.a.w. in deze omstandigheden zijn de ARE1-voorwaarden gunstiger
dan deze van de HD. Indien m = 2 wordt, zal Uc stijgen tot 0,8 . 235,2 = 125 V,
3
dan wordt tAREI 0,2 sec. en tHD blijft 0,4 sec.
Uc kan zoals altijd laag gehouden worden via de potentiaalvereffeningsinstallatie m.a.w. als
niet kan gegarandeerd worden dat bij een 1 ste rechtstreekse fout, stroomafwaarts van 2, deze
laatste zal uitschakelen op een voldoende korte tijd, blijft potentiaalvereffening de enige
mogelijkheid, als een DSI van het type B niet kan.
B) FS on TN-S in BE3 ruimten
Indien een DSI van 500 mA type B volgens de IEC 755 mogelijk is, dient hij stroomopwaarts
geplaatst. Indien een DSI niet kan, omwille van de lekstromen bvb., blijft
potentiaalvereffening, zie C, de enige mogelijkheid naast een aangepaste overstroombeveiliging en een PE installatie.
C) FS + potentiaalvereffening HD 384.4.41
Basispotentiaalvereffening
In elk gebouw moeten de volgende geleidende delen door basisvereffeningsleidingen zijn
verbonden met de hoofdaardrail of -klem:
- elektrisch geleidende hoofdleidingen voor de watervoorziening ;
- elektrisch geleidende hoofdleidingen voor de gasvoorziening ;
- andere elektrische geleidende leidingstelsels zoals centrale verwarmings- en
luchtbehandelingssystemen ;
- de staalconstructie van het gebouw en betonwapening, indien dit om bijzondere redenen is
gewenst.
Waar leidingstelsels het gebouw binnenkomen moet potentiaalvereffening zo dicht mogelijk
bij de plaats van binnenkomst plaats vinden.
Hoofdaardrail of hoofdaardklem
In elke installatie moet een hoofdaardrail of hoofdaardklem aanwezig zijn waarop moeten zijn
aangesloten:
- beschermingsleidingen ;
- aardleidingen ;
- basisvereffeningsleidingen ;
- functionele aardleidingen, indien noodzakelijk.
De aansluitingen op de hoofdaardrail of hoofdaardklem moeten gemakkelijk toegankelijk en
los te maken zijn. Deze aansluitingen moeten kunnen worden losgemaakt om bijvoorbeeld de
aardverspreidingsweerstand van de aardelektrode te kunnen meten. De aansluitingen moeten:
- slechts met gereedschap kunnen worden losgemaakt ;
- mechanisch voldoende sterk zijn en elektrisch betrouwbaar zijn.
Bijvoorbeeld : Aardingsbruggen
Pagina 176
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Aardingsvoorzieningen
Aardingsvoorzieningen mogen zowel gemeenschappelijk als afzonderlijk zijn gebruikt voor
bescherming tegen indirecte aanraking en voor functionele aarding.
Aardingsvoorzieningen moeten zo zijn dat:
- hun weerstand blijvend voldoende laag is ;
- zij zijn bestand tegen de thermische en mechanische belasting ten gevolge van
aardfoutstromen en aardlekstromen ;
- zij zijn bestand tegen uitwendige invloeden of zijn voorzien van een aanvullende
bescherming.
Metalen delen moeten, waar nodig, tegen elektrochemische aantasting zijn beschermd.
Aardelektroden
Als aardelektroden mogen zijn gebruikt:
- aardstaven en aardbuizen ;
- bandvormige en draadvormige aardleidingen ;
- aardplaten ;
- in funderingen opgenomen elektroden ;
- wapeningsstaven van betonconstructies in de grond ;
- metalen waterleidingsnet;
- andere metalen voorzieningen in de grond.
OPMERKING:
Het gebruik van aanvullende potentiaalvereffening sluit niet uit dat uitschakeling van de
voeding nodig is om andere redenen, zoals bescherming tegen brand e.d.. Aanvullende
potentiaalvereffening kan betrekking hebben op de gehele installatie, een deel van de
installatie of een bepaalde plaats in de installatie. Bij toepassing van potentiaalvereffening
kunnen nadelige invloeden optreden zoals:
- verwarming van de vereffeningsleiding ;
- stijging van de R-waarde van de aardelektrode als gevolg van het uitdrogen van de grond ;
- teneinde de Uc waarde zo laag mogelijk te houden kan men op diverse plaatsen aardingen
voorzien ;
- verbindt, zeker binnen het genaakbaarheidsgabarit van de FS en motor, alle vreemd
elektrisch geleidende delen met elkaar en met de PE kring ;
- vloeren, behalve isolerende, zijn via het betonijzer, of de bewapening of ... op de
potentiaalvereffeningsinstallatie aan te sluiten, als de bescherming tegen indirecte
aanraking moet gewaarborgd worden via passieve maatregelen.
Pagina 177
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
13.5
Besluiten
"CE" op een FS is een must, maar is per definitie geen "licht op groen" voor "IN DIENST
STELLEN". Als gebruiker, kiest U op basis van art. 4.2 van de EN 60204.1 enkel voor
VEILIGE F.S.
De waardebeoordeling over "veiligheid" wordt mogelijk door de technische specificaties te
beoordelen, die de fabrikant U geeft. De fabrikant geeft instructies en installatievoorwaarden,
die U als gebruiker moet respecteren.
Hou bij de bestelling rekening met de te volgen "regels van de kunst" (EN 50178 + EN
60204.1 + HD 384.4.41 + IEC 364.3.320).
Vermeldt op welk netsysteem de FS terechtkomt.
Pas in de mate van het mogelijke "Actieve maatregelen" toe m.b.t. de bescherming tegen
indirecte aanraking. Daar waar actieve maatregelen niet kunnen, zijn passieve
maatregelen (potentiaalvereffening) aangewezen.
Besteed de grootste zorg aan de PE en potentiaalvereffeningsinstallatie.
Denk aan de gevolgen van de "rest" spanningen voor het te laat is.
Pagina 178
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Hoofdstuk 14: Documentatie
14.1 Volgens norm NEN EN 292-2 i.v.m. documentatie
Begeleidende documenten (in het bijzonder gebruiksaanwijzing)
Art. nr. 5.5.1 Inhoud
De gebruiksaanwijzing, of andere schriftelijke aanwijzingen (bijvoorbeeld op de verpakking)
behoren ondermeer het volgende te bevatten:
a) informatie over het vervoer, de behandeling en de opslag van de machine
Bijvoorbeeld:
- omstandigheden voor de opslag van de machine;
- afmetingen, massawaarde(n), plaats(en) van het (de) zwaartepunt(en);
- aanwijzing voor de behandeling (bijvoorbeeld tekeningen die de plaatsen aangeven waar
hijsuitrusting kan worden aangebracht).
b) informatie over het in gebruik nemen van de machine
Bijvoorbeeld:
- eisen voor bevestiging, fundering en trillingsdemping;
- voorwaarden voor samenstelling en montage;
- de voor gebruik en onderhoud benodigde ruimte;
- toelaatbare omgevingsomstandigheden (temperatuur, vochtigheid, trillingen,
elektromagnetische straling, enz.);
- aanwijzing voor het op de energievoorziening aansluiten van de machine in het bijzonder
over de bescherming tegen elektrische overbelasting;
- advies over het verwijderen en afvoeren van afval;
- indien noodzakelijk: aanbevelingen voor de door de gebruiker te nemen;
- voorzorgsmaatregelen (bijzondere veiligheidsvoorzieningen, veiligheidsfstanden,
veiligheidstekens en signalen, enz.).
c) informatie over de machine zelf
Bijvoorbeeld:
- een uitvoerige beschrijving van de machine, het toebehoren, de afschermingen en de
veiligheidsvoorzieningen;
- een uitgebreide opsomming van de toepassingen waarvoor de machine is bedoeld en, als
die er zijn, de wijzen waarop de machine niet mag worden gebruikt, waarbij eventueel
rekening moet worden gehouden met varianten van de oorspronkelijke machine;
- diagrammen (in het bijzonder een schematische voorstelling van de
veiligheidsvoorzieningen zoals gedefinieerd in 3.13 van EN 292-1);
- gegevens over het lawaai en de trillingen die de machine voortbrengt.en de straling,
gassen, dampen en stof die de machine afgeeft;
- gegevens over de elektrische uitrusting (zie HST 19 in EN 60 204-1: 1994);
- documenten die bevestigen dat de machine aan de voorschriften voldoet.
d) informatie over het gebruik van de machine
Bijvoorbeeld:
- beschrijving van de bedieningsorganen;
- aanwijzingen voor het instellen en het afstellen;
Pagina 179
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
-
wijze van en middelen voor het tot stilstand brengen (in het bijzonder: noodstop);
informatie over de risico's die niet met de door de ontwerper genomen
veiligheidsmaatregelen konden worden weggenomen;
informatie over niet toegelaten toepassingen;
aanwijzingen voor het herkennen en opsporen van defecten, voor reparatie en voor het
opnieuw in werking stellen na een ingreep;
indien noodzakelijk: aanwijzingen betreffende de te gebruiken persoonlijke
beschermingsmiddelen en vereiste oefening.
e) informatie over onderhoud
Bijvoorbeeld:
- aard en frequentie van inspecties;
- aanwijzingen over de onderhoudshandelingen die een zekere technische kennis of
bijzondere vaardigheden vereisen en die daarom uitsluitend door vakkundige personen
(onderhoudspersoneel, specialisten) behoren te worden uitgevoerd;
- aanwijzingen voor onderhoudswerkzaamheden (uitwisselen van onderdelen, enz.)
waarvan de uitvoering geen speciale vaardigheden vereist en die daarom door gebruikers
en bedieners kunnen worden uitgevoerd;
- tekeningen en diagrammen die het voor het onderhoudspersoneel mogelijk maken hun
taak op een rationele wijze uit te voeren (in het bijzonder opsporing van defecten).
f) Informatie over het buiten gebruik stellen, het uit elkaar nemen en, voorzover het de
veiligheid betreft, de afvoer van de machine.
g) Informatie voor noodsituaties
Bijvoorbeeld:
- soort brandbestrijdingsmiddelen die moeten worden gebruikt;
- waarschuwing voor de mogelijke uitstoot of lekkage van schadelijke stoffen en, indien
mogelijk, aanwijzingen voor de wijze waarop de gevolgen kunnen worden bestreden.
Art. nr. 5.5.2 Vervaardigen van de gebruiksaanwijzing
a) Soort en grootte van het lettertype moet zo zijn dat optimale leesbaarheid is verzekerd.
Veiligheidswaarschuwingen moeten worden benadrukt door het gebruik van kleuren,
symbolen en/of groter lettertype.
b) De gebruiksaanwijzing moet worden gesteld in de officiële taal (talen) van het land waar
de machine gaat worden gebruikt. Indien van meer dan één taal gebruik wordt gemaakt
behoort elke taal direct van de andere te kunnen worden onderscheiden en moet worden
getracht om de vertaalde tekst en de relevante illustraties bij elkaar te houden.
c) Waar mogelijk moet de tekst door illustraties worden ondersteund. Illustraties behoren te
worden aangevuld met geschreven bijzonderheden die het bijvoorbeeld mogelijk maken
om bedieningsorganen te lokaliseren en te herkennen; zij mogen niet van de bijbehorende
tekst zijn gescheiden en behoren de volgorde van de opeenvolgende handelingen aan te
houden.
d) De weergave van informatie in de vorm van een tabel moet worden overwogen indien dit
de informatie begrijpelijker maakt.
Tabellen moeten bij de bijbehorende tekst zijn geplaatst.
Pagina 180
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
e) Het gebruik van kleuren moet worden overwogen, in het bijzonder voor onderdelen die
snel moeten kunnen worden herkend. Indien de gebruiksaanwijzing uitvoerig is, behoort
een inhoudsopgave en/of een register te worden opgenomen.
Art. nr. 5.5.5 Adviezen voor het opstellen en formuleren van informatie voor de gebruiker
a) Relatie tot het model: de informatie moet duidelijk betrekking hebben op het specifieke
model van de machine.
b) Communicatieve beginselen: op het moment dat informatie voor de gebruiker wordt
opgesteld moet het communicatieproces "zien, denken, gebruiken" worden gevolgd om
het beste resultaat te bereiken. De volgorde van opeenvolgende handelingen moet worden
aangehouden. Vragen als : "hoe?" en "waarom?" moeten vooraf worden onderkend en
beantwoord.
c) Informatie voor de gebruiker moet zo eenvoudig en kort mogelijk zijn en behoort te
worden gegeven in consequente terminologie en eenheden met een duidelijke verklaring
van gebruikelijke technische termen.
d) Indien te voorzien is dat de machine door leken zal worden gebruikt, moeten de
aanwijzingen zijn geschreven op een wijze die voor leken direct is te begrijpen.
Indien voor een veilig gebruik van de machine persoonlijke beschermingsmiddelen zijn
vereist, moet een duidelijk advies worden gegeven; deze informatie moet op de plaats van
verkoop op een in het oog vallende wijze worden weergegeven, bijvoorbeeld zowel op de
verpakking als op de machine.
e) Duurzaamheid en beschikbaarheid van de documenten
Documenten die informatie voor de gebruiker bevatten moeten duurzaam zijn vervaardigd
(d.w.z. zij behoren veelvuldig gebruik door de gebruiker te kunnen overleven). Het kan
zinvol zijn ze te voorzien van een aanwijzing als: "Bewaren voor later gebruik".
Pagina 181
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
14.2 Volgens norm EN 60 204-1 i.v.m. documentatie
Art. nr. 19.2 Te verstrekken informatie
Met de elektrische uitrusting moet de volgende informatie verstrekt worden:
- beschrijving van de uitrusting, installatie en montage;
- aansluitingen op en eisen aan elektrische voeding;
- indien nodig informatie over omgevingsomstandigheden;
- indien nodig blokschema's;
- stroomkringschema's;
- indien nodig informatie over:
- programmeren;
- bedieningsvolgorde;
- inspectie en intervallen;
- frequentie/methode van functionele beproeving;
- onderhoud en reparatie;
- stuklijst.
- beschrijving van alle veiligheidsaspecten aan de uitrusting;
- beschrijving van te hanteren middelen bij uitvallen van beveiliging.
Art. nr.19.3 Eisen te stellen aan alle documentatie
Documenten moeten voldoen aan IEC 1082-1 en de eisen van 19.4 t.e.m. 19.10.
Identificatie van onderdelen moet geschieden conform IEC 750. Verwijzingen naar de
verschillende documenten kunnen hetzij op de documenten zelf plaatsvinden (bij klein aantal
documenten),. hetzij in een aparte lijst.
Art. nr. 19.4 Basisinformatie
De technische documentatie moet ten minste informatie bevatten over:
- normale bedrijfsomstandigheden, inclusief de te verwachte condities van de elektrische
voeding en de omgevingsomstandigheden;
- behandeling, transport en opslag;
- onjuist gebruik van de uitrusting;
- indien van toepassing: informatie over belastingsstroom, maximaIe aanloopstromen en
toellaatbare spanningval.
Art. nr. 19.5 Installatieschema
Het installatieschema moet alle informatie bevatten die nodig is voor het voorbereidende werk
voor het opstellen van de machine, m.n. met betrekking tot voedingskabels,
overstroombeveiligingstoestellen en leidingkokers.
Indien van toepassing moet worden gezorgd voor een aansluitschema.
Art. nr. 19.6 Blokschema's
Indien het noodzakelijk is om de werkingsprincipes gemakkelijker te begrijpen, moeten
blokschema's en eventueel functieschema's worden verstrekt.
Art. nr. 19.7 Stroomkringschema's
Indien blokschema's de uitrusting onvoldoende weergeven, moeten stroomkringschema's
worden verstrekt waarin de stroomketens van de machine en de elektrische uitrusting zijn
weergegeven. Schema's en grafische symbolen moeten in overeenstemming zijn met IEC 617,
IEC 1082.
Pagina 182
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 19.8 Bedieningshandleiding
Tot de technische documentatie moet tevens een bedieningshandleiding behoren die
deugdelijke procedures bevat voor het installeren en het gebruik van de machine, met
bijzondere aandacht voor veiligheidsaspecten.
Art. nr. 19.9 Onderhoudshandleiding
Tot de technische documentatie moet tevens een onderhoudshandleiding behoren die
deugdelijke procedures bevat voor afstelling, onderhoud, preventieve controle, reparatie en
rapportage.
Art. nr. 19.10 Stuklijsten
De stuklijsten moeten ten minste alle informatie bevatten voor het bestellen van reservedelen.
Pagina 183
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
BESLUITVORMING en VRAGENLIJST
In een gesprek met dhr. G. Verlinden van AIB-Vincotte vernamen we het volgende:
Wanneer een machinebouwer het gehele elektrotechnische aspect (vermogen, besturing,
veiligheid) uitbesteedt aan een gespecialiseerde firma, moet er dan een CE-markering op
de installatie worden aangebracht vergezeld met een verklaring van overeenstemming?
Het antwoord luidde: ‘Neen, het mag niet. Je brengt het niet op de markt dat trouwens een
voorwaarde is. En je bouwt voor iedere klant naar hun eisen. Ik zal het anders uitleggen:
Een producent die zijn producten te koop stelt in een winkel of op de markt, we spreken dan
van in serie geproduceerde, is verplicht van het CE-markeringsteken aan te brengen. Een
bordenbouwer zoals GA bouwt op bestelling. Iedere klant stelt zijn eisen. Het is dan aan GA
de eisen te vervullen volgens de regels van de kunst. De onderdelen of componenten die ze
toepassen in de desbetreffende kasten en bordenbouw moeten reeds voorzien zijn van een CEmarkering. Deze verantwoordelijkheid is aan de fabriekanten van de onderdelen of
componenten toegeschreven. Zij moeten ervoor zorgen dat de geproduceerde componenten,
die later deel uit maken van een groter geheel, geen storend element gaan zijn. Zij moeten
binnen bepaalde grenzen kunnen garanderen dat de producten correct werken en geen
negatieve invloed uit oefenen op de omgeving. Hoe het product dient gebruikt te worden, hoe
de aansluiting gebeurt naar deze componenten, welke maximale kabellengte men moet
respecteren, … , dient vermeld te worden in de documentatie. De verantwoordelijkheid naar
het gebruik, de toepassing en de aansluiting wordt doorgeschoven naar de koper, installateur,
gebruiker. In de praktijk zal men, alleen al naar het aansluiten toe, heel wat overtredingen
tegen komen. Je komt bijvoorbeeld tegen dat een fabrikant van frequentieregelaars aanraadt
van de kabels van het toestel naar de motor niet langer te maken dan 15m en als je in de
praktijk gaat kijken is de kabel 50m lang. Men moet wel een EG-comformiteits attest af
kunnen leveren.
Aan dhr. Haeckens, directeur van de arbeidsinspectie, stelden we dezelfde vraag:
Dit is niet nodig, straffer nog, het mag niet. De installatie is geen afgewerkt product, m.a.w.
het product wordt niet in handel gebracht. Er zullen wel duidelijke afspraken gemaakt moeten
worden. De machinebouwer, die zelf voor de CE-markering van zijn machine zorgt, zal van
de gespecialiseerde firma eisen dat hij de richtlijnen naleeft. Zo kan de machinebouwer een
officieus conformiteitattest (soort contract) van de firma vragen, dat juridisch bindend is.
Indien er iets misloopt met de machine zal in eerste instantie de machinebouwer
verantwoordelijk worden gesteld. Met het officieus conformiteitattest kan in tweede instantie
blijken dat de firma, in de fout gegaan is. De firma is verplicht een gebruikershandleiding op
te stellen, zodat de machinebouwer de installatie juist kan installeren. De machinebouwer zal
rekening moeten houden met eventuele beperkingen opgelegd in de gebruikershandleiding en
zal de instructies strikt moeten naleven. Deze handleiding is steeds nodig ook als de
leverende firma de installatie zelf installeert. Er wordt vaak gezondigd bij bestellen van
machine. Het is noodzakelijk dat de koper de gebruiksomstandigheden goed definieert, en
bepaalde machinevoorwaarde oplegt. Er wordt dikwijls een machine besteld die niet aan de
gebruiksomstandigheden van de koper voldoet. Vb. Een fabrikant levert een motor. De koper
wilt deze gaan installeren in een explosie gevaarlijke omgeving, maar ziet bij het
doorbladeren van de gebruikershandleiding dat dit verboden. Om deze problemen te
voorkomen kan men best gebruik maken van de bijlage van de norm EN 60204, waar de
minimale gebruiksomstandigheden staan gespecificeerd die moeten vermeld worden bij een
bestelling
Pagina 184
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Op internet hebben we de zoektocht naar informatie i.v.m de CE-markering verder
gezet. We vonden de volgende belangrijke zaken (op de site http:www/CEBEC.be):
A) Hoe onze markt vrij houden van niet-conform elektrisch materiaal?
Jaar na jaar stelt men in alle sectoren van de industrie een toename vast van het aantal
nagemaakte producten, ook daar waar "veiligheid" een essentiële rol vervult: Bijv.
nagemaakte
geneesmiddelen
en
alcoholen,
huishoudelijke
apparatuur
zonder
beveiligingsmechanismen, te licht gebouwde gereedschappen, autovervangstukken met
dunnere wanddikte, vervalste microprocessoren, enz… . Geen van deze vervalsingen
beantwoordt aan de bestaande veiligheidsnormen en ze zijn dus uiterst gevaarlijk. Zo kan een
niet betrouwbare microprocessor nefaste gevolgen hebben wanneer hij bijv. ingebouwd is in
de sturing van een industrieel proces of in het veiligheidssysteem van een controletoren. Ook
bij ons stelt men onregelmatig ingevoerde producten vast, en dit in weerwil van de bestaande
veiligheidsreglementering. In 1977 werd, onder de bescherming van het Ministerie van
Economische Zaken, de "Permanente Consultatieve Commissie voor Elektrische Veiligheid"
opgericht. Zij moet er over waken dat al het elektrisch materieel conform is met de
veiligheidsnormen. Als lid van deze commissie kan CEBEC zeer snel de niet conforme
producten opsporen en de bevoegde overheden hiervan op de hoogte brengen. Dit moet onze
markt vrij houden van niet- conform elektrisch materiaal. CEBEC doet voor deze opdracht
beroep op haar netwerk van laboratoria: LABORELEC en KEMA. Indien gewenst kan
CEBEC u gaarne meer uitleg verschaffen over de werkzaamheden van deze commissie.
Ronan Maquestiau, directeur van CEBEC..
B) Hebt u de meest recente normen?
Normen en geharmoniseerde documenten, al dan niet gepubliceerd in het publicatieblad van
de Europese Gemeenschappen, evenals de IEC-catalogus, de CENELEC-catalogus, de
catalogus van de Belgische normen, en andere documenten van algemeen belang, zoals het
basiswerk "Information about the links between products, directives and standards in the
Electrotechnical field", kunnen bij het BEC besteld worden.
C) Wat is VCA ?
VCA staat voor "Veiligheid Certificering Aannemers".
Door uw opdrachtgever wordt bepaald of u een "Aannemer" bent, of niet. De interpretatie is
ruim : bouwwerkzaamheden en technische werkzaamheden op het terrein van een
opdrachtgever. Hieronder kunnen, als de opdrachtgever dit aangeeft, ook
schoonmaakmedewerkers en uitzendkrachten vallen, die aanverwante werkzaamheden
verrichten.
Het "Centraal College van Deskundigen - VCA" (CCvD) heeft in samenwerking met
certificerende instanties een procedure opgesteld voor het certificeren van
veiligheidssystemen. De procedure is aangevuld met een vragenlijst, de zogenaamde
Veiligheids Checklijst Aannemers.
D) Hoe komt u aan de checklijst?
De VCA-checklijst wordt uitgegeven door het secretariaat van het CCvD :
Centraal College van Deskundigen - VCA
Postbus 443
2260 AK LEIDSCHENDAM
NEDERLAND
tel. + 31 70 337 87 44
fax. + 31 70 320 94 18
Pagina 185
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
E) Wat moet u regelen, voor VCA?
In de checklijst is precies genoemd welke zaken u als bedrijf geregeld dient te hebben,
wanneer u in aanmerking wilt komen voor een VCA-certificaat : van een algemene
veiligheid- , gezondheid- en milieubeleidverklaring tot procedures voor melding, onder- zoek
en registratie van ongevallen / incidenten en onveilige situaties. Verder heeft VCA betrekking
op het voorlichten en trainen van uw medewerkers en de daadwerkelijke wijze van uitvoering
van de werkzaamheden op projecten. Deze (en overige) regelingen dienen ervoor om uw
veiligheidssysteem en uw veiligheidsresultaten te beheersen. Veiligheidsstatistieken maken
hiervan deel uit. Met het certificaat toont u anderen dat u voldoet aan de VCA-richtlijn.
F) Een 1 of 2-sterren certificaat ?
Dat hangt er vanaf.
VCA* is een "Beperkte certificatie op directe veiligheidsbeheersing van de activiteiten op de
werkvloer.
Bedoeld voor kleinere bedrijven (minder dan 35 medewerkers in de totale onderneming).
VCA** is de "Algemene certificatie" die wordt verstrekt als wordt voldaan aan alle onder het
VCA* vallende regelingen plus de veiligheidsstructuren binnen het bedrijf. Dit certificaat is
bedoeld voor bedrijven die als hoofdaannemer werkzaam zijn.
In beide gevallen zijn er een aantal "must-vragen". Die zullen positief moeten worden
beoordeeld, om voor certificatie in aanmerking te kunnen komen. Ook voor beide zijn de
resultaten van de lotgevalstatistieken meebepalend: het certificaat kan hierop worden
tegengehouden of zelfs weer worden ingenomen!
Verder is er voor het VCA**-certificaat een algemene score bepaald van 70 % voor de
overige vragen.
Beide certificaten zijn drie jaar geldig. Verlenging is afhankelijk van de resultaten van
periodieke audits.
G) We komen heel wat afkortingen tegen op het internet van organisaties die allen iets
te maken hebben met de CE-markering. De verklaring en hun onderling verband
verklaart men als volgt:
Gebruikte afkortingen:
COM : Studiecommissie
ISO : International Standard Organization
IEC : International Electrotechnical Commission
CEI : Commission Electrotechnique Internationale
CEE(el) : International Commission on Rules for the Approval of Electrical equipment
CECC : CENELEC Electronic Components Committee
CEN : European Committee for Standardization
CENELEC : European Committee for Electrotechnical Standardization
ETSI : European Telecommunication Standards Institute
HD : Harmonisatiedocument van CENELEC
De harmonisatiedocumenten van CENELEC worden in de mate van het mogelijke op basis
van internationale publicaties opgesteld. Zij hebben tot doel de nationale normen van
CENELEC-landen te harmoniseren. De harmonisatiedocumenten zijn minder bindend dan de
Europese normen.
Pagina 186
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
EN CENELEC Europese Norm.
De Belgische Norm is identiek met de Europese Norm. Bovendien heeft men een Nederlandse
versie, opgesteld onder de verantwoordelijkheid van het BEC en medegedeeld aan
CENELEC, hetzelfde statuut als de drie door CENELEC opgestelde officiële versies (Engels,
Frans en Duits).
ENV Europese Voornorm.
Prospectieve norm opgesteld door CENELEC, voor tijdelijke toepassing; tegenstrijdige
nationale normen mogen parallel van kracht blijven. De landen die deel uitmaken van
CENELEC zijn: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland,
IJsland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, VerenigdKoninkrijk, Zweden, Zwitserland.
Enkele gebruikte uitdrukkingen gebaseerd op ...
Meestal worden één of meerdere internationale publicaties als basis gebruikt voor het
opstellen van Belgische Normen. De definitieve tekst van een Belgische Norm, gebaseerd op
een internationale publicatie, kan evenwel worden gewijzigd ten einde de tekst aan de
Europese en/of Belgische eisen aan te passen. In het algemeen omvat een geregistreerde norm
één of meerdere internationale publicaties. Wanneer wordt gezegd "de NBN is de IEC
publicatie" (bijvoorbeeld) dan betekend dit dat de definitieve tekst van deze Belgische norm
identiek is met de internationale publicatie (zonder wijzigingen).
In overeenstemming met het HD...
De Belgische Norm, met of zonder door CENELEC aangenomen gemeenschappelijke
wijzigingen, is niet tegenstrijdig met het harmonisatiedocument.
Is het HD ... : De Belgische Norm geeft het Harmonisatiedocument weer, zonder wijzigingen.
Is de EN ... : De Belgische Norm geeft de Europese Norm weer, zonder wijzigingen.
H) Welke normen zijn te verkrijgen en waar moet men ze aanvragen?
Alle Belgische Normen (NBN), Europese Normen (CENELEC) (EN en HD) en Publicaties
van de International Electrotechnical Commission (IEC) zijn sedert 1 mei 1992 verkrijgbaar
in de kantoren van het Belgisch Instituut voor Normalisatie, Brabançonnelaan 29, 1000
Brussel. (Details, zie blz. XVIII). Alle Catalogi en Jaarboeken (BEC, IEC, CENELEC,
Technische Nota's van het BEC) en alle internationale publicaties van de International
Commission on Rules for the approval of Electrical Equipment (CEE)(el) en van het
CENELEC Electronic Components Committee (CECC) blijven verkrijgbaar in de kantoren
van het Belgisch Elektrotechnisch Comité, DIAMANT BUILDING A. Reyerslaan, 80 - 1030
Brussel. (Details, zie blz. XVIII). De door het BEC verzonden documenten gaan vergezeld
van een verzendingsnota en zijn betaalbaar bij ontvangst van de factuur. Voor verzending
naar het buitenland worden de prijzen met 10 % verhoogd. Voor de "leden" van het BEC en
ook de klanten die reeds ten minste een norm hebben besteld en betaald (en die dus in de
gegevensbank "verkoop" van het BEC zijn opgenomen) zullen de facturen niet langer worden
opgemaakt 30 dagen einde van de maand maar wel 30 dagen factuurdatum. De nieuwe
klanten, namelijk deze die geen lid van het BEC zijn en die nooit normen hebben besteld of
sedert ± 2 jaar geen normen meer hebben besteld zullen verzocht worden de normen die ze
bestellen vooraf te betalen. De norm(en) zal (zullen) verzonden worden zodra het BEC de
betaling heeft ontvangen. Bij een tweede bestelling door dezelfde klant, zal de facturering
plaatsvinden zoals aangegeven onder punt 3.1 hierboven "Facturering van normen".
Voor elke norm die in de catalogus is vermeld, stemt de aangeduide prijs (PG) overeen met de
tarieven vermeld op het internet.
Pagina 187
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Nog enkele vragen en antwoorden geëxtraheerd uit CE-nieuws (Tijdschrift):
A) Is de verplichting tot CE-markering echt wel noodzakelijk op “eigen” gebruikte en
ontwikkelde apparatuur?
Ja, CE-markering is ook verplicht op ‘eigen’ gebruikte en ontwikkelde apparatuur. Alle
producten waaraan, in de diverse CE-richtlijnen, eisen van veiligheid worden gesteld moeten
voldoen aan de CE-markeringsverplichting. Het maakt hierbij niet uit of het om producten
voor ‘eigen gebruik’ of om producten voor de verkoop gaat.
B) Bij het ontwerp en fabricage van een verbrandingsinstallatie zijn meerdere partijen
betrokken zoals de opdrachtgever, de ontwerper en de vervaardiger, wie is
verantwoordelijk voor het ondertekenen van de EG-verklaring van overeenstemming?
Wanneer ontwerp en fabricage door verschillende partijen worden uitgevoerd dan aanvaardt
de partij die de EG-verklaring van overeenstemming ondertekent de verantwoordelijkheid als
fabrikant om aan de bepalingen van de machinerichtlijn te voldoen.
De partij die de EG-verklaring van overeenstemming ondertekent, is verantwoordelijk voor
het aanbrengen van de CE-markering en voor het product aan de eisen van de
machinerichtlijn te laten voldoen. Indien er verschillende partijen bij het productieproces
betrokken zijn, is het van belang dat de partijen vooraf duidelijke schriftelijke afspraken
maken wie voor de verantwoordelijkheid voor het aanbrengen van de CE-markering
ondertekent.
C) Mogen wij als producent van complete machines, de ontwerper van onderdelen van
die machine laten tekenen voor een II-b verklaring? De onderdelen worden
geproduceerd in allerlei verschillende landen. Of moet de producent van het onderdeel
voor de verklaring tekenen? Als er iets gebeurt bij wie ligt dan de
verantwoordelijkheid?
De II-b verklaring is gebaseerd op bijlage II van de machinerichtlijn. Deze verklaring wordt
gebruikt voor machines (onderdeel) die worden gebruikt om ingebouwd te worden in grotere
machines. Deze machines (onderdeel) hoeven bij levering niet aan de eisen van de
machinerichtlijn te voldoen, op voorwaarde dat zij vergezeld gaan van een II-b verklaring.
Daarnaast mogen deze machines (onderdeel) niet zelfstandig kunnen functioneren als
machine. Een II-b verklaring beperkt de aansprakelijkheid van de toeleverancier van
machines (onderdeel). Door de ondertekening van de II-b verklaring, verklaart de
toeleverancier dat zijn machine nog niet voldoet aan de eisen van de machinerichtlijn en dat
zijn product als onderdeel dient voor het samenbouwen van een complete machine. Met de
II-b verklaring waarschuwt de toeleverancier dat zijn product op een veilige manier moet
worden gemonteerd in de complete machine. Door middel van de II-b verklaring wordt de
verantwoordelijkheid voor overeenstemming van de deelmachine met de eisen van de
machinerichtlijn in feite doorgeschoven naar de fabrikant van de complete machine, waarin de
deelmachine wordt ingebouwd.
De afnemer van de onderdelen zal de complete machine in overeenstemming moeten brengen
met de eisen van de machinerichtlijn. Voor de wet maakt het niet uit wie de II-b verklaring
ondertekent, de ontwerper van de onderdelen of de producent van de onderdelen. Het is
logischer dat de producent van de onderdelen de II-b verklaring voor de onderdelen
ondertekent. Diegene die de II-b verklaring ondertekent, maakt zich kenbaar als producent en
is hierdoor verantwoordelijk voor dit product.
De productaansprakelijkheid van de complete machine ligt bij degene die de verklaring van
overeenstemming tekent (de II-a verklaring). Maar aansprakelijkheid voor gebreken in
Pagina 188
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
tekeningen of berekeningen, of verkeerd gekozen of gemonteerde componenten kunnen
verhaald worden op het ontwerpbureau of de machinebouwer.
Het is van belang dat er duidelijke afspraken worden gemaakt welke partij verantwoordelijk is
voor welk onderdeel in het productieproces van een machine.
Pagina 189
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
WOORDVERKLARING EN AFKORTINGEN
Algemeen
Om een goed begrip te bekomen over het vakjargon dat in de normen wordt toegepast, geven
we een aantal belangrijke definities van onderdelen:
Aardfoutstroom :
AC..A:
Aftakrail :
Stroom die ten gevolge van een fout naar de aarde stroomt.
Gebruikscategorie van schakelapparaten.
Rail binnen een sectie die is aangesloten op een hoofdrail en
vanuit afgaande velden wordt gevoed.
Aluminium.
Al:
ASTM:
Bescherming tegen indirecte aanraking:
Voorkomen van gevaar voor personen bij
aanraking van het metalen gestel.
Bescherming tegen directe aanraking:
Voorkomen van gevaar voor personen bij een
aanraking van actieve delen.
BS:
Britisch Standards.
CENELEC:
Comité Européen de Normalisation Electronique.
CCA:
Cenelec Certification Agreement.
DC..A:
Gebruikscategorie van schakelapparaten.
EE:
Elektronisch apparatuur (electronic equipment)
EN:
Europese Norm.
Foutstroom :
Stroom ten gevolge van een isolatiefout of een overbrugging van
de isolatie.
Hoofdrail :
Rail waarop één of meer aftakrails en /of voedingsvelden en
afgaande velden kunnen zijn aangesloten.
Hoofdstroomketen:
Alle geleidende delen van een schakel en verdeelinrichting die
behoren tot een stroomketen welke bestemd is om elektrische
energie door te laten.
Hulpstroomketen:
Alle geleidende delen die bestemd zijn voor besturing, meting,
signalering, regeling, bewerking van gegevens, … , die niet
behoren tot de hoofdstroomketen.
Hz:
Eenheid van frequentie in Hertz.
Ideële kortsluitstroom (Icp):
I∆n:
Nominale differentieel schakelstroom.
In:
Nominale stroom.
IEC:
International Electrotechnical Commision.
IPXX:
Beschermingsgraad.
IK:
Slagvastheid.
Ith:
Conventionele thermische stroomsterkte in de vrije lucht.
Ithe:
Conventionele thermische stroomsterkte onder omhulsel.
Kortsluitstroom (Ic):
Overstroom die het gevolg is van een kortsluiting door een defect
of een onjuiste aansluiting in een stroomketen..
L1L2L3:
Driefasig net.
L1L2L3+N:
Driefasig net met nulleider.
Nul (N):
Geleider die verbonden is met het sterpunt van een systeem en
kan bijdragen aan de overdracht van de elektrische energie.
NBN:
Belgische Norm.
NEC:
Nederlands Elektrisch Comité
Pagina 190
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
NF:
NO:
NG:
1P:
2P:
3P:
4P:
3P+N:
PEN-leiding :
Rail :
Un:
Ue:
Uimp:
UTE:
VDE:
Norme Francaise
Normaal open..
Normaal gesloten.
Eénpolig.
Tweepolig.
Driepolig.
Vierpolig .
Vierpolig met Nul.
Geleider die de functies van beschermingsleiding en nul in zich
verenigt.
Geleider met lage impedantie waarop verscheidene
elektrischenetwerken afzonderlijk kunnen zijn aangesloten.
Nominale spanning.
Toegekende gebruiksspanning.
Toegekende stootspanning.
Union Technique de l’Electricité.
Verband Deutscher Elektrotechniker.
Pagina 191
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
KEURMERKEN EN LABELS
CEBEC, Belgie
SETI, Finland
ASTA
KEMA
Nederland
OVE, Oostenrijk
CSA, CEC, Canada
VDE, Duitsland
IMQ, Italie
UL, NEC, OSHA
Verenigde Staten
UTE, Frankrijk
AEE, Spanje
DEMKO, Denemarken
IPQ, Portugal
NEMKO, Noorwegen
SEV, Zwitserland
Lloyd’s Register
of schipping
SEMKO, Zweden
BS, Groot-Britanie
Comité Européen
Pagina 192
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
BIBILIOGRAFIE
Handboeken, reglementen en richtlijnen:
• Algemeen Reglement op Elektrische Installaties, AIB-Vinçotte, 1e druk, 1998
• Kohling, EMV von Gebäuden, Anlagen und Geräten, VDE-verlag, 1e druk,1998
• Kohling, CE conformity marking,MCD, 2e druk, 1996
• J.F. Braster,Machine richtlijn, Kluwer Bedrijfsinformatie, 1e druk, 1998
• J.F. Braster,Laagspannings richtlijn, Kluwer Bedrijfsinformatie, 1e druk, 1998
• J.F. Braster,EMC richtlijn, Kluwer Bedrijfsinformatie, 1e druk, 1998
• J.D. Coenraads,CE-markering in de elektrotechniek en machinebouw deel 1, Kluwer
Bedrijfsinformatie, 1e druk, 1998
• J.D. Coenraads, CE-markering in de elektrotechniek en machinebouw deel 1A, Kluwer
Bedrijfsinformatie, 1ste druk, 1998
• J.D. Coenraads, CE-markering in de elektrotechniek en machinebouw deel 2, Kluwer
Bedrijfsinformatie, 1ste druk, 1998
• R.H.J. Molenaar, Risicoanalyse en gebruikershandleiding voor Europese Richtlijnen,
Kluwer Bedrijfsinformatie, 1ste druk, 1998
• H.P van Ekelenburg, Praktijkboek Machinerichtlijn, Ten Hagen & Stam b.v., 1ste druk,
1994
• J.H Berendsen ,Uitleg en toepassing van de NEN 1010,educaboek, 4de druk, 1990
• W. Imbrechts, Opleiding veiligheid voor leidinggevenden, in het kader van VCA,
juni 1998
• Dirk Eeckhaoudt, Handboek machineveiligheid, 2e editie, 1e druk, PILZ Belgium,
april 1997
Pagina 193
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Normen:
• NEN-EN 292-1, Veiligheid van machines. Basisbegrippen, algemene ontwerpbeginselen,
Deel 1: Basis terminologie, methodologie, 2e druk, april 1994
• NEN-EN 292-2, Veiligheid van machines. Basisbegrippen, algemene ontwerpbeginselen,
Deel 2: Technische beginselen, 2e druk, april 1994
• EN 60204-1, Veiligheid van machines, Deel 1: Algemene eisen, oktober 1994
• prEN 954-1, Veiligheid van machines, Veiligheidsonderdelen in stuurkringen,
november 1992
• prEN 1088, Veiligheid van machines, Beveiligingsprinciepen, juni 1995
• EN 418, Veiligheid van machines, Noodstop, oktober 1992
• EN 60439-1, Schakel- en verdeelinrichtingen voor laagspanning, Deel 1: Geheel of
gedeeltelijk aan typeproeven onderworpen, januari 1994
• IEC 1131-1, Programmeerbare Automaten, Deel 1: Algemene begrippen, 1e editie, 1992
• IEC 1131-2, Programmeerbare Automaten,
Deel 2: Toestel eisen en tests
1e editie, 1992
Samenvattingen van normen:
• Uitleg en toepassing van de NEN 1010, Ing. J.H. Berendsen
• G. Verlinden, Stuurkringen, AIB-VINCOTTE
• G. Verlinden, Veiligheidsvoorwaarden voor stuurkringen volgens de richtlijn
arbeidsmiddelen, AIB-VINCOTTE
• G. Verlinden, Diverse componenten voor veilige elektrische stuurkringen in het kader van
de arbeidsmiddelenrichtlijn, AIB-VINCOTTE
• G. Verlinden, Veiligheidstechnologie, AIB-VINCOTTE
• G. Verlinden, Industriële schakelaars, AIB-VINCOTTE
• G. Verlinden, Bescherming tegen directe en indirecte aanraking, AIB-VINCOTTE
• G. Verlinden, Risicoschatting en evaluatie, AIB-VINCOTTE, juni 1997
Pagina 194
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Cursussen:
• J. Elsen, Inleiding in de EMC-problematiek, Katholiek Hogeschool Limburg, Departement
IWT, Diepenbeek, 1998
• J Baeten, Meetsystemen, Katholiek Hogeschool Limburg, Departement IWT, Diepenbeek
• L. Somers, Aanbeveling voor het EMC vriendelijk ontwerp van machines en uitrustingen
van stuurkasten, WTCM / CRIF, 15 januari 1998
• A. Dexters, Magnetisme, Katholiek Hogeschool Limburg, Departement IWT, Diepenbeek
• G. Haekens, Elektrische veiligheid, Katholiek Hogeschool Limburg, Departement IWT,
Diepenbeek, september 2000
• A. Hoier, Noodstop via PLC, Het nieuwe concept, SIEMENS AG
• G. Verlinden, Praktische tips i.v.m. de EMC problematiek, AIB-VINCOTTE,
26 maart 1999
Catalogen :
• MERLIN GERIN, Laagspanningsmaterieel, 2000
• RITTAL, Handboek
• VYNCKIER, Laagspanningsdistributie, Algemene cataloog, 1998
• VYNCKIER, Automatisering en sturing, Algemene cataloog 1998
• LEGRAND, Laagspanningscataloog 2000-2001
• SICK, Veiligheidsoplossingen voor de industrie,
• SCHMERSAL, Schalt- und anwendungshandbuch, 1998
• PILZ, Sicherheitstechnik, cataloog 1, juni 1999
• PILZ, Sicherheitstechnik, cataloog 2, juni 1999
Pagina 195
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
De realisatie van dit boek werd mede mogelijk gemaakt door :
Promotoren
Dhr. T.Willems, Directeur van GOORTS AUTOMATISERING
Dhr. E. Claesen, Docent Automatisering
Personenlijst
Dhr. J. Niessen, GOORTS AUTOMATISERING
Dhr. G. Haekens, Directeur van de TECHNISCHE ARBEIDSINSPECTIE
Dhr. I. Hendrikx, HEVROX N.V.
Dhr. R. Vanhoudt, AIB-VINCOTTE
Dhr. G. Verlinden, AIB-VINCOTTE
Dhr. J. Vandijck, AIB-VINCOTTE
Dhr. H. Vliegen, AIB-VINCOTTE
Dhr. Herman Peters, PETERS ELEKTRO
Dhr. Jos Camps, PETERS ELEKTRO
Mevr. Dexters, Docente Elektriciteit en Automatisering, KHLim, Departement IWT
Dhr. Creemers, Docent Elektriciteit, KHLim, Departement IWT
Dhr. Olaerts, Docent Elektriciteit, KHLim, Departement IWT
Dhr. Kumbruck, Docent Automatisering, KHLim, Departement IWT
Onze oprechte dank voor de hulp en de suggesties.
David Hanot en Dirk Valkenborg
Diepenbeek 2000
Pagina 196
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
1
RICHTLIJN VAN DE RAAD
van 30 november 1989
betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door
werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats
(tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
(89/655/EEG)
RICHTLIJN 95/63/EEG VAN DE RAAD
van 5 december 1995
tot wijziging van Richtlijn 89/655/EEG betreffende minimumvoorschriften inzake veligheid en
gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats
(tweede bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op
artikel 118 A,
Gezien het voorstel van de Commissie , ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de
veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats,
In samenwerking.met het Europese Parlement ,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ,
Ovenwegende dat in artikel 118 A van het Verdrag wordt bepaald dat de Raad door middel van
richtlijnen minimumvoorschriften vaststelt om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te
bevorderen, ten einde een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te
waarborgen;
Overwegende dat volgens dit artikel in deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve,
financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat zij oprichting en ontwikkeling van kleine en
middelgrote ondernemingen zouden kunnen hinderen;
Overwegende dat de mededeling van de Commissie over haar programme inzake de veiligheid, de
hygiëne en de gezondheid op het werk voorziet in de vaststelling van een richtlijn betreffende het
gebruik van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats;
Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 21 december 1987 betreffende de veiligheid, de hygiëne
en de gezondheid op de arbeidsplaats nota heeft genomen van het voornemen van de Commissie om
hem op korte termijn minimumvoorschriften voor te leggen betreffende de organisatie van de veiligheid
en de gezondheid op de arbeidsplaats;
Overwegende dat de naleving van de minimumvoorschriften die een hogere graad van bescherming en
gezondheid kunnen garanderen bij het gebruik van arbeidsmiddelen, een vereiste is voor het waarborgen
van veiligheid en gezondheid van de werknemers;
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
2
Overwegende dat deze richtlijn een bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn
89/391 /EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de ten uitvoerlegging van maatregelen ter
bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk; dat
de bepalingen van die richtlijn derhalve ten volle gelden voor het gebruik door de werknemers van
arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats, onverminderd dwingender en/of specifieke bepalingen die in deze
richtlijn zijn opgenomen;
Overwegende dat deze richtlijn een concreet element vormt in het kader van de verwezenlijking van de
sociale dimensie van de interne markt;
Overwegende dat de Lid-Staten krachtens Richtlijn 83/189/EEG de Commissie ieder ontwerp voor een
technisch voorschrift dat van toepassing is op machines, apparaten en installaties, moeten mededelen;
Overwegende dat het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de
gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats krachtens Besluit 74/325/EEC , laatstelijk gewijzigd bij de
Toetredingsakte van 1985, door de Commissie wordt geraadpleegd voor het uitwerken van voorstellen
op dit gebied,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 118 A,
Gezien het voorstel van de Commissie
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité
Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag;
Overwegende dat in artikel 118 A van het Verdrag wordt bepaald dat de Raad door middel van
richtlijnen minimumvoorschriften vaststelt teneinde de verbetering van met name het arbeidsmilieu te
bevorderen, met het doel de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beschermen;
Overwegende dat volgens dit artikel in deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve,
financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat zij oprichting en ontwikkeling van kleine en
middelgrote ondememingen zouden kunnen hinderen;
Overwegende dat de naleving van de minimumvoorschriften die een hogere graad van veiligheid en
gezondheid kunnen garanderen bij het gebruik van arbeidsmiddelen, van wezenlijk belang is voor het
waarborgen van de veiligheid en gezondheid van werknemers;
Overwegende dat het derhalve van belang is dat de Lid-Staten maatregelen nemen om de toepassing
van de bepalingen van deze richtlijn door de ondernemingen, met name de kleine en middelgrote
ondernemingen, te vergemakkelijken; dat deze maatregelen opleidings- en voorlichtingsacties kunnen
omvatten die aan het. specifieke karakter van de verschillende economische sectoren zijn aangepast;
Overwegende dat de uit hoofde van artikel 118 A van het Verdrag vastgestelde bepalingen geen
belemmering vormen voor het handhaven en vaststellen, door elke Lid-Staat, van maatregelen voor
een verdere verbetering van de arbeidsomstandigheden die met het Verdrag verenigbaar zijn
Overwegende dat artikel 9, lid 1, van Richtlijn 89/655/EEG voorziet in de toevoeging in de bijlage
van extra minimumvoorschriften die van toepassing zijn op de in punt 3 van de bijlage bedoelde
arbeidsmiddelen volgens de procedure van artikel 118 A van het Verdrag
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
3
Overwegende dat deze richtlijn beperkt moet blijven tot het vaststellen van de te verwezenlijken
doelstellingen en de na te leven beginselen, waarbij aan de Lid-Staten de keuze wordt gelaten op welke
wijze de naleving en de verbetering van deze voorschriften in hun nationale wetgeving worden
gegarandeerd;
Overwegende dat de Lid-Staten na raadpleging van de sociale partners en in overeenstemming met de
nationale wetgevingen en/of praktijken zullen bepalen op welke wijze een veiligheidsniveau kan
worden bereikt dat beantwoordt aan de met de maatregelen in bijlage II beoogde doelstellingen;
Overwegende dat deze richtlijn een concrete bijdrage is aan de verwezenlijking van de sociale
dimensie van de interne markt,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
4
AFDELING I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Doel
1. In deze richtlijn, die de tweede bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn
89/391/EEG, worden minimumvoorschriften vastgesteld inzake veiligheid en gezondheid voor het
gebruik op het werk van de arbeidsmiddelen omschreven in artikel 2 door de werknemers.
2. De bepalingen van Richtlijn 89/391/EEG gelden ten volle voor het gehele in lid 1 bedoelde terrein,
onverminderd dwingender en/ of specifieke bepalingen die in deze richtlijn zijn opgenomen.
Artikel 2
Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a)
arbeidsmiddelen: alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, apparaten, gereedschappen en
installaties;
b) gebruik van arbeidsmiddelen: elk activiteit met betrekking tot een arbeidsmiddel, zoals
ingebruikneming of buitengebruikstelling, aanwending, vervoer, reparatie, ombouwing, onderhoud,
verzorging, waaronder met name ook reiniging;
c)
gevaarlijke zone: elke zone in en / of rondom een arbeidsmiddel waar de aanwezigheid van een
blootgestelde werknemer een gevaar voor diens veiligheid of gezondheid oplevert;
d) blootgestelde werknemer: elke werknemer die zich geheel of gedeeltelijk in een gevaarlijke zone
bevindt;
e)
bediener: de werknemer(s) die tot taak heeft (hebben) een arbeidsmiddel te gebruiken.
AFDELING II
VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVERS
Artikel 3
Algemene verplichtingen
1. De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen die in de
onderneming en/of de inrichting ter beschikking van de werknemers worden gesteld, geschikt zijn
voor het uit te voeren werk of daartoe behoorlijk zijn aangepast, zodat de veiligheid en de
gezondheid van de werknemers tijdens het gebruik van deze arbeidsmiddelen kunnen worden
gewaarborgd.
Bij de keuze van de arbeidsmiddelen die hij overweegt te gebruiken, houdt de werkgever rekening
met de arbeidsomstandigheden en de specifieke kenmerken van de arbeid en met de in de
ondememing en/of inrichting, met name op de werkplek, bestaande risico's voor de veiligheid en de
gezondheid van de werknemers en /of de risico's die daaraan zouden kunnen worden toegevoegd
door het gebruik van de desbetreffende arbeidsmiddelen.
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
5
2. Wanneer het niet mogelijk is de veiligheid en de gezondheid van de werknemers aldus volledig te
waarborgen bij het gebruik van arbeidsmiddelen, treft de werkgever passende maatregelen om de
risico's tot een minimum te beperken.
Artikel 4
Voorschriften betreffende de arbeidsmiddelen
1. Onverminderd artikel 3 moet de werkgever aanschaffen en/of gebruiken:
a) arbeidsmiddelen die, indien zij na 31 december 1992 voor de eerste maal ter beschikking van de
werknemers worden gesteld in de ondememing en/of inrichting, voldoen:
i) aan de bepalingen van alle communautaire richtlijnen die ter zake van toepassing zijn;
ii) aan de minimumvoorschriften van de bijlage I voor zover andere communautaire richtlijnen niet of
slechts ten dele van toepassing zijn;
b) arbeidsmiddelen die, indien zij op 31 december 1992 reeds ter beschikking van de werknemers staan
in de onderneming en/ of inrichting, uiterlijk vier jaar na deze datum voldoen aan de in de bijlage I
opgenomen minimumvoorschriften.
c) onverminderd letter a) onder i), en in afwijking van het bepaalde in letter a), onder ii), en letter b),
onder de voorschriften van bijlage I, punt.3, vallende specifieke arbeidsmiddelen die, indien zij op
5 december 1998 reeds ter beschikking van de werknemers staan in de onderneming en/of
inrichting, uiterljik vier jaar na deze datum voldoen aan de in bijlage I opgenomen
minumumvoorschriften.
2. De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de arbeidsmiddelen tijdens de
gehele gebruiksduur door een adequaat onderhoud in zodanige staat worden gehouden dat zij, naar
gelang van het geval, aan de bepalingen van lid 1, onder a) of onder b), voldoen.
3. Na raadpleging van de sociale parrners en in overeenstemming met de nationale wetgevingen en/of
praktijken bepalen de Lid-Staten op welke wijze een veiligheidsniveau kan worden bereikt dat
beantwoordt aan de met de maatregelen in bijlage II beoogde doelstellingen.
Artikel 4 bis
Keuring van de arbeidsmiddelen
1. De werkgever ziet erop toe dat de arbeidsmiddelen waarvan de veiligheid afhangt van de wijze van
installatie, worden onderworpen aan een eerste keuring door deskundige personen in de zin van de
nationale wetgevingen en/of praktijken (na de instalatie en vóór de eerste ingebruikneming),
alsmede aan een keuring na elke montage op een nieuwe locatie of een nieuwe plek, teneinde ervoor
te zorgen dat deze arbeidsmiddelen op de juiste wijze worden geïnstalleerd en goed functioneren.
2. De werkgever ziet erop toe dat de arbeidsmiddelen die onderhevig zijn aan invloeden die leiden tot
verslechteringen welke aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van gevaarlijke situaties, worden
onderworpen aan:
- periodieke keuringen en, in voorkomend geval, aan periodieke proeven, door deskundige
personen in de zin van de nationale wetgevingen en/of praktijken;
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
6
- bijzondere keuringen door deskundige personen in de zin van de nationale wetgevingen en/of
praktijken, telkens wanneer zich uitzonderlijke gebeurtenissen hebben voorgedaan die
schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van het arbeidsmiddel, zoals
aanpassingen, ongevallen, natuurverschijnselen en langere perioden van buitengebruikstelling,
teneinde te garanderen dat de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften worden nageleefd en deze
verslechteringen tijdig worden opgespoord en hersteld.
3. De resultaten van de keuringen moeten schriftelijk worden vastgelegd en ter beschikking van de
bevoegde autoriteit worden gehouden. Zij moeten voldoende lang worden bewaard.
Wanneer de betrokken arbeidsmiddelen buiten de ondememing worden gebruikt,. moeten zij
vergezeld gaan van een materieel bewijs van de.laatste keuring.
4.. De Lid-Staten bepalen hoe de keuringen plaatsvinden.
Artikel 5
Arbeidsmiddelen met een specifiek gevaar
Wanneer het gebruik van een arbeidsmiddel een specifiek gevaar voor de veiligheid of de gezondheid
van de werknemers kan opleveren, neemt de werkgever de nodige maatregelen om ervoor te zorgen
dat:
- het gebruik van het arbeidsmiddel voorbehouden blijft aan werknemers die met dat gebruik belast
zijn;
- de betrokken werknemers in geval van reparatie, ombouwing, onderhoud of verzorging daartoe een
specifieke bekwaamheid bezitten.
Artikel 5 bis
Ergonomie en gezondheid op het werk
De werkplek en de houding van de werknemers bij het gebruik van arbeidsmiddelen, alsmede de
ergonomische beginselen, moeten door de werkgever bij de toepassing van de minimumvoorschriften
voor gezondheid en veiligheid ten volle in aanmerking worden genomen.
Artikel 6
Voorlichting van de werknemers
1. Onverminderd artikel 10 van Richtlijn 89/391/EEG neemt de werkgever de nodige maatregelen om
ervoor te zorgen dat de werknemers over voldoende informatie en, in voorkomend geval, over
gebruiksaanwijzingen betreffende de op het werk gebruikte arbeidsmiddelen beschikken.
2. De informatie en de. gebruiksaanwijzingen moeten tenminste de uit het oogpunt van veiligheid en
gezondheid benodigde gegevens bevatten betreffende:
- de omstandigheden waaronder de arbeidsmiddelen dienen te worden gebruikt;
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
7
- voorzienbare abnormale situaties;
- de conclusies die in voorkomend geval kunnen worden getrokken uit de bij het gebruik van
arbeidsmiddelen opgedane ervaringen.
De werknemers dienen te worden gewezen op de gevaren die zij lopen, op de arbeidsmiddelen in
hun onmiddellijke werkomgeving en op de veranderingen die voor hen van belang zijn, voor zover
die betrekking hebben op de in hun onmiddellijke werkomgeving gesitueerde arbeidsmiddelen, ook
al maken de werknemers hiervan geen rechtstreeks gebruik.
3. De informatie en de gebruiksaanwijzingen moeten voor de betrokken werknemers begrijpelijk zijn.
Artikel 7
Opleiding van de werknemers
Onverminderd artikel 12 van Richtlijn 89/391 /EEG neemt de werkgever de nodige maatregelen om
ervoor te zorgen dat.
- de werknemers die tot taak hebben de arbeidsmiddelen te gebruiken een adequate opleiding
ontvangen, onder meer wat betreft de risico's die dit gebruik eventueel met zich brengt;
- de in artikel 5, tweede streepje, bedoelde werknemers een adequate specifieke opleiding krijgen.
Artikel 8
Raadpleging en medezeggenschap van de werknemers
Overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 89/391/EEG worden de werknemers en/of hun
vertegenwoordigers geraadpleegd en hebben zij medezeggenschap omtrent de materies die onder deze
richtlijn, met inbegrip van de bijlagen, vallen.
AFDELING III
DIVERSE BEPALINGEN
Artikel 9
Wijziging van de bijlagen
1. Toevoeging in de bijlagen van extra minimumvoorschriften die van toepassing zijn op specificke
arbeidsmiddelen als bedoeld in punt 3 van de bijlage I, geschiedt door de Raad volgens de procedure
van artikel 118 A van het verdrag.
2. De aanpassingen van strikt technische aard van de bijlagen in verband met:
- de vaststelling van richtlijnen op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie met
betrekking tot arbeidsmiddelen, en/of
- de technische vooruitgang, de ontwikkeling van intemationale regelingen of specificaties of van de
kennis op het gebied van arbeidsmiddelen,
worden vastgesteld volgens de procedure bedoeld in artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG.
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
8
Artikel 10
Slotbepalingen
1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om
uiterlijk op 31 december 1992 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daar-van
onverwijld in kennis.
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelike bepalingen in werking treden om
uiterlijk op 5 december 1998 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Comissie daarvan
onverwijld in kennis.
2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede, die zij op het
onder deze richtlijn vallende gebied reeds hebben vastgesteld of vaststellen,
3. De Lid-Staten brengen de Commissie om de vijf jaar verslag uit over de praktische tenuitvoerlegging
van de bepalingen van deze richtlijn, onder vermelding van de standpunten van de sociale partners.
De Commissie geeft kennis van het verslag aan het Europese Parlement, de Raad, het Economisch en
Sociaal Comité en het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de
gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats.
4. De Commissie legt op gezette tijden aan het Europese Parlement, de Raad en het Economisch en
Sociaal Comité een verslag voor over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, met inachtneming van
de leden 1, 2 en 3.
Artikel 11
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
Gedaan te Brussel, 30 november 1989.
Gedaan te Brussel, 5 december
Voor de Raad
Voor de Raad
De Voorzitter
De Voorzitter
J.P. SOISSON
J. A. GRINAN
1995.
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
9
BIJLAGE I
MINIMUMVOORSCHRIFTEN BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 1, ONDER a), ii), EN
ONDER b), VAN DE RICHTLIJN
1.
Voorafgaande opmerking
De in deze bijlage genoemde verplichtingen zijn van toepassing met inachmeming van het bepaalde
in de richtlijn en wanneer het overeenkomstige gevaar voor het betrokken arbeidsmiddel bestaat.
De onderstaande minimumvoorschiften, voor zover van toepassing op arbeidsmiddelen die in
gebruik zijn, vergen niet noodzakelijkerwijs dezelfde maatregelen als de essentïele eise n die van
toepassing zijn op nieuwe arbeidsmiddelen.
2.
Algemene minimumvoorschriften voor de arbeidsmiddelen
2.1. De bedieningssystemen van een arbeidsmiddel die van invloed zijn op de veiligheid, moeten
duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn en waar nodig op passende wijze zijn gemerkt.
De bedieningssystemen dienen zich buiten de gevaarlijke zones te bevinden, behalve zo nodig in
bepaalde gevallen, en zodanig te zijn geplaatst dat de bediening geen extra gevaren met zich
brengt. Zij mogen bij onopzettelijke handelingen geen gevaar opleveren.
Zo nodig moet de bediener vanaf de hoofdbedieningspost kunnen vaststellen of zich personen in
de gevaarlijke zones bevinden. Indien dit onmogelijk is, moet elke inschakeling automatisch
worden voorafgegaan door een veilig systeem zoals een waarschuwend geluid- en/of lichtsignaal.
De blootgestelde werknemer moet de tijd en/of de middelen hebben om het gevaar, dat ontstaat
door het starten en/of stoppen van het arbeidsmiddel snel te ontlopen.
De bedieningssystemen moeten veilig zijn.
Een storing of beschadiging van de
bedieningssystemen mag niet tot een gevaarlijke situatie leiden.
De bedieningssystemen moeten veilig zijn en bij de keuze moet rekening worden gehouden met
defecten, storingen en belastingen die bij het gebruik kunnen worden verwacht.
2.2. Het in werking stellen van een arbeidsmiddel mag alleen kunnen geschieden door een opzettelijk
verrichte handeling met een hiervoor bestemd bedieningssysteem.
Dit geldt ook:
-
voor het opnieuw in werking stellen na stilstand, ongeacht de oorzaak daarvan;
-
voor het bewerkstelligen van een belangrijke wijziging in de werking (bij voorbeeld snelheid,
druk, enz.),
behalve indien dit opnieuw in werking stellen of deze wijziging geen risico voor de blootgestelde
werknemers inhoudt.
Het opnieuw in werking stellen of wijzigen van de werking in het kader van het normale
programma van een automatische cyclus valt niet onder dit voorschrift.
2.3. Elk arbeidsmiddel moet zijn voorzien van een bedieningssysteem waarmee het op veilige wijze
volledig kan worden stopgezet.
Elke werkplek moet zijn voorzien van een bedieningssysteem waarmee, naar gelang van het risico,
hetzij het gehele arbeidsmiddel, hetzij een deel daarvan kan worden stilgelegd, zodat het
arbeidsmiddel in veilige toestand is. De stopopdracht aan het arbeidsmiddel moet voorrang
hebben op startopdrachten. Wanneer het arbeidsmiddel of de gevaarlijke onderdelen ervan tot
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
10
stilstand zijn gekomen, moet de energievoorziening van de betrokken aandrijfmechanismen
onderbroken zijn.
2.4. Indien dit nodig is met het oog op de gevaren van het arbeidsmiddel en de normale uitschakeltijd,
moet een arbeidsmiddel voorzien zijn van een noodstopinrichting.
2.5. Een arbeidsmiddel dat gevaar van vallende of wegschietende voorwerpen oplevert, moet zijn
voorzien van geschikte veiligheidsinrichtingen die op dat gevaar zijn afgestemd.
Een arbeidsmiddel dat gevaar van gas-, damp- of stofontwikkeling dan wel het vrijkomen van
vloeistoffen oplevert, moet zijn voorzien van geschikte opvang- en/of afvoerinrichtingen nabij de
bron van die gevaren.
2.6. Arbeidsmiddelen en hun onderdelen moeten door bevestiging of met andere middelen
gestabiliseerd zijn, indien zulks noodzakelijk is voor de veiligheid of de gezondheid van de
werknemers.
2.7. Indien het risico bestaat dat delen van het arbeidsmiddel uiteenspringen of breken, waardoor reële
gevaren voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemers zouden kunnen ontstaan, moeten
passende beveiligingsmaatregelen worden genomen.
2.8. Wanneer bij bewegende delen van een arbeidsmiddel het risico bestaat van mechanisch contact
waardoor zich ongelukken zouden kunnen voordoen, moeten zij zijn uitgerust met schermen of
inrichtingen waarmee de toegang tot de gevaarlijke zones wordt verhinderd of de bewegingen van
gevaarlijke delen worden stilgezet voordat de gevaarlijke zones worden bereikt.
De schermen en beveiligingsinrichtingen:
-
moeten stevig zijn uitgevoerd,
-
mogen geen bijkomende gevaren met zich brengen,
-
mogen niet op een eenvoudige wijze omzeild of buiten werking kunnen worden gesteld,
-
moeten voldoende ver van de gevaarlijke zone verwijderd zijn,
-
moeten het zicht op het verloop van het werk zo min mogelijk belemmeren,
-
moeten de noodzakelijke handelingen voor het aanbrengen en/of de vervanging van de delen
alsmede voor de verzorgingswerkzaamheden mogelijk maken, waarbij de toegang wordt
beperkt tot de sector waar het werk moet worden verricht en, zo mogelijk, demontage van
het scherm of de beveiligingsinrichting niet nodig is.
2.9. De werk- en onderhoudspunten van een arbeidsmiddel moeten voor de te verrichten
werkzaamheden voldoende zijn verlicht.
2.10. Delen van een arbeidsmiddel met een hoge of zeer lage temperatuur moeten zo nodig tegen
gevaar van aanraking of nabijheid van werknemers zijn beveiligd.
2.11. De alarmsignalen van het arbeidsmiddel moeten gemakkelijk en zonder onduidelijkheid
waarneembaar en te begrijpen zijn.
2.12. Een arbeidsmiddel mag niet worden gebruikt voor bewerkingen en onder omstandigheden waarvoor het niet geschikt is.
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
11
2.13. Onderhoudswerkzaamheden moeten kunnen plaatsvinden wanneer het arbeidsmiddel
uitgeschakeld is. Indien dat niet mogelijk is, moeten er passende beveiligingsmaatregelen voor het
verrichten van deze werkzaamheden kunnen worden genomen of moeten de werkzaamheden
buiten de gevaarlijke zones kunnen plaatsvinden.
Bij arbeidsmiddelen horende onderhoudsboekjes dienen consequent te worden bijgehouden.
2.14. Elk arbeidsmiddel moet zijn voorzien van duidelijk identificeerbare inrichtingen waarmee het van
elk van zijn krachtbronnen kan worden losgekoppeld.
De herverbinding mag geen gevaar voor de betrokken werknemers opleveren.
2.15. Arbeidsmiddelen moeten zijn voorzien van de waarschuwingen en signaleringen die noodzakelijk
zijn voor de veiligheid van de werknemers.
2.16. Voor het verrichten van produktie-, afstel- en onderhoudswerkzaamheden met of aan de
arbeidsmiddelen moeten de werknemers onder voortdurend veilige omstandigheden alle nodige
punten kunnen bereiken.
2.17. Elk arbeidsmiddel moet de werknemers op passende wijze beschermen tegen de gevaren van
brand of verhitting van de arbeidsmiddelen, gas-, stof- of dampontwikkeling dan wel het
vrijkomen van vloeistoffen of andere stoffen die in het arbeidsmiddel worden gebruikt of
opgeslagen.
2.18. Elk arbeidsmiddel moet op passende wijze voorkomen dat er risico van ontploffing van het
arbeidsmiddel of van in het arbeidsmiddel vrijkomende, gebruikte of opgeslagen stoffen bestaat.
2.19. Elk arbeidsmiddel moet de blootgestelde werknemers op passende wijze beschermen tegen het
gevaar van rechtstreeks of indirect contact met elektriciteit.
3.
Extra minimumvoorschriften voor specifieke arbeidsmiddelen
Overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de richtlijn.
3.1.
Minimumvoorschriften voor mobiele arbeidsmiddelen, al dan niet met eigen aandrijving
3.1.1. Arbeidsmiddelen waarop één of meer werknemers worden meegevoerd, moeten zodanig
uitgevoerd zijn dat het risico voor de werknemers(s) tijdens de verplaatsing beperkt wordt.
Onder dit risico valt ook het risico dat de werknemers in aanraking komen met banden of
rupsbanden, of daartussen beklemd raken.
3.1.2. Wanneer er bij het onverhoeds blokkeren van de elementen voor de energieoverbrenging tussen
een mobiel arbeidsmiddel en zijn hulpstukken en/of aanhangers specifieke risico's kunnen
ontstaan, moet dit arbeidsmiddel zodanig uitgerust of uitgevoerd zijn dat wordt verhinderd dat
de elementen voor energieoverbrenging blokkeren.
Wanneer een dergelijke blokkering niet kan worden verhinderd, moeten alle mogelijke
maatregelen worden genomen om te vermijdcn dat schadelijke gevolgen voor de werknemers
ontstaan.
3.1.3. Wanneer de elementen voor de energieoverbrenging tussen mobiele arbeidsmiddelen vervuild
of beschadigd dreigen te worden doordat zij over de grond slepen, moeten
bevestigingsmiddelen voorhanden zijn.
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
12
3.1.4. Mobiele arbeidsmiddelen met één of meer meerijdende werknemers moeten zodanig zijn
uitgevoerd dat onder de werkelijke gebruiksomstandigheden de risico's als gevolg van het
kantelen of omvallen van het arbeidsmiddel worden beperkt door:
- hetzij een beschermingsconstrutie die verhindert dat het arbeidsmiddel meer dan een
kwartslag kantelt;
- hetzij een constructie die ervoor zorgt dat er rond de meegevoerde werknemers(s) voldoende
vrije ruimte voorhanden is, wanneer het arbeidsmiddel zich meer dan een kwartslag kan
bewegen;
- hetzij door een andere voorziening van gelijke waarde.
Deze beschermingsconstructies kunnen een integrerend onderdeel van het arbeidsmiddel zijn.
Deze beschermingsconstructies zijn niet vereist wanneer het arbeidsmiddel tijdens het gebruik
wordt gestabiliseerd of wanneer het arbeidsmiddel zodanig is ontworpen dat het niet kan
kantelen of omvallen.
Als het risico bestaat dat een meerijdende werknemer bij kanteling of omslaan wordt
platgedrukt tussen de delen van het arbeidsmiddel en de grond, moet een systeem worden
geïnstalleerd waarmee de meegevoerde werknemer(s) kan (kunnen) worden tegengehouden.
3.1.5. Heftrucks met één of meer meerijdende werknemers moeten zodanig worden uitgevoerd of
uitgerust dat het gevaar voor kanteling wordt beperkt, bij voorbeeld.
- hetzij door de installatie van een bestuurderscabine,
- hetzij door een inrichting die verhindert dat de heftruck kantelt,
- hetzij door een inrichting die ervoor zorgt dat, wanneer de heftruck kantelt, er voor de
meerijdende werknemer(s) voldoende vrije ruimte is tussen de grond en bepaalde delen van
de heftruck,
- hetzij door een inrichting die ervoor zorgt dat de werknemer(s) op de. bestuurdersstoel
wordt (worden) vastgebonden, zodat hij (zij) niet door delen van de kantelende heftruck kan
(kunnen) worden gegrepen.
3.1.6. Mobiele arbeidsmiddelen met eigen aandrijving waarvan de verplaatsing risico's voor de
werknemers kan opleveren, moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) uitgerust zijn met middelen om te vermijden dat zij door onbevoegden in werking kunnen
worden gesteld;
b) uitgerust zijn met passende middelen ter beperking van de gevolgen van een eventuele
botsing, ingeval verschillende, op rails rijdende arbeidsmiddelen tegelijkertijd worden
verplaatst;
c) uitgerust zijn met een rem- en stopvoorziening; voor zover die om veiligheidsredenen nodig
is, moet een door gemakkelijk toegankelijke besturingsorganen of via automatische systemen
in werking gestelde noodvoorziening worden aangebracht, waarmee bij het uitvallen van het
hoofdsysteem het arbeidsmiddel kan worden afgeremd en tot stilstand kan worden gebracht;
d) uitgerust zijn met adequate hulpmiddelen die een toereikend zicht mogelijk maken wanneer
het directe gezichtsveld van de bestuurder ontoereikend is om de veiligheid te waarborgen;
e) Als zij 's nachts of op donkere plaatsen gebruikt moeten worden moeten zij zijn voorzien van
een verlichtingsinstallatie die aangepast is aan het uit te voeren werk, en de werknemers
voldoende veiligheid bieden;
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
13
fl indien zij zelf of door hun aanhangers en/of ladingen brandrisico's opleveren waardoor
werknemers in gevaar kunnen worden gebracht, moeten zij van passende
brandbestrijdingsmiddelen zijn voorzien, tenzij de plaats van gebruik hiermee op voldoende
korte afstand van het arbeidsmiddel is uitgerust;
g) wanneer zij op afstand worden bediend, moeten zij automatisch tot stilstand komen, wanneer
zij het controlegebied verlaten;
h) wanneer zij op afstand worden bediend en onder normale gebruiksomstandigheden
werknemers kunnen aan- of klemrijden, moeten zij zijn uitgerust met voorzieningen die
bescherming tegen deze risico's bieden, tenzij er andere geschikte inrichtingen aanwezig zijn
om het gevaar voor aanrijdingen te beperken.
3.2. Minimumvoorschriften voor arbeidsmiddellen die dienen voor het hijsen/heffen van lasten.
3.2.1. Wanneer arbeidsmiddelen voor het hijsen/heffen van lasten vast worden opgesteld, moet er
worden gezorgd voor hun stevigheid en stabiliteit tijdens het gebruik, met name rekening
houdend met de te hijsen/heffen lasten en de belastingen waaraan de ophangings- of
bevestigingspunten aan de draagconstructies worden onderworpen.
3.2.2 Op machines voor het hijsen/heffen van lasten moet de.nominale last op een duidelijk zichtbare
wijze worden aangegeven en, in voorkomend geval, moet op een plaat de nominale last voor
elke configuratie van de machine worden vermeld.
Hijs- en hefhulpstukken moeten zodanig worden gemarkeerd dat de voor een veilig gebruik
essentiële kenmerken daarvan kunnen worden geïdentificeerd.
Wanneer een arbeidsmiddel niet bestemd is voor het hijsen/heffen van werknemers en er een
mogelijkheid tot verwarring bestaat, moet er een passende signalering op zichtbare wijze
worden aangebracht.
3.2.3. Vast opgestelde arbeidsmddelen moeten zodanig worden opgesteld dat het risico beperkt wordt
dat de lasten.
a) de werknemers raken;
b) ongewild, op gevaarlijke wijze uit hun baan of in vrije val geraken, of
c) ongewild loskomen.
3.2.4. Machines voor het hijsen/heffen of verplaatsen van werknemers, moeten zodanig worden
uitgerust dat:
a) met behulp van passende voorzieningen wordt voorkomen dat de kooi, indien aanwezig,
naar beneden valt,
b) wordt voorkomen dat de gebruiker uit de kooi valt,'
c) wordt voorkomen dat de gebruiker wordt verpletterd, beklemd raakt of wordt aangestoten
met name als gevolg van een onopzettelijk contact met een voorwerp,
d) de veiligheid van de bij een ongeval in de kooi opgesloten werknemers wordt gegarandeerd
en hun bevrijding mogelijk wordt gemaakt.
Wanneer de onder a) vermelde risico's om redenen in verband met de terreinomstandigheden en het
hoogteverschil niet met behulp van een veiligheidsvoorziening kunnen worden vermeden, moet een
kabel met een verhoogde veiligheidscoëfficiënt worden geïnst alleerd en moet de goede staat daarvan
elke werkdag worden gecontroleerd.
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
14
BIJLAGE II
BEPALINGEN BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN DE IN ARTIKEL 4, LID 3, BEDOELDE
ARBEIDSMIDDELEN
0.
Voorafgaande opmerking
De bepalingen van deze bijlage zijn van toepassing met inachtneming van het bepaalde in de
richtlijn en wanneer het overeenkomstige risico voor het betrokken arbeidsmiddel bestaat.
1.
Algemene bepalingen van toepassing op de arbeidsmiddelen
1.1.
Arbeidsmiddelen moeten zodanig geïnstalleerd, opgesteld en gebruikt worden dat de gevaren
voor de gebruikers van het arbeidsmiddel en de andere werknemers beperkt worden, bij
voorbeeld door ervoor te zorgen dat er voldoende vrije ruimte is tussen de bewegende delen
van de arbeidsmiddelen en de vaste of de bewegende delen van hun omgeving en dat alle
gebruikte of geproduceerde energieën of stoffen op veilige wijze kunnen worden aan- en/of
afgevoerd.
1.2.
De montage en de demontage van arbeidsmiddelen moeten op veilige wijze plaatsvinden, met
name onder naleving van de eventuele aanwijzingen van de fabrikant.
1.3.
Arbeidsmiddelen die bij gebruik door bliksem kunnen worden getroffen, moeten door passende
inrichtingen of maatregelen tegen blikseminslag worden beschermd.
2.
Bepalingen betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen, al dan niet met eigen
aandrijving
2.1.
Arbeidsmiddelen met eigen aandrijving mogen alleen worden bestuurd door werknemers die
een adequate opleiding voor het veilig besturen van deze arbeidsmiddelen hebben gekregen.
2.2.
Wanneer een arbeidsmiddel zich binnen een werkzone beweegt moeten adequate verkeersregels
worden vastgesteld en nageleefd.
2.3.
Er moeten organisatorische maatregelen worden genomen om te vermijden dat zich
werknemers te voet bevinden in de werkzone van arbeidsmiddelen met eigen aandrijving.
Indien de aanwezigheid van werknemers te voet voor de goede uitvoering van de
werkzaamheden vereist is, moeten passende maatregelen worden genomen om te voorkomen
dat deze door de arbeidsmiddelen worden verwond.
2.4.
Het meerijden van werknemers op mechanisch voortbewogen mobiele arbeidsmiddelen is
slechts toegestaan op speciaal daartoe ingerichte veilige plaatsen. Als tijdens de verplaatsing
werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, moet de snelheid zo nodig worden aangepast.
2.5.
Met een verbrandingsmotor uitgeruste mobiele arbeidsmiddelen mogen in de werkzones slechts
worden gebruikt als er wordt gczorgd voor voldoende luch die geen gevaar oplevert voor de
veiligheid en gezondheid van de werknemers.
3.
Bepalingen betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen/heffen van
lasten
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
3.1.
15
Algemeen
3.1.1. Demonteerbare of mobiele arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen/heffen van lasten
moeten zodanig worden gebruikt dat de stabiliteit van het arbeidsmiddel tijdens het gebruik
onder alle voorzienbare omstandigheden, rekening houdend met de aard van de bodem wordt
gewaarborgd.
3.1.2. Het hijsen/heffen van werknemers is uitsluitend toegestaan met behulp van speciaal daarvoor
bestemde arbeidsmiddelen.
Onverminderd artikel 5 van Richtlijn 89/391/EEG, mogen bij wijze van uitzondering niet
daarvoor bestemde arbeidsmiddelen worden gebruikt voor bet hijsen/heffen van werknemers,
mits passende maatregelen zijn genomen om de veiligheid te waarborgen, overeenkomstig de
nationale wetgevingen en/of praktijken die in passend toezicht voorzien.
Wanneer werknemers aanwezig zijn op arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen/heffen van
lasten moet de bedieningspost permanent zijn bemand. De werknemers die worden gehesen/
geheven moeten over een veilig communicatiemiddel beschikken. Er moeten de nodige
voorzieningen worden getroffen om hen bij gevaar te kunnen evacueren.
3.1.3. Er moeten maatregelen worden getroffen opdat werknemers zich niet ophouden onder
hangende lasten, tenzij zulks is vereist voor het goede verloop van de werkzaamheden.
Het is niet toegestaan hangende lasten te verplaatscn boven niet beschermde werkplekken waar
zich gewoonlijk werknemers bevinden.
Indien het goede verloop van de werkzaamheden anders niet kan worden gewaarborgd, moeten
in voorkomend geval passende procedures worden vastgesteld en toegepast.
3.1.4. De hijs- en hefhulpstukken moeten worden gekozen op grond van de te hanteren lasten, de
aanvatpunten, de haakvoorziening en de weersomstandigheden, daarbij rekening houdend met
de wijze van aanslaan van de last en het gebruikte soort hijs/hefmiddel. De tot een geheel
samengevoegde hijs- en hefhulpstukken moeten duidelijk worden gemarkeerd om de gebruiker
in staat te stellen de kenmerken daarvan te kennen, wanneer zij na gebruik niet worden
losgemaakt.
3.1.5. De hijs- en hefhulpstukken moeten zodanig worden opgeslagen dat zij niet kunnen worden
beschadigd of aangetast.
3.2.
Arbeidsmiddelen die dienen voor bet hijsen/heffen van niet-geleide lasten
3.2.1. Wanneer twee of meer arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen/heffen van niet-geleide
lasten zodanig op een werkplek worden geïnstalleerd of gemonteerd dat hun werkgebieden
elkaar overlappen, moeten passende maatregelen worden genomen om botsingen tussen de
lasten en/of delen van de arbeidsmiddelen zelf te voorkomen.
3.2.2 Tijdens het gebruik van een mobiel arbeidsmiddel dat dient voor het hijsen/heffen van nietgeleide lasten moeten maatregelen worden genomen om te vermijden dat het arbeidsmiddel
kantelt, omkiept en eventueel in beweging komt of wegglijdt. Er moet op worden toegezien dat
de maatregelen naar behoren worden uitgevoerd.
3.2.3. Wanneer de bediener van een arbeidsmiddel dat dient voor het hijsen/heffen van niet-geleide
lasten rechtstreeks noch. door middel van de nodige informatie verstrekkende hulpmiddelen de
volledige baan van de last kan volgen, moet een met de bediener in verbinding staande
seingever worden aangewezen om hem te leiden en moeten organisatorische maatregelen
worden genomen om botsingen van de last te voorkomen die de werknemers in gevaar kunnen
brengen.
1LT/LVdW. ARBEIDSM.DOC
16
3.2.4. De werkzaamheden moeten zodanig worden georganiseerd dat wanneer een werknemer een last
met de hand vast- of losmaakt, deze handelingen in alle veiligheid kunnen worden verricht,
door er met name voor te zorgen dat de werknemer hierover direct of indirect de controle
behoudt.
3.2.5. Alle handelingen voor het hijsen/heffen moeten correct gepland en onder adequaat toezicht
worden uitgevoerd teneinde de veiligheid van de werknemers te garanderen.
Met name wanneer een last gelijktijdig moet worden gehesen/geheven door twee of meer
arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen/heffen van niet-geleide lasten moet een procedure
worden opgesteld en toegepast om een goede coördinatie van de handelingen van de bedieners
te waarborgen.
3.2.6. Wanneer arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen/heffen van niet-geleide lasten bij het
geheel of gedeeltelijk uitvallen van de energietoevoer de lasten niet meer kunnen houden,
moeten passende maatregelen worden genomen om te vermijden dat de werknemers aan de
daarmee gepaard gaande risico's worden blootgesteld.
De aan een hijs- of hefwerktuig hangende lasten mogen niet zonder toezicht blijven, tenzij de
toegang tot de gevarenzone wordt verhinderd en de last volkomen veilig is vastgemaakt en
wordt vastgehouden.
3.2.7. In de open lucht gebruikte arbeidsmiddelen die dienen voor het hijsen/heffen van niet-geleide
lasten moeten worden stilgelegd zodra de weersomstandigheden zodanig verslechteren dat de
bedrijfsveiligheid in gevaar wordt gebracht en de werknemers aan risico's worden blootgesteld.
Er moeten adequate beschermingsmaatregelen, met name om te verhinderen dat het
arbeidsmiddel omkantelt, worden genomen om risico's voor de werknemers te voorkomen.
1
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
De communautaire voorschriften voor machines
Commentaar op de Richtlijnen 89/392/EEG en 91/368/EEG
Editie 1993
Pierre Massimi
Jean-Pierre Van Gheluwe
2
Inhoud
Voorwoord
5
De overwegingen
7
Het juridisch gedeelte van de machinerichtlijn
13
Bijlage l - Fundamenteleveiligheids-engezondheidseisen
betreffende het ontwerp en de bouw van machines
en veiligheidscomponenten
35
1. Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen
36
2. Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen
voor bepaalde categorieën machines
59
3. Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen
om de risico's te ondervangen die te wijten zijn aan
de mobiliteit van machines
61
4. Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen ter
vermindering van de aan hijs- en hefverrichtingen
verbonden bijzondere gevaren
72
5. Fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften
voor machines bestemd om uitsluitend bij ondergrondse
werkzaamheden te worden gebruikt
82
6. Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen die de
bijzondere risico's bij het heffen of verplaatsen van
personen moeten voorkomen ............................................. 84
Bijlage I
........................................................................................... 87
Bijlage III -
EG-merkteken............................................................. ....... 89
Bijlage IV -
Soorten machines en veiligheidscomponenten waarvoor
de in artikel 8, lid 2, onder b en c, bedoelde procedure
moet worden toegepast
91
Bijlage V - EG-verklaring van overeenstemming
93
Bijlage VI - EG-typeonderzoek
95
Bijlage VIl - Door de Lid-Staten in acht te nemen minimumcriteria
voor de kennisgeving van keuringsinstanties.
97
3
Voorwoord
Deze studie bevat de van uitgebreid commentaar voorziene tekst van Richtlijn 89/392/EEG
(en de op overzichtelijke wijze gerangschikte wijzigingen daarvan).
De opmerkingen zijn afkomstig van ambtenaren en ingenieurs die aan alle
werkzaamheden hebben deelgenomen (voorbereiding, werkzaamheden bij de Raad,
werkzaamheden van de parlementaire commissies en het Economisch en Sociaal Comité)
en zijn bedoeld voor de gebruikers van de richtlijn. Het commentaar is opgesteld aan de
hand van eventuele vragen die fabrikanten, hun gemachtigden of gebruikers van
machines zouden kunnen stellen.
Ook andere bij de richtlijn betrokken partijen kunnen behoefte hebben aan commentaar
(instanties waarvan kennisgeving is gedaan, arbeidsinspectie, verzekeringsmaatschappijen enz.), maar dit document is niet voor hen bedoeld. De diensten van de
Commissie hebben een gids opgesteld bij de tenuitvoerlegging van de "in het kader van
de nieuwe en globale aanpak" opgestelde communautaire technische voorschriften die
vooral van belang is voor de met het toezicht op de handel belaste overheidsinstanties en
de instanties waarvan kennisgeving is gedaan.
Hoewel de richtlijn niet rechtstreeks maar pas na omzetting in het nationaal recht van elke
Lid-Staat toepasbaar wordt, moeten deze omzettingen geheel en al in de geest blijven
van de communautaire wettekst. Met het nu volgende commentaar zal worden getracht te
verduidelijken wat deze geest behelst.
In de nu volgende tekst zijn de passages uit de richtlijn in vet gedrukte letters en het
commentaar in cursief lettertype.
Een deel van de tekst is in cursief vet gedrukt en betreft de toekomstige tweede wijziging
van de richtlijn, nu in tweede lezing bij het Europees Parlement.
4
De overwegingen
De overwegingen hebben geen eigen rechtskracht en behoeven daarom niet in nationaal recht te worden
omgezet. Toch kan de rechter ze bij de behandeling van geschillen in aanmerking nemen en zo rekening
houden met de bedoelingen die de Raad bij de fonnulering van bepaalde artikelen heeft gehad. Het is
dus wenselijk om ze te lezen en ze bij het lezen van de richtlijn zelf in gedachten te houden; zij kunnen
een antwoord geven inzake bepaalde ogenschijnlijke dubbelzinnigheden en de betekenis verduidelijken
van bepaalde woorden die in de richtlijn een restrictieve of een ongewone betekenis hebben.
Er hoeft geen speciale betekenis te worden toegekend aan de volgorde waarin ze gezet zijn; deze houdt
vooral verband met de volgorde van de artikelen in de richtlijn.
Overwegende dat het de taak van de Lid-Staten is om op hun grondgebied zorg te
dragen voor de veiligheid en gezondheid van personen-en, in voorkomend geval,
huisdieren en goederen-en in het bijzonder die van de werknemers, met name
waar het gaat om de risico's die voortvloeien uit het gebruik van machines.
Waarborging van de veiligheid van personen is een plicht en een fundamenteel recht van de Lid-Staat.
Dit wordt bevestigd in artikel 36 van het Verdrag, dat een afwijking van het beginsel van vrij verkeer
toestaat.
De bedoeling van de richtlijn is de door de richtlijn bestreken risico's "uit dit artikel 36 te halen" en zo het
Verdrag op het gebied van machines volledig van kracht te laten worden. De Lid-Staten mogen zich bij
een verbod op een machine die op een van de door richtlijn bestreken gebieden valt, niet op artikel 36
beroepen; ze kunnen alleen aanvoeren dat een voorschrift niet volledig of ontoereikend is.
Overwegende dat de wettelijke regelingen in de Lid-Staten op het gebied van
ongevalspreventie zeer sterk verschillen; dat de dwingende bepalingen op dit
gebied, die vaak worden aangevuld met technische specificaties die in feite
verplichtingen inhouden en/of met normen met een vrijwillig karakter, niet
noodzakelijkerwijs tot verschillende veiligheids- en gezondheidsniveaus leiden,
maar vanwege hun ongelijkheid handelsbelemmeringen binnen de Gemeenschap
vormen; dat bovendien de nationale regelingen op het gebied van
overeenstemmingsverklaring en certificatie voor machines aanzienlijk
verschillen.
In deze overweging wordt geconstateerd dat de veiligheidsniveaus in de Lid-Staten gelijk kunnen zijn
maar dat de middelen om die te bereiken zeer uiteenlopend zijn. Hieruit volgt dat men bij harmonisatie
van deze middelen vrij verkeer van machines mogelijk maakt zonder het veiligheidsniveau te veranderen.
Overwegende dat handhaving of verbetering van het in de Lid-Staten bereikte
veiligheidsniveau één van de hoofddoeleinden vormt van deze richtlijn en van de
veiligheid als omschreven in de fundamentele voorschriften.
Overwegende dat de bestaande nationale bepalingen op het gebied van
veiligheid en gezondheid, die moeten zorgen voor bescherming tegen de aan
machines verbonden risico's onderling moeten worden aangepast om het vrije
verkeer van machines te waarborgen, zonder dat dit tot verlaging leidt van de in
de Lid-Staten bestaande en gerechtvaardigde beschermingsniveaus;
5
dat er naast de in deze richtlijn opgenomen bepalingen inzake het ontwerp en de
bouw van machines, die voor het streven naar een veiliger werkomgeving van
fundamenteel belang zijn, bijzondere bepalingen zullen worden vastgesteld ter
voorkoming van bepaalde gevaren waaraan de werknemers tijdens hun werk
kunnen worden blootgesteld, alsook bepalingen die zijn gebaseerd op de
organisatie van de veiligheid van de werknemers op de arbeidsplaats.
In deze overwegingen wordt eraan herinnerd dat wanneer een Lid-Staat reeds een bepaald
veiligheidsniveau heeft bereikt, dit niet kan worden verlaagd. De harmonisatie van de
veiligheidsregelgeving door de richtlijn is dus gericht op een globale verbetering van de veiligheid.
Deze overwegingen ontnemen bij voorbaat iedere rechtmatigheid aan koppeling van een technische
handelsbelemmering aan één van de essentiële voorschriften van de richtlijn om zo deze belemmering na
de inwerkingtreding van de richtlijn te kunnen handhaven.
De doelstelling van een hoog veiligheidsniveau is ook te vinden in artikel 100 A, lid 3, van het Verdrag.
Ten slotte wordt aan het einde van de tweede overweging aangekondigd dat er richtlijnen inzake het
gebruik van machines zullen komen die de veiligheid van de werknemers moeten waarbor en door
aanvulling van de in het ontwerpen van de machines verwerkte voorzieningen.
Overwegende dat de sector machinebouw een belangrijk deel vormt van de
sector werktuigbouw en als industrie een centrale plaats inneemt in de economie
van de Gemeenschap.
Deze overweging erkent het economisch belang van de sector; al te ingrijpende veranderingen zouden
rampzalige gevolgen kunnen hebben op sociaal-economisch vlak.
Overwegende dat het Witboek inzake de voltooiing van de interne markt, dat in
juni 1985 door de Europese Raad is goedgekeurd, in de paragrafen 65 en 68
voorziet in toepassing van de nieuwe aanpak op het gebied van de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen.
De wetgever wordt eraan herinnerd dat aan de opstelling en vervolgens de omzetting van deze richtlijn
prioriteit moet worden verleend. De nieuwe aanpak houdt in dat de richtlijnen fundamentele veiligheidsen gezondheidsvoorschriften bevatten waarvan de toepassing verplicht is en verwijzen naar
geharmoniseerde normen waarvan de toepassing facultatief is, als middelen om aan deze voorschriften
te voldoen.
Overwegende dat de sociale kosten die voortvloeien uit het grote aantal
ongevallen dat rechtstreeks het gevolg is van het gebruik van machines, kunnen
worden verlaagd door de veiligheid in het ontwerp en de bouw van de machines
zelf te integreren, alsmede door behoorlijke installatie en onderhoud.
6
Deze overweging onderstreept het belang van integratie van de veiligheid in het ontwerp van de machine.
Dit betekent dat het veilig maken van een oud model machine door "toevoegingen" of "opknappen" niet in
overeenstemming is met de veiligheidsvoorschriften van de richtlijn. Deze verlangt dat alle machines die
tegenwoordig in de handel worden gebracht minstens "herdacht" en zo nodig "opnieuw ontworpen"
worden.
Overwegende dat de werkingssfeer van de richtlijn gebaseerd moet zijn op een
algemene definitie van de term"machine", ten einde de technische evolutie van
de fabricage mogelijk te maken; dat de ontwikkeling van"complexe installaties"
alsmede de riscio's die deze opleveren van vergelijkbare aard zijn, waarmee hun
expliciete opname in de richtlijn wordt gerechtvaardigd.
Overwegende dat het thans in de bedoeling ligt specifieke richtlijnen op te stellen
met bepalingen voor het ontwerp en de bouw van bepaalde categorieën
machines; dat de zeer uitgebreide werkingssfeer van de onderhavige richtlijn niet
alleen moet worden beperkt met het oog op de specifieke richtlijn maar tevens
met het oog op de reeds bestaande richtlijnen, wanneer deze bepalingen inzake
ontwerp en bouw bevatten.
Overwegende dat bepalingen moeten worden vastgesteld voor veiligheidscomponenten die afzonderlijk op de markt worden gebracht en waarvoor de
fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde opgeeft welke
veiligheidsfunctie zij vervullen.
In deze overwegingen wordt de zeer uitgebreide werkingssfeer van de richtlijn bevestigd. In het
commentaar bij artikel 1 worden de grenzen van de werkingssfeer aangegeven.
Overwegende dat het Gemeenschapsrecht in zijn huidige stand bepaalt dat, in
afwijking van één van de grondregels van de Gemeenschap, te weten vrijheid van
verkeer van goederen, belemmeringen van het handelsverkeer binnen de
Gemeenschap als gevolg van verschillen in de nationale wetgevingen met
betrekking tot de commercialisering van produkten moeten worden aanvaard,
voor zover deze voorschriften kunnen worden aangemerkt als noodzakelijk om te
kunnen voldoen aan dwingende eisen; dat derhalve harmonisatie van
wetgevingen in dit geval beperkt moet blijven tot de voorschriften die nodig zijn
om te kunnen voldoen aan de dwingende en fundamentele eisen die op het vlak
van veiligheid en gezondheid aan machines worden gesteld; dat deze eisen
vanwege hun fundamenteel karakter in de plaats moeten komen van de nationale
voorschriften op dit gebied;
Deze overweging herinnert nogmaals aan het beginsel van artikel 36 en bevestigt dat de richtlijn het recht
van de Lid-Staten om dit artikel met het oog op de in bijlage 1 bedoelde risico's aan te voeren zal
beperken.
7
Overwegende dat voor het bewerkstelligen van de veiligheid van de machines
naleving van de fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften een
dwingende eis is; dat de toepassing van deze voorschriften oordeelkundig moet
gebeuren in die zin dat rekening moet worden gehouden met de stand van de
techniek ten tijde van de bouw, alsmede met technische en economische eisen.
Deze overweging vormt een inleiding op de tweede opmerking vooraf bij bijlage 1. Als er zeer verfijnde
apparatuur denkbaar is waarmee ieder risico kan worden opgeheven, dan geldt de verplichting om die op
te heffen alleen, als de machine "economisch verantwoord" blijft, dat wil zeggen als niet alleen de prijs,
maar ook de kosten van gebruik niet te hoog worden.
Ingeval van betwisting van de interpretatie en wanneer alle bemiddelingspogingen zijn mislukt, zal de
rechter moeten uitmaken wat economisch realistisch is.
Overwegende dat het in bedrijf nemen van de machine als bedoeld in deze
richtlijn uitsluitend kan slaan op het gebruik van de machine zelf voor het door de
fabrikant beoogde doel; dat hiermee niet wordt vooruitgelopen op de eventuele
omgevingscondities die met betrekking tot het gebruik van de machine zouden
kunnen worden voorgeschreven, mits deze condities niet tot gevolg hebben dat
de machine afwijkingen krijft ten opzichte van de bepalingen van deze richtlijn.
De verplichting van de fabrikant om veiligheid te integreren in het ontwerp en de bouw van de machine
geldt alleen voor de door hemzelf geplande en voorspelbare manieren van gebruik, maar niet voor
oneigenlijk gebruik. De Lid-Staten hebben evenwel het recht om gebruiksvoorwaarden op te leggen mits
deze voorwaarden geen modificaties van de machine zelf noodzakelijk maken; ze kunnen bij voorbeeld
een leeftijdsgrens, een bepaald opleidingsniveau enzovoort voorschrijven voor de bediener.
Overwegende dat het mogelijk moet zijn op jaarbeurzen, exposities enzovoort
machines ten toon te stellen die niet in overeenstemming zijn met de richtlijn; dat
het wel gewenst is dat geïinteresseerden duidelijk worden ingelicht over het feit
dat genoemde machines niet aan de normen voldoen en niet te koop zijn in de
toestand waarin zij worden tentoongesteld.
Deze overweging is gewoon een inleiding op lid 3 van artikel 2.
Overwegende dat deze richtlijn derhalve alleen algemene fundamentele eisen op
het gebied van veiligheid en gezondheid geeft, die worden aangevuld met een
reeks meer specifieke voorschriften voor bepaalde categorieën machines; dat
het, om het voor de fabrikanten gemakkelijker te maken aan te tonen dat is
voldaan aan de fundamentele voorschriften, gewenst is dat er op Europees
niveau geharmoniseerde normen op het gebied van risicopreventie bij het
ontwerp en de bouw van de machines zijn die tevens de controle op de
overeenstemming met de fundamentele voorschriften mogelijk moeten maken;
8
dat in deze richtlijn onder een geharmoniseerde norm wordt verstaan een
technische specificatie (Europese norm of harmonisatiedocument) die door de
Europese Commissie voor normaiisatie (CEN) of door het Europees Comité voor
eiektrotechnische normalisatie (Cenelec) of door beide instellingen is
aangenomen in opdracht van de Commissie, overeenkomstig de bepalingen van
Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een
informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften,
laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 88/182/EEG, en uit hoofde van bovengenoemde
algemene richtsnoeren;
In deze zeer belangrijke overweging wordt de "geharmoniseerde" norm gedefinieerd, die de twee
volgende kenmerken moet bezitten :
- zij moet een Europese norm zijn;
- zij moet zijn opgesteld in opdracht van de Commissie van de Europese Gemeen-schappen.
Daar komt nog bij dat om volledig van kracht te kunnen worden de referenties van de geharmoniseerde
normen in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend gemaakt moeten worden (zie
artikel 5, lid 1), en dat zij ook krachtens artikel 12 van de richtlijn geïnventariseerd zullen worden.
Overwegende dat er een beter wettelijk kader moet komen om werkgevers en
werknemers op doeltreffende en geschikte wijze bij het normalisatieproces te
kunnen betrekken; dat zulks ten laatste bij het van toepassing worden van deze
richtlijn zijn beslag moet hebben gekregen.
Deze op verzoek van het Europese Parlement toegevoegde overweging heeft geen directe invloed op de
inhoud van de richtlijn, maar heeft ertoe geleid dat de Commissie bepaalde stappen heeft ondernomen
om het normalisatieproces voor de vakbonden toegankelijker te maken.
Overwegende dat het gewenst is - zoals momenteel in de Lid-Staten algemeen
gebruikelijk is - de fabrikanten voor eigen verantwoordelijkheid verklaringen te
laten opstellen inzake de overeenstemming van hun machines met de
fundamentele eisen; dat de overeenstemming met geharmoniseerde normen een
vermoeden van overeenstemming met de desbetreffende fundamentele eisen
vormt; dat het de fabrikant volkomen vrij staat om, indien hij dit nodig acht, door
derden keuringen en certificaties te laten verrichten;
Overwegende dat er een meer dwingende certificatieprocedure gewenst is voor
bepaalde soorten machines met een verhoogd risico; dat de gekozen procedure
van het EG-typeonderzoek kan worden gevolgd door een EG-verklaring van de
fabrikant, zonder dat er een dwingender systeem zoals kwaliteitsborging, EGkeuring of EG-controle wordt geëist;
Deze overwegingen vormen de rechtvaardiging van de volgens de richtlijn vereiste eertificatieprocedures;
in de meeste gevallen is dat de verklaring van overeenstemming door de fabrikant zelf, zonder
tussenkomst van derden, en, bij enkele gevaarlijke machines, waarvan een complete lijst in bijlage IV
wordt gegeven, is het een verklaring van overeenstemming na een EG-typeonderzoek door derden.
9
Overwegende dat het absoluut noodzakelijk is dat de fabrikant of diens in de
Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde, alvorens de EG-verklaring van
overeenstemming op te stellen, een technisch constructiedossier samenstelt; dat
de volledige documentatie echter niet permanent in materiële vorm voorhanden
hoeft te zijn, maar op verzoek ter beschikking moet kunnen worden gesteld; dat
genoemde documentatie geen gedetailleerde tekeningen van de voor fabricage
van de machines gebruikte onderdelen behoeft te bevatten, behalve indien kennis
daarvan voor de controle van de overeenstemming met de fundamentele
veiligheidsvoorschriften onontbeerlijk is.
De vrijheid om zelf een verklaring van overeenstemming af te geven schept voor de fabrikant wel de
verplichting om een technisch dossier samen te stellen. Dit betekent in feite dat de fabrikant verplicht is
zelf het onderzoek aan zijn machine uit te voeren. In het commentaar bij artikel 8 van de richtlijn en
bijlage V zal nader worden ingegaan op de inhoud van dat dossier.
Overwegende dat niet alleen het vrije verkeer en het in bedrijf stellen van
machines die voorzien zijn van het EG-merkteken en de EG-verklaring van
overeenstemming dient te worden verzekerd, maar eveneens het vrij verkeer van
machines die niet voorzien zijn van het EG-merkteken, wanneer het de bedoeling
is dat zij in een andere machine worden ingebouwd dan wel met andere machines
worden samengebouwd tot een complexe installatie:
Deze overweging vormt de motivering van artikel 4, lid 2, van de richtlijn en bevestigt dat "de complexe
installaties" binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen.
Dit artikel ontslaat de fabrikant van een machine voor een deel van zijn verplichtingen, indien zijn machine
moet worden ingebouwd in een "complex geheel" dat niet onder zijn supervisie is gebouwd en staat het
vrij verkeer toe van machines die niet voorzien zijn van alle beveiligingsinrichtingen, mits deze machines
in de toestand waarin ze worden geleverd niet kunnen werken.
Overwegende dat de verantwoordelijkheid van de Lid-Staten voor de veiligheid,
de gezondheid en andere onder de fundamentele eisen vallende aspecten op hun
grondgebied erkend moet worden in een vrijwaringsclausule die voorziet in
adequate communautaire beschermingsprocedures;
Overwegende dat degenen tot wie een in het kader van deze richtlijn genomen
besluit gericht is de beweegredenen van dit besluit en de rechtsmiddelen die
voor hen openstaan moeten kennen.
Eerstgenoemde overweging introduceert de vrijwaringsclausule van artikel 7, op grond waarvan een LidStaat het in de handel brengen of het gebruik van een bepaalde machine kan beperken of verbieden. De
tweede overweging vormt evenwel een goede inperking van eventuele willekeur van de Lid-Staten.
Overwegende dat de maatregelen dienen te worden vastgesteld die ertoe
bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand te brengen in de loop van een
periode die eindigt op 31 december 1992; dat de interne markt een ruimte zonder
binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten
en kapitaal is gewaarborgd;
10
De machinerichtlijn past goed in het kader van het Verdrag; het tweede deel van de overweging is
woordelijk overgenomen uit artikel 8 A van het Verdrag.
Overwegende dat er dient worden te voorzien in een overgangsregeling die het
mogelijk maakt machines in de handel te brengen en in gebruik te nemen die zijn
gefabriceerd overeenkomstig de op 31 december 1992 geldende nationale
voorschriften.
Het is een illusie om te denken dat in de nacht van 31 december op 1 januari de oude nationale
voorschriften klokslag middernacht vervangen zullen worden door de in nationale rechtsregels omgezette
richtlijn. Deze overweging introduceert artikel 13, dat voorziet in een geleidelijke overgang van tweejaar,
ten einde :
de voorraden weg te werken;
de instanties waarvan kennisgeving is gedaan, in staat te stellen zich op hun certificatietaken voor te
bereiden;
de fabrikanten in staat te stellen tot geleidelijke aanpassing van hun produktie aan de eisen van de
richtlijn.
11
Het juridisch gedeelte van de machinerichtlijn
Artikel 1
§ 1. Deze richtlijn is van toepassing op machines en stelt de daarop
betrekking hebbende fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften
vast, als omschreven in bijlage 1.
Zij is eveneens van toepassing op veiligheidscomponenten wanneer die
afzonderlijk in de handel worden gebracht.
Artikel 1 heeft betrekking op het toepassingsgebied van de richtlijn.
In lid 1 wordt gezegd dat de richtlijn de fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften
vaststelt. Men zou daaraan kunnen toevoegen "voor de gebruiker van de machine en de personen die
zich in de nabijheid bevinden". Het milieu (lees de gezondheid van de in de omgeving wonende
personen) valt niet onder de richtlijn, evenmin als de prestaties of de betrouwbaarheid van de machine.
Voor alles wat niet door deze richtlijn of andere communautaire wetgeving is geregeld kunnen
nationale maatregelen worden getroffen (binnen de grenzen van artikel 36 van het Verdrag) of
maatregelen in de bedrijfssfeer (kwaliteitsmerk ... ), zonder dat dit in strijd is met de richtlijn. Deze
aspecten kunnen wel in andere communautaire richtlijnen worden behandeld.
Wanneer een fabrikant een veiligheidscomponent in een machine inbouwt, neemt hij door zijn keuze
van die component verantwoordelijkheid op zich. De zaak ligt anders wanneer zo'n veiligheidscomponent
door een gebruiker van de machine gekocht wordt om de veiligheid van zijn machine te verhogen, want
de gebruiker is niet verplicht om over bijzondere bekwaamheden op dit gebied te beschikken. Daarom is
het toepassingsgebied van de richtlijn uitgebreid tot afzonderlijk verkochte veiligheidscomponenten.
§ 2. In deze richtlijn wordt onder"machine" verstaan een samenstel van
onderling verbonden onderdelen of organen waarvan er ten minste één kan
bewegen, alsmede, in voorkomend geval, van aandrijfmechanismen, bedieningsen vermogensschakelingen enzovoort, die in hun samenhang bestemd zijn voor
een bepaalde toepassing, met name voor de verwerking, de bewerking, de
verplaatsing en de verpakking van een materiaal.
Eveneens wordt als"machine" beschouwd een samenstel van machines die,
ten einde tot een zelfde resultaat bij te dragen, zodanig zijn opgesteld en worden
bediend dat zij in samenhang functioneren.
Eveneens wordt als"machine" beschouwd een verwisselbaar uitrustingsstuk
waardoor de functie van de machine wordt gewijzigd en dat op de markt is
gebracht om door de bediener zelf aan een machine of een aantal verschillende
machines dan wel aan een trekker te worden gekoppeld, voor zover dit
uitrustingsstuk geen vervangingsonderdeel of werktuig is.
12
In deze richtlijn wordt onder veitigheidscomponent verstaan een component,
voor zover die geen verwisselbaar uitrustingsstuk is, die door de fabrikant of zijn
in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde op de markt wordt gebracht om
bij gebruik een veiligheidsfunctie te vervullen en die bij een gebrekkige of
slechte werking een gevaar vormt voor de veiligheid of de gezondheid van de
blootgestelde personen.
In lid 2 wordt gedefinieerd wat in de richtlijn onder een machine verstaan wordt. De definitie heeft
een "universeel" karakter. Enkele zinssneden willen we er echter uitlachten om daarop nader in te gaan:
- een samenstel van onderdelen. Hiermee worden a priori alle elementaire onderdelen
uitgesloten. Uit de laatste alinea blijkt echter dat enkele elementaire onderdelen zoals bij voorbeeld losse
hijs- of hefhulpstukken (haken, ogen, oogbouten) binnen het toepassingsgebied vallen, omdat zij
beschouwd worden als veiligheidscomponenten. Door deze precisering wordt de uitsluiting van de
overige componenten bevestigd;
- de onderdelen moeten onderling verbonden zijn. Dit betekent nog niet dat machines die met
het oog op het vervoer in afzonderlijke onderdelen verkocht worden, uitgesloten worden, want de
fabrikant is verplicht zijn machine overeenkomstig de richtlijn te ontwerpen. Een en ander wordt, indien
nodig, bevestigd door de fundamentele voorschriften 1.1.2.a, 1.5.4, 1.7.4.a en 3.6.3.b. De derde alinea
van lid 2 vormt niet zozeer een uitzondering op het toepassingsgebied als wel een precisering die
bevestigt wat reeds gezegd is;
- één van de onderdelen moet kunnen bewegen. De bewegingen moeten worden
teweeggebracht door een externe krachtbron (elektriciteit, batterij, brandstof) of door opgeslagen energie
(veer, gewicht). In lid 3 van artikel 1 worden machines die rechtstreeks door fysieke energie van de
mens worden aangedreven, met uitzondering van de hef- en hijswerktuigen, van het toepassingsgebied
uitgesloten. Statische samenstellen (stellingen, steigers, pallets, handgereedschap, met handkracht
voortbewogen wagentjes) worden ook uitgesloten;
- bestemd voor een bepaalde toepassing. Dit betekent dat een machine die niet voltooid is en
daardoor niet zijn functie kan vervullen, buiten het toepassingsgebied van de richtlijn valt. Dit wordt
bevestigd in artikel 4, lid 2, De in deze alinea gegeven lijst van toepassingen is niet compleet en mag niet
letterlijk worden opgevat. Het woord "met name" behoudt zijn volle betekenis.
Nog steeds in lid 2 worden vervolgens drie uitbreidingen gegeven van wat in deze richtlijn
onder"machines" verstaan wordt :
- samenstellen van machines of complexe installaties. Deze bepaling heeft onder meer betrekking
op de gerobotiseerde en geautomatiseerde werkplaatsen.
De opstellers van deze tekst hebben dit begrip steeds in gedachten gehouden en de consequenties
daarvan zijn te vinden in artikel 4, lid 2 en artikel 8, lid 6. Bij het onderzoek naar laatstgenoemd artikel zal
een uitvoeriger analyse worden opgesteld;
- verwisselbare uitrustingsstukken die de functie van een machine wijzigen. Deze uitbreiding is
toegevoegd bij de wijziging van de richtlijn om er ook machines in onder te brengen die door hun
mobiliteit of heffunctie risico's opleveren. Deze machines bestaan vaak uit een basismachine (bij
voorbeeld een trekker) waaraan zeer uiteenlopende werktuigen kunnen worden gekoppeld, waardoor de
machine wordt veranderd in een ploegmachine, een oogstmachine, een grondwerkmachine, een hijs- of
hefwerktuig enzovoort. Deze uitrusting wordt vaak lange tijd na de aanschaf van de basismachine
gekocht en wel bij een andere leverancier. De uitbreiding van het begrip machine is nodig om te
voorkomen dat minder gewetensvolle leveranciers werktuigen op de markt brengen die niet in
overeenstemming zijn met de richtlijn onder het voorwendsel dat deze werktuigen geen eigen krachtbron
hebben en daarom strikt genomen niet onder de definitie van de eerste alinea van lid 2 vallen
(geen"mobiele" onderdelen, de hulpstukken/gereedschappen kunnen zonder machine niet functioneren,
... ). Zonder deze precisering in artikel 1 zou de gebruiker volgens de richtlijn op grond van artikel 8, lid 6,
verantwoordelijk worden;
13
- van de veiligheidscomponenten is geen nauwkeurige lijst opgesteld, uitgezonderd de
componenten die worden onderworpen aan een EG-typeonderzoek (bijlage IV). De fabrikant is degene
die een component tot "veiligheidscomponent" verklaart. Het is duidelijk dat bij voorbeeld een
snelheidsbeperker of een kogellager geen veiligheidscomponent is, ongeacht de plaats ervan in de
machine, omdat, wanneer zo'n component afzonderlijk in de handel wordt gebracht de fabrikant of de
dealer er in de technische documentatie geen enkele veiligheidsfunctie aan toekent. Het ligt anders bij
een kabel, een hijs- of hefhulpstuk, een tweehandige bediening of een terugslagklep voor een hydraulisch
circuit.
-
-
-
-
§ 3. Van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten :
machines die uitsluitend fysieke energie van de mens als krachtbron hebben
en daarvan rechtstreeks gebruik maken, behalve machines die worden gebruikt
voor het hijsen/heffen van lasten;
machines voor medisch gebruik die rechtstreeks in aanraking komen met de
patiënt;
vast opgestelde en verplaatsbare attractietoestellen;
stoomketels en drukvaten;
machines speciaal ontworpen en in gebruik gesteld voor nucleair gebruik, die
bij defecten het verspreiden van radioactiviteit kunnen veroorzaken;
radioactieve bronnen die in een machine zijn ingebouwd;
vuurwapens;
reservoirs voor opslag en leidingen voor het vervoer van benzine, dieselolie,
ontvlambare vloeistoffen en gevaarlijke stoffen;
transportmiddelen, dat wil zeggen voertuigen en aanhangwagens daarvan die
uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van personen door de lucht, via
openbare wegen of spoorwegnetten dan wel over water, alsmede
transportmiddelen die zijn ontworpen voor het vervoer van goederen door de
lucht, via openbare wegen of spoorwegnetten dan wel over water. Niet
uitgesloten zijn voertuigen die in de mijnbouwindustrie worden gebruikt;
zeeschepen en mobiele offshore-eenheden alsmede uitrustingen aan boord
van zulke schepen of eenheden;
kabelinstallaties, met inbegrip van kabelsporen voor openbaar of nietopenbaar personenvervoer;
liften die permanent bepaalde stopplaatsen van gebouwen en bouwwerken
bedienen, met behulp van een kooi die langs vaste, ten opzichte van het
horizontale vlak meer dan 15 graden hellende geleiders beweegt, en die
bestemd is voor vervoer van :
* personen,
* personen en goederen,
* uitsluitend goederen indien de kooi toegankelijk is, dat wil zeggen waarin
een persoon zonder moeite kan binnengaan, en uitgerust is met
bedieningsorganen die in de cabine of binnen het bereik van een zich aldaar
bevindend persoon gesitueerd zijn,
mijnliften,
bouwliften,
toneelhefwerktuigen,
transportmiddelen voor personenvervoer die gebruik maken van tandradvoertuigen,
14
- landbouw- en bosbouwtrekkers, als omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn
74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing
van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van
landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn
88/297/EEG.
- machines die speciaal zijn ontworpen en gebouwd voor militaire doeleinden of
het handhaven van de orde.
Lid 3 van artikel 1 bevat een complete lijst van uitzonderingen.
De definitie van het woord "machines" zoals die in lid 2 wordt gegeven is, zoals reeds gezegd,
"universeel". Alles wat een beweging voor een bepaald doel kan maken valt onder het
toepassingsgebied van de richtlijn met uitzondering van :
- de in lid 3 vermelde machines,
- machines waarvan alle risico's als bedoeld in deze richtlijn onder een bijzondere richtlijn vallen
(zie lid 4).
Aan deze lijst zou men nog de machines kunnen toevoegen waaraan geen enkel van de in bijlage 1
bedoelde riscio's verbonden is. Onder het toepassingsgebied van de "nieuwe aanpak"-richtlijnen moet
worden verstaan de combinatie van de in artikel 1 gegeven zeer algemene definitie en de bedoelde
risico's. Indien men zegt "geen enkel van de bedoelde risico's", dan bedoelt men daarmee de risico's die
bestonden voordat daarmee in het ontwerp rekening werd gehouden: het is duidelijk dat een machine die
geen enkel risico oplevert, omdat zij volledig in een carter is opgesloten onder deze richtlijn valt, want
zonder carter zijn er wel risico's. Daarentegen valt een mechanisch zakhorloge niet onder de richtlijn,
hoewel het een voor een bepaalde toepassing bestemd (het aangeven van de tijd) samenstel van
onderling verbonden onderdelen of organen is waarvan er ten minste een kan bewegen, want zelfs
zonder kast is er geen enkel van de in bijlage I bedoelde risico's aan de mechanismen verbonden.
Enkele punten op deze lijst verdienen nadere toelichting:
a) uitsluiting van de machines die uitsluitend de fysieke energie van de mens als krachtbron hebben
en daarvan rechtstreeks gebruik maken. De bedoeling van de opstellers van de richtlijn is uitsluiting van
handgereedschap zoals tangen, scharen, handboren, handsnijmachines, enzovoort waarvan de werking
ophoudt zodra het gebruik van de fysieke kracht ophoudt ook al wordt die werking vertraagd door
bepaalde mechanismen (raderwerk, hefboom, ... ). Machines waarbij gebruik wordt gemaakt van in veren
of in hydraulische dan wel pneumatische accumulatoren opgehoopte menselijke energie en waarvan de
gevaarlijke werking zich kan voordoen of voortduren na het stopzetten van de menselijke handeling,
vallen ook binnen het door de richtlijn bestreken gebied. Hijs- en hefwerktuigen, ook als de werking
daarvan rechtstreeks door de mens teweeg wordt gebracht, zoals kriks, handtakels en -lieren vallen
onder de richtlijn, vanwege de bijzondere risico's die eraan verbonden zijn;
b) de in een machine ingebouwde radioactieve bronnen. De uitsluiting geldt alleen voor de bron
zelf, dus de "capsule" die het radioactieve produkt bevat maar niet voor de machine waarin die bron voor
een bepaalde toepassing wordt gebruikt, behalve indien de machine in werking wordt gesteld door
rechtstreeks aangewende menselijke kracht (bij voorbeeld bepaalde industriële radiografische
apparatuur);
c) de transportmiddelen... De uitsluiting geldt alleen voor het voertuig zelf, de ingebouwde motor
enzovoort, maar niet voor de op het voertuig gemonteerde machines. Dus in het geval van een
kraanwagen of een trein met hijskraan zijn de vrachtwagen of de trein uitgesloten, maar is de kraan een
machine die onder de richtlijn valt;
15
d) zeeschepen en mobiele offshore-eenheden alsmede installaties aan boord van zulke schepen of
eenheden (zij vallen onder de IMO-conventies). Daarentegen vallen vaste boorplatformen met de zich
daarop bevindende installaties onder de richtlijn, evenals de schepen die niet als zeeschepen worden
beschouwd, bij voorbeeld schepen van minder dan 500 ton, zoals kustvaarders en binnenvaart-schepen
bestemd voor rivieren, kanalen en meren (waarbij natuurlijk rekening wordt gehouden met bovenstaand
punt c);
e) de uitsluiting van de transportmiddelen heeft vele vragen doen rijzen. Hoe staat het bij voorbeeld
met de racewagens en -motoren ? Zij vallen niet onder de richtlijn, want de uitsluiting heeft betrekking op
de transportmiddelen voor vervoer van personen op wegennetten, zonder dat wordt aangegeven of deze
openbaar zijn. Een voor een race uitgestippeld parcours, ook al behoort het niet tot het nationale
wegennet, kan voor de duur van de race als een wegennet worden beschouwd. Daarentegen zijn de op
een fabrieksterrein of een luchthaven gebruikte voertuigen niet onderworpen aan verkeersregels en
vallen zij onder deze richtlijn vanwege de risico's die ze opleveren;
f) de liften die... bedienen zijn uitgesloten, maar verticaal of in schuine richting bewegende
hefplatformen voor het transport van gehandicapten vallen onder de richtlijn, evenals de voor verplaatsing
langs trappen gebruikte toestellen;
g) toneelhefwerktuigen worden in de notulen van de Raad omschreven als "inrichtingen voor het
heffen van personen die vast of tijdelijk geïnstalleerd zijn in schouwburgzalen, waarmee personen, zowel
acteurs als schouwburgpersoneel, van het toneel naar aangrenzende ruimten (kelder, zolderruimte,
coulissen, orkestbak, decors) en omgekeerd, kunnen worden overgebracht";
h) machines die speciaal zijn ontworpen en gebouwd voor militaire doeleinden... zijn machines die
uitsluitend voor genoemde doeleinden zijn ontworpen (bij voorbeeld munitieliften). Daarentegen vallen
alle machines die niet voor een speciaal gebruiksdoel ontworpen zijn, maar die wel door militairen of
ordestrijdkrachten gebruikt worden, onder deze richtlijn.
§ 4. Indien voor een machine of een veiligheidscomponent de in deze richtlijn
bedoelde risico's geheel of gedeeltelijk onder een specifieke communautaire
richtlijn vallen, is de onderhavige richtlijn voor die machines of die
veiligheidscomponenten en die gevaren niet of niet meer van toepassing, zodra
de specifieke richtlijn in werking treedt.
Er bestaan "nieuwe aanpak"-richtlijnen die op een specifiek risico betrekking hebben (Richtlijn
89/336/EEG inzake de elektromagnetische compatibiliteit ... ). In dit geval is het normaal dat de
onderhavige richtlijn niet meer van toepassing is, wanneer het gaat om het risico waarvoor de specifieke
richtlijn geldt.
Een specifieke richtlijn kan soms een strengere certificatieprocedure voorschrijven, bij voorbeeld een
EG-typeonderzoek of een EG-produktkeuring. De onderzoeken of keuringen moeten dan beperkt blijven
tot het onder de specifieke richtlijn vallende risico en mogen zich in geen geval uitstrekken tot de overige
in bijlage 1 van de onderhavige richtlijn vermelde risico's. Het toepassingsgebied van een richtlijn is dus
beperkt tot de bedoelde risico's, zoals reeds gezegd in het commentaar bij lid 3.
§ 5. Indien voor een bepaalde machine de risico's hoofdzakelijk van
elektrische oorsprong zijn, is voor die machine uitsluitend van toepassing
Richtlijn 73/23/EEG van de Raad van 19 februari 1973 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lid-Staten inzake elektrisch
materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanning grenzen.
16
De oorspronkelijke bedoeling van de opstellers van de richtlijn was te vermijden dat het
communautaire acquis dooreen werd gegooid: er zijn categorieën machines waarvoor reeds vrij verkeer
geldt, omdat zij onder Richtlijn 73/23/EEG vallen, zonder dat dit bijzondere problemen of ongevallen met
zich meebrengt. Er was geen enkele reden om deze situatie ingrijpend te gaan wijzigen.
Er bestaan ook machines die onder de definitie van lid 2 vallen, maar waarvan de risico's
voomamelijk elektrisch zijn. Dat zijn kantoormachines, bepaalde laboratoriumapparatuur, bepaalde
gereedschaps-werktuigen (weerstandlasmachines, vonkverspaningsmachines).
Aangezien de Richtlijn 73/23/EEG reedsjarenlang naar tevredenheid werkt, is het logisch om het
toepassingsgebied daarvan onveranderd te laten.
Om de fabrikanten een juridische zekerheid te verschaffen moet worden aangegeven bij welke
machines het risico werkelijk hoofdzakelijk elektrisch is. Op verzoek van de Raad buigt de Commissie
zich met de hulp van het bij artikel 6, lid 2, van deze richtlijn opgerichte comité over dit vraagstuk en zal zij
informatie publiceren die voor de oplossing van dit probleem van belang is.
Artikel 2
§ 1. De Lid-Staten treffen alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat
de machines of die veiligheidscomponenten waarop deze richtlijn van toepassing
is uitsluitend in de handel gebracht en in bedrijf gesteld kunnen worden, indien
zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen en,
in voorkomend geval, huisdieren of goederen, wanneer zij op passende wijze
worden geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig hun bestemming
worden gebruikt.
Lid 1 wijst op een van de fundamentele plichten van de Lid-Staten, dat wil zeggen dat zij verplicht
zijn om de richtlijn goed toe te passen en terdege op de toepassing daarvan toe te zien, niet alleen omdat
het een communautaire richtlijn is, maar ook omdat het hun plicht is (zie de eerste overweging en het
commentaar daarop).
Artikel 2 verbiedt alle gevaarlijke machines zonder erbij te zeggen of de machines al dan niet met de
richtlijn in overeenstemming zijn. Dit geeft de Lid-Staten de mogelijkheid om binnen de grenzen van
artikel 36 een machine te verbieden, zelfs als deze geacht wordt met de richtlijn in overeenstemming te
zijn.
In dit lid worden de begrippen "het in de handel brengen" en "het in bedrijf stellen" geïntroduceerd.
Het in de handel brengen moet worden geïnterpreteerd als de eerste beschikbaarstelling, al dan
niet tegen betaling, van een in de Gemeenschap gefabriceerde of vanuit een derde land ingevoerde
machine voor distributie en/of gebruik daarvan op het grondgebied van de Gemeenschap. Indien de
machine in de Gemeenschap wordt vervaardigd, houdt eerste beschikbaarstelling in dat de richtlijn alleen
voor nieuwe produkten geldt. Bij geïmporteerde machines heeft de eerste beschikbaarstelling zowel op
nieuwe als op gebruikte produkten betrekking.
Een machine kan hetzij door de fabrikant hetzij door diens in de Gemeenschap gevestigde
gevolmachtigde in de handel worden gebracht. Artikel 8, lid 6, geeft nog een andere mogelijkheid waar
het gaat om procedures voor het in de handel brengen, waarop bij de analyse van dat artikel nader zal
worden ingegaan.
Het in de handel brengen heeft betrekking op iedere afzonderlijke, fysiek bestaande en voltooide
machine, ongeacht wanneer en waar hij vervaardigd is en of het om serieproduktie of stuksgewijze
fabricage gaat.
17
Wanneer een machine in een catalogus wordt aangeboden, kan pas op het ogenblik van de feitelijke
eerste beschikbaarstelling gesproken worden van in de handel brengen. In de aanbieding moet het
evenwel gaan om machines die, indien zij bestemd zijn voor gebruik op het grondgebied van de
Gemeenschap, met de richtlijn in overeenstemming zijn.
Er is sprake van inbedrijfstelling, wanneer een machine op het grondgebied van de Gemeenschap
voor de eerste maal door de eindverbruiker wordt gebruikt. De Raad voor de interne markt heeft
inbedrijfstelling gedefinieerd als "de handelingen die nodig zijn om de machine nadien veilig te doen
functioneren en te gebruiken" (Raadsnotulen van 14 juni 1989). Indien een machine nog vóór de
volledige inwerkingtreding van een richtlijn in de handel is gebracht, maar pas na die datum in bedrijf is
gesteld (de machine is bij voorbeeld door een ijzerhandelaar of een groothandelaar in voorraad
gehouden), mag de machine alleen in bedrijf worden gesteld als zij voldoet aan de bepalingen van de
richtlijn. Deze eis wordt bekrachtigd in Richtlijn 89/655/EEG, waarin minimumverplichtingen voor de
werkgevers omschreven staan.
§ 2. De bepalingen van deze richtlijn doen geen afbreuk aan de bevoegdheid
van de Lid-Staten om met eerbiediging van het Verdrag de eisen voor te schrijven
die zij noodzakelijk achten ter bescherming van personen, inzonderheid van
werknemers, bij het gebruik van de betreffende machines of veiligheidscomponenten, voor zover deze voorschriften geen wijzigingen inhouden van deze
machines of veiligheidscomponenten ten opzichte van de bepalingen van deze
richtlijn.
Lid 2 bepaalt dat de Lid-Staten het recht behouden om voorschriften op te stellen voor het gebruik
van de machines, mits deze voorschriften geen verplichting inhouden tot wijziging van de betreffende
machines. Tijdens de besprekingen bij de Raad is echter wel toegegeven dat er wijzigingen van de
machine verlangd konden worden indien deze niet "gebruikt wordt overeenkomstig zijn bestemming" [
Raadsnotulen (interne markt) van 14 juni 1989 ].
De communautaire voorschriften inzake het gebruik zijn gebaseerd op artikel 118 A van het Verdrag,
waarin van minimumvoorschriften sprake is. Iedere Lid-Staat mag dus aan de Richtlijnen 89/391/EEG en
89/655/EEG aanvullende voorschriften toevoegen, die passen bij zijn filosofie en voorgeschiedenis.
§ 3. De Lid-Staten verhinderen niet dat op jaarbeurzen, exposities, bij
demonstraties, enzovoort machines of veiligheidscomponenten worden
tentoongesteld die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze
richtlijn, mits op een zichtbaar bord is aangegeven dat de machines of de
veiligheidscomponenten er niet mee in overeenstemming zijn en niet te koop zijn
voordat ze door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde
gevolmachtigde ermee in overeenstemming zijn gebracht. Bij demonstraties
moeten alle passende veiligheidsmaatregelen worden genomen om de
bescherming van personen te waarborgen.
Lid 3 staat het"tijdelijk in de handel brengen" toe van machines die niet in overeenstemming zijn met
de richtlijn, wanneer het gaat om tentoonstelling op jaarbeurzen en exposities of om demonstraties.
De opstellers van de tekst hebben daarmee erkend dat bezoekers van die evenementen graag zien
wat het "werktuig doet" en hoe het het "doet" en met welke middelen.
In verband hiermee kan het bij voorbeeld nodig zijn dat de beveiligingen/afschermingen worden
verwijderd. Bij demonstratie van machines die niet in overeenstemming zijn met de richtlijn blijven de
18
risico's bestaan, maar de bedieners moeten in die gevallen bijzonder bekwaam zijn, en er moeten
afdoende extra maatregelen worden genomen.
Dit lid staat ook tentoonstelling toe van machines die voor markten buiten de Gemeenschap
bestemd zijn en die, hoewel ze voltooid en compleet zijn, niet het EG-merkteken dragen. Al deze
uitzonderingen zijn toegestaan, mits duidelijk op een bord vermeld staat dat deze machines zoals ze
tentoongesteld staan onmogelijk in de Gemeenschap in de handel gebracht of gebruikt kunnen worden.
Artikel 3
De machines en veiligheidscomponenten waarop deze richtlijn van
toepassing is moeten voldoen aan de in bijlage 1 opgenomen fundamentele
veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.
In dit artikel worden de enige verplichtingen genoemd waaraan de fabrikant moet voldoen : de door
hem ontworpen en gefabriceerde machines moeten voldoen aan de fundamentele eisen van bijlage 1.
De in de richtlijn gevolgde werkwijze is een risicoanalyse en geen indeling van de machines in
gebruikscategorieën.
In bijlage 1 worden de risico's opgesomd die, wanneer zij inderdaad aanwezig zijn, door de
ontwerper met passende maatregelen moeten worden opgeheven of voorkomen.
Door bepaalde mensen is getracht de machines in te delen volgens de punten van bijlage 1, en
vooraf te bepalen dat deze of gene machine slechts aan de eisen van dit of dat punt van de bijlage
behoeft te voldoen. Zo wilden sommigen weten of roltrappen en transportbanden onder de punten 1 en 3
vielen of onder de punten 1 en 6. Er is geen antwoord op deze vraag. De ontwerper moet alle
fundamentele eisen analyseren, ongeacht het hoofdstuk van de bijlage waarin die eisen staan en nagaan
of de betreffende risico's bestaan. Indien dit het geval is vermeldt hij in het in artikel 8 en bijlage V
bedoelde dossier de maatregelen die hij met het oog hierop heeft genomen.
Artikel 4
§ 1. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen en in bedrijf stellen op hun
grondgebied van machines en veiligheidscomponenten die voldoen aan de
bepalingen van deze richtlijn, niet verbieden, beperken of verhinderen.
Met deze bepaling wordt het vrij verkeer van machines ingesteld. Natuurlijk is het uitsluitend om
redenen in verband met deze richtlijn dat deze Lid-Staten een machine die aan genoemde richtlijn voldoet
niet mogen verbieden. De richtlijn bestrijkt niet alle gebieden, met name niet de milieuproblematiek.
Geluidshinder in woonwijken kan dus door de Lid-Staten op verschillende manieren worden aangepakt:
een Lid-Staat kan het gebruik van bepaalde machines tussen 22 uur en 7 uur verbieden, terwijl in een
andere Lid-Staat het gebruik van machines misschien verboden wordt als het geluidsveitnogen een
bepaalde grenswaarde overschrijdt.
19
De richtlijn staat twee soorten maatregelen toe die in feite worden genomen ten aanzien van het
gebruik. Wanneer het risico daarentegen verband houdt met een in de richtlijn behandelde fundamentele
eis, al is die behandeling nog zo beknopt, dan mogen de Lid-Staten geen maatregelen nemen tegen het
vrij verkeer van de machines.
§ 2. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen van machines die volgens
de in bijlage 1 1. punt B, bedoelde verklaring van de fabrikant of diens in de
Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde ertoe bestemd zijn te worden
ingebouwd in een machine of met andere machines te worden samengebouwd tot
één machine waarop deze richtlijn van toepassing is, niet verbieden, beperken of
belemmeren, behalve indien genoemde machines zelfstandig kunnen werken.
Verwisselbare uitrustingsstukken als bedoeld in artikel 1, lid 2, derde alinea,
worden beschouwd als een machine; ze moeten dus altijd voorzien zijn van het
EG-merkteken en vergezeld gaan van de in bijlage 11, punt A, bedoelde EGverklaring van overeenstemming.
In deze bepaling wordt de situatie van de componenten in de ruime zin van het woord gepreciseerd.
Onder dit begrip vallen machinedelen, zoals elektrische en verbrandingsmotoren die als afzonderlijke
eenheid geen "bepaalde toepassing" hebben - ofwel een bepaalde toepassing hebben maar niet
zelfstandig kunnen functioneren dan wel een toepassing zonder eigen bestaansreden hebben - en bijna
voltooide machines die echter bestemd zijn voor een complex geheel, waarbij de bestemming dan door
de fabrikant in een verklaring wordt aangegeven. Het kan dus dat de aldus geleverde machine niet in
overeenstemming is met de richtlijn en dat er dus geen EG-merkteken op behoeft te worden
aangebracht. Het komt zelfs vaak voor dat het bedieningscircuit niet in overeenstemming is, omdat het
op het geheel zal worden aangesloten of dat bepaalde afschermingen niet bestaan, omdat bij aansluiting
op het geheel het risico niet meer bestaat of door een algemene voorziening wordt weggenomen. De
constructeur van het complexe geheel heeft de volledige verantwoordelijkheid voor de overeenstemming
met de richtlijn, wanneer het geheel voltooid is.
Wanneer er "een machine die onderdeel is" van een complex geheel moet worden vervangen door
een andere machine, zijn er twee mogelijkheden :
- er wordt een versleten of defect deel vervangen door een identiek "deel". Het betreft hier een
gewone reparatie die geenszins van invloed is op de eigenschappen van de machine. Degene die de
reparatie verricht speelt geen rol in het kader van deze richtlijn ;
- de prestaties van het complex geheel moeten worden verbeterd. In dat geval moet er opnieuw een
constructeur de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de wijziging. De fabrikant van de vervangende
machine draagt geen enkele verantwoordelijkheid op grond van de richtlijn, behalve natuurlijk als hij zelf
ook de constructeur van de renovatie is.
In artikel 8, lid 6, wordt aangegeven hoe de constructeur te werk moet gaan.
In de laatste alinea wordt bepaald dat de verwisselbare uitrustingsstukken, als gedefinieerd in artikel
1, niet in aanmerking kunnen komen voor deze vrijstelling van de procedures.
Kijken we opnieuw naar het probleem van de vervangingscomponenten/-onderdelen. Bepaalde
gebruikers maken soms gebruik van de diensten van kleine onderhoudsbedrijven, die niet altijd geregelde
betrekkingen met de fabrikant onderhouden en die de versleten onderdelen vervangen door soortgelijke
onderdelen, welke echter niet identiek zijn met de door de fabrikant in zijn gebruiksaanwijzing aanbevolen
onderdelen.
20
Wanneer zich als gevolg van een gebrekkige vervangende component een incident voordoet,
worden de aansprakelijkheden bepaald op grond van Richtlijn 85/374/EEG (aansprakelijkheid voor
produkten met gebreken). De fabrikant doet er goed aan in zijn onderhoudsinstructie erop te wijzen dat
bij alleen aansprakelijk is als de machine van het begin af aan gebreken vertoont, maar dat hij in zeer
beperkte mate of zelfs helemaal niet aansprakelijk is, als de gebruiker zich niethoudt aan de instructies in
de gebruiksaanwijzing en vervangingsonderdelen zonder garantie gebruikt.
Wat verstaat de richtlijn onder "fabrikant" en "gevolmachtigde"?
Er kunnen meerdere fabrikanten van componenten of zelfs van belangrijke onderdelen van
machines zijn (toelevering van subgehelen) maar in de richtlijn is er slechts "één fabrikant" en dat is
degene die de verantwoordelijkheid draagt voor het ontwerp en de fabricage van de machine. Hij kan in
de Gemeenschap gevestigd zijn of daarbuiten. De fabrikant is degene die verantwoordelijk is voor de
procedures inzake attestering van overeenstemming (EG-verklaring van overeenstemming, samenstelling
van het dossier, aanbrenging van het EG-merkteken, enzovoort).
Verder wordt degene die de bestemming van een machine verandert de fabrikant en daarmee
aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende gevolgen.
De gevolmachtigde is degene die door de fabrikant wordt aangewezen om namens hem binnen de
Gemeenschap op te treden, waar het gaat om bepaalde verplichtingen van de richtlijn en dan wel
uitsluitend die verplichtingen. Over het algemeen gaat het hier om administratieve verplichtingen. Een
gevolmachtigde mag geen machine eigenmachtig wijzigen om aan de richtlijn aan te passen: afgezien
van de eis inzake de gebruiksaanwijzing wordt de gevolmachtigde nooit in bijlage 1 genoemd.
De gevolmachtigde moet in de Gemeenschap gevestigd zijn.
Moet iedere buiten de Gemeenschap gevestigde fabrikant een gevolmachtigde hebben?
In Besluit 90/683/EEG van de Raad betreffende de conformiteitsbeoordelingsprocedures in de
richtlijnen voor technische harmonisatie staat dat door de voor het in de Gemeenschap in de handel
brengen verantwoordelijke persoon de technische documentatie ter beschikking moet houden en dat
deze documentatie zich in de Gemeenschap moet bevinden. Bijlage V van deze richtlijn bevat nog
andere bepalingen : het technisch dossier moet in geval van een met redenen omkleed verzoek van een
Lid-Staat ter beschikking worden gesteld; het technisch dossier mag echter wel in het kantoor van de
fabrikant blijven, ongeacht of deze in de Gemeenschap of daarbuiten gevestigd is. Op dit punt zal bij de
bespreking van bijlage V nader worden ingegaan. Een in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde
kan al dan niet over het technisch dossier beschikken. Daarentegen moet degene die een machine of
veiligheidscomponent in de handel brengt en geen fabrikant of in de Gemeenschap gevestigde
gevolmachtigde is, overhetdossierbeschikken of ten minste schriftelijke officiële garanties van de
fabrikant hebben dat het dossier in geval van met redenen omkleed verzoek beschikbaar zal zijn.
§ 3. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen van veiligheidscomponenten als omschreven in artikel 1, lid 2 niet verbieden, beperken of
belemmeren, indien deze vergezeld gaan van de in bijlage II onder C bedoelde
EG-verklaring van overeenstemming van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap
gevestigde gevolmachtigde.
Dit lid heeft betrekking op de bijzondere vorm die veiligheidscomponenten krijgt, zonder dat de EGverklaring van overeenstemming voor nieuwe elementen worden geïntroduceerd.
21
Artikel 5
§ 1. De Lid-Staten beschouwen als in overeenstemming te zijn met het
bepaalde in deze richtlijn met inbegrip van de conformiteitsbeoordelingsprocedure van hoofdstuk II :
- machines die voorzien zijn van het EG-merkteken en vergezeld gaan van de
in bijlage II, punt A bedoelde EG-verklaring van overeenstemming;
- veiligheidscomponenten die vergezeld gaan van de in bijlage II, punt C
bedoelde EG-verklaring van overeenstemming.
Bij ontbreken van geharmoniseerde normen treffen de Lid-Staten de
maatregelen die zij nodig achten om de betrokken partij in kennis te stellen van
de bestaande nationale technische normen en specificaties die van belang of
nuttig worden geacht voor de juiste toepasing van de fundamentele veiligheidsen gezondheidsvoorschriften van bijlage 1 Dit artikel gaat over het gebruik van de normen en het belang ervan voor de fabrikant of zijn in de
Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde om de overeenstemming van de richtlijn te kunnen
bevestigen.
In de richtlijn wordt impliciet onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten normen :
- geharmoniseerde normen : zoals bij de analyse van de overwegingen duidelijk is geworden, zijn
dit in opdracht van de Commissie door CEN en Cenelec opgestelde normen;
- Europese normen: normen die ten behoeve van de industrie of de handel door CEN of Cenelec
zijn opgesteld. Iedere nationale norm· over hetzelfde onderwerp moet worden ingetrokken en vervangen
door een omzetting van deze Europese norm;
- nationale normen : voor alle normen is een bepaalde rol weggelegd. De rol van de
geharmoniseerde nonnen wordt in het commentaar bij lid 2 van dit artikel uiteengezet. De Europese
normen zullen gebruikt worden op de diverse karakteristieke gebruikelijke normalisatiegebieden die· niet
door een "nieuwe aanpak"-richtlijn worden bestreken (effect op het milieu, ... ); verwisselbaarheid qua
maten, verwisselbaarheid qua functies (prestaties), berekeningsmethoden en beproevingsmethoden,
enzovoort.
In vele gevallen maken zij een eerlijke handel mogelijk, zodat de richtlijnen inzake
overheidsopdrachten deze normen terecht dwingend maken. Zij kunnen dienen als basis voor
kwaliteitsmerken. Zij bestaan zowel op geharmoniseerde als op niet-geharmoniseerde gebieden.
Voor het vervaardigen van een produkt is het van belang ze te kennen. De verplichting om bij
overheidsopdrachten Europese normen toe te passen, hetgeen in strijd lijkt met het opnieuw in de
resolutie van de Raad van 7 mei 1985 bevestigde feit dat in alle landen normen privaatrechtelijke
documenten zijn die nuttig maar niet verplicht zijn bij contracten, is onderwerp van vele beschouwingen in
de literatuur over de richtlijnen inzake overheidsopdrachten en dient zorgvuldig te worden geanalyseerd.
Wanneer geharmoniseerde Europese normen ontbreken, mogen nationale normen of specificaties
(bij voorbeeld de UVV-voorschriften van de Berufsgenossenschaften, de technische gedeelten van de
nationale voorschriften ... ) worden gebruikt, mits de Lid-Staten waar ze gebruikt worden, iedereen in
kennis hebben gesteld van het belang dat zij daaraan hechten. Waarom deze precisering?
Voor een ontwerper is een geharmoniseerde norm of een Europese norm een gemakkelijk middel
om aan de richtlijn te voldoen. Ook al zijn er nog andere middelen om aan de richtlijn te voldoen, toch
heeft dit middel het voordeel dat er een veiligheidsniveau wordt vastgesteld : ook al volgt de ontwerper de
norm niet, toch heeft hij een idee welk veiligheidsniveau moet worden bereikt. Wanneer
geharmoniseerde of Europese normen ontbreken moet hij dat idee elders gaan zoeken. En dan blijkt het
nut van de nationale normen of de nationale technische specificaties, vooral van die normen die door de
Lid-Staten als bijzonder belangrijk worden beschouwd.
Hoe moeten alle betrokkenen van de referenties in kennis worden gesteld?
22
De richtlijn bevat geen enkele verplichting ter zake, zodat de Lid-Staten volledig vrij zijn in de keuze
van hun methode. Let wel : de betrokken partijen moeten in kennis worden gesteld van deze informatie,
en niet alleen specifieke correspondenten. Indien de diensten van de Commissie op de hoogte zijn van
deze lijsten, zou de Commissie deze informatie kunnen toevoegen aan de informatie die terkennis van
het bij artikel 6, lid 2, opgerichte comité wordt gebracht.
§ 2. Wanneer een nationale norm die de omzetting is van een
geharmonisserde norm, waarvan de referentie in het Publikatieblad van de
Europese Gemeenschappen is gepubliceerd, één of meer fundamentele
veiligheidsvoorschriften omvat, wordt aangenomen dat de volgens deze normen
gebouwde machine of veiligheidscomponent voldoet aan de desbetreffende
fundamentele voorschriften.
De Lid-Staten publiceren de referenties van de nationale normen die
omzettingen zijn van de geharmoniseerde normen.
De geharmoniseerde normen geven het vennoeden van overeenstemming met de fundamentele
voorschriften waarop zij betrekking hebben. Zoals alle normen zijn ze niet dwingend en mag de fabrikant
ook op andere manieren aan de fundamentele voorschriften voldoen. Maar het is wel duidelijk dat hij in
dat geval een veiligheidsniveau moet hebben gerealiseerd dat gelijk is aan het in de geharmoniseerde
normen vastgestelde niveau. In de geharmoniseerde normen is de "state of the art" van een bepaald
tijdstip vastgelegd en dientengevolge het veiligheidsniveau dat op het tijdstip van de opstelling van de
norm kan worden bereikt. Als een geharmoniseerde norm bij voorbeeld een bepaalde waarde geeft voor
een in een berekening toe te passen veiligheidscoëfficiënt, moeten de ontwerpers die waarde toepassen
ofwel in het technisch dossier aangeven waarom zij een andere waarde kunnen kiezen en toch, bij
voorbeeld door middel van aanvullende voorzieningen, een even hoog veiligheidsniveau kunnen
waarborgen.
Wanneer de fabrikant heeft gekozen voor één of meer geharmonisserde normen om te voldoen aan
de fundamentele veiligheids-en gezondheidseisen die in deze normen vervat zijn, heeft hij de
maatregelen genomen die men van hem kon eisen. Indien een Lid-Staat de gekozen oplossing betwist,
moet hij de vrijwaringselausule (artikel 7) tegenover de normalisatieorganisaties toepassen en niet
tegenover de fabrikant. De toepassing van de in de geharmoniseerde normen gegeven oplossingen
vrijwaart de fabrikant niet geheel tegen eventuele vrijwaringsclausules, maar garandeert hem toch een
zeer ruime "betrekkelijke veiligheid".
Hoe wordt het vermoeden van overeenstemming verbonden aan bepaalde geharmoniseerde
normen?
CEN heeft in het met de Commissie gesloten contract drie soorten geharmoniseerde normen
omschreven, die voor het gemak A-, B- en C-normen worden genoemd :
- de A-normen zijn normen met betrekking tot fundamentele concepten die voor alle machines
gelden; de norm EN 292 is daarvan een voorbeeld;
- de B1-normen zijn normen met betrekking tot veiligheidsaspecten die vooreen aantal machines van
belang zijn, zoals de veilige afstanden, berekeningsmethoden voor de hijs- en hefwerktuigen enzovoort;
voorbeelden zijn de normen EN 294 en EN 563.
- de B2-normen zijn normen voor componenten of inrichtingen, bij voorbeeld beveiligingsinrichtingen
die op een groot aantal machines worden gebruikt; de norm EN 281 is een voorbeeld;
- de C-normen zijn de zogenaamde verticale normen voor een bepaald type machine.
23
Het idee overeenstemming met de C-norm is gemakkelijk te begrijpen, evenals de vraag hoe deze
overeenstemming kan leiden tot het vermoeden van overeenstemming met de fundamentele eisen die in
de norm verwerkt zijn; maar sommigen zitten wel met de vraag hoe aan bepaalde B-normen moet
worden voldaan. Wat het geval van de B1 -norm betreft waarin de verschillende
vergrendelingsinrichtingen zijn gedefinieerd - met één detector, met twee detectoren, met twee
detectoren en zelfcontrole, enzovoort - is deze onzekerheid te begrijpen. Maar bij toepassing van deze B
1-norm in combinatie met een andere B 1-norm, namelijk de norm op het gebied van risico-evaluatie mag
je zeggen dat de gelijktijdige toepassing van beide normen het vermoeden van overeenstemming met de
eisen 1.3.7 en 1.3.8 kan opleveren. De diensten van de Commissie die vinden dat het nut van de B 1 en B 2-normen bij de toepassing van de richtlijn het grootst is, willen graag dat zij in hun hoedanigheid
van geharmoniseerde normen gehandhaafd blijven.
Verder is er in artikel 5 nog een belangrijke nuance tussen de leden 1 en 2. In lid 1 worden machines
die voorzien zijn van het EG-merkteken geacht in overeenstemming met de richtlijn te zijn, terwijl in het
geval van de machines die in overeenstemming zijn met geharmoniseerde normen wordt aangenomen
dat zij voldoen aan de in de normen vervatte fundamentele eisen. Natuurlijk zal de fabrikant op basis van
dit vermoeden het EG-merkteken aanbrengen waardoor de machine onder lid 1 komt te vallen, maar het
feit blijft dat er twee verschillende termen zijn gebruikt.
Volgens de voorschriften is er pas een vermoeden van overeenstemming, wanneer er een nationale
norm is gevolgd die de omzetting is van een geharmoniseerde norm. Wanneer deze omzetting door het
bevoegd normalisatiecomité niet is gebeurd, geeft het gebruik van de oorspronkelijke geharmoniseerde
norm of van een in een andere Lid-Staat verrichte omzetting hetzelfde vermoeden van overeenstemming.
Hierbij moet wel worden gezegd dat deze omzetting moet zijn opgenomen in het nationale
normenbestand van een van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap.
§ 3. De Lid-Staten zien erop toe dat er passende maatregelen worden
genomen om de sociale partners in staat te stellen op nationaal niveau invloed uit
te oefenen op de opstelling van de geharmoniseerde normen en het gevolg dat
daaraan wordt gegeven.
Lid 3 vormt een verzoek aan de Lid-Staten om erop toe te zien dat alle partners bij het
normalisatieproces worden betrokken. Waar het hierom gaat is dat men niet mag vergeten dat de
vertegenwoordigers van de werknemers meestal buiten spel worden gezet.
Artikel 6
§ 1. Wanneer een Lid-Staat of de Commissie van mening is dat de in artikel 5,
lid 2, bedoelde geharmoniseerde normen niet geheel voldoen aan de in artikel 3
bedoelde fundamentele voorschriften, legt de Commissie of de Lid-Staat de
kwestie, met een toelichting, voor aan het bij Richtlijn 83/189/EEG ingestelde
permanent comité.
Het comité brengt met spoed advies uit.
Afhankelijk van het advies van het comité stelt de Commissie de Lid-Staten in
kennis van de noodzaak de betreffende normen al dan niet uit de in artikel 5, lid 2,
bedoelde publikaties te verwijderen.
24
§ 2. Er wordt een permanent comité opgericht, dat is samengesteld uit door
de Lid-Staten aangewezen vertegenwoordigers en dat door een
vertegenwoordiger van de Commissie wordt voorgezeten.
Het permanent comité stelt zijn reglement van orde vast.
Volgens onderstaande procedure kunnen aan het permanent comité alle
kwesties worden voorgelegd die verband houden met de tenuitvoerlegging en de
praktische toepassing van deze richtlijn.
De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor
van de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een termijn die de
voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit
over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.
Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere Lid-Staat het
recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen.
De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité
uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij
rekening heeft gehouden met zijn advies.
Artikel 6 introduceert de twee comités die de problemen rond de toepassing van de richtlijn zullen
beheren.
In lid 1 wordt verwezen naar het bij Richtlijn 83/189/EEG van de Raad opgericht permanent comité.
Alleen dit comité heeft de bevoegdheid om normalisatieopdrachten aan CEN of Cenelec te geven.
Derhalve is het bevoegd om tegenover CEN of Cenelec te verklaren dat de opdracht niet naar behoren is
uitgevoerd, wanneer het vindt dat een norm niet aan de fundamentele voorschriften voldoet (zie ook
artikel 7).
Lid 2 voorziet in de oprichting van een raadgevend comité. Dit comité heeft tot taak de Commissie
van advies te dienen in geval van eventuele onduidelijkheden bij de toepassing van een fundamenteel
voorschrift. Hoewel het advies van het comité niet bindend is voor de Commissie, moet zij hier "toch
zoveel mogelijk rekening mee houden".
De Commissie of het comité zijn niet bevoegd tot interpretatie van de artikelen van de richtlijn of de
fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften. Alleen het Europese Hof van Justitie heeft die
bevoegdheid. De Commissie kan met de hulp van het comité bijdragen tot de totstandkoming van een
gemeenschappelijke en uniforme interpretatie van deze punten en daarmee eventuele moeilijkheden
tussen de Lid-Staten, tussen instanties waarvan kennisgeving is gedaan enzovoort voorkomen of tot een
minimum beperken.
25
Artikel 7
§ 1. Wanneer een Lid-Staat vaststelt dat:
- machines die voorzien zijn van het EG-merkteken, of
- veiligheidscomponenten die vergezeld gaan van de EEG-verklaring van
overeen-stemming overeenkomstig hun gebruikdsdoel worden gebruikt, de
veiligheid van personen en, in voorkomend geval, van huisdieren of goederen in
gevaar dreigen te brengen, neemt hij alle nodige maatregelen om de machines of
de veiligheids-componenten uit de handel te nemen, het in de handel brengen en
het in bedrijf stellen te verbieden of het vrije verkeer ervan te beperken.
De Lid-Staat stelt de Commissie onmiddellijk van deze maatregel in kennis,
geeft de redenen van zijn besluit aan, met name of het gebrek aan
overeenstemming voortvloeit uit:
a) het niet in acht nemen van de in artikel 3 bedoelde fundamentele
voorschriften;
b) een verkeerde toepassing van de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen;
c) een tekortkoming in de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen zelf.
Artikel 7 bevat de vrijwaringsclausule op grond waarvan de Lid-Staten, wanneer dit gerechtvaardigd
is, maatregelen mogen nemen in weerwil van artikel 4, lid 1. Artikel 7 geeft de Lid-Staten de mogelijkheid
de beweringen van de fabrikant in twijfel te trekken en het vermoeden van overeenstemming nietig te
verklaren dat geldt voor machines die voorzien van het EG-merkteken en gebruikt worden
overeenkomstig een door de fabrikant als normaal beschouwd gebruiksdoel.
Door deze precisering vallen alle machines die niet van het EG-merkteken zijn voorzien en alle
machines die niet overeenkomstig hun gebruikdsdoel worden gebruikt buiten het toepassingsgebied van
artikel 7. Een Lid-Staat treedt in zo'n geval rechtstreeks op grond van de voorgaande artikelen op en
behoeft een veel minder uitvoerige verklaring van zijn beweegredenen te geven dan wanneer hij zich op
artikel 7 beroept.
De bepaling van lid 1 beperkt de eventuele willekeur van de Lid-Staten door de verplichting dat
degene die de vrijwaringsclausule inroept, hiervoor redenen moet opgeven. De onder a, b of c gegeven
drie mogelijkheden zijn op zichzelf niet voldoende, maar houden een verzoek om "indeling van de
beweegredenen" in, zodat de Commissie het dossier in onderzoek kan nemen en de fabrikant zich
eventueel kan verdedigen.
De onder a bedoelde reden behoeft geen nadere toelichting. Wat is echter de betekenis van de
onder b en c bedoelde redenen?
Een verkeerde toepassing van de onder b bedoelde normen heeft slechts betrekking op de gevallen
waarin de fabrikant zich verplicht tot naleving van de normen. Het gaat dan om de machines van bijlage
IV, wanneer men zich wil onttrekken aan het EG-typeonderzoek en om de overige machines, wanneer in
het technisch dossier zonder meer verklaard wordt dat een machine ten aanzien van een fundamentele
eis met een geharmoniseerde norm in overeenstemming is. In alle overige gevallen is de toepassing van
de normen facultatief en is punt b niet in het geding.
De gevallen waarin punt e als vrijwaringsclausule wordt ingeroepen, moeten zeer zorgvuldig worden
behandeld. Een Lid-Staat die tegen een norm heeft gestemd die echter door de meerderheid is
aanvaard, mag geen zogenaamde tekortkoming van die norm inroepen ter rechtvaardiging van een
vrijwaringsclausule en op die manier een reeds afgesloten discussie opnieuw op gang brengen. Waar
het hier om gaat, zijn in de eerste plaats de fundamentele eisen die de te goedertrouw zijnde
normalisatieorganisaties vergeten zouden hebben in de norm te verwerken.
26
In de praktijk neemt een Lid-Staat, zodra geconstateerd is dat er gevaar bestaat voor de gezondheid
of de veiligheid van personen, passende maatregelen. Deze maatregelen moeten in verhouding staan tot
het gevaar, dat wil zeggen dat er niet meteen een totaal verbod behoeft te komen, en zij moeten worden
gemotiveerd. Er mogen geen definitieve strafmaatregelen worden genomen, maar wel openbare
ordemaatregelen die de gebruikers moeten beschermen en die geen voorharig oordeel inhouden over de
aansprakelijkheid of de fouten van de fabrikant. De maatregel kan ieder moment worden opgeheven.
Voorafgaande toestemming van de Commissie voor een dergelijke maatregel is niet nodig, maar zij moet
wel onmiddellijk op de hoogte worden gesteld.
§ 2. De Commissie treedt zo spoedig mogelijk met de betrokken partijen in
overleg. Wanneer de Commissie na afloop van het overleg vaststelt dat de
maatregel gerechtvaardigd is, stelt zij de Lid-Staat die hem heeft genomen, en de
overige Lid-Staten daarvan onmiddellijk in kennis. Wanneer de Commissie na dit
overleg vaststelt dat de maatregel niet gerechtvaardigd is, stelt zij de Lid-Staat
die hem heeft genomen, alsook de fabrikant of diens in de Gemeenschap
gevestigde gemachtigde daarvan onmiddellijk in kennis. Wanneer de reden van
het in lid 1 bedoelde besluit een tekortkoming in de normen is, legt de
Commissie, indien de Lid-Staat die het besluit heeft genomen, dit wil handhaven,
de kwestie aan het comité voor en leidt zij de in artikel 6, lid 1, bedoelde
procedure in.
In lid 2 wordt het verdere verloop van de procedure beschreven. De fabrikant moet nu zorgen voor
de verdediging om te vermijden dat de maatregel bevestigd wordt en dientengevolge uitgebreid tot de
gehele Gemeenschap. Hij doet er goed aan om geëigend juridisch advies in te winnen, zoveel mogelijk
documentatie over de betwiste machine te verzamelen en de Commissie in kennis te stellen van de door
hem ondervonden moeilijkheden.
De Commissie treedt in overleg met de betrokken partijen. Hoeveel dat er zijn hangt af van de
omvang van het probleem : de overheidsinstantie onder wier toezicht de fabrikant staat, indien de
vrijwaringsclausule niet door haar is ingeroepen, de fabrikant of zijn gevolmachtigde, de
beroepsorganisaties van fabrikanten, de gebruikersorganisaties, de vakbonden, de controlerende
instanties, enzovoort
De fabrikant of zijn gevolmachtigde heeft er belang bij om de werkzaamheden van de Commissie op de
voet te volgen en eventueel zelf besprekingen te organiseren en met voorstellen te komen.
Wanneer de Commissie eenmaal een beslissing heeft genomen over de vraag of de maatregel
gerechtvaardigd is, is het voor de fabrikant een beetje laat om nog een verweer in te stellen. Hij heeft
dan nog mogelijkheid om voor de rechter in beroep te gaan, maar dit zijn procedures die pas na lange tijd
praktisch effect sorteren, en de genomen maatregelen worden er over het algemeen niet door
opgeschort.
§3. Wanneer :
- een machine die niet in overeenstemming is, het EG-merkteken draagt,
- een veiligheidscomponent die niet in overeenstemming is, vergezeld gaat
van een EG-verklaring van overeenstemming,
neemt de bevoegde Lid-Staat passende maatregelen tegen degene die het
merkteken heeft aangebracht of de verklaring heeft opgesteld, en stelt de
Commissie en de overige Lid-Staten daarvan in kennis.
27
Lid 3 wijst de Lid-Staten op hun verplichting om passende maatregelen te nemen tegen degene die
het merkteken heeft aangebracht, maar laat iedere Lid-Staat vrij in de keuze van de maatregelen.
Toepassing van dit lid volgt pas na beëindiging van de procedures van lid 2, en nadat de Commissie
verklaard heeft dat de maatregel gerechtvaardigd was.
§ 4. De Commissie zorgt ervoor dat de Lid-Staten op de hoogte worden
gehouden van het verloop en de resultaten van de procedure.
In Lid 4 wordt de Commissie gevraagd "ervoorte zorgen" dat de Lid-Staten goed op de hoogte
worden gehouden.
Artikel 8
§ 1. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde
moet, om te kunnen verklaren dat zijn machines en veiligheidscomponenten in
overeenstemming zijn met de bepalingen van deze richtlijn voor elke
gefabriceerde machine en veiligheidscomponent een EG-verklaring van
overeenstemming opstellen bestaande uit de in bijlage II, punt A, respectievelijk
punt C vermelde onderdelen.
Voor machines geldt bovendien dat de fabrikant of zijn in de Gemeenschap
gevestigde gevolmachtigde op de machine het in artikel 10 bedoelde EGmerkteken moet aanbrengen.
Voor de fabrikant is artikel 8 een van de belangrijkste artikelen van de richtlijn : het bevat de
procedure die hij moet volgen om vast te stellen dat zijn machine met de richtlijn in overeenstemming is.
Verschillende leden verwijzen vaak naarbijlagen.
In lid 1 worden de "uiterlijke" tekenen van de procedure omschreven. Iedere machine moet namelijk
het EG-merkteken dragen en vergezeld gaan van een EG-verklaring van overeenstemming. Voor de
veiligheidscomponenten zijn er geen merktekens, maar alleen de EG-verklaring van overeenstemming.
De inhoud van deze verklaring staat duidelijk omschreven in bijlage II. Lid 1 bepaalt dat het altijd de
fabrikant is die de procedure uitvoert ongeacht welke procedure (in lid 2 wordt duidelijk dat er meerdere
procedures zijn naar gelang van het type machine of veiligheidscomponent). De fabrikant kan, ongeacht
of hij al dan niet in de Gemeenschap gevestigd is, de administratieve verplichtingen van de procedure
aan een gevolmachtigde delegeren, waarbij als enige verplichting geldt dat deze gevolmachtigde in de
Gemeenschap gevestigd moet zijn.
De veiligheidscomponenten mogen niet het EG-merkteken dragen.
Lid 6 van dit artikel heeft betrekking op enkele afwijkingen van bovenstaande bepalingen.
§ 2. Voordat de machine in de handel wordt gebracht, moet de fabrikant of
zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde :
a) indien bijlage IV niet op de machine van toepassing is, het in bijlage V
bedoelde dossier samenstellen;
28
b) indien bijlage IV op de machine van toepassing is en de fabricage niet of
slechts gedeeltelijk volgens de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen heeft
plaatsgevonden, of indien zulke normen ontbreken, een model van de machine
aan het in bijlage VI bedoelde EG-typeonderzoek onderwerpen;
c) indien bijlage IV op de machine van toepassing is en de fabricage volgens
de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen heeft plaatsgevonden :
- hetzij het in bijlage VI bedoelde dossier samenstellen en toezenden aan
de keuringsinstantie waarvan kennisgeving is gedaan, waarna deze instantie zo
spoedig mogelijk bericht van ontvangst zal geven en het dossier zal bewaren;
- hetzij het in bijlage VI bedoelde dossier voorleggen aan de
keuringsinstantie waarvan kennisgeving is gedaan, waarna deze instantie zal
nagaan of de in artikel 5, lid 2, bedoelde normen correct zijn toegepast en een
verklaring van geschiktheid van dit dossier zal opstellen;
- hetzij een model van de machine aan het in bijlage VI bedoelde EGtypeonderzoek onderwerpen.
Lid 2 maakt onderscheid tussen de families machines of veiligheidscomponenten die in bijlage IV
worden opgesomd en alle andere.
De lijst van bijlage IV is volledig. Een Lid-Staat mag daaraan geen andere machines of andere
veiligheidscomponenten toevoegen. Indien de lijst zou moeten worden gewijzigd, zou dit alleen kunnen
met een gelijkwaardig wettelijk besluit, dat wil zeggen een richtlijn van de Raad.
De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde is geheel zelfstandig in de keuze
van methode die hij wil gebruiken om aan te tonen dat zijn apparatuur in overeenstemming is met de
bepalingen van de richtlijn. Hij moet zich echter wel houden aan bepaalde regels die verschillen naar
gelang van het al dan niet vermeld staan van de machine of veiligheidscomponent op de lijst van
bijlage I :
a) indien een machine of veiligheidscomponent niet vermeld staat in bijlage IV, moet de fabrikant,
voordat hij de administratieve formaliteiten van lid 1 gaat vervullen, er voor zorgen dat de methoden die
hij heeft gebruikt om aan de fundamentele voorschriften te voldoen zijn vastgelegd in een technisch
dossier, dat dit beschikbaar is of snel ter beschikking kan worden gesteld en dat het in geval van een
gerechtvaardigde vordering kan worden voorgelegd.
In bijlage V en in het bijbehorende commentaar wordt nader ingegaan op de inhoud van het
dossier.
Het dossier behoeft alleen in geval van een uitdrukkelijk met redenen omkleed verzoek van een
nationale instantie te worden voorgelegd. De fabrikant behoeft niet het gehele dossier over te leggen,
maar alleen dat gedeelte wat betrekking heeft op de door de overheidsinstantie naar voren gebrachte
reden.
b) indien bijlage IV op de machine of de veiligheidscomponent van toepassing is, moet de fabrikant
of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde een model van de machine aanbieden voor EGtypeonderzoek door een instantie waarvan kennisgeving is gedaan.
Het EG-typeonderzoek staat uitvoerig beschreven in bijlage VI.
29
De fabrikant kan zich evenwel aan het EG-typeonderzoek onttrekken, indien hij zijn machine in
volledige overeenstemming met de geharmoniseeerde normen heeft geproduceerd en indien deze
geharmoniseerde normen alle fundamentele eisen die voor de machine gelden bestrijken. In zo'n geval
moet de fabrikant de instantie waarvan kennisgeving is gedaan, een exemplaar van het in bijlage VI
voorgeschreven technisch dossier toesturen, die dan alleen maar de ontvangst behoeft te bevestigen en
het dossier in het archief op te bergen; een onderzoek is dan niet verplicht. Ingeval van een uitdrukkelijk
en duidelijk verzoek van de fabrikant moet de aangemelde instantie het dossier controleren en aan de
hand van het dossier nagaan of de fabrikant de geharmoniseerde norm goed heeft toegepast; indien dit
zo is, stuurt hij de fabrikant een verklaring van geschiktheid (punt c, tweede streepje). Natuurlijk blijft de
fabrikant in de twee laatstgenoemde gevallen volledig verantwoordelijk, behalve, in het laatstgenoemde
geval, voor de fouten die de instantie waarvan kennisgeving is gedaan, bij bestudering van het technisch
dossier zou hebben moeten ontdekken (bij voorbeeld als de norm verschillende technische keuzen biedt
en de keuze die de fabrikant heeft gemaakt onverenigbaar is met zijn keuze met betrekking tot een ander
punt).
Kijk in het commentaar bij de overwegingen en artikel 5 na wat een geharmoniseerde Europese
norm is.
Wat is een instantie waarvan kennisgeving is gedaan?
Dat is een tot uitvoering van de taken met betrekking tot de conformiteitsbeoordeling bevoegde
derde partij, één van de onder de jurisdictie van een Lid-Staat vallende instanties die aan de
geschiktheidseriteria voldoet en die door die Lid-Staat wordt aangewezen en bij de Commissie
aangemeld.
De Lid-Staten mogen alleen keuringsinstanties aanmelden voor de in bijlage IV bedoelde machines
of veiligheidscomponenten. Er mag geen instantie waarvan kennisgeving is gedaan, voor de overige
machines of veiligheidscomponenten bestaan.
Een instantie kan alleen maar worden aangemeld voor een deel van bijlage IV, bij voorbeeld alleen
voor persen voor metaalbewerking, of machines voor houtbewerking, of machines voor het heffen van
personen. Wat die categorieën machines betreft is de instantie dan wel verantwoordelijk voor het
onderzoek naar de overeenstemming met de gehele richtlijn. Wat de overige richtlijnen betreft die
eventueel op de machine van toepassing kunnen zijn (plaatsen met ontploffingsgevaar, drukapparatuur,
gastoestellen, ... ) zullen er waarschijnlijk andere instanties waarvan kennisgeving is gedaan, worden
ingeschakeld. In de verklaring van overeenstemming van bijlage Il die steeds door de fabrikant wordt
opgesteld moeten alle betrokken instanties waarvan kennisgeving is gedaan, vermeld zijn alsmede het
nummer van de richtlijn met betrekking tot welke zij de overeenstemming hebben gecontroleerd. Bijlage
VII van de richtlijn geeft de minimumeriteria waaraan een instantie moet voldoen om te kunnen worden
aangemeld. In de EN 45000-normen staan deze criteria uitvoeriger geformuleerd. Een instantie die aan
alle criteria voldoet heeft daarmee niet automatisch het recht om te worden aangemeld. De Lid-Staat is
wat dat aangaat volledig vrij in zijn keuze. Indien de Commissie twijfelt aan de bekwaamheid van een
instantie waarvan kennisgeving is gedaan, kan zij niet meer doen dan de Lid-Staat waaronder deze
instantie ressorteert vragen zijn keuze te rechtvaardigen.
De Commissie en alle Lid-Staten moeten voortdurend op de hoogte worden gehouden van de lijst
van instanties waarvan kennisgeving is gedaan en van eventuele intrekkingen van hun aanmelding.
Indien een Lid-Staat van mening is dat hij geen bevoegde instantie heeft, doet hij geen
kennisgeving.
De fabrikanten kunnen zich tot iedere willekeurige instantie waarvan kennisgeving is gedaan,
wenden en die instanties mogen hun diensten ook buiten het grondgebied van de voor hun aanmelding
verantwoordelijke Lid-Staat aanbieden. De fabrikanten mogen zich echter tot slechts één instantie per
dossier wenden.
30
Aanmelding van een instantie uit een derde land is niet mogelijk. Er is echter niets tegen particuliere
overeenkomsten tussen een instantie uit een derde land en een instantie waarvan kennisgeving is
gedaan, indien er voldoende onderling vertrouwen bestaat, omdat het steeds de instantie is waarvan
kennisgeving is gedaan die tekent en daarmee de verantwoordelijkheid voor de conformiteitsbeoordeling
op zich neemt. Een instantie waarvan kennisgeving is gedaan, kan ook keuringen uitbesteden aan
gespecialiseerde laboratoria, mits zij de verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke
conformiteitsbeoordeling behoudt.
§ 3. In het geval bedoeld in lid 2, onder c, eerste streepje, is het bepaalde in
punt 5, eerste zin, en in punt 7 van bijlage VI van overeenkomstige toepassing.
In het geval bedoeld in lid 2, onder c, tweede streepje, is het bepaalde in de
punten 5, 6 en 7 van bijlage VI van overeenkomstige toepassing.
In lid 3 wordt aangedrongen op de wijze van toepassing als beschreven in bijlage VI.
§ 4. Indien lid 2, onder a en onder c, eerste en tweede streepje, van
toepassing zijn, mag de EG-verklaring van overeenstemming uitsluitend de
overeenstemming met de fundamentele voorschriften van de richtlijn vaststellen.
In de gevallen bedoeld in lid 2, onder b, en lid 2, onder c, derde streepje, moet
de EG-verklaring van overeenstemming de overeenstemming vaststellen met het
model dat een EG-typeonderzoek heeft ondergaan.
Lid 4 maakt wat betreft de attestering van de overeenstemming een interessant onderscheid : in het
algemene geval attesteert de fabrikant de overeenstemming met de richtlijn, terwijl in de gevallen waarin
er een EG-typeonderzoek plaatsvindt de fabrikant de overeenstemming attesteert met het model
waaraan dit onderzoek is verricht. In het laatstgenoemde geval is zijn enige plicht en zijn enige
verantwoordelijkheid om goed te "kopiëren". Hij moet in het technisch dossier zeggen hoe hij "kopieert"
(laatste streepje van punt 2 van bijlage VI).
§ 4bis. Voor veiligheidscomponenten gelden de certificatieprocedures die
ingevolge de leden 2, 3 en 4 op machines van toepassing zijn. Wanneer een EGtypeonderzoek wordt uitgevoerd, gaat de keuringsinstantie waarvan
kennisgeving is gedaan, bovendien na of de veiligheidscomponent de
veiligheidsfuncties kan vervullen die door de fabrikant zijn opgegeven.
Dit lid is toegevoegd in verband met de uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn tot
afzonderlijk in de handel gebrachte veiligheidscomponenten. Opvallend is hier dat de
veiligheidscomponent niet alleen aan de fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften moet
voldoen, maar ook gedurende zijn gehele levensduur zijn functie moet kunnen vervullen. De instantie
waarvan kennisgeving is gedaan dient zich daarvan te vergewissen en in de geharmoniseerde normen
voor deze veiligheidscomponenten zal daar ook rekening mee moeten worden gehouden.
§ 5. Wanneer de machines onderworpen zijn aan andere communautaire
richtlijnen die op andere aspecten betrekking hebben, bewijst het in artikel 10
bedoelde EG-merkteken in deze gevallen dat de machines ook aan de eisen van
deze andere richtlijnen voldoen.
31
In dit lid komt het geval van onder andere richtlijnen vallende machines ter sprake. Hoewel dit in
deze tekst niet met zoveel woorden wordt gezegd, gaat het natuurlijk om richtlijnen die aanbrenging van
het EG-merkteken vereisen, dat wil zeggen de"nieuwe aanpak"-richtlijnen.
Wanneer een EG-merkteken is aangebracht op bouwmachines die onder richtlijnen voor
geluidsbeperking vallen, betekent dit niet dat aan deze richtlijnen is voldaan. Voor overeenstemming met
deze richtlijnen is een ongecodeerde vermelding op de machine van het geluidsvermogensniveau vereist;
er wordt echter een ander merkteken dan "CE" gebruikt.
In de EG-verklaring van overeenstemming moeten de dit merk voorschrijvende richtlijnen worden
vermeld waarmee de machine in overeensteming is. Dit is vooral belangrijk in de overgangsperiode van
de richtlijn. "CE" kan betekenen dat de machine in overeenstemming is met een andere richtlijn, en niet
met de machine-richtlijn.
We vermelden hier nog eens de aangenomen richtlijnen die het EG-merkteken voorschrijven :
- 87/404/EEG drukvaten van een voudige vorm
- 88/378/EEG veiligheid van speelgoed
- 89/106/EEG bouwprodukten
- 89/336/EEG elektromagnetische compatibiliteit (EMC)
- 89/686/EEG persoonlijke beschermingsmiddelen (EPI)
- 90/384/EEG niet-automatische weegwerktuigen
- 90/385/EEG actieve implanteerbare medische hulpmiddelen
- 90/396/EEG gastoestellen
- 91/263/EEG eindapparatuur voor telecommunicatie
- 92/42/EEG rendementseisen voor CV-ketels
In voorbereiding of behandeling :
- COM(91) 287 medische hulpmiddelen
- COM(91) 516 beveiligingsapparatuur voor plaatsen met ontploffingsgevaar
- weegwerktuigen
- drukapparatuur
§ 6. Indien de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde
gevolmachtigde niet aan de verplichtingen van de voorgaande leden heeft
voldaan, rusten deze verplichtingen op een ieder die de machine of de
veiligheidscomponent in de Gemeenschap in de handel brengt. Dezelfde
verplichtingen gelden voor diegene die machines of machineonderdelen dan wel
veiligheidscomponenten van verschillende herkomst assembleert of die de
machine of de veiligheidscomponenten voor zijn eigen gebruik vervaardigt.
Bij de formulering van lid 6 was het de bedoeling van de opsteller om de constructie mogelijk te
maken van complexe gehelen, gerobotiseerde werkplaatsen enzovoort door een constructeur die geen
fabrikant was, maar wel de bevoegdheid had om ten aanzien van de bepalingen van de richtlijn de
verantwoordelijkheid voor het geheel op zich te nemen. In de praktijk biedt dit lid andere mogelijkheden.
Op grond hiervan is het voor iedereen mogelijk om in plaats van de fabrikant, wanneer deze geen in de
Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde heeft, de administratieve procedures af te wikkelen in
verband met de attestering van de overeenstemming, en wel in afwijking van lid 1. Men kan pas een
beroep doen op lid 6, als de fabrikant om zeer dringende redenen de procedures niet kan afhandelen
(fabrikant verdwenen, rechtstreekse verkoop aan het buitenland, ... ).
Een in de Gemeenschap gevestigde fabrikant zal zich nooit op dit lid kunnen beroepen en daarmee
zijn verantwoordelijkheden op een derde afwentelen (detailhandelaar, groothandel, gebruiker), indien hij
een gebruiksklare machine bouwt.
32
Bovendien neemt degene die gebruik maakt van de door dit lid geboden mogelijkheden alle
verantwoordelijkheden op zich die normaal gesproken bij de fabrikant of zijn in de Gemeenschap
gevestigde gemachtigde berusten. Hij moet er dus voor zorgen dat de machine in overeenstemming is
met de fundamentele voorschriften en ofwel over het technisch dossier van bijlage V beschikken of zelf dit
dossier opstellen. Men zou ook kunnen veronderstellen dat, als de machine niet aan de voorschriften
voldoet, hij de overeenstemming tot stand moet brengen, indien hij daartoe in staat is. De nodige
wijzigingen zullen dan slechts beperkt kunnen zijn, omdat de richtlijn voorschrijft dat de fundamentele eisen
in het ontwerp van de machine worden geïntegreerd.
Dan komen we nu op het probleem van de complexe gehelen.
Er zijn verschillende situaties mogelijk.
a) De constructeur stelt zijn geheel samen uit nieuwe machines. Hij kan die kopen of importeren
terwijl ze reeds aan de fundamentele eisen voldoen en het EG-merkteken dragen; hij kan ook machines
kopen of importeren die niet van het EG-merkteken voorzien zijn.
Die zullen naar gelang van het geval vergezeld gaan van de in de bijlagen IIA of IIB bedoelde
verklaringen. De constructeur is verantwoordelijk voor de procedures met betrekking tot het geheel: de
samenstelling van het technisch dossier (desnoods uit deeldossiers die in het kader van contracten door
fabrikanten van kleinere gehelen worden geleverd), het aanbrengen van het EG-merkteken op een voor
het geheel representatieve plaats (bij voorbeeld het centrale bedieningspaneel) en opstelling van een EGverklaring van overeenstemming die goed duidelijk maakt dat hier het geheel bedoeld wordt. Indien hij
door anderen vervaardigde machines of componenten gebruikt, kan hij niet over de betreffende technische
dossiers beschikken, aangezien de andere fabrikanten kunnen verklaren dat zij ze in bezit hebben in hun
eigen vestigingsplaatsen en niet verplicht zijn om deze met het materieel mee te leveren. De constructeur
wordt aangeraden alle mogelijke voorzorgen te nemen zodat hij er zeker van is dat deze dossiers werkelijk
bestaan en dat hij er indien nodig over zal kunnen beschikken.
b) Het optreden van een constructeur kan ook pas jaren na het inbedrijfstellen van de machines
plaatsvinden. Het kan bij voorbeeld gaan om modernisering van een produktielijn door een aantal
machines op elkaar af te stellen. De oorspronkelijke machines hebben al dan niet een EG-merkteken
(machines die al dan niet van voor de inwerkingtreding van de richtlijn dateren). De constructeur moet
trachten zich zoveel mogelijk aan de richtlijn te houden, afhankelijk van de stand van de techniek. Hij
moet het in bijlage V bedoelde technisch dossier samenstellen, het EG-merkteken aanbrengen op het
geheel (zie boven) en de EG-verklaring van overeenstemming opstellen. De op de oorspronkelijke
machines aangebrachte data moeten bewaard blijven, aangezien men aan deze machines niet de eisen
kan stellen van een technologie die ten tijde van het ontwerp nog niet bestond. Ook de data van de
achtereenvolgende renovaties moeten bewaard blijven, met vermelding van de omvang van de ingreep.
Het EG-merkteken kan slechts betrekking hebben op de overeenstemming van het gedeelte dat
gerenoveerd is.
c) Een ander denkbaar geval is dat in een geheel een buiten gebruik gestelde machine wordt
vervangen. Indien het gewoon om een vervanging gaat zonder dat de werking of prestaties worden
gewijzigd en zelfs als het een ander merk machine betreft, is deze verrichting vergelijkbaar met een
reparatie: er komt geen nieuw EG-merkteken, noch op de machine die een onderdeel vormt, mits deze
onder artikel 4, lid 2, valt, noch op het nieuwe geheel. In geval van een uitgebreide vervanging wordt een
van de eerder genoemde gevallen relevant.
Men zou nog meer gevallen kunnen bedenken. Deze dienen in de hierboven geschetste geest en
met gezond verstand te worden behandeld.
33
§ 7. De verplichtingen van lid 6 gelden niet voor diegenen die een
verwisselbaar uitrustingsstuk als bedoeld in artikel 1 op een machine of een
trekker aansluiten, mits de elementen compatibel zijn en alle delen waaruit de
machine na die aansluiting bestaat, zijn voorzien van het EG-merkteken en
vergezeld gaan van de EG-verklaring van overeenstemming.
Lid 7 betekent dat lid 6 niet van toepassing is op verwisselbare uitrustingsstukken die, hoewel ze de
functie van een machine wijzigen, ontworpen zijn om door de gebruiker te worden gemonteerd of
gedemonteerd. Men kan niet verlangen dat de gebruiker dezelfde deskundigheid bezit als de in
voorgaand lid bedoelde constructeur.
De gebruiker heeft echter wel de plicht om, alvorens de uitrustingsstukken te monteren, zich ervan te
vergewissen dat zij compatibel zijn met de basismachine; deze compatibiliteitsgegevens moeten vermeld
staan in de gebruiksaanwijzing waarvan het verwisselbare uitrustingsstuk vergezeld gaat.
Artikel 9
§ 1. Iedere Lid-Staat stelt de Commissie en de overige Lid-Staten ervan in
kennis welke instanties met de uitvoering van de in artikel 8 bedoelde
certificatieprocedures zijn belast. De Commissie publiceert, ter informatie, de
lijst van deze instanties in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen
en draagt zorg voor de bijwerking ervan.
§ 2. De Lid-Staten moeten de in bijlage VII opgenomen criteria hanteren voor
de beoordeling van de instanties waarvan kennisgeving moet worden gedaan. De
instanties die voldoen aan de beoordelingscriteria welke in de desbetreffende
geharmoniseerde normen zijn opgenomen, worden geacht aan de genoemde
criteria te voldoen.
§ 3. Een Lid-Staat die een instantie heeft aangewezen, moet zijn kennisgeving
ongedaan maken, indien hij vaststelt dat de instantie niet meer aan de in bijlage
VIl bedoelde criteria beantwoordt. Hij stelt de Commissie en de overige LidStaten daarvan onmiddellijk in kennis.
Alle drie de leden van dit artikel beginnen met"Lid-Staat" of "Lid-Staten". Op die manier wordt heel
duidelijk aangegeven dat het aanwijzen van de instanties waarvan kennisgeving is gedaan uitsluitend de
verantwoordelijkheid van de Lid-Staat is.
De Commissie heeft alleen tot taak de van de Lid-Staten ontvangen gegevens te publiceren.
In lid 2 worden de minimumcriteria van bijlage VII voor de beoordeling van de instanties genoemd,
gevolgd door de betreffende geharmoniseerde normen. Het gaat in dit geval om de normen van de EN
45000-reeks.
In lid 3 worden de Lid-Staten verplicht om de kennisgeving van een instantie in te trekken wanneer
deze niet meer voldoet aan de criteria van bijlage VII. Hoewel dit hier niet gezegd wordt kan de
kennisgeving ook worden ingetrokken om andere redenen, zoals herhaalde slechte onderzoeken,
prijsafspraken, enzovoort Maatregelen ten gunste van of tegen deze instantie kunnen uitsluitend worden
genomen door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de instantie is gevestigd. De overige Lid-Staten
kunnen alleen maar de vrijwaringsclausule (artikel 7) inroepen tegenover de machines die door deze
instanties zijn onderzocht en die zij gevaarlijk achten.
34
Artikel 10
§ 1. Het EG-merkteken bestaat uit de afkorting"CE", gevolgd door de laatste
twee cijfers van het jaar waarin het merkteken is aangebracht.
In bijlage III is het te gebruiken model afgebeeld.
Artikel 10 geeft enkele praktische aanwijzingen inzake het EG-merkteken.
In lid 1 wordt verlangd dat het jaar waarin het merkteken is aangebracht naast het merkteken zelf
wordt vermeld. In artikel 8 hebben we gezien dat deze datum van belang kan zijn wanneer moet worden
gekeken naar de stand van de techniek ten tijde van het ontwerp van de machine.
Het in bijlage III gegeven model mag absoluut niet suggestief zijn (gebogen letters, een dynamische
of andere indruk gevend).
We herhalen nog even dat veiligheidscomponenten geen EG-merkteken mogen krijgen.
§ 2. Het EG-merkteken moet duidelijk leesbaar op de machine worden
aangebracht overeenkomstig punt 1.7.3 van bijlage 1.
Lid 2 bepaalt dat het merkteken duidelijk te onderscheiden moet zijn van de andere opschriften op
de machine en dat het door zijn grootte, die bij de machine moet passen, duidelijk zichtbaar moet zijn.
§ 3. Het is verboden om op machines merktekens of opschriften aan te
brengen die met het EG-merkteken kunnen worden verward.
Lid 3 verbiedt niet het aanbrengen van andere merktekens, zoals het logo van de fabrikant, het
facultatieve kwaliteitsmerk enzovoort maar de letters of de betekenis daarvan mogen niet tot verwarring
met het EG-merkteken kunnen leiden.
Artikel 11
leder krachtens deze richtlijn genomen besluit dat ertoe leidt dat het in de
handel brengen en het in bedrijf stellen van een machine of een
veiligheidscomponent wordt beperkt, wordt nauwkeurig gemotiveerd. Het wordt
zo spoedig mogelijk aan de belanghebbende meegedeeld met vermelding van de
rechtsmiddelen die volgens de in de betrokken Lid-Staat geldende wetgeving
openstaan, alsmede van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen moeten
worden ingesteld.
Dit artikel vormt een aanvulling op of misschien wel een meer algemene herhaling van de garantie
die de fabrikanten wordt geboden tegen willekeur van de Lid-Staten, met name bij de toepassing van
artikel 7.
Artikel 12
35
De Commissie treft de noodzakelijke maatregelen opdat de gegevens over
alle ter zake dienende besluiten die op het beheer van deze richtlijn betrekking
hebben, beschikbaar worden gesteld.
De relevante besluiten die door de Commissie al dan niet na raadpleging van het bij artikel 6, lid 2,
opgerichte comité zijn genomen moeten beschikbaar zijn. De vorm waarin zij beschikbaar moeten zijn
moet nogworden bepaald. In iedergeval zullen de besluiten in het Publikatieblad van de Europese
Gemeenschap bekend worden gemaakt. Er moet nog een methode worden opgesteld om snel het
betreffende nummer van de publikatie terug te kunnen vinden.
Wat wordt onder een relevant besluit verstaan? We geven hier de volgende, niet volledige
opsomming :
- kennisgeving/aanmelding van de keuringsinstanties voor EG-typeonderzoeken,
- referenties van de geharmoniseerde normen,
- interpretatie van een fundamenteel voorschrift in een bepaald geval, na raadpleging van het bij
artikel 6, lid 2, opgerichte comité.
- preciseringen van het toepassingsgebied bij overlappingen met andere richtlijnen,
- verboden inzake types of modellen machines na beëindiging van procedures met betrekking tot de
vrijwaringsclausule.
Artikel 13
§ 1. De Lid-Staten dienen vóór 1 januari 1992 de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn
om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onmiddellijk in
kennis.
Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen
naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële
bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden
vastgesteld door de Lid-Staten.
De Lid-Staten passen de desbetreffende bepalingen toe met ingang van 1
januari 1993, behalve voor het materieel bedoeld in de Richtlijnen 86/295/EEG,
86/296/EEG en 86/663/EEG waarvoor deze bepalingen van toepassing zijn met
ingang van 1 juli 1995.
§ 2. Voorts staan de Lid-Staten het in de handel brengen en het in gebruik
nemen van machines die voldoen aan de op 31 december 1992 op hun
grondgebied geldende voorschriften toe voor de periode die eindigt op 31
december 1994; dit geldt niet voor het materieel bedoeld in de Richtlijnen
86/295/EEG, 86/296/EEG en 86/663/EEG waarvoor deze periode afloopt op 31
december 1995.
De Richtlijnen 86/295/EEG, 86/296/EEG en 86/663/EEG doen geen afbreuk aan
de toepassing van lid 1 met ingang van 1 juli 1995.
36
§ 3. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van bepalingen van intern
recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
§ 4. Vóór 1 januari 1994 onderzoekt de Commissie de stand van de
normalisatiewerkzaamheden betreffende deze richtlijn en stelt in voorkomend
geval de passende maatregelen voor.
In dit artikel worden de data gegeven waarop de hele richtlijn in werking zal treden. Er zijn
verschillende data, omdat overgang van de ene regelgeving naar de andere zonder een
overgangsperiode niet denkbaar is.
Er is een algemene overgangsperiode van twee jaar ingesteld om :
- de instanties waarvan kennisgeving is gedaan, de gelegenheid te geven de EG-typeonderzoeken
aan de machines van bijlage IV uit te voeren,
- de voorraden weg te werken,
- de voortgang van de normalisatie mogelijk te maken. Lid 4 voorziet in een voortgangsonderzoek
één jaar vóór de volledige inwerkingtreding van de richtlijn.
De richtlijn zal pas op 1 januari 1995 volledig in werking treden. Op die datum zullen dan niet
meermachinesdie nietaan de richtlijn voldoen, in bedrijf kunnen worden gesteld, zelfs al zijn ze al in de
handel. De fabrikanten wier distributienet aanleg van voorraden machines omvat, hebben er dus belang
bij om zich zo snel mogelijk aan de voorschriften van de richtlijn aan te passen. Zodoende zullen de
detailhandelaars bij de volle dige inwerkingtreding van de richtlijn alleen nog maar voorraden machines
hebben die aan de richtlijn voldoen.
De overgangsperiode is verschoven en beperkt voor materieel dat reeds onder een volledig van
toepassing zijnde communautaire richtlijn viel. Voor dit materieel bestond reeds vrij verkeer, maar
aangezien deze richtlijnen van recente datum zijn, vond de wetgever dat hij niet van de fabrikanten kon
verlangen dat ze al te vaak hun ontwerpen moesten veranderen en dat ze langere tijd moesten krijgen
om zich aan te passen.
Het verkeer van en de handel tussen de Lid-Staten in machines die nog onder de nationale
voorschriften vallen die op 31 december 1992 van kracht waren, vallen nog steeds onder de bepalingen
van het Verdrag (artikel 30 en 36).
De data voor de inwerkingtreding van de wijzigingen die zijn ingevoerd door de tweede in 1993
aangenomen wijzigingsrichtlijn zijn als volgt :
§ 1. De Lid-Staten stellen vóór 1 juli 1994 de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen vast die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze
bekend. Zij stellen de Commissie hiervan onmiddellijk in kennis.
Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen
naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiemaar verwezen bij de officiële
bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden
vastgesteld door de Lid-Staten.
Zij passen deze bepalingen toe vanaf 1 januari 1995.
37
§ 2. In afwijking van lid 1, derde alinea, passen de Lid-Staten de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen om te voldoen aan onderstaande bepalingen
vanaf 1 juli 1994 toe :
- artikel 1, punt 1 0, met uitzondering van de alinea's a, b en q
- artikel 1, punt 11, onder a en b
- artikel 1, punt 12, onder c, d, e en f.
Het eerste streepje heeft betrekking op de wijzigingen van de titel en de opmerkingen vooraf bij
bijlage I van de richtlijn. Deze wijzigingen waren nodig geworden door het opnemen van de
veiligheidscomponenten in het toepassingsgebied van de richtlijn. De richtlijn zal dus zes maanden voor
de inwerkingtreding van de tweede wijziging van toepassing worden op de afzonderlijk in de handel
gebrachte veiligheidscomponenten.
Het tweede streepje heeft betrekking op de wijziging van bijlage II in verband met de afzonderlijk in
de handel gebrachte veiligheidscomponenten; met het oog op de samenhang met wat in het vorig lid
gezegd is, treedt deze in werking op het ogenblik dat de componenten in het toepassingsgebied van de
richtlijn worden opgenomen.
Het derde streepje heeft betrekking op de uitbreiding van de plicht tot EG-typeonderzoek voor
bepaalde machines voor houtbewerking in bijlage IV tot dezelfde machines wanneer die bestemd zijn
voor verwerking van vlees en soortgelijke stoffen.
§ 3. Bovendien staan de Lid-Staten tot en met 31 december 1996 het in de
handel brengen en het in bedrijf stellen toe van machines voor het heffen of
verplaatsen van personen en veiligheidscomponenten die voldoen aan de op de
datum van aanneming van deze richtlijn op hun grondgebied van kracht zijnde
voorschriften.
§ 4. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van bepalingen van intern
recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 14
De volgende artikelen en richtlijnen worden met ingang van 31 december 1994
ingetrokken :
- de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 73/361/EEG van de Raad van 19 november
1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-staten inzake het certificaat en het
kenmerken van staalkabeis, kettingen en haken, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn
76/434/EEG;
- Richtlijn 76/434/EEG van de Commissie van 13 april 1976 voor aanpassing
aan de stand van de techniek van de richtlijn van de Raad van 19 november 1973
betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake
certificaten en merken voor kabels, kettingen en haken.
38
De volgende richtlijnen worden per 31 december 1995 ingetrokken :
- Richtlijn 86/295/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake op bepaalde
bouwmachines gemonteerde constructies ter bescherming bij omslaan (ROPS);
- Richtlijn 86/296/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake bij bepaalde
bouwmachines te gebruiken constructies ter beveiliging tegen vallende
voorwerpen (FOPS);
- Richtlijn 86/663/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake gemotoriseerde
transportwerktuigen, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/240/EEG.
39
BIJLAGE I
Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van
machines en veiligheidscomponenten
Bepaalde eisen (definities van punt 1. 1. 1 of eisen die duidelijk genoeg zijn) behoeven geen
commentaar en worden zonder meer vermeld. Het is mogelijk dat bij de toepassing van de richtlijn
nadere toelichting nodig blijkt, en in dat geval zal hiermee in een volgende uitgave van deze gids rekening
worden gehouden. Ook wordt vaak over normalisatie gesproken zonder dat het nummer van de
betreffende norm wordt genoemd. De reden hiervan is dat de werkzaamheden dan nog niet voltooid zijn
en het nummer dus niet bekend. In een volgende uitgave zullen dus ook de aanvullende referenties voor
de normen worden gegeven.
Het gebruik van het juiste woord op de juiste tijd en op de juiste plaats is een van de pijlers waarop
veiligheid gebouwd is, vooral waar het gaat om de opstelling van normen en gebruiksaanwijzingen voor
machines.
Het is absoluut nodig aandachtig norm EN 292 te lezen, waarin fundamentele begrippen op
veiligheidsgebied worden gedefinieerd en nauwkeurige omschrijvingen gegeven van een groot aantal
concepten en woorden.
Opmerkingen vooraf
In deze bijlage wordt onder "machine" verstaan : ofwel de "machine" als
omschreven in artikel 1, lid 2, ofwel de "veiligheidscomponent" als omschreven
in datzelfde lid.
§ 1. De verplichtingen vervat in de fundamentele veiligheids- en
gezondheidseisen zijn alleen van toepassing indien het desbetreffende gevaar bij
de betrokken machine aanwezig is wanneer deze op de door de fabrikant
bedoelde wijze wordt gebruikt. De eisen van de punten 1. 1.2, 1.7.3 en 1.7.4 zijn
in elk geval van toepassing op alle onder de richtlijn vallende machines.
Met de opmerkingen vooraf worden misschien principes bevestigd die vanzelfsprekend mogen zijn,
maar ze zijn er niet minder belangrijk om.
De eisen gelden alleen als het betreffende gevaar aanwezig is. De fabrikant moet dus uitzoeken
welke gevaren de machine kan opleveren en alle bijbehorende eisen opzoeken. Hij is de enige die dat
kan doen. In het in artikel 8 en bijlage VI bedoelde dossier moeten deze eisen worden vermeld en de
methoden die gebruikt zijn om eraan te voldoen. In het uiterste geval zou een machine voor de werking
waarvan nooit menselijk ingrijpen vereist is en die alleen maar in een afgesloten ruimte zou kunnen
werken, niet aan de meeste fundamentele eisen behoeven te voldoen.
40
§ 2. De in de richtlijn vermelde fundamentele veiligheids- en
gezondheidseisen zijn dwingend. Gezien de stand van de techniek is het evenwel
mogelijk dat de gestelde doelen niet kunnen worden bereikt. In dat geval moeten
deze doelen bij ontwerp en bouw van de machine zoveel mogelijk worden
nagestreefd.
Toepassing van de eisen kan leiden tot te gecompliceerde of te bewerkelijke oplossingen; ze kunnen
zelfs onuitvoerbaar zijn. Ontwerp bij voorbeeld maareenseenhoutzaagmetmanueletoevoerwaarvan het
blad alleen met het hout en niet met de hand van de bediener in aanraking kan komen. De richtlijn staat
geen veronachtzarning van de eisen toe maar erkent wel het belang van de stand van de techniek
(bovendien is in een van de overwegingen ook sprake van economische eisen).
De richtlijn houdt meer een verplichting in tot toepassing van methoden dan tot het behalen van
resultaten. Het is mogelijk dat bij de huidige stand van de techniek niet alle doelstellingen van de richtlijn
haalbaar zijn, maar dat dit binnen enkelejaren wel het geval zal zijn. In de praktijk is het zo dat een
fabrikant een machine moet maken die is afgestemd op de behoeften. De laatste zin is een van de
definities van de kwaliteit, die de Commissie besloten heeft in de Gemeenschap te bevorderen.
We hebben reeds enkele malen gesproken van de stand van de techniek of the state of the art. Dit
begrip is van belang bij de tenuitvoerlegging van de"nieuwe aanpak" en behoeft nader toelichting. In dit
begrip zijn alle feitelijke omstandigheden vervat die van invloed zijn op een technisch, economisch,
sociaal of milieuprodukt.
De normalisatieorganisatie moet dus bij opstelling van een norm rekening houden met de state of
the art, maar die state of the art wordt niet door de norm gecreëerd. Bovendien weerspiegelt de norm,
als zij naar behoren is opgesteld, de state of the art op een gegeven tijdstip.
§ 3. De fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen zijn gegroepeerd
naar de risico's waartegen ze gericht zijn. De machines hebben een reeks
risico's die in verscheidene hoofdstukken van deze bijlage kunnen worden
genoemd.
De fabrikant heeft de plicht een risicoanalyse te verrichten om na te gaan
welke risico's voor zijn machine gelden; bij het ontwerp en de constructie van de
machine moet hij vervolgens rekening houden met zijn analyse.
Soms wil men weten of deze of gene machine aan de eisen van hoofdstuk 1, 2, 3 of 4 van bijlage I
moet voldoen. Een machine moet aan alle eisen die daarop van toepassing zijn voldoen, ongeacht het
hoofdstuk waarin zij omschreven staan.
41
1.
Fundamentele veiligheids - en gezondheidseisen
1.1.
Algemeen
1.1.1. Definities :
In deze richtlijn wordt verstaan onder :
1."gevaarlijke zone", elke zone in en/of rondom een machine waar de
aanwezigheid van een blootgestelde persoon een gevaar voor diens
veiligheid of gezondheid oplevert;
2. "blootgestelde persoon", elke persoon die zich geheel of gedeeltelijk
in een gevaarlijke zone bevindt;
3. "bediener", de persoon (personen) die tot taak heeft (hebben) een
machine te installeren, te laten werken, af te stellen, te onderhouden, te
reinigen, te herstellen of te vervoeren.
1.1.2. In het ontwerp van
a) De machine dient zodanig te zijn gebouwd dat ze kan functioneren
en kan worden afgesteld en onderhouden zonder dat men aan gevaar
blootstaat wanneer deze handelingen worden voltrokken onder de door de
fabrikant vastgestelde omstandigheden.
De genomen maatregelen moeten erop gericht zijn elk ongevalsrisico
gedurende de te verwachten levensduur van de machine, ook bij het
monteren en demonteren, volledig uit te sluiten, ook wanneer deze risico's
het gevolg zijn van te voorziene abnormale omstandigheden.
De fabrikant moet dit punt, wat waarschijnlijk het belangrijkste punt van bijlage I is,
voortdurend in gedachten houden.
Integratie van veiligheid is de fundamentele aanpak van de richtlijn.
De veiligheid moet in het ontwerpstadium, dus zo vroeg mogelijk, worden geïntegreerd. Deze
integratie heeft niet alleen betrekking op het gebruik van een machine in bedrijf maar omvat ook
de veiligheid tijdens de afstelling, het onderhoud, het monteren en het demonteren van de
machine (zie punt 1.7.4.a). Dit wordt nog verder gepreciseerd in de eerste paragraaf van punt 1.
1.2 en in de definitie van "bediener" in punt 1. 1. 1. De richtlijn beoogt de veiligheid van iedereen
die tijdens de periode van de levensduur in de nabijheid van de machine komt.
De te verwachten levensduur van de machine is een belangrijk begrip (in de eerste opmerking
vooraf wordt het dwingend karakter van de eis van punt 1.1.2 voor alle machines benadrukt). De
fabrikant bepaalt de te verwachten levensduur van de machine. Bij de berekening van de sterkte
en de vermoeiing, bij het kiezen van bepaalde componenten en bij de opstelling van de
onderhoudsinstructies zal hij zich op deze te verwachten levensduur baseren.
42
De fabrikant moet de te verwachten levensduur in het technisch dossier vermelden, als deze
van invloed kan zijn op de integratie van de veiligheid in het ontwerp, ter rechtvaardiging van
bepaalde keuzes, maar hij is niet verplicht deze aan de klanten mede te delen, behalve als dit
onder de contractvoorwaarden valt.
Andere belangrijke begrippen zijn "de door de fabrikant voorziene omstandigheden "en" te
verwachten abnormale omstandigheden".
De fabrikant moet bij de vaststelling van de voorwaarden voor het gebruik van de machine
natuurlijk wel te goeder trouw zijn. De richtlijn verlangt van de fabrikant dat hij ook de te
verwachten abnormale omstandigheden onderzoekt om te voorkomen dat hij zich achter te
strenge voorwaarden gaat verschuilen. Wanneer bij voorbeeld bij het ergonomisch ontwerp van
een machine wordt uitgegaan van de voor mannen geldende ergonomische gegevens en het
gebruik van de machine in de gebruiksaanwijzing tot mannen wordt beperkt zonder mogelijkheid
tot afstelling van de machine, hoewel iedereen weet dat er in het betreffende beroep zowel
mannen als vrouwen werkzaam zijn, wordt niet met een te verwachten situatie rekening
gehouden. Zo'n machine voldoet niet aan deze eis en ook niet aan de onder d van punt 1. 1.2
vermelde eis.
Te verwachten abnormale omstandigheden, bij voorbeeld instinctieve of reflexbewegingen
van de bediener zijn vaak niet zo gemakkelijk te bepalen. Als daarentegen de aangebrachte
beveiligingsinrichtingen van dien aard zijn dat ze de bediener zullen hinderen of een belangrijke
daling van de produktiviteit tot gevolg hebben, valt te verwachten dat de gebruiker in de
verleiding komt de beveiliging buiten werking te stellen. De ontwerper moet dus ofwel de
beveiligingsinrichtingen wijzigen of, indien dit onmogelijk is, maken dat er niet mee kan worden
geknoeid. De fabrikant kan daarentegen niet voorzien dat de werkgever een onvoldoende
geschoolde bediener aan de machine zal zetten.
b) Bij het kiezen van de meest passende oplossingen moet de fabrikant
de volgende beginselen toepassen, in de gegeven volgorde :
- de risico's uitsluiten of zoveel mogelijk beperken (bij het ontwerp en de
bouw in de machine verwerkte beveiliging);
- de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen treffen voor risico's die niet
kunnen worden uitgesloten;
- de gebruikers informeren over de risico's die nog aanwezig zijn als
gevolg van een niet volledige doelmatigheid van de getroffen
beveiligingsmaatregelen, aangeven of een bijzondere opleiding vereist is
en signaleren dat persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden
gebruikt.
c) Bij het ontwerpen en de bouw van de machine alsmede bij de
opstelling van de gebruiksaanwijzing moet de fabrikant niet alleen uitgaan
van een normaal gebruik van de machine, maar tevens van het
redelijkerwijze te verwachten gebruik.
De machine dient zodanig te zijn ontworpen dat abnormaal gebruik,
indien gevaarlijk, wordt voorkomen. In voorkomend geval dient de
gebruiksaanwijzing de aandacht van de gebruiker te vestigen op te
ontraden gebruik van de machine dat uit de ervaring zou kunnen blijken.
43
Hier wordt de fabrikant gevraagd het gebruik van de machine nauwkeurig in de
gebruiksaanwijzing te omschrijven. In punt 1.1.2.a wordt gesproken over monteren en
demonteren, en de opsteller van de gebruiksaanwijzing dient deze punten zorgvuldig te
behandelen, want juist in deze fasen zijn de abnormale handelingen te verwachten die oorzaak
zullen zijn van ongevallen.
Indien een machine gebruikt kan worden in meerdere configuraties waardoor specifieke
beveiligingsinrichtingen nodig zijn, zal de gebruiksaanwijzing alle aanwijzingen moeten
verschaffen die nodig zijn om het gebruik van de machine in elke configuratie even veilig te
maken. Dezelfde zorg moet worden besteed aan het zoeken naar en de vermelding van te
ontraden gebruik. Een fabrikant die een kneed/mengmachine aan een bakker verkoopt behoeft
geen explosieveilige machine te ontwerpen. Zo'n machine kan echter niet aan bepaalde
chemische bedrijven of laboratoria verkocht worden, omdat zij dan wel explosieveilig dient te zijn.
Ten slotte kan een gewone waarschuwing in de gebruiksaanwijzing niet als voldoende worden
beschouwd, als er inrichtingen bestaan die op economisch verantwoorde wijze in de machine
kunnen worden ingebouwd en automatisch beperking of opheffing van de beschouwde risico's
bewerkstelligen.
d) Onder de gebruiksomstandigheden waarvoor de machine is bestemd
moeten hinder, vermoeidheid en psychische belasting (stress) van de
bediener tot een haalbaar minimum beperkt blijven, rekening houdend met
de beginselen van de ergonomie.
e) Bij het ontwerpen en de bouw dient de fabrikant rekening te houden
met de belemmeringen die de bediener ondervindt door een noodzakelijk
of te voorzien gebruik van persoonlijke beschermingsuitrusting (bij
voorbeeld schoenen, handschoenen, enzovoort).
f) De machine moet worden geleverd met alle speciale uitrustingen en
accessoires die essentieel zijn voor het voorkomen van gevaar bij
afstelling, onderhoud en gebruik.
1.1.3. Materialen en produkten
De voor de bouw van de machine gebruikte materialen of de bij het
gebruik ervan aangewende en ontstane produkten mogen geen gevaar
opleveren voor de veiligheid of de gezondheid van de blootgestelde
personen.
Met name bij het gebruik van vloeistoffen, dampen en gassen moet de
machine zo zijn ontworpen en gebouwd dat deze kan worden gebruikt
zonder gevaar als gevolg van vullen, gebruiken, opvangen en afvoeren.
Deze eis heeft zowel betrekking op de beperkingen die verbonden zijn aan het voor de bouw
van de machine gebruikte materiaal, als eventueel op de risico's die verbonden zijn aan het
bewerkte materiaal (bij voorbeeld plaatijzer op een plaatschaar, houtblokken op een
schilmachine) of aan een als hulpmiddel gebruikt produkt (bij voorbeeld koelolie, hydraulische
vloeistof, enzovoort).
44
Met betrekking tot het eerste probleem moet de ontwerper de voor de berekening en
materiaalkeuze geldende regels toepassen die te vinden zijn in de gangbare technische literatuur
of de voor zijn vakgebied geldende voorschriften (FEM-voorschriften, ASME-code, ... ) en daarbij
rekening houden met de verwachte levensduur.
Op het gebied van de risico's van verwerkte materialen of voor de werking van de machine
benodigde hulpstoffen is er niet zoveel technische literatuur en de ontwerper moet zich dan laten
leiden door zijn eigen inzichten en ervaring. Voor bijzonder complexe problemen zal een
Europese C-norm of bij gebrek daaraan een nationale norm een grote steun zijn. In de
gebruiksaanwijzing moeten af te raden gebruikswijzen van de machine vermeld staan.
De tweede alinea doelt op risico's waaraan men niet altijd denkt, ook al zijn er eenvoudige
oplossingen voor, bij voorbeeld voorzien in gemakkelijk toegankelijke vulopeningen en
aftapopeningen bij vloeistofcircuits, de mogelijkheid om tanks of reservoirs volledig leeg te maken
en de aan bepaalde vloeistoffen of giftige dampen verbonden risico's enzovoort.
1.1.4. Verlichting
De fabrikant draagt zorg voor een aan de werkzaamheden aangepaste
volledige verlichting indien, ondanks een ruimteverlichting met een
normale waarde, afwezigheid daarvan een risico kan inhouden.
De fabrikant moet erop toezien dat er geen hinderlijke schaduwzones,
hinderlijke verblinding of gevaarlijke stroboscopische effecten worden
veroorzaakt door de verlichting die door de fabrikant is geleverd.
Indien bepaalde organen aan de binnenzijde veelvuldig moeten worden
geïnspecteerd, moeten deze van een passende verlichting zijn voorzien;
dit geldt eveneens voor de zones.
De eerste alinea omschrijft de verplichting : in het totaalontwerp van de machine moet
rekening worden gehouden met een normale omgevingsverlichting en derhalve worden
vermeden dat bepaalde delen van de machine schaduwen werpen op zones die verlicht moeten
zijn om veilig te kunnen werken. Indien geen omgevingsverlichting gegarandeerd is (machines
die's nachts in de open lucht of in slecht verlichte ruimten worden gebruikt), moet de machine
ingebouwde verlichtingsapparatuur hebben. De waarden voor de omgevingsverlichting zijn te
vinden in een in voorbereiding zijnde Europese norm (zolang deze nog niet is gepubliceerd
kunnen nationale normen als NF X35-003 of DIN 5035 worden gebruikt).
De fabrikant kent niet altijd de omstandigheden waarin de machine wordt geïnstalleerd en
heeft er belang bij om bepaalde delen van de machine uit te rusten, of in de mogelijkheid daartoe
te voorzien, met de verlichting die voor veilige werkom standigheden vereist is.
1.1.5. Ontwerp van de machine met het oog op het hanteren ervan
De machine of eik van de samenstellende delen moet :
- veilig kunnen worden gehanteerd;
45
- verpakt zijn of ontworpen zijn om veilig te kunnen worden opgeslagen
zonder dat er beschadigingen ontstaan (bij voorbeeld voldoende stabiliteit,
speciale steunen, enzovoort).
Wanneer in verband met massa, afmetingen of vorm van de machine of
van de onderdelen het verplaatsen met de hand onmogelijk is, moet de
machine of elk van de samenstellende delen :
- voorzien zijn van bevestigingsmiddelen waardoor deze met hijs- of
hefgereedschap kan worden aangevat, of
- zodanig zijn ontworpen dat de machine met deze bevestigingsmiddelen
kan worden uitgerust (bij voorbeeld schroefgaten), of -een zodanige vorm
bezitten dat normaal hijs- of hefgereedschap gemakkelijk kan worden
aangepast.
Wanneer de machine of een van de samenstellende delen met de hand
wordt vervoerd, moeten deze :
- gemakkelijk verplaatsbaar zijn, of
- uitgerust zijn met voorzieningen om de machine of het onderdeel op te
pakken (bij voorbeeld handgrepen) waardoor deze volstrekt veilig kunnen
worden verplaatst.
Er dienen bijzondere voorzieningen te worden getroffen voor het
hanteren van gereedschappen en/of machinedelen, ook van lichte
constructie. die gevaarlijk kunnen zijn (door de vorm, het materiaal,
enzovoort).
Deze eis omvat zowel de behandeling van de verschillende machineonderdelen bij het
monteren of demonteren en de verplaatsing van de machine in gemonteerde toestand
wanneerdie te verwachten is, als het hanteren van de gereedschappen of uitwisselbare
uitrustingsstukken bij gebruik van de machine.
De eis vermeldt expliciet schroefgaten waarin schroefbouten moeten worden aangebracht.
Deze schroefgaten moeten in voldoende aantal en zorgvuldig gerangschikt zijn aangebracht naar
gelang van het draagvermogen van de daarin bevestigde oogbouten (bij TC 168 is een Europese
norm in voorbereiding; in de tussentijd kan de NF-norm E 52-145 of de ISO-norm 3266 worden
gebruikt). Vergeet niet dat zelfs een Europese norm geen dwingend karakter heeft en dat de
ontwerper dus een andere norm kan kiezen; het is echter absoluut verplicht in de
gebruiksaanwijzing te vermelden aan welke norm de schroefgaten beantwoorden.
Er bestaan echter nog andere voorzieningen voor het oppakken van een machine dan
schroefgaten. Bij sommige machines zijn de huipstukken voor het heffen van de werktuigen
ingebouwd. Andere machines zullen op een speciale manier worden geheven en in een dergelijk
geval zal een aanslagschema duurzaam op het onderdeel dat moet worden aangeslagen
bevestigd zijn. Verder moet duidelijk en onuitwisbaar de massa worden vermeld op de
ondeelbare onderdelen van de te hanteren gereedschappen.
46
1.2.
Bediening
1.2.1. Veiligheid en betrouwbaarheid van de bediening
De bedieningssystemen moeten dusdanig ontworpen en uitgevoerd zijn
dat er geen gevaarlijke situatie kan ontstaan. Meer bepaald moeten zij zo
zijn ontworpen en gebouwd dat :
- zij bestand zijn tegen te verwachten bedrijfseisen en invloeden van
buitenaf,
- fouten in de logica bij de bediening niet tot gevaarlijke situaties kunnen
leiden.
Het eerste deel van de eis behoeft geen verder commentaar : het bedieningsorgaan moet zo
zijn gedimensioneerd dat het niet in de hand van de bediener of als gevolg van te verwachten
stoten in ongunstige gebruiksomstandigheden in stukken breekt.
Het tweede deel van de eis kan worden geïllustreerd met het geval van een bouwmachine
waarvan bepaalde bedieningsorganen buiten werking gesteld zijn, als de stabilisatoren niet zijn
uitgebracht en vergrandeld. Er zijn natuurlijk ingewikkelder gevallen, waarbij de ontwerper een
beroep moet doen op zijn ervaring en gezond verstand.
1.2.2. Bedieningsorganen
De bedieningsorganen moeten :
- duidelijk zichtbaar en herkenbaar zijn en waar nodig op passende wijze
zijn gemerkt,
- zodanig zijn geplaatst dat een bedieningshandeling veilig, zonder
aarzeling of tijdverlies en zonder misverstand geschiedt,
- zodanig zijn ontworpen dat de beweging van het bedieningsorgaan een
logisch verband heeft met het bewerkstelligde effect,
- buiten gevaarlijke zones geplaatst zijn behalve, voor zover
noodzakelijk, bepaalde organen zoals noodstoporganen, organen voor het
leren bedienen van robots,
- zodanig geplaatst zijn dat hun bediening geen extra gevaren met zich
brengt,
- zodanig zijn ontworpen of beveiligd dat het beoogde effect, indien dat
gevaar kan opleveren, niet onopzettelijk kan plaatsvinden,
- zodanig zijn vervaardigd dat zij de te voorziene belasting kunnen
verdragen; bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de
noodstopvoorzieningen, die sterk belast kunnen worden.
Indien een bedieningsorgaan zodanig is ontworpen en uitgevoerd dat
hiermede verschillende verrichtingen kunnen worden uitgevoerd, dat wil
zeggen dat de verrichting niet ondubbelzinnig is (bij voorbeeld bij gebruik
van toetsenborden, enzovoort), dan dient de bewerkstelligde werking
duidelijk te worden aangegeven en zo nodig te worden bevestigd.
47
Bedieningsorganen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat de plaatsing, de
verplaatsing en de weerstand die zij bieden verenigbaar zijn met de
bewerkstelligde werking, rekening houdend met de ergonomische
beginselen. Met belemmeringen als gevolg van een noodzakelijk of te
voorzien gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (bij voorbeeld
schoenen, handschoenen, enzovoort) moet rekening worden gehouden.
De machine moet zijn voorzien van signaliseringsinrichtingen
(wijzerplaten, signalen, enzovoort) en aanwijzingen die noodzakelijk zijn
voor een veilig gebruik. Vanaf de bedieningspost moet de bediener alle
aanwijzingen van die inrichtingen kunnen waarnemen. De bediener moet
zich er vanaf de hoofdbedieningspost van kunnen vergewissen dat er zich
geen blootgestelde personen in de gevaarlijke zones bevinden.
Indien dit onmogelijk is, moet het bedieningssysteem zodanig zijn
ontworpen en uitgevoerd dat het inschakelen van de machine steeds wordt
voorafgegaan door een akoestisch en/of visueel waarschuwingssignaal.
De blootgestelde persoon moet de tijd en de middelen hebben om het
inschakelen van de machine snel te verhinderen.
Aan de eis van het eerste streepje dient zoveel mogelijk te worden voldaan door middel van
genormaliseerde symbolen en pictogrammen (ISO 7000). Door het gebruik van deze
pictogrammen zullen vermeldingen in de taal van de gebruiker ter identificatie van de
bedieningsorganen niet nodig zijn.
Het tweede streepje verbiedt dat in het algemeen door gebruik van twee verschillende
bedieningsorganen het zelfde effect kan worden verkregen, en dat met één zelfde orgaan
verschillende effecten kunnen worden verkregen, tenminste vanuit dezelfde bedieningspost.
De bij het derde streepje verlangde logische samenhang wordt waar dat mogelijk is verkregen
door gebruik van "intuïtieve" bedieningsorganen.
Wat het laatste streepje betreft kan men zich in het geval van bedieningsorganen waarbij de
handeling aanhoudend moet zijn geplaatst zien voor twee tegenstrijdige eisen :
- aan de door de bediener te leveren inspanning mag geen te hoge waarde worden
toegekend, omdat de bediener dan geneigd zal zijn het orgaan met ongeoorloofde middelen te
blokkeren.
- genoemde waarde mag ook niet te laag zijn, omdat dit ongewenste inschakeling zou gaan
bevorderen (met name bij draagbare machines).
De normen zullen hier een rol spelen en twee soorten informatie bevatten :
- de eerste soort bestaat uit bijna dwingende regels zoals het merken van de organen, de aard
van het in de laatste alinea genoemde waarschuwingssignaal enzovoort. Om haar rol naar
behoren te kunnen vervullen moet deze informatie een universeel karakter hebben. Varianten
lijken bij de toepassing van deze preventieve middelen moeilijk te rechtvaardigen.
- de andere soort informatie zal van indicatieve aard zijn, met name waar het gaat om de
plaatsing van de bedieningsorganen, de omschrijving van de te verwachten belastingen, de
middelen om het zicht op gevaarlijke zones te verbeteren enzovoort
Een laatste advies : de ontwerper moet een teveel aan wijzerplaten en signaalinrichtingen
vermijden, omdat dit ten koste zal gaan van de goede afiezing van elk afzonderlijk.
48
1.2.3. In werking stellen
Het in werking stellen van een machine mag alleen kunnen geschieden
door een opzettelijk verrichte handeling met een hiervoor bestemd
bedieningsorgaan.
Dit geldt ook:
- voor het opnieuw in werking stellen na een stilstand, ongeacht de
oorzaak daarvan,
- voor het bewerkstelligen van een belangrijke wijziging in de werking
(bij voorbeeld snelheid, druk, enzovoort),
behalve indien dit opnieuw in werking stellen of deze wijziging van de
werking geen enkel risico inhoudt voor de blootgestelde personen.
Het opnieuw in werking stellen of wijzigen van de werking in het kader
van het normale programma van een automatische cyclus valt niet onder
deze fundamentele eis.
Indien een machine verschillende bedieningsorganen voor het in werking
stellen heeft en de bedieners elkaar hierdoor in gevaar kunnen brengen,
moeten aanvullende voorzieningen (zoals bij voorbeeld
valideringsinrichtingen of keuzeschakelaars waardoor slechts telkens één
inschakelinrichting in werking wordt gesteld) aanwezig zijn om dit risico uit
te sluiten.
Het weer automatisch doen functioneren van een geautomatiseerde
installatie na een stilstand dient op eenvoudige wijze te kunnen
geschieden, nadat de veiligheidsvoorwaarden zijn vervuld.
Op de eerste zin van deze eis is nogal wat commentaar gekomen.
Bij bepaalde machines wordt door de sluiting van een afscherming de gevaarlijke beweging op
gang gebracht waartegen die zelfde afscherming beschermt. De richtlijn staat dit niet toe en
verlangt dat de start volgt op het gebruik van een hiervoor bestemd orgaan, dat wil zeggen een
orgaan dat alleen die functie heeft.
Bij bepaalde machines wordt tegenwoordig soms van die eis afgeweken om economische
redenen en hun markpositie zal in gevaar komen als hun produktiviteit wordt gewijzigd. In dat
geval en handelend in de geest van de overwegingen en de eerste opmerking vooraf
(afwezigheid van gevaar) kan, na een degelijke risico-analyse, worden toegestaan dat de sluiting
van een afscherming de beweging op gang brengt. Dit is het geval bij de zeer kleine machines
voor het injecteren van kunststof.
Het opnieuw in werking stellen na een stilstand, ongeacht de oorzaak daarvan, door een
opzettelijk verrichte handeling met een hiervoor bestemd bedieningsorgaan maakt de automatische opeenvolging van cycli onmogelijk, zelfs als de handeling met het bedieningsorgaan
aanhoudend moet zijn, wanneer in verband met de voeding van de machine met onderdelen of
het weghalen daarvan handelingen van de bediener in de gevaarlijke zone nodig zijn.
49
Bij machines met automatische opeenvolging van bedrijfscycli moet de voeding met
grondstoffen en het weghalen van de voltooide stukken automatisch gebeuren, behalve indien de
toegang voor een lichaamsdeel van een persoon of eventueel een huisdier tot de gevaarlijke
zone onmogelijk is.
Bij automatische cycli wordt een opzettelijke handeling met een bedieningsorgaan niet altijd
onmiddellijk gevolgd door het in beweging komen van het gevaarlijke mechanisme, dat in feite in
gang zal worden gezet door bij voorbeeld een niveaudetector, een thermostaat of iets anders. Je
zou kunnen zeggen dat de sluiting van de afscherming de eerste fase van de cyclus vormt en
aannemen dat sluiting van de afscherming toestemming tot de rest van de cyclus betekent. Maar
indien de sluiting van de afscherming een gevaar kan opleveren of indien de ruimte in de
gevaarlijke zone groot genoeg is voor de aanwezigheid van een persoon, moet de sluiting worden
verkregen door een handeling met een bedieningsorgaan die moet aanhouden totdat de sluiting
helemaal voltooid is.
1.2.4. Stopinrichtingen
Normale stopzetting
Elke machine moet zijn voorzien van een bedieningsorgaan waarmee zij
op veilige wijze vol ledig kan worden stopgezet.
Elke werkplek moet zijn voorzien van een bedieningsorgaan waarmee,
naargelang van het risico, hetzij alle bewegende delen van de machine,
hetzij een aantal daarvan kunnen worden stilgelegd, zodat de machine in
veilige toestand is.
De stopopdracht aan de machine moet voorrang hebben op
startopdrachten.
Wanneer de machine of de gevaarlijke onderdelen ervan tot stilstand zijn
gekomen, moet de energievoorziening van de betrokken
aandrijfmechanismen worden onderbroken.
Iedere werkplek bij iedere machine moet verplicht voorzien worden van een stopbediening. Bij
machines van grote horizontale afmetingen kan de stopbediening een staaf zijn of een kabel
langs de gehele machine of iedere andere wille keurige inrichting die snel bereikbaar is.
Noodstop
Elke machine moet voorzien zijn van één of meer noodstopinrichtingen
waarmede een onmiddellijk dreigende of ontstaande gevaarlijke situatie
kan worden afgewend. Dit geldt niet voor :
- machines waarbij het gevaar niet verminderd kan worden door de
noodstopinrichting, hetzij omdat deze niet de normale tijd binnen welke de
machine stopt, beperkt, hetzij omdat deze het niet mogelijk maakt de in
verband met het gevaar vereiste bijzondere maatregelen te nemen,
- met de hand gedragen of handgeleide machines.
50
Deze inrichting moet :
- duidelijk herkenbare, goed zichtbare en snel bereikbare
bedieningsorganen hebben, stopzetting van een gevaarlijk proces binnen
de kortst mogelijke tijd bewerkstelligen zonder extra risico's te scheppen,
- eventueel bepaalde veiligheidsbewegingen in gang zetten of mogelijk
maken dat deze in gang worden gezet.
Wanneer het in werking stellen van de noodstopbediening wordt
beëindigd nadat een stopbevel is gegeven, moet het stopbevel
doorblokkering van de noodstopbediening gehandhaafd blijven totdat de
blokkering wordt opgeheven, blokkering van de inrichting zonder dat deze
een stopbevel genereert mag niet mogelijkzijn; het opheffen van de
blokkering van de inrichting mag alleen dooreen daartoe passende
handeling kunnen geschieden en mag de machine niet in werking stellen,
maaralleen een hernieuwde inschakeling mogelijk maken.
Eerste opmerking: een noodstopinrichting is niet verplicht, als het daardoor geproduceerde
effect gelijk is aan dat van de normale stopzetting van voorgaand punt.
Een bedieningsorgaan voor een noodstop is onder meer noodzakelijk als de normale
stopzetting van de machine ingeval van een eventuele gevaarlijke situatie te lang duurt. De norm
EN 418 behandelt de verschillen tussen het concept van een normale stopbediening en dat van
een noodstopbediening.
Complexe installaties
Bij machines of machinedelen die ontworpen zijn om in combinatie te
functioneren moet de fabrikant de machine zodanig ontwerpen en bouwen
dat met de stopinrichtingen - met inbegrip van de noodstopinrichting - niet
alleen de machine kan worden stopgezet, maar tevens alle daarvoor of
daarachter geschakelde installaties indien het blijven functioneren daarvan
gevaar kan opleveren.
De eisen van dit punt gelden ook voor machines waarin een aantal mechanismen onderling
afhankelijk is (bij voorbeeld op een gereedschapswerktuig, de aandrijving van de spil en de
aandrjfmechanismen). Stopzetting van een mechanisme moet de stopzetting bewerkstelligen van
de mechanismen die, als zij in werking zouden blijven, een gevaarlijke situatie zouden kunnen
veroorzaken (bij voorbeeld breuk van het gereedschap).
51
1.2.5. Functiekeuzeschakelaar
De gekozen bedieningswijze moet voorrang hebben op alle andere
bedieningssystemen, met uitzondering van de noodstopinrichting.
Indien de machine zodanig is ontworpen of gebouwd dat deze volgens
verschillende bedienings- of bedrijfswijzen kan worden gebruikt, waarbij
van uiteenlopende veiligheidsniveaus sprake is (bij voorbeeld om
afstelling, onderhoud, inspectie, enzovoort mogelijk te maken), dan moet
de machine voorzien zijn van een in elke stand vergrendelbare
keuzeschakelaar.
Elke positie van de keuzeschakelaar mag slechts overeenkomen met
één enkele bedrijfsof bedieningswijze.
In plaats van een keuzeschakelaar mag ook gebruik worden gemaakt
van andere keuzemiddelen waarmede het gebruik van bepaalde functies
van de machine tot bepaalde categorieën bedieningspersoneel kan worden
beperkt (bij voorbeeld toegangscodes tot bepaalde functies van digitale
bediening, enzovoort).
Indien de machine voor bepaalde bewerkingen moet kunnen
functioneren met uitgeschakelde beveiligingsvoorzieningen, dan moet de
functiekeuzeschakelaar tegelijkertijd :
- de automatische bedieningsstand onmogelijk maken;
- de bewegingen uitsluitend mogelijk maken door middel van
bedieningsorganen die onafgebroken in een bepaalde stand moeten
worden gehouden;
- de werking van gevaarlijke bewegende delen alleen mogelijk maken
bij extra veiligheidsmaatregelen (bij voorbeeld lagere snelheid, minder
kracht, stap voor stap of een andere passende voorziening) en daarbij
gevaren ingevolge gekoppelde sequenties voorkomen;
- elke beweging onmogelijk maken die gevaar zou kunnen opleveren
doordat vrijwillig of onvrijwillig invloed wordt uitgeoefend op de interne
sensoren van de machine.
Verder moet de bediener vanaf de bedieningspost het functioneren van
de onderdelen waarop hij invloed uitoefent, kunnen beheersen.
Aan de veiligheidsverhogende middelen zou men nog kunnen toevoegen dat de in het
tweede streepje genoemde onafgebroken in een bepaalde stand te houden bedieningsorganen
met twee handen moeten worden bediend, en dat de tijd die de machine nodig heeft om tot
stilstand te komen wanneer genoemd bedieningsorgaan wordt losgelaten, beperkt moet zijn
enzovoort.
52
De laatste zin houdt onder meer in dat de persoon aan het bedieningsorgaan vrij zicht moet
hebben op de daardoor in werking gestelde rnechanismen. Wanneer de beveiligingsinrichtingen
zijn uitgeschakeld, mag het niet zo zijn dat er twee personen nodig zijn, de een voor het
bedieningsorgaan en de ander voor verrichtingen in de gevaarlijke zone. Bij grote machines komt
het vaak voor dat de afstellen of de onderhoudsmonteur een draagbaar bedieningspaneel heeft
dat hij kan aansluiten op het bedieningscircuit via een stopcontact in de nabijheid van het af te
stellen mechanisme. In dat geval moet de ontwerper voldoende ruimte voor de afstellen
vrijhouden, zodat die zich niet in allerlei bochten hoeft te wringen en voldoende afstand kan
bewaren van de gevaarlijke mechanismen.
1.2.6. Defecten in de energievoorziening
Een onderbreking, het herstel na een onderbreking of een schommeling
in positieve of negatieve zin in de energievoorziening van de machine, mag
niet tot gevaarlijke situaties leiden.
Met name mag het niet mogelijk zijn dat :
- de machine ontijdig in werking wordt gesteld;
- de stopzetting van de machine wordt verhinderd indien de opdracht
daartoe reeds is gegeven;
- een bewegend deel van de machine of een door de machine
vastgehouden werkstuk valt of wordt uitgeworpen;
- de automatische stopzetting of de stopzefting met de hand van enig
bewegend deel wordt verhinderd;
- de doelmatigheid van de beveiligingsinrichtingen wordt
uitgeschakeld.
Met een defect in de energievoorziening wordt zowel een onderbreking van de
energietoevoer bedoeld als een schommeling in positieve of negatieve zin van het niveau
daarvan. De ontwerper denkt altijd aan de stroomvoorziening, maar het gevaar bij andere
energievormen, zoals samengeperste lucht, is even groot en frequent. De fabrikant moet de
drukwaarden aangeven van waaraf hij aan de eis voldoet en deze in de gebruiksaanwijzing
vermelden.
De soorten defecten waarmee rekening moet worden gehouden kunnen onder meer zijn :
- gebrekkige isolatie van de elektriciteitsinstallaties in het gebouw,
- spanningsstoringen als gevolg van gebreken in de overspanningsbeveiliging. Korte
spanningsschommelingen kunnen de toestand van schakelaars of relais wijzigen,
- storingen als harmonische frequenties van de nominale frequenties, of stoorspanningen
veroorzaakt door schakelende voedingen,
- overspanningen als gevolg van onweders, overschakelingen,
- drukstoten (terugslagen in hydraulische systemen) of drukverliezen (te veel gelijktijdige
aansluitingen in pneumatische systemen).
53
Deze eis heeft vooral betrekking op het ontwerpen en/of de keuze van :
- de inrichtingen voor het handhaven van een bepaalde toestand (blokkeren, klemmen, ... )
die ondanks defecten in de stroomvoorziening moeten blijven werken en meer in het algemeen
alIe inrichtingen waarvan de blijvende werking een veiligheidseis is (koel/verwarmingstoestellen);
- onderdelen die kunnen gaan bewegen door het vrijkomen van een potentiële energie
(zwaartekracht, veerkracht). Een mechanische afreminrichting die automatisch in positie wordt
gebracht, vormt het goede antwoord op deze eis;
- bedieningsapparatuur (relais, verdelers) die, wanneer de stroomtoevoer stopt, van
toestand kunnen veranderen, met een gevaarlijke beweging van de machine als gevolg.
Om aan deze eis te voldoen moet de volgende algemene regel worden gevolgd : de
commando's voor het starten of versnellen van bewegingen moeten gegeven worden door
inschakeling of verhoging van de elektrische spanning of de vloeistofdruk (overgang naar een
hoger energieniveau). De transmissie via het bedieningscircuit van een stop- of
vertragingscommando moet gebeuren door het wegnemen of verlagen van de elektrische
spanning of de vloeistofdruk.
1.2.7. Defecten in het bedieningscircuit
Een defect dat van invloed is op de samenhang van het
bedieningscircuit of het falen van of een storing in het bedieningscircuit
mag geen gevaarlijke situaties doen ontstaan.
Met name mag het niet mogelijk zijn dat :
- de machine ontijdig in werking wordt gesteld;
- de stopzetting van de machine wordt verhinderd indien de opdracht
daartoe reeds is gegeven;
- een bewegend deel van de machine of een door de machine
vastgehouden werkstuk valt of wordt uitgeworpen;
- de automatische stopzefting of de stopzetting met de hand van enig
bewegend deel wordt verhinderd;
-de doelmatigheid van de beveiligingsinrichtingen wordt uitgeschakeld.
Deze eis vormt een aanvulling op de vorige.
De logische schakelingen van het bedieningscircuit met betrekking tot de
beveiligingsfuncties mogen niet door de bediener worden gewijzigd. Indien het bedieningscircuit
programmeerbaar is, mogen de beveiligingsfuncties niet gewijzigd worden.
De analyse van eis 1.2.6 kan nog worden aangevuld door toevoeging van de mogelijkheid
van defecte componenten of het effect van elektrische of magnetische storingen op bepaalde
componenten.
54
Wanneer de analyse van de gevolgen van een defect aan een component in het
bedieningscircuit een groot risico uitwijst, zullen de met de beschermkappen verbonden
vergrendelinrichtingen rechtstreeks in het bedieningscircuit van de betreffende gevaarlijke
beweging moeten ingrijpen.
1.2.8. Programmatuur
Programmatuur voor de dialoog tussen de bediener en het bedieningsof controlesysteem van een machine dient gebruikersvriendeiijk te zijn
ontworpen.
Onder"gebruikersvriendelijk" moet worden verstaan "gemakkelijk toegankelijk".
Mogen de instructies op het scherm in het Engels zijn ondanks de eis van punt 1.7.4.b? Bij
deze vraag past een genuanceerd antwoord. De programmatuur moet worden omgezet in de
taal van het land van de gebruiker, indien deze omzetting onder normale economische
voorwaarden mogelijk is. Indien dit niet het geval is, moet de gebruiksaanwijzing een
nauwkeurige vertaling in de taal van het land van de gebruiker bevatten van alle instructies die op
het scherm kunnen verschijnen.
Bij bepaalde voor opleiding gebruikte machines, zoals vluchtsimulatoren, moet Engels
worden gebruikt, omdat Engels de voor de internationale luchtverkeersleiding gebruikelijke taal is.
1.3.
Beveiliging tegen mechanische risico's
1.3.1. Stabiliteit
De machine, de onderdelen daarvan en de bijbehorende installaties
moeten zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij onder normale
bedrijfsomstandigheden (eventueel rekening houdend met de
klimatologische omstandigheden) voldoende stabiliteit bezitten om zonder
gevaar voor kanteling, omvallen of ongewenste verplaatsingen te kunnen
worden gebruikt.
Indien de vorm van de machine zelf of de plaats waarvoor zij bestemd
is geen voldoende waarborgen kunnen bieden voor een toereikende
stabiliteit, dient in passende bevestigingsmiddelen te worden voorzien die
in de gebruiksaanwijzing moeten zijn aangegeven.
Een correcte toepassing van deze eis impliceert dat de ontwerper zich niet beperkt tot de
statische aspecten van de machine maar dat hij ook rekening houdt met de dynamische effecten
(centrifugale krachten, inertie van bepaalde onderdelen, trillingen,.....)
Aan de bepaling van de tweede alinea is voldaan, indien de gebruiksaanwijzing nauwkeurig
aangeeft hoe de machine moet worden vastgezet.
Bij bepaalde draagbare machines (cirkelzaag, schaaf, ...) is het draagvlak van invloed op de
stabiliteit tijdens het werk. Aan deze eis dient in dit geval te worden voldaan door onderzoek naar
het draagvlak en de stand van de handgrepen ten opzichte van elkaar.
55
1.3.2. Gevaar voor breuken tijdens het gebruik
De verschillende delen van de machine, alsmede de verbindingen
daartussen, moeten bestand zijn tegen de belastingen en spanningen
waaraan zij worden blootgesteld tijdens het gebruik waarvoor de fabrikant
de machine heeft bestemd.
De gebruikte materialen moeten voldoende weerstand hebben en
aangepast zijn aan de eigenschappen van de gebruiksomgeving waarvoor
de fabrikant de machine heeft bestemd, met name ten aanzien van
moeheids-, verouderings-, corrosie- en slijtageverschijnselen.
De fabrikant dient in de gebruiksaanwijzing de aard en de frequentie te
vermelden van de inspecties en het onderhoud die om veiligheidsredenen
noodzakelijk zijn. Zo nodig geeft hij aan welke onderdelen aan slijtage
onderhevig zijn, alsmede de voor een vervanging geldende criteria.
Indien er, ondanks de getroffen voorzorgsmaatregelen, gevaar bestaat
dat bewegende delen uiteenspringen of breken (bij voorbeeld bij
siijpstenen), moeten deze bewegende delen zodanig zijn gemonteerd en
geplaatst dat bij een breuk de stukken worden tegengehouden.
Stijve of flexibele leidingen voor vloeistoffen, dampen en gassen, in het
bijzonder hogedrukleidingen, moeten bestand zijn tegen de interne en
externe krachten waaraan zij normaal worden blootgesteld; zij moeten
stevig zijn bevestigd en/of afgeschermd tegen externe aantasting of
belasting van allerlei aard; er moeten voorzorgsmaatregelen worden
genomen om gevaren bij eventuele breuken te voorkomen (plotselinge
bewegingen, hogedrukstralen, enzovoort).
Bij automatische toevoer van het te bewerken materiaal naar het
werktuig dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan om gevaar
voor de blootgestelde personen (bij voorbeeld werktuigbreuk) te
vermijden:
- bij het contact tussen werktuig en te bewerken stuk moet het werktuig
in zijn normale gebruiksomstandigheden verkeren;
- bij het in werking stellen en/of het stilzetten van het werktuig (al dan
niet opzettelijk) moeten de aanvoerbeweging en de beweging van het
werktuig gecoördineerd zijn.
Deze eis lijkt een overbodige herhaling van de eis van punt 1.1.3. Er worden aanvullende
opmerkingen gegeven inzake de betreffende mechanische risico's.
56
Bij de toepassing van de eerste en tweede alinea spelende doorde fabrikant aangegeven
gebruiksvoorwaarden een belangrijke rol.
De vierde alinea bevat een eis waaraan niet altijd gemakkelijk is te voldoen : moeten bij
voorbeeld vliegwielen onder een carter worden geplaatst dat bij het stukspringen van het
vliegwiel de stukken kan tegenhouden? Het antwoord is nee in verband niet de grootte van
sommige vliegwielen. In feite zullen vaak de conventionele berekeningen van de materiaalsterkte
en afdoende veiligheidscoëfficiënten er voor zorgen dat er geen gevaar voor breuken bestaat
(voor vliegwielen zie de Franse norm NFE22-071).
Materiaalsterkteberekeningen geven echter minder zekerheid, wanneer de materialen niet
gelijksoortig zijn, en de eis geeft als voorbeeld slijpstenen waarvoor wel carters nodig zijn die
sterk genoeg zijn.
De eisen van de laatste alinea passen beter bij punt 1.2. Maar indien hieraan niet volledig is
voldaan, is op grond van deze alinea een afscherming tegen het mechanisch risico vereist.
1.3.3. Gevaar door vallende of wegschietende voorwerpen
Er moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om het vallen of
wegschieten van voorwerpen (bewerkte stukken, werktuig, spaanders,
splinters, stukken, enzovoort) die een gevaar kunnen opleveren, te
voorkomen.
Indien ondanks de voorzorgsmaatregelen de kans op vallende voorwerpen blijft bestaan,
zullen de afschermingen er door hun afmetingen op berekend moeten zijn vallende of
wegschietende voorwerpen tegen te houden.
1.3.4. Gevaren door oppervlakken, scherpe kanten, hoeken
Bereikbare machineonderdelen mogen, voor zover dat in verband met
hun functie mogelijk is, geen scherpe kanten en hoeken of ruwe
oppervlakken vertonen die verwondingen kunnen veroorzaken.
Deze eis in de eerste plaats voor frames, maar meer in het algemeen beschouwd alle
machinedelen, behalve natuurlijk de werktuigen.
Speciale aandacht moet worden besteed aan de randen van de vaste of beweegbare uit
plaatijzer vervaardigde schermen. De randen moeten afgerond zijn of afgezet met een ring. De
straal van deze ring of afronding is verschillend afhankelijk van het al dan niet beweegbaar zijn
van het scherm en van de vraag hoe hard men ermee in aanraking kan komen enzovoort.
De onderdelen van het frame moeten overal waar ze bereikbaar zijn zorgvuldig worden
gecontroleerd (norm EN 294), vooral rond de werkplek of de doorgangen.
Er bestaan helaas geen algemeen toepasbare gegevens over welke stralen aanvaardbaar
zijn voor scherpe hoeken en kanten, aangezien bij eventuele verwondingen te veel factoren een
rol spelen.
1.3.5. Gevaren in verband met gecombineerde machines
57
Wanneer een machine is bestemd om een aantal verschillende
bewerkingen te kunnen verrichten, waarbij het werkstuk bij iedere
bewerking met de hand wordt toegevoerd (gecombineerde machine), moet
zij zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat ieder deel afzonderlij kan
worden gebruikt zonder dat de overige machinedelen voor de
blootgestelde persoon een gevaar betekenen of hem hinderen.
Met het oog hierop moet ieder deel, wanneer het niet volledig is
afgeschermd, afzonderlijk in werking kunnen worden gesteld of gestopt.
Deze eis vult de punten 1.2.3 en 1.2.4 aan. In de praktijk moet ieder machinedeel zijn eigen
start- en stopbedieningsorganen hebben.
1.3.6. Gevaren in verband met de verschillende draaisnelheden van de
gereedschappen
Indien de machine is ontworpen om bewerkingen uit te voeren in
verschillende gebruiksomstandigheden (bij voorbeeld inzake snelheid en
voeding), moet zij zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat deze
omstandigheden veilig en betrouwbaar kunnen worden gekozen en
ingesteld.
Volgens punt 1.2.5 is een keuzeschakelaarvereist voor afstelling, onderhoud, enzovoort.
Deze eis wordt uitgebreid tot bepaalde wijzen van gebruik van de machine in normal bedrif.
1.3.7. Voorkomen van gevaren in verband met de bewegende delen
De bewegende delen van de machine moeten zodanig zijn ontworpen,
vervaardigd en geplaatst dat risico's worden voorkomen of, wanneer
risico's blijven bestaan, zodanig van afschermingen of
beveiligingsinrichtingen zijn voorzien dat eik gevaar voor aanraking
waardoor zich ongelukken zouden kunnen voordoen, wordt vermeden.
Hier wordt erop gewezen dat men eerst moet proberen het risico weg te werken en dat er
pas, als dat niet gelukt is, aan schermen of beveiligingsinrichtingen mag worden gedacht. Een
goed voorbeeld van intrinsieke beveiliging vormen de machines waarbij de meeste bewegende
delen in het frame/chassis zijn ondergebracht zonder toegangsmogelijkheid.
De tweede alinea gaat over machines waarvan de gereedschappen niet volledig kunnen
worden beschermd (motormaaimachines, grasmaaimachines) en waarbij verstoppingen met
blokkering van het gereedschap als gevolg mogelijk zijn. De fabrikant moet zorgen voor een
manier van deblokkeren die niet gevaarlijk is en duidelijke aanwijzingen voor de uitvoering
daarvan geven in de gebruiksaanwijzing of beter nog in de nabijheid van het betreffende
gereedschap.
1.3.8. Keuze van de beveiliging tegen gevaren in verband met bewegende delen
58
Een afscherming of beveiligingsinrichting die wordt gebruikt met het oog op de
gevaren van bewegende delen, moet worden gekozen op basis van het bestaande
risico. Om de keuze mogelijk te maken, moeten onderstaande aanwijzingen worden
opgevolgd.
A. Bewegende overbrengingsorganen
De afschermingen ter beveiliging van blootgestelde personen tegen de risico's
veroorzaakt door bewegende overbrengingsorganen (zoals bij voorbeeld
riemschijven, riemen, tandwielen, tandheugels, transmissieassen, enzovoort) moeten
:
- vaste afschermingen zijn, overeenkomstig de eisen van 1.4.1 en
1.4.2.1 of
- wegneembare schermen zijn, overeenkomstig de eisen van 1.4.1 en
1.4.2.2.A.
De laatste mogelijkheid moet worden aangewend indien veelvuldige
ingrepen te voorzien zijn.
B. Bewegende delen die dienen voor het werk
De afschermingen of beveiligingsinrichtingen die ontworpen zijn om
blootgestelde personen te beschermen tegen de gevaren die kunnen
worden veroorzaakt door de bewegende delen die dienen voor het werk
(zoals bij voorbeeld snijgereedschap, bewegende delen van persen,
cilinders, onderdelen die worden bewerkt, enzovoort), moeten :
- voor zover mogelijk vaste schermen zijn, overeenkomstig de eisen
van 1.4.1 en 1.4.2.1;
- of anders, wegneembare schermen zijn overeenkomstig de eisen van
1.4.1 en 1.4.2.2.B of beveiligingsinrichtingen zoals gevoelige elementen (bij
voorbeeld foto-elektrische beveiligingen, sensormatten), positiebeschermingsinrichtingen (bij voorbeeld tweehandige bedieningen),
beschermingsinrichtingen om het lichaam van de bediener, of delen
daarvan, automatisch uit de gevaarlijke zone te houden overeenkomstig de
eisen van 1.4.1 en 1.4.3.
Wanneer echter bepaalde bewegende delen die dienen voor de
uitvoering van het werk niet volledig of gedeeltelijk onbereikbaar kunnen
worden gemaakt wanneer zij in werking zijn, wegens verrichtingen die het
ingrijpen van de bediener in de omgeving van deze delen noodzakelijk
maken, dan moeten deze delen, voor zover dit technisch mogelijk is,
worden voorzien van :
59
- vaste schermen overeenkomstig de eisen van 1.4.1 en 1.4.2.1,
waardoor de toegang tot de niet bij het werk gebruikte delen onmogelijk
wordt, alsmede van :
- instelbare schermen, overeenkomstig de eisen van 1.4.1 en 1.4.2.3,
waardoor de toegang wordt beperkt tot die gedeelten van de bewegende
delen die strikt noodzakelijk zijn voor de werkzaamheden.
Alleen de eerste zin bevat een eis. De rest van het punt bestaat uit"aanwijzingen". Hoewel
de in A en B gegeven verwijzingen naar de kenmerken van de afschermingen verschillend zijn,
spreekt het vanzelf dat als bewegende overbrengingsorganen en bewegende delen die dienen
voor het werk zich zeer dicht bij elkaar bevinden en met eenzelfde scherm, bij voorbeeld van het
type 1.4.2.2.B, kunnen worden afgeschermd, men daar het recht toe heeft, hoewel het scherm
van het type 1.4.2.2.B niet onder A voor de afscherming van bewegende overbrengingsorganen
wordt genoemd.
De keuze van het scherm moet door de fabrikant worden gemaakt afhankelijk van het
bestaande risico.
De nadruk wordt gelegd op vaste afschermingen, die zo veel mogelijk moeten worden
toegepast in de gevallen waarin ingrepen waarbij het wegnemen van de afschermingen
noodzakelijk is, weinig voorkomen. Het feit dat gebruik van een gereedschap nodig is, geeft aan
die verrichting het karakter van een ingreep door een geschoolde werknemer (diegene die het
gereedschap bezit). Het gebruik van een sleutel staat gelijk met het gebruik van een
gereedschap. Vaste afschermingen kunnen heel goed voorzien worden van een
uitschakelinrichting waarmee de machine buiten gebruik moet worden gesteld voordat het
scherm wordt weggenomen.
1.4.
Vereiste eigenschappen van de schermen en beveiligingsinrichtingen :
1.4.1. Algemene eisen
Schermen en beveiligingsinrichtingen:
- moeten stevig zijn uitgevoerd;
- mogen geen bijkomende gevaren met zich brengen;
- mogen niet op een eenvoudige wijze omzeild of buiten werking
kunnen worden gesteld;
- moeten voldoende ver van de gevaarlijke zone verwijderd zijn;
- moeten het zicht op het verloop van het werk zo min mogelijk
belemmeren;
- moeten de noodzakelijke handelingen voor het aanbrengen en/of de
vervanging van de gereedschappen alsmede voor de onderhoudswerk
zaamheden mogelijk maken, waarbij de toegang wordt beperkt tot de
sector waar het werk moet worden verricht en, zo mogelijk, demontage van
het scherm of de beveiligingsinrichting niet nodig is.
Schermen moeten bestand zijn tegen te verwachten mechanische belasting zoals
wegschietende spaanders, van binnenuit komende splinters, van buitenaf komende stoten of
duwen.
60
Zij moeten voldoen aan de eis van punt 1.3.4 en de beveiligingssystemen moeten
betrouwbaar zijn en zo ontworpen dat het moeilijk is om ze buiten werking te stellen.
Tussen het scherm, of de beveifigingsinrichting, en de gevaarlijke beweging moet een
zodanige afstand bestaan dat de tijd tussen het openen van het scherm of het in werking treden
van de beveiligingsinrichting, en de stopzetting van de gevaarlijke beweging korter is dan de tijd
die de bediener nodig heeft om de gevaarlijke beweging te bereiken via de opening die vrijkomt
door het wegnemen van het scherm of het buiten werking stellen van de beveiligingsinrichting. In
de in voorbereiding zijnde normen wordt aangegeven met welke snelheid met het oog op de
ledematen van de bediener rekening moet worden gehouden.
Indien de bediener de beweging moet kunnen observeren, dient zoiets als een venster te
worden aangebracht. De sterkte daarvan zal zodanig moeten zijn dat het venster geen zwakke
plek vormt in de beveiliging en het zal "doorzichtig" moeten blijven wanneer de machine in bedrijf
is (opspattende olie, snijvloeistof, enzovoort).
In het laatste streepje wordt geëist dat er eerst alle mogelijke veiligheidsvoorzieningen
moeten worden ingebouwd, voordat men z'n toevlucht tot schermen neemt.
1.4.2.
Bijzondere eisen voor schermen
1.4.2.1. Vaste schermen
Vaste schermen moeten stevig op hun plaats worden gehouden.
Deze schermen moeten zodanig zijn bevestigd dat zij alleen met behulp
van gereedschappen kunnen worden geopend.
Voor zover mogelijk moeten zij bij het afnemen van hun bevestigingsmiddelen, niet op hun plaats kunnen blijven.
Volgens deze eis mag bij voorbeeld een vast scherm niet om zijn bovenrand scharnieren,
omdat men dan niet met één oogopslag kan zien of de bediener dat scherm weer goed heeft
vastgemaakt. Scharnierende schermen worden over het algemeen afgeraden. Ze zijn
toelaatbaar op plaatsen waar de bediener in een moeilijke positie werkt en de kans loopt ofwel
dit scherm te verliezen (doordat het valt) of het moeilijk weer op zijn plaats kan krijgen.
1.4.2.2. Wegneembare schermen
A. Wegneembare schermen van type A moeten :
- voorzover mogelijk, met de machine verbonden blijven wanneer zij
geopend worden; - verbonden zijn met een vergrendelingsinrichting die
verhindert dat de bewegende delen op gang kunnen worden gebracht
zolang deze delen bereikbaar zijn en die de beweging van deze delen doet
stoppen zodra de schermen niet meer gesloten zijn.
B. Wegneembare afschermingen van het type B moeten zodanig zijn
ontworpen en in het bedieningssysteem zijn opgenomen dat :
61
- de bewegende delen niet in beweging kunnen worden gesteld zolang
zij binnen het bereik van de bediener zijn;
- de blootgestelde persoon de bewegende delen niet kan bereiken;
- voor de afsteiling een welbewuste handeling noodzakelijk is, bij
voorbeeld het gebruik van gereedschap, een sleutel, enzovoort;
- het ontbreken van of een defect aan een van de onderdelen het in
gang brengen verhindert of de bewegende delen tot stilstand brengt;
- bij gevaar voor wegspringende delen, hiertegen een beveiliging van
passende aard is voorzien.
Anders dan bij de vaste schermen geeft de richtlijn er de voorkeur aan dat wegneembare
schermen met de machine verbonden blijven. Het onderscheid dat in dit punt wordt gemaakt
tussen de onder A en de onder B genoemde schermen kan met behulp van het jargon van de
preventiespecialisten en de norm EN292 als volgt worden samengevat: onder A gaat het om
vergrendelde schermen en onder B gaat het om onderling vergrendelde schermen. In het
laatste geval is het onmogelijk het scherm open te maken voordat de gevaarlijke beweging
gestopt is, terwijl in het geval van de onder A genoemde schermen de gevaarlijke beweging
gestopt wordt door opening van het scherm.
De graad van verfijning van de vergrendelingsinrichting zal variëren naar gelang van de
aard van het risico en de openingsfrequentie enzovoort. In een Europese norm die nu in
voorbereiding is worden de verschillende mogelijkheden gegeven.
1.4.2.3. lnstelbare afschermingen die de toegang beperken
lnstelbare afschermingen die de toegang beperken tot bewegende
delen die voor de werkzaamheden strikt noodzakelijk zijn, moeten :
- afhankelijk van de aard van de te verrichten werkzaamheden, met de
hand of automatisch instelbaar zijn;
- gemakkelijk kunnen worden ingesteld zonder gebruik van
gereedschap;
- het gevaar van wegspringend materiaal zoveel mogelijk beperken.
Dit punt handelt over afschermingen die geen volledige bescherming bieden tegen een
risico maar de toegang tot een gevaarlijke beweging beperken (afschermingen van lintzaagbladen, slijpstenen enzovoort). De afstelling moet gemakkelijk gaan, zodat de bediener niet in
de verleiding komt de afscherming op de maximale opening in te stellen en het verder zo te
laten, omdat eventuele verdere aanpassing te gecompliceerd zou zijn.
1.4.3.
Bijzondere eisen voor beveiligingsinrichtingen
Beveiligingsinrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen en in het
bedieningssysteem zijn opgenomen dat :
- de bewegende delen niet in beweging kunnen worden gesteld zolang
zij binnen het bereik van de bediener zijn,
- de blootgestelde persoon de bewegende delen niet kan bereiken,
62
- voor de afstelling een welbewuste handeling noodzakelijk is, bij
voorbeeld het gebruik van gereedschap, een sleutel, enzovoort,
- het ontbreken van of een defect aan een van de onderdelen het in
gang brengen verhindert of de bewegende delen tot stilstand brengt.
De rol van deze inrichtingen is dezelfde als die van het type schermen van 1.4.2.2.B.
De eisen zijn dus hetzelfde, behalve waar het gaat om de afscherming tegen
wegschietende deeltjes; dit is normaal, omdat deze inrichtingen immaterieel zijn en dus alleen
kunnen worden gebruikt wanneer dit gevaar niet bestaat.
De verschillende bekende inrichtingen worden behandeld in de Europese normen (EN 574
voor bimanuele bedieningsorganen, EN 50100 voor elektrisch gevoelige inrichtingen enzovoort).
1.5.
Beveiliging tegen andere gevaren
1.5.1.
Gevaren als gevolg van elektriciteit
Wanneer de machine elektrisch wordt aangedreven moet zij zodanig
zijn ontworpen, gebouwd en uitgerust dat alle gevaren in verband met
elektriciteit worden of kunnen worden voorkomen. De vigerende
specifieke voorschriften betreffende elektrisch materieel dat bestemd is
om binnen bepaalde spanningsgrenzen te worden gebruikt, moeten
worden toegepast op de onder die voorschriften vallende machines.
Met de voorschriften van norm EN 60204 wordt naar behoren voldaan aan deze eis. Er is
ook nog de norm EN 60335 die meer voor elektrische huishoudelijke apparaten bedoeld is,
maar om alle misverstanden te vermijden is het Cenelec begonnen met een samensmelting van
beide teksten.
In de norm CEI 523 worden de zogeheten beschermingsgetallen van omhullingen (IP)
gedefinieerd.
Verder bestaat er een aantal normen voor elektrische componenten en een aantal
merktekens van overeenstemming met die normen. Het is in het belang van de ontwerper om
zoveel mogelijk componenten te gebruiken die aan deze specificaties voldoen.
1.5.2.
Gevaren als gevolg van statische elektriciteit
De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat het
optreden van elektrostatische ladingen die gevaar kunnen opleveren,
wordt verhinderd of beperkt, en/of voorzien zijn van middelen waarmede
deze ladingen kunnen worden afgevoerd.
63
1.5.3.
Gevaren door andere dan elektrische energie
Indien de machine met andere dan elektrische energie werkt, (bij
voorbeeld met hydraulische, pneumatische of thermische energie) moet
de machine zodanig zijn ontworpen, gebouwd en uitgerust dat alle risico's
voortvloeiend uit het gebruik van deze soorten energie worden
voorkomen.
1.5.4.
Gevaren door montagefouten
Fouten bij het monteren of herplaatsen van bepaalde onderdelen
waardoor gevaren zouden kunnen ontstaan, moeten uitgesloten zijn door
het ontwerp van deze onderdelen of anders door aanwijzingen die op de
onderdelen zelf en/of op de ombouw zijn aangebracht.
Dezelfde aanwijzingen moeten zijn aangebracht op de bewegende
delen en/of de ombouw daarvan, indien men de richting van de beweging
moet kennen om gevaarte voorkomen. Aanvullende gegevens dienen
eventueel in de gebruiksaanwijzing te worden vermeld.
Indien een onjuiste aansluiting gevaar kan opleveren, moeten
verkeerde verbindingen van vloeistof-, damp- en gasleidingen, alsmede
van elektrische aansluitingen, uitgesloten zijn door het ontwerp ervan, of,
indien dit niet mogelijk is, door aanwijzingen op de leidingen en/of
aansluitklemmen.
Het ontwerp en de tekeningen van onderdelen, waarbij bij voorbeeld wordt vermeden
onderdelen symmetrisch te maken, moeten zodanig zijn dat voor het gebruik gevaarlijke
montagefouten onmogelijk kunnen voorkomen.
In hydraulische of pneumatische installaties met verschillende drukniveaus moeten bij
voorbeeld fouten bij het aansluiten worden vermeden door bij voorbeeld voor ieder drukniveau
verschillende diameters te gebruiken.
Als in eenzelfde machine verschillende gassen worden gebruikt (zuurstof, argon, stikstof,
acetyleen, ... ) moeten verkeerde aansluitingen onmogelijk worden gemaakt in het ontwerp.
Aanduiding in verschillende kleuren vormt een goede aanvulling, maar is op zichzelf
onvoldoende om aan deze eis te voldoen.
1.5.5.
Gevaren door extreme temperaturen
Er moeten voorzieningen worden getroffen om eik gevaar voor
verwondingen, door aanraking of op afstand, van onderdelen of
materialen met een hoge of zeer lage temperatuur te voorkomen.
64
De mogelijkheden van het wegspringen van warme of zeer koude
stoffen moeten worden bestudeerd. Indien deze mogelijkheden aanwezig
zijn, moeten de nodige middelen worden aangewend om deze uit te
sluiten of, indien dit technisch onmogelijk is, het gevaar ervan te
elimineren.
Norm EN 563 gaat over grenstemperaturen van de hete oppervlakken.
De grensternperaturen van de koude oppervlakken zullen in een andere nog in
voorbereiding zijnde norm worden behandeld.
1.5.6.
Brandgevaar
De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat elk gevaar
van brand of oververhitting, veroorzaakt door de machine zelf of door
gassen, vloeistoffen, stof, dampen en andere door de machine
geproduceerde of gebruikte stoffen, wordt vermeden.
1.5.7.
Ontploffingsgevaar
De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat de machine
zelf of de gassen, vloeistoffen, stofdeeltjes, dampen en andere door de
machine geproduceerde of gebruikte stoffen geen gevaar voor ontploffing
oplevert.
Hiertoe neemt de fabrikant maatregelen om :
- een gevaarlijke concentratie van de produkten te voorkomen,
- ontbranding van de omgeving met ontploffingsgevaar te
verhinderen,
- de ontploffing, indien deze zich toch voordoet, zo klein mogelijk te
maken zodat zij geen gevaarlijke gevolgen voor de omgeving heeft.
Dezelfde voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen indien de
fabrikant verwacht dat de machine in een omgeving met ontploffingsgevaar wordt gebruikt.
Het elektrisch materieel dat deel uitmaakt van deze machines, moet
wat betreft het ontploffingsgevaar in overeenstemming zijn met de
vigerende bijzondere richtlijnen.
Een «nieuwe aanpak» -richtlijn over omgevingen met ontploffingsgevaar met een indeling
van de daar gebruikte apparaten is in behandeling bij de Raad. Het betreft hier COM (9l) 516,
dat gepubliceerd is in PB C 46 van 20 februari 1992.
65
1.5.8.
Gevaren door geluidsoverlast
De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat gevaren als
gevolg van de uitstraling van luchtgeluid tot een minimum worden
teruggebracht, rekening houdend met de vooruitgang van de techniek en
de beschikbaarheid van geluiddempende middelen, in het bijzonder bij de
bron.
We herinneren nog eens aan het commentaar bij de opmerkingen vooraf van bijlage 1 :
een norm kan (door vaststelling van grenswaarden) niet the state of the art scheppen maar
deze wel weergeven.
De richtlijn geeft geen grenswaarden voor lawaai : het toepassingsgebied is zo uitgebreid
dat ieder onderzoek naar zulke waarden zinloos is. Ze verlangt echter wel dat de ontwerper al
het mogelijke doet om het lawaai te beperken, niet alleen door middel van schermen, maar
vooral in het ontwerpstadium. Dat wordt metde laatste drie woorden bedoeld.
Men moet overigens onderscheid maken tussen het door een machine geproduceerde
lawaai en het lawaai waaraan personen en het milieu worden blootgesteld. Dit laatste hangt af
van veel factoren, zoals het aantal machines dat in eenzelfde ruimte in bedrijf is, het lawaai van
de overige machines, de wijze van installatie (bij een muur, de aard van deze muur, de hoogte
van het plafond, ... ) enzovoort. Wanneer een grenswaarde wordt opgelegd aan een machine
afzonderlijk, kan daarmee niet de invloed van die machine op de gezondheid van bedieners of
de kwaliteit van het milieu worden beoordeeld.
De richtlijn legt geen grenswaarden op en normen, die geen dwingend karakter hebben
kunnen dat al helemaal niet doen. De normen zouden evenwel, heel voorzichtig geformuleerd,
de gemiddelde niveaus kunnen geven die op een bepaald tijdstip bereikt zijn door een
willekeurig type in serie geproduceerde machine (eventueel per vermogensbereik, per type
technologie enzovoort) indien kennis van deze niveaus de gebruiker kan helpen zijn keuze te
bepalen. Er moet wel een echte behoefte aan dit soort informatie bestaan en het is een
absolute vereiste dat de methoden waarmee ze kunnen worden gecontroleerd erbij worden
vermeld.
1.5.9.
Gevaren door trillingen
De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat gevaren
voortvloeiend uit door de machine veroorzaakte trillingen tot een
minimum worden teruggebracht, rekening houdend met de vooruitgang
van de techniek en de beschikbaarheid van trillingdempende middelen, in
het bijzonder aan de bron.
Het commentaar bij punt 1.5.8 geldt ook voor de trillingen.
66
1.5.10. Stralingsgevaren
De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat uitstraling
door de machine beperkt blijft tot hetgeen noodzakelijk is voor de werking
van de machine en dat het effect daarvan op de blootgestelde personen
wordt geëlimineerd of tot een ongevaarlijk niveau wordt beperkt.
Bij de werking van bepaalde machines is emissie van straling noodzakelijk (röntgen,
gammastralen). Volgens punt 1.5.10 moet de machine zo worden ontworpen dat deze straling
tot de functie beperkt blijft en geen gevaar oplevert voor personen.
1.5.11. Gevaren door uitwendige straling
De machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat uitwendige
straling de werking ervan niet kan verstoren.
Deze eis betekent dat de ontwerper, ook al mag de machine in bepaalde omgevingen of op
bepaalde plaatsen gebruikt worden, zijn componenten zo moet kiezen dat de te verwachten
omstandigheden in die omgevingen of op die plaatsen niet de werking van de machine
dusdanig verstoren dat het bedienend personeel of andere aan de straling blootgestelde
personen gevaar lopen.
Om aan de eisen van de punten 1.5.10 en 1.5.11 te kunnen voldoen moet de ontwerper
rekening houden met Richtlijn 89/336/EEG inzake de elektromagnetische compatibiliteit.
1.5.12. Gevaren in verband met laserapparatuur
Ingeval van het gebruik van laserapparatuur moet met de volgende
voorschriften rekening worden gehouden :
- de laserapparatuur op de machines moet zodanig zijn ontworpen en
gebouwd dat iedere onopzettelijke straling wordt vermeden,
- de laserapparatuur op de machines moet zodanig zijn beveiligd dat
noch de nuttige straling, noch de straling door reflectie of diffusie en de
secundaire straling schade toebrengen aan de gezondheid,
- de optische apparatuur voor de waarneming of het afstellen van de
laserapparatuur op de machines moet van dien aard zijn dat de
laserstralen geen enkel gevaar voor de gezondheid opleveren.
Dit punt bevat de eisen van punt 1.5.10 maar dan toegespitst op laserapparatuur.
1.5.13. Gevaren door de uitworp van stof, gassen, enzovoort
De machine moet zodanig zijn ontworpen, gebouwd en/of uitgerust
dat gevaren als gevolg van de uitworp van gassen, vloeistoffen, stof,
67
dampen en andere afvalstoffen die de machine produceert, worden
vermeden.
Indien dergelijke gevaren aanwezig zijn, moet de machine zijn
uitgerust met voorzieningen om deze produkten op te vangen en/of af te
zuigen.
Indien de machine bij normale werking niet is afgesloten, moeten
bovenbedoelde opvangen/of afzuigvoorzieningen zich zo dicht mogelijk
bij de plaats van de uitworp bevinden.
De machine moet zijn uitgerust met de middelen (buizen, andere passende voorzieningen)
waarmee hij gemakkelijk op een afvoerinstallatie kan worden aangesloten. In de
gebruiksaanwijzing moeten overigens de belangrijkste kenmerken die de afvoerinstallatie moet
hebben, vermeld worden, met name het debiet.
Wat de draagbare machines betreft zijn er verschillende mogelijkheden zoals :
- machines die, hoewel ze draagbaar zijn, steeds gebruikt worden op vaste werkplekken,
die kunnen worden uitgerust met afvoerinstallaties. De machine behoeft dus alleen maar van
een aansluitpijp te worden voorzien;
- in andere gevallen moet de machine worden uitgerust met een eigen opvangsysteem (bij
voorbeeld een schuurmachine met een zak voor het opvangen van het zaagsel);
- indien opvang technisch onmogelijk is, moet de machine zo zijn ontworpen dat de
bediener geen stof, gas of andere schadelijke dampen binnen krijgt.
1.5.14. Gevaar van opgesloten raken in een machine
Machines moeten zijn ontworpen, gebouwd of uitgerust met
voorzieningen die waarborgen dat een blootgestelde persoon er niet in
opgesloten raakt of die hem indien dat niet kon worden voorkomen in
staat stellen hulp te roepen.
Deze eis geldt voor bepaalde machines waar de bediener in moet gaan (bij voorbeeld bij
bepaalde agrovoedingsmachines, wanneer die moeten worden schoongemaakt). Er moeten
voorzieningen aanwezig zijn waarmee de bediener zonder hulp van buitenaf de machine kan
verlaten.
1.5.15. Gevaar van vallen
De delen van de machine waarop zich naar verwachting personen
zouden kunnen verplaatsen of bevinden, moeten zodanig zijn ontworpen
en uitgevoerd dat er geen personen op deze delen kunnen uitglijden,
struikelen dan wel eruit of eraf kunnen vallen.
De manieren waarop aan deze eis kan worden voldaan, zijn momenteel in studie bij de
Europese Commissie voor normalisatie en zullen in normen worden verwerkt. Voorkomen dat
personen kunnen vallen, struikelen enzovoort kan voor de in de buitenlucht gebruikte toestellen
betekenen dat de ontwerper met de nodige voorzieningen vorming van plassen water, ophoping
van sneeuw of andere stoffen op de doorgangen voor de bedieners dient te voorkomen.
68
Wij herinneren ook nog aan eis 1.3.4.
1.6. Onderhoud
1.6.1. Onderhoud van de machine
De afstel-, smeer- en onderhoudspunten moeten zich buiten de
gevaarlijke zones bevinden.
Afstelling, onderhoud, herstelling en reiniging moeten bij stilstaande
machine kunnen plaatsvinden.
Indien aan ten minste één van bovenstaande voorwaarden om
technische redenen niet kan worden voldaan, dan moeten deze
verrichtingen zonder gevaar kunnen worden uitgevoerd (zie met name
1.2.5).
Voor geautomatiseerde machines en zo nodig voor andere machines
voorziet de fabrikant in een diagnose-aansluiting voor
foutenzoekapparatuur.
Onderdelen van geautomatiseerde machines die regelmatig moeten
worden vervangen, met name vanwege een fabricagewijziging, of wanneer
ze aan slijtage onderhevig zijn of mogelijkerwijs beschadigd zijn ten
gevolge van een onvoorziene gebeurtenis, dienen op veilige wijze
gemakkelijk gedemonteerd en opnieuw gemonteerd te kunnen worden.
Deze onderdelen moeten zodanig bereikbaar zijn dat de desbetreffende
taken op een door de bouwer omschreven wijze met de benodigde
technische middelen (gereedschap, meetinstrument, enzovoort) kunnen
worden uitgevoerd.
Volgens de eerste alinea zijn er reeds passende preventieve maatregelen tegen
ongevallen genomen, indien de onderdelen die met het oog op onderhoud bereikbaar moeten
zijn zich buiten de gevaarlijke zones bevinden en gelijkvloers toegankelijk moeten zijn (bij
voorbeeld gegroepeerde smeerpotten buiten de ruimten waarbinnen de gevaarlijke bewegingen
plaatsvinden). Indien dit niet mogelijk is, mogen deze onderdelen alleen bereikbaar zijn, indien
de gevaarlijke bewegingen onmogelijk zijn gemaakt.
De laatste alinea gaat over vervanging van onderdelen en bevat onder meer de opmerking
dat de onderdelen, in de vervanging waarvan door de ontwerper is voorzien, gemakkelijk,
zonder dat acrobatische toeren nodig zijn, bereikbaar zijn, met de nodige voorzieningen om ze
vast te kunnen pakken.
1.6.2.
Middelen om de werkplek of plaatsen waar werkzaamheden kunnen
plaatsvinden te bereiken
69
1.6.3.
De fabrikant moet voorzien in middelen (ladders, trappen,
loopbruggen, enzovoort) om op veilige wijze alle plaatsen voor produktie,
afstellings- en onderhoudswerkzaamheden te kunnen bereiken.
Ontkoppeling van de krachtbronnen
Elke machine moet zijn voorzien van inrichtingen waarmede zij van elk
van haar krachtbronnen kan worden losgekoppeld. Deze inrichtingen
moeten duidelijk herkenbaar zijn. Zij moeten vergrendeld kunnen worden
indien het herstel van de aansluiting een gevaar voor blootgestelde
personen zou kunnen opleveren. Bij machines die via een
stekerverbinding van elektrische energie worden voorzien, volstaat het de
steker te verwijderen.
De inrichting moet ook vergrendeld kunnen worden indien de bediener
niet, vanaf alle plaatsen waar hij zich moet bevinden, kan controleren of
de ontkoppeling voortduurt.
De overblijvende of opgeslagen energie die na ontkoppeling van de
machine nog aanwezig zou kunnen zijn, moet zonder gevaar voor
blootgestelde personen kunnen worden afgevoerd.
In afwijking van bovenstaand voorschrift is toegestaan dat bepaalde
circuits niet van hun krachtbronnen worden losgekoppeld, ten einde bij
voorbeeld bepaalde delen op hun plaats te houden, bepaalde informatie te
behouden, het inwendige te verlichten, enzovoort. In dit geval moeten
speciale voorzorgsmaatregelen worden genomen om de veiligheid van de
bedieners te waarborgen.
Het is de bedoeling dat de gebruiker, alvorens met het onderhoud, het smeren of
schoonmaken te beginnen, de machine kan loskoppelen van zijn krachtbron(nen), zodat de
risico's van een machine die op het verkeerde moment begint te werken, van ongelukken met
elektrische contacten en van onder hoge druk wegspuitende vloeistof enzovoort worden
weggenomen.
Bij kleine machines waarvan de voeding via een stekkerverbinding plaatsvindt, is het
voldoende de stekker uit het stopcontact te trekken. Maar als deze ontkoppeling van de
machine alleen nodig is als de machine al gestopt is, is dit systeem niet voldoende meer.
Bij grote machines moet de ontkoppelinrichting vergrendelbaar zijn.
De afvoer van de residuele energie kan problemen geven, namelijk in het geval van een
kortdurende ingreep bij een machine met hydropneumatische accu's, waarvan de oplading voor
het opnieuw starten van de machine te veel tijd zou gaan kosten. In dit geval kan de ontwerper
een ontkoppelprocedure bedenken die de veiligheid van de bediener garandeert zonder dat de
accu's behoeven te worden ontladen.
1.6.4.
Handelingen van de bediener
70
De machines moeten zodanig zijn ontworpen, gebouwd en uitgerust
dat er zo weinig mogelijk reden voor handelingen van de bedieners is.
Wanneer het onvermijdelijk is dat de bediener een handeling uitvoert,
dient deze op eenvoudige en veilige wijze te kunnen plaatsvinden.
1.6.5. Het schoonmaken van de inwendige delen
De machine moet zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat het
schoonmaken van de inwendige delen van de machine die gevaarlijke
stoffen of preparaten bevat, mogelijk is zonder dat in de inwendige delen
behoeft te worden doorgedrongen; ook een eventuele ontstopping moet
van buitenaf kunnen worden uitgevoerd. Indien het volstrekt onmogelijk
is het doordringen in de inwendige delen te vermijden moet de fabrikant
bij de constructie voorzieningen treffen waardoor het schoonmaken met
zo min mogelijk gevaar kan geschieden.
1.7.
Aanduidingen
1.7.1.
Informatie
De informatie die nodig is voor het bedienen van een machine dient
ondubbelzinnig en gemakkelijk te begrijpen te zijn.
Zij mag niet zo uitgebreid zijn dat te hoge eisen aan de bediener
worden gesteld.
Wanneer de veiligheid en de gezondheid van aan risico blootgestelde
personen in gevaar kan komen door de gebrekkige werking van een
zonder toezicht werkende machine, moet deze machine zijn uitgerust met
een inrichting die een passend geluids- of lichtsignaal geeft.
Bovenstaande eis is reeds geformuleerd bij de bedieningsorganen, maar wordt nu
uitgebreid tot alle voor de bediening van de machine benodigde informatie.
De laatste alinea geldt bij voorbeeld voor ventilatiesystemen, waterafvoersystemen
enzovoort, bij de gebrekkige werking waarvan de veiligheid of gezondheid van personen in
gevaar zou kunnen komen. Het personeel moet onmiddellijk worden gewaarschuwd, wanneer
er risico is ontstaan door een gebrekkige werking.
1.7.2.
Alarminrichting
Indien de machine is uitgerust met alarminrichtingen (bij voorbeeld
signaleringsmiddelen, enzovoort), moeten de signalen ondubbelzinnig
zijn en gemakkelijk kunnen worden opgemerkt.
71
Er moeten maatregelen worden getroffen om de bediener in staat te
stellen om te controleren of deze alarminrichtingen constant goed
werken.
De voorschriften van de specifieke richtlijnen inzake kleuren en
veiligheidssignalen zijn van toepassing.
De beste methode om dubbelzinnigheid te vermijden is de erkende internationale
specificaties te volgen.
1.7.3.
Waarschuwing voor andere gevaren
Indien ondanks alle getroffen voorzieningen gevaren blijven bestaan
of indien er sprake is van niet voor de hand liggende potentiële gevaren
(bij voorbeeld elektriciteitskast, radioactieve bron, aftappen van een
hydraulisch circuit, risico in een niet zichtbaar deel, enzovoort), dan dient
de fabrikant waarschuwingen aan te brengen.
Hierbij dient bij voorkeur gebruik te worden gemaakt van voor
iedereen begrijpelijke pictogrammen en/of van teksten in één van de talen
van het land waar de machine wordt gebruikt, op verzoek aangevuld met
de teksten in talen die de bedieners kennen.
Herinnering aan het nut dan wel aan de plicht om zoveel mogelijk van pictogrammen
gebruik te maken (ISO 7000). Indien er geen pictogrammen bestaan, moeten de opschriften op
de machines gesteld zijn in de talen van het land waar de machine wordt gebruikt. De woorden
"bij voorkeur" gelden bij het gebruik van pictogrammen, maar voor de rest is de eis dwingend.
1.7.4.
Merktekens
Op elke machine moeten ten minste, duidelijk leesbaar en
onuitwisbaar, de volgende gegevens zijn aangebracht :
- naam van de fabrikant en zijn adres;
- EG-merkteken met het bouwjaar (zie bijlage III);
- serie- of typeaanduiding;
- serienummer, voor zover bestaand.
Indien de fabrikant een machine bouwt die bestemd is om in een
«explosieve omgeving» te worden gebruikt, dient dit op de machine te
worden aangegeven.
Afhankelijk van de aard van de machine, moeten hierop tevens alle
noodzakelijke aanwijzingen worden vermeld voor een veilig gebruik (bij
voorbeeld maximale draaisnelheid van bepaalde roterende delen,
72
maximale diameter van de gereedschappen die kunnen worden
aangebracht, gewicht, enzovoort).
Wanneer een onderdeel van een machine tijdens het gebruik ervan
met behulp van hijs- of hefwerktuigen moet worden verplaatst, moet de
massa van dit onderdeel leesbaar, onuitwisbaar en ondubbelzinnig zijn
aangegeven. Op verwisselbare uitrustingsstukken als bedoeld in artikel
1, lid 2, derde alinea, moeten dezelfde gegevens vermeld staan.
Er bestaat onzekerheid over de datum : in bijlage III wordt gesproken van het jaar waarin
het merkteken wordt aangebracht, terwijl er in dit punt sprake is van het bouwjaar, hetgeen niet
hetzelfde jaar hoeft te zijn. Bijlage III is juist : het jaar waarin het merk wordt aangebracht, moet
worden vermeld (dat wil zeggen het jaar dat de machine in de handel wordt gebracht).
1.7.5.
Gebruiksaanwijzing
a) Bij elke machine moet een gebruiksaanwijzing zijn gevoegd, waarin
ten minste de volgende gegevens zijn vervat :
- een herhaling van de gegevens van de merktekens met uitzondering
van het serienummer (zie 1.7.3), eventueel aangevuld met gegevens die
het onderhoud kunnen vergemakkelijken (bij voorbeeld adres van de
importeur, van reparateurs, enzovoort);
- de beoogde gebruiksomstandigheden in de zin van punt 1. 1.2.c);
- de werkplek(ken) die door de bedieners kan (kunnen) worden
ingenomen;
- instructies inzake :
- de inbedrijfstelling,
- het gebruik,
- het hanteren, met vermelding van de massa van de machine en
van de verschillende delen, indien zij regelmatig afzonderlijk
moeten worden vervoerd,
- het installeren,
- het monteren, het demonteren,
- het afstellen,
- het onderhoud en de reparatie,
zodat deze werkzaamheden zonder gevaar kunnen worden verricht;
- zo nodig, lesinstructies,
- zo nodig, de belangrijkste kenmerken van de gereedschappen die op
de machine gemonteerd kunnen worden.
Zo nodig moet in de gebruiksaanwijzing de aandacht worden
gevestigd op ontraden gebruik van de machine.
73
b) De gebruiksaanwijzing wordt door de fabrikant of zijn in de
Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde opgesteld in een van de talen
van de Gemeenschap.
Bij de inbedrijfstelling moet elke machine vergezeld gaan van een
vertaling van de gebruiksaanwijzing in de taal/talen van het land waar de
machine wordt gebruikt plus de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing. De
vertaling wordt gemaakt door de fabrikant ofzijn in de Gemeenschap
gevestigde gevolmachtigde dan wel door degene die de machine in het
betreffende taalgebied invoert. In afwijking hierop is het toegestaan dat
de onderhoudsinstructies die bestemd zijn voor gespecialiseerd
personeel dat in dienst is van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap
gevestigde gevolmachtigde slechts in één door dat personeel begrepen
taal van de Gemeenschap gesteld zijn.
c) De gebruiksaanwijzing moet de tekeningen en schema's bevatten
die noodzakelijk zijn voor de inbedrijfstelling, het onderhoud, de
inspectie, de controle van de goede werking, en eventueel de reparatie
van de machine alsmede alle dienstige aanwijzingen, met name op
veiligheidsgebied.
d) Geen enkele documentatie over de machine mag wat
veiligheidsaspecten betreft in strijd zijn met de gebruiksaanwijzing. De
technische documentatie waarin de machine wordt beschreven moet de
in punt f bedoelde gegevens inzake de uitstraling van luchtgeluid
bevatten en, voor de met de hand vastgehouden en/of geleide draagbare
machines, de in punt 2.2 bedoelde gegevens inzake trillingen.
e) De gebruiksaanwijzing moet, voor zover noodzakelijk, de
voorschriften bevatten voor een zodanige installatie en montage dat het
geproduceerde geluid en de veroorzaakte trillingen worden beperkt (bij
voorbeeld gebruik van schokdempers, aard en gewicht van het
fundatieblok, enzovoort).
f) In de gebruiksaanwijzing moeten de volgende gegevens worden
vermeld inzake het door de machine uitgestraalde luchtgeluid, hetzij de
reële waarde hetzij een waarde vastgesteld aan de hand van metingen bij
een identieke machine :
- het niveau van de A-gewogen equivalente continue geluidsdruk op
de werkplekken, voor zover dit meer bedraagt dan 70 dB(A); is het niveau
lager of gelijk aan 70 dB(A), dan moet dit worden vermeld;
- de maximale waarde van de C-gewogen momentane geluidsdruk op
de werkplekken, wanneer deze meer dan 63 Pa bedraagt (130 dB ten
opzichte van 20 mPa);
74
- het niveau van het door de machine uitgestraalde geluidsvermogen,
indien het niveau van de A-gewogen equivalente continue geluidsdruk op
de werkplekken meer dan 85 dB(A) bedraagt.
Wanneer de machine zeer grote afmetingen heeft, kan de aanduiding
van het geluidsvermogen worden vervangen door de aanduiding van de
niveaus van de equivalente continue geluidsdruk op gespecificeerde
plaatsen rondom de machine.
Wanneer de geharmoniseerde normen niet worden toegepast, moeten
de akoestische gegevens gemeten worden met gebruikmaking van de
meest geschikte meetcode die bij de machine past.
De fabrikant vermeldt de bedrijfsomstandigheden van de machine
tijdens de metingen en de methoden die voor de metingen zijn gebruikt.
Wanneer de werkplek(ken) niet is (zijn) of kan (kunnen) worden
bepaald, moet de meting van het geluidsdrukniveau worden verricht op
1 m van het machineoppervlak en op een hoogte van 1,60 m boven de
grond of het toegangsplatform. De positie en de waarde van de maximale
geluidsdruk moeten worden vermeld.
g) Indien de machine volgens de gegevens van de fabrikant in een
omgeving met ontploffingsgevaar mag worden gebruikt, moet de
gebruiksaanwijzing hiervoor alle nodige aanwijzingen bevatten.
h) Indien de machines eveneens bestemd kunnen zijn voor gebruik
door niet-professionele gebruikers, moeten de tekst en de presentatie van
de gebruiksaanwijzing niet alleen voldoen aan de hierboven vermelde
fundamentele eisen, maar ook rekening houden met het algemene
ontwikkelingsniveau en het inzicht dat men redelijkerwijze van deze
gebruikers mag verwachten.
Hier gaat het om een van de belangrijkste eisen, zowel wat de veiligheid als de richtlijn
betreft, reden waarom de formulering zo gedetailleerd is.
De fabrikant vervaardigt niet alle componenten en onderdelen van zijn machine zelf, vooral
wanneer het gaat om complexe gehelen. Bij bepaalde componenten of onderdelen zijn
instructies nodig met het oog op het juiste gebruik van de machine, het onderhoud, de
reparatie, de afstelling enzovoort. De fabrikant is daarom verplicht om alle nodige informatie bij
zijn leveranciers te betrekken en deze op een logische manier in zijn eigen gebruiksaanwijzing
te verwerken. Meestal is het niet voldoende om ze er gewoon bij te zetten.
In punt f wordt informatie over het per machine uitgestraalde geluid verlangd. In het
commentaar bij punt 1.5.8 is reeds gezegd dat de richtlijn geen grenswaarde vaststelt. Bij alle
informatie over geluid moet absoluut de methode vermeld worden waarmee de informatie is
verkregen. Dit moeten de in de Europese normen, wanneer die er zijn, beschreven methoden
zijn. Zo is het niet voldoende om uitsluitend te vermelden dat de waarden verkregen zijn door
metingen op weerkaatsend oppervlak.
75
De bedrijfsomstandigheden tijdens de meting moeten ook vermeld worden (met
geluidsmetingen aan een machine die stilstaat wordt niet aan de eis voldaan). De Europese
normen spelen een zeer belangrijke rol omdat zij reproduceerbare meetvoorwaarden vaststellen
en grenswaarden voor het toelaatbaar geluidsvermogen. Het gaat om de Richtlijnen
84/533/EEG (motorcompressoren), 84/534/EEG (torenkranen), 84/535/EEG (aggregaten voor
laswerk), 84/536/EEG (energie-aggregaten), 84/537/EEG (betonbrekers en trilhamers),
86/662/EEG (graafmachines, kabelgraafmachines, dozers, laders en graaflaadmachines). Op
grond van deze richtlijnen moet op de machine de door de fabrikant gegarandeerde
maximumwaarde van het geluidsvermogen worden vermeld. Meestal vermeldt die alleen maar
de grenswaarde van de richtlijn na te hebben gecontroleerd of de machine daaraan voldeed en
niet de werkelijk gemeten waarde. De machinerichtlijn schrijft voor dat in de gebruiksaanwijzing
de aan de machine of aan een identieke machine werkelijk gemeten waarde wordt vermeld.
2.
Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen voor bepaalde
categorieën machines
2.1.
Machines voor agrolevensmiddelen
Indien zij bestemd is voor bereiding of bewerking van levensmiddelen
(bij voorbeeld koken, koelen, op temperatuur brengen, wassen,
manipuleren, verpakken, opslag, vervoer, verdeling), dient de machine
zodanig te zijn ontworpen en gebouwd dat infectie-, ziekte- en
besmettingsgevaar worden voorkomen en moeten de volgende
hygiënische voorschriften in acht worden genomen :
a) de materialen die in contact komen of in contact kunnen komen met
levensmiddelen moeten voldoen aan de desbetreffende richtlijnen. De
machine moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat deze materialen
vóór elk gebruik schoon kunnen zijn.
b) alle oppervlakken en verbindingen daartussen moeten glad zijn; zij
mogen geen groeven of spleten bevatten waar zich organisch materiaal
kan ophopen;
c) de montage van de delen moet zodanig zijn ontworpen dat
uitstekende delen, randen, kanten en hoeken zoveel mogelijk worden
vermeden. De verbindingen moeten bij voorkeur bestaan uit volle las- of
lijmnaden;
d) alle oppervlakken die met levensmiddelen in aanraking komen
moeten gemakkelijk gereinigd en gedesinfecteerd kunnen worden,
eventueel na verwijdering van eenvoudig te demonteren delen.
Oppervlakken aan de binnenkant moeten verbonden zijn met rondingen
die voldoende wijd zijn om een volledige reiniging mogelijk te maken;
76
e) uit levensmiddelen afkomstige vloeistoffen, alsmede reinigings-,
ontsmettings- en spoelmiddelen moeten zonder belemmeringen kunnen
worden afgevoerd (eventueel in een stand "reiniging");
f) de machine moet zo zijn ontworpen en gebouwd dat iedere infiltratie
van vloeistof, ophoping van organische stoffen of binnendringing van
levende wezens, met name van insecten, in zones die niet gereinigd
kunnen worden, wordt vermeden (bij voorbeeld voor een machine die niet
op poten of op wielen staat, door het aanbrengen van een waterdichte
voeg tussen de machine en het voetstuk, gebruik van waterdichte
verbindingen, enzovoort);
g) de machine moet zo zijn ontworpen en gebouwd dat hulpprodukten
(bij voorbeeld smeermiddelen) niet in contact kunnen komen met
levensmiddelen. In voorkomend geval moet de machine zo zijn
ontworpen en gebouwd dat kan worden gecontroleerd of constant aan
deze eis wordt voldaan.
Gebruiksaanwijzing
Behalve de in punt 1 gevraagde gegevens moet de gebruiksaanwijzing
ook aanbevolen schoonmaak-, desinfecteer- en spoelmiddelen en methoden vermelden (niet alleen voor de gemakkelijk bereikbare delen,
maar ook voor de gevallen waarin reiniging ter plaatse nodig is van delen
waar men niet of beter niet bij kan komen, bij voorbeeld buisleidingen).
Deze eis geldt de hygiënische kwaliteit van de levensmiddelen die in de machines worden
bereid.
De momenteel ontwikkelde normen zullen een hulpmiddel zijn voor de ontwerper, met
name omdat hierin zal worden gedefinieerd wat met een "glad oppervlak" (onder b), en
"gemakkelijk" (in de zinssnede "gemakkelijk te reinigen" onder d bedoeld wordt; "gemakkelijk
demonteerbaar" betekent gewoon demonteerbaar zonder gebruik van gereedschap. Wat de
met levensmiddelen in aanraking komende materialen betreft moet de ontwerper zich houden
aan Richtlijn 89/109/EEG (PB L 40 van 11.2.1989). Deze richtlijn voorziet in permanente
bijwerking van de materialenlijst en als men twijfelt aan de geschiktheid voor levensmiddelen
van een materiaal, moet men inlichtingen inwinnen bij de diensten van de Commissie.
Er is een groot aantal normen in voorbereiding, zowel algemene normen als C-normen,
met name normen voor machines die worden gebruikt door banketbakkers, slagers,
varkensslagers, enzovoort.
Het laatste punt gaat over de plicht van de fabrikant om in de gebruiksaanwijzing
schoonmaakmethoden en -middelen te vermelden. Wat de produkten betreft mag de fabrikant
zich niet beperken tot vermelding van één enkel merk; hij moet een omschrijving geven van de
produkten met hun fysisch-chemische kenmerken en eventuele contra-indicaties, zodat de
gebruiker van de machine ze gemakkelijk en in alle omstandigheden kan aanschaffen.
77
2.2.
Met de hand vastgehouden enlof geleide draagbare machines
Draagbare machines die door de bediener met de hand vastgehouden
of met de hand geleid worden moeten aan de volgende fundamentele
veiligheids- en gezondheidseisen voldoen :
- afhankelijk van het type machine moet de machine een steunvlak
hebben dat groot genoeg is en moet een voldoende aantal voorzieningen
voor het vastpakken en vasthouden van de machine met de juiste
afmetingen op de juiste plaatsen zijn aangebracht opdat de stabiliteit van
de machine in de door de fabrikant bedoelde bedrijfsomstandigheden
verzekerd is;
- tenzij dit technisch onmogelijk is of wanneer er een onafhankelijk
bedieningsorgaan is, in het geval dat de handvatten niet zonder gevaar
kunnen worden losgelaten, moet de machine voorzien zijn van
bedieningsorganen voor het in werking stellen en/of stopzetten daarvan,
die zo zijn aangebracht dat bediening mogelijk is zonder dat de bediener
de handgrepen loslaat;
- de machine moet zodanig zijn ontworpen, gebouwd of uitgerust dat
er geen gevaar bestaat wanneer zij voortijdig in werking wordt gesteld
en/of in werking blijft nadat de bediener de handgrepen heeft losgelaten.
Indien dit voorschrift technisch niet uitvoerbaar is, moeten
compenserende voorzieningen worden getroffen;
- een met de hand vastgehouden draagbare machine moet zodanig
zijn ontworpen en gebouwd dat, indien nodig, het contact van het
werktuig met het bewerkte materiaal visueel kan worden gecontroleerd.
Gebruiksaanwijzing
In de gebruiksaanwijzing moet over de trillingen die worden
geproduceerd door met de hand vastgehouden en geleide machines het
volgende worden vermeld :
- de gewogen kwadratische gemiddelde waarde van de versnelling
waaraan de armen worden blootgesteld, wanneer deze versnelling meer
dan 2,5 m/s2 bedraagt, gedefinieerd volgens de passende
testvoorschriften. Wanneer de versnelling niet meer dan 2,5 m/s2
bedraagt, moet dit worden vermeld.
Indien toepasselijke beproevingsvoorschriften ontbreken, moet de
fabrikant aangeven volgens welke meetmethoden en onder welke
omstandigheden de metingen zijn verricht.
In het commentaar bij 1.3.1 is reeds de eis van het eerste streepje ter sprake gekomen.
De ontwerper moet alle mogelijke aandacht besteden aan de handgrepen/vatten en de
afstemming daarvan op het gewicht van de machine. Boven een in de ergonomische normen
aangegeven gewicht moet de machine worden ondersteund en hoeft de bediener hem alleen
nog maar te sturen.
78
In het derde streepje wordt de aandacht van de ontwerper gevestigd op het ontwerpen van
de bedieningsorganen. Zo mag het niet mogelijk zijn dat bij het neerzetten in welke stand dan
ook de machine door zijn gewicht in werking wordt gesteld. Bij bedieningsorganen in de vorm
van een trekker dient dan een beschermende beugel te worden aangebracht. Maar er zijn nog
vele andere mogelijkheden die niet allemaal in de normen kunnen worden opgenomen.
De eis van punt 1.7.4 inzake de informatie over het geluid is wat deze machines betreft
uitgebreid tot de trillingen. De opmerkingen over grenswaarden zijn hier ook van toepassing :
het is uitgesloten dat die in normen kunnen worden vastgelegd. Op z'n hoogst zouden de
normen heel voorzichtig geformuleerd the state of the art kunnen weergeven in de vorm van
een bereik van waarden die in een bepaalde tijd gewoonlijk door een type machines bereikt
worden.
2.3.
Machines voor de bewerking van hout en daarmee gelijk te stellen
materialen
De machines voor houtbewerking en de machines voor de bewerking
van materialen met fysische en technologische eigenschappen die
vergelijkbaar zijn met die van hout, zoals kurk, been, verhard rubber,
harde kunststoffen en andere soortgelijke materialen, moeten aan
onderstaande fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen voldoen :
a) de machine moet zodanig zijn ontworpen, gebouwd of uitgerust dat
het te bewerken stuk veilig kan worden geplaatst en geleid; indien het
werkstuk met de hand op een werkbank wordt gehouden, moet deze
gedurende de bewerking voldoende stabiliteit bieden en mag zij de
verplaatsing van het werkstuk niet hinderen;
b) indien de machine gebruikt zou kunnen worden in omstandigheden
waarin het gevaar van wegschietende stukken hout bestaat, moet zij
zodanig zijn ontworpen, gebouwd of uitgerust dat het wegschieten wordt
voorkomen of, indien dit niet zo is, het wegschietende materiaal geen
gevaar oplevert voor de bediener en/of de blootgestelde personen;
c) de machine moet zijn uitgerust met automatische remmen die het
werktuig binnen voldoende korte tijd tot stilstand brengen, wanneer
gevaar voor contact met het werktuig bestaat terwijl dit vertraagt;
d) wanneer het werktuig deel uitmaakt van een niet geheel
automatische machine moet deze zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat
ongevallen met personen worden voorkomen dan wel van minder ernstige
aard zijn, bij voorbeeld door gebruik van werktuighouders met
cirkelvormige doorsnede, door de snijdiepte te beperken, enzovoort.
Deze eis geldt voor een risico en niet voor de verwerking van een specifiek materiaal.
Hierop wordt in de eerste alinea gewezen.
79
Bij punt c past enige uitleg. De motorrem met stroominjectie of polariteitsomkering is niet
altijd de oplossing.
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen een door een bedieningsorgaan verkregen
stilstand, die in het algemeen noodzakelijk wordt gemaakt en gevolgd door een op het werkstuk
of gereedschap gerichte handeling, waarbij een snelle stilstand van het werktuig vereist is, en
een stilstand als gevolg van gebrek aan energie, waarbij de tijd die verloopt voordat de machine
volledig tot stilstand is gekomen niet het essentiële punt is wat de veiligheid betreft (eis 1.2.6).
Bovengenoemde motorremmen zijn aanvaardbaar, indien bij een stroomonderbreking en de
daaropvolgende vertraging van het werktuig geen bepaalde gevaren ontstaan (uitstoting van het
werkstuk, gereedschapsbreuk, enzovoort). De normen zullen deze punten moeten
verduidelijken.
Bijlage IV verlangt een EG-typeonderzoek voor bepaalde machines met manuele toevoer.
Wanneer kun je zeggen dat een machine geen manuele toevoer heeft ?
Een toevoersysteem is niet-manueel als het aan de volgende twee criteria voldoet :
- het neemt het te bewerken stuk uit een stapel in de nabijheid van de machine (magazijn,
pallet, afwikkelinrichting, enzovoort) en brengt dit automatisch naar het gereedschap;
- het is op zodanige wijze met het bedieningscircuit van de machine verbonden dat de
machine niet kan werken met stuksgewijze toevoer door de bediener, ongeacht of het
toevoersysteem is uitgevallen of opzettelijk buiten werking is gesteld.
3.
Pundamentele veiligheids- en gezondheidseisen om de risico's
te ondervangen die te wijten zijn aan de mobiliteit van
machines
Machines waaraan risico's in verband met de mobiliteit zijn
verbonden, moeten zo zijn ontworpen en gebouwd dat zij aan de volgende
eisen voldoen.
Er bestaan altijd mobiliteitsrisico's bij machines die ofwel eigen
aandrijving hebben of worden voortgetrokken of geduwd, dan wel zijn
gemonteerd op een andere machine of op een trekker, waarvan het bedrijf
in een bepaalde werkzone geschiedt en waarbij mobiliteit tijdens het
bedrijf dan wel een continue of halfcontinue verplaatsing langs een reeks
vaste werkstations is vereist.
Bovendien kunnen er mobiliteitsrisico's aanwezig zijn bij machines die
weliswaar niet tijdens het bedrijf worden verplaatst, maar die voorzien zijn
van middelen om ze gemakkelijker te kunnen verplaatsen (machines op
wielen, rolwieltjes, sleden, enzovoort dan wel op onderstellen, wagentjes,
enzovoort).
Om te verifiëren dat motorploegen en motorhakfrezen geen
onaanvaardbare risico's voor de blootgestelde personen opleveren, moet
de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde voor elk
type machine de passende proeven verrichten of laten verrichten.
80
Met de eisen van hoofdstuk 3 moet niet alleen rekening worden gehouden wanneer de
machine gedurende zijn werk mobiel is, maar ook wanneer de machine kan worden verplaatst
tussen twee bewerkingsfasen in of van de ene werkplaats naar de andere.
De laatste alinea van deze opmerkingen vooraf lijkt niet op zijn plaats. Het gaat hier in feite
om een compromis tussen de Lid-Staten die deze machines aan een EG-typeonderzoek wilden
laten onderwerpen (bijlage IV) en de Lid-Staten die geen speciale reden zagen om wat deze
machines betreft onderscheid te maken. Een en ander betekent dat het technisch dossier van
artikel 8 en bijlage V niet voldoende is; de fabrikant moet bij de fundamentele eisen behorende
proeven hebben verricht of laten verrichten, indien hij niet over de benodigde installaties
beschikt. Deze proeven, waarvan de omvang in de normen zal worden aangegeven, moeten
per type worden verricht.
3.1.
Algemeen
3.1.1.
Definitie
Onder bestuurder wordt verstaan een bevoegd bediener die belast is
met het verplaatsen van een machine. De bestuurder kan hetzij door de
machine worden meegevoerd, hetzij de machine te voet begeleiden, hetzij
de machine op afstand bedienen (kabel, radiogeleid, enzovoort).
3.1.2.
Verlichting
Indien de fabrikant erin voorziet dat een machine met eigen
aandrijving op donkere plaatsen kan worden gebruikt, dient zij te worden
uitgerust met aan het te verrichten werk aangepaste
verlichtingsapparatuur, onverminderd eventuele andere van toepassing
zijnde voorschriften (verkeersregels, navigatievoorschriften enzovoort).
Omdat het hier om mobiele machines gaat, is de eis van punt 1.1.4 niet meer toereikend,
aangezien er niet altijd omgevingsverlichting is. Bepaalde machines zullen zelf de nodige
verlichting bij het werk, maar ook bij reparatiewerkzaamheden, moeten geven met inachtneming
van de algemene beginselen en commentaren van punt 1.1.4.
3.1.3.
Ontwerp van de machine met het oog op het hanteren ervan
Bij het hanteren van de machine en/of haar onderdelen mogen zich
geen onverhoedse verplaatsingen kunnen voordoen en mag geen gevaar
ontstaan ingevolge gebrek aan stabiliteit, indien de machine en/of haar
onderdelen volgens de instructies van de fabrikant worden gehanteerd.
Deze eis wijst, naast de in punt 1.1.5 beschreven problemen, op de bijzondere risico's bij
het monteren van verwisselbare uitrustingsstukken als de machine wegens defecte remmen of
geringe stabiliteit een ongewenste beweging zou maken.
81
3.2.
Bedieningsplaats
3.2.1.
Bestuurdersplaats
De bestuurdersplaats moet met inachtneming van de beginselen van
de ergonomie zijn ont worpen. Er kunnen een of meer extra
bestuurdersplaatsen worden ingericht en iedere bestuurdersplaats moet
dan voorzien zijn van alle noodzakelijke bedieningsorganen. Wanneer er
verschillende bestuurdersplaatsen zijn, moet de machine zodanig zijn
ontworpen dat tijdens het gebruik van een van die plaatsen de andere niet
kunnen worden gebruikt, met uitzondering van de noodstopinrichting.
Het zicht vanaf de bestuurdersplaats moet zodanig zijn dat de bestuurder
de machine met haar werktuigen in de beoogde werkomstandigheden kan
doen werken zonder dat hijzelf of anderen daarbij aan gevaar worden
blootgesteld. Indien nodig dienen gevaren wegens ontoereikend direct
zicht met behulp van passende middelen te worden verholpen.
De machine moet zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat er vanaf de
bestuurdersplaats geen gevaar kan ontstaan doordat zich op de machine
bevindende bestuurders of bedieners onverwacht met wielen of
rupsbanden in contact komen.
De bestuurdersplaats moet zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat er
geen enkel gevaar voor de gezondheid door uitlaatgassen en/of
zuurstofgebrek kan bestaan.
Wanneer dat in verband met de afmetingen van de machine mogelijk
is, moet de bestuurdersplaats van een samen met de machine
voortbewogen bestuurder zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat
zij met een bestuurderscabine kan worden uitgerust. In dit geval moet er
in de cabine een plaats zijn waar de voor de bestuurder en/of de
bedieners nodige instructies kunnen worden opgeborgen. De
bestuurdersplaats moet met een passende cabine worden uitgerust
wanneer er gevaar bestaat ten gevolge van een gevaarlijk milieu.
Wanneer een machine met een cabine is uitgerust, dient deze zodanig
te zijn ontworpen, geconstrueerd en/of uitgerust dat de
werkomstandigheden voor de bestuurder goed zijn en hij tegen bestaande
risico's (bij voorbeeld: ontoereikende verwarming en luchtverversing,
onvoldoende zicht, te veel geluid of trillingen, vallende voorwerpen,
binnendringen van voorwerpen, omslaan enzovoort) wordt beschermd.
De uitgang moet het mogelijk maken de cabine snel te verlaten. Tevens
dient er een nooduitgang te zijn in een andere richting dan de gewone
uitgang.
82
De cabine en de inrichting daarvan moeten van moeilijk ontvlambare
materialen zijn vervaardigd.
De eerste alinea bevat behalve opmerkingen over de ergonomie en het zicht van de
bestuurder op de gevaarlijke zone, de eis dat, indien er meer dan een bestuurdersplaats op een
machine is, slechts één daarvan operationeel mag zijn. Ontwerp en uitvoering van het
bedieningscircuit moeten daarop zijn afgestemd.
Volgens de vierde alinea is de aanwezigheid van een cabine alleen vereist, indien de
omgeving rond de machine gevaarlijk is. In de overige gevallen geldt alleen als eis dat het
mogelijk moet zijn om de machine met een cabine uit te rusten indien de afmetingen dit
toelaten. De in de cabine op te bergen instructies zijn uitsluitend de instructies die van belang
zijn voor de bestuurder en de bedieners. Het is zinloos voor te schrijven dat het
onderhoudsboek of de instructieboeken met betrekking tot de verwisselbare uitrustingsstukken
die niet op de machine zijn gemonteerd in de cabine moeten worden opgeborgen.
De vijfde alinea vermeldt enkele kemnerken die de cabine moet bezitten, maar deze zullen
nog uitgebreider in de normen worden vastgelegd, met de beproevingsmethoden om ze te
controleren. Er moet een nooduitgang zijn in een andere richting dan de gewone uitgang.
Hierlangs moet men de cabine kunnen verlaten wanneer de machine gekanteld is en de
gewone uitgang niet kan worden gebruikt. De nooduitgang mag een venster zijn waarvan de
bevestiging zonder gereedschap gemakkelijk kan worden verwijderd.
De moeilijk ontvlambare materialen worden in de normen gedefinieerd (in afwachting van
Europese normen mogen nationale of internationale normen als NF R18-501 of ISO 3795
worden gebruikt).
3.2.2.
Zitplaatsen
In elke machine moet de zitplaats de bestuurder voldoende stevigheid
bieden en met inachtneming van de beginselen van de ergonomie zijn
ontworpen.
De zitplaats moet zodanig zijn ontworpen dat het doorgeven van
trillingen aan de bestuurder zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt
beperkt. De verankering van de zitplaats moet tegen alle mogelijke
belastingen bestand zijn, met name tegen belasting als gevolg van
kantelen. Indien zich onder de voeten van de bestuurder geen vloer
bevindt, moet deze gebruik kunnen maken van voetsteunen met een
antislipbekleding.
Wanneer de machine van een kantelbeveiligingsinrichting kan worden
voorzien, moet de zitplaats zijn uitgerust met een veiligheidsgordel of
vergelijkbare voorziening die de bestuurder op zijn plaats houdt maar de
voor de besturing noodzakelijke handelingen of eventuele bewegingen als
gevolg van de vering niet belemmert.
Er bestaan een aantal ISO-normen die waarschijnlijk zullen worden omgezet in Europese
normen (ISO 5353, ISO 6683, ISO 7096, enzovoort). Deze normen hebben zowel betrekking
op de ergonomie van de zitplaats als op de trillingen en de veiligheidsgordels.
83
In de laatste alinea geldt een veiligheidsgordel niet als absolute eis; inrichtingen met
dezelfde werking die de bestuurder ingeval van kantelen op zijn plaats houden zijn ook
aanvaardbaar. Het komt vaak voor dat de fabrikant van de machine niet de fabrikant van de
zitplaats is : eerstgenoemde zal dus van de fabrikant van de zitplaats de gegevens over de
trillingen en de verankeringen verlangen, om die bij het technisch dossier als bedoeld in artikel 8
en bijlage V te voegen.
3.2.3.
Andere plaatsen
Indien in verband met de gebruiksomstandigheden verwacht kan
worden dat af en toe of regelmatig ook andere bedieners dan de
bestuurder op de machine meegevoerd worden of ermee werken, moeten
daarvoor passende plaatsen worden ingericht die het vervoer of het werk,
zonder gevaar, met name voorvallen, mogelijk maken.
Wanneer zulks in verband met de werkomstandigheden mogelijk is,
moeten deze bedieningsplaatsen voorzien zijn van zitplaatsen.
Indien de bestuurdersplaats met een cabine moet worden uitgerust,
moeten de andere plaatsen eveneens beschermd worden tegen de
gevaren die de reden zijn geweest om de bestuurdersplaats te
beschermen.
Dezelfde aandacht voor de veiligheid van de bedieners moet worden besteed aan de
overige bedieningsplaatsen. Indien de ontwerper op grond van een risico-analyse bepaalde
beveiligingsinrichtingen voor de bestuurder (ROPS. FOPS, enzovoort) heeft voorzien, moeten
er op alle bedieningsplaatsen inrichtingen ter beveiliging tegen dezelfde gevaren komen.
3.3.
Bediening
3.3.1.
Bedieningsorganen
Vanaf de bestuurdersplaats moet de bestuurder alle organen kunnen
bedienen die nodig zijn voor de werking van de machine, behalve voor die
functies welke slechts met behulp van bedieningsorganen buiten de
bestuurdersplaats zonder gevaar in werking kunnen worden gesteld. Het
gaat dan met name om bedieningsplaatsen buiten de bestuurdersplaats
die worden bemand door andere bedieners dan de bestuurder of
waarvoor deze laatste zijn bestuurdersplaats moet verlaten om een
bedieningshandeling veilig te kunnen verrichten.
Pedalen dienen zo te zijn ontworpen, geconstrueerd en geplaatst dat
zij door een bestuurder veilig met een minimum aan gevaar voor
verwarring kunnen worden bediend; zij dienen voorzien te zijn van een
antisliplaag en makkelijk schoon te maken zijn.
84
Wanneer de bedieningsorganen, met uitzondering van de organen met
een aantal vaste standen, tijdens hun werking zekere risico's, met name
voor gevaarlijke bewegingen, kunnen veroorzaken, moeten zij in de
neutrale stand terugkeren zodra de bediener ze los laat.
Bij machines op wielen moet de stuurinrichting zodanig zijn
ontworpen en geconstrueerd dat deze de kracht van plotselinge
bewegingen van het stuurwiel of de stuurhendel als gevolg van schokken
op de gestuurde wielen afzwakt.
leder bedieningsorgaan waarmee het differentieei wordt geblokkeerd,
moet zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat de blokkering van het
differentieel weer ongedaan kan worden gemaakt wanneer de machine
rijdt.
De laatste zin van punt 1.2.2 geldt niet voor de mobiliteitsfunctie.
De eerste alinea betekent zoveel als dat de bestuurder geen acrobaat is en dat hem
verplichten acrobatentoeren uit te halen zijn veiligheid en die van de blootgestelde personen in
gevaar zou brengen. Alle bedieningsorganen moeten zich dus binnen hand- of voetbereik
bevinden. Toch is het bij bepaalde handelingen zoals het manoeuvreren met de hulpkraan van
een vrachtwagen vanuit veiligheidsoogpunt beter dat de bestuurder van zijn plaats komt. In zo
een geval zullen de bedieningsorganen zich natuurlijk op de plaats moeten bevinden die het
beste zicht biedt op de gevarenzone.
Met betrekking tot de plaatsing van de bedieningsorganen, met inbegrip van de in de
tweede alinea genoemde pedalen, zijn normen in voorbereiding. Denk maar aan het tweede en
derde streepje van eis 1.2.2. Vooral voor mobiele machines zijn de zogenaamde"intuïtieve"
bedieningsorganen en logische samenhang met de gewone bediening van de motorvoertuigen
aan te bevelen.
3.3.2.
In werking stellen/verplaatsen
Machines met eigen aandrijving met een daarin of daarop
meegevoerde bestuurder, moeten voorzien zijn van inrichtingen die een
inwerkingstelling van de motor door onbevoegden tegengaan.
Elke gewilde verplaatsing van een machine met eigen aandrijving met
een daarin of daarop meegevoerde bestuurder mag uitsluitend mogelijk
zijn indien de bestuurder zich op de bedieningsplaats bevindt.
Wanneer een machine voor het werk moet zijn uitgerust met
inrichtingen die uitsteken buiten haar normale dimensies (b.v.
stabilisatoren , arm, enzovoort) dient de bestuurder te beschikken over
middelen waarmee hij vóór het verplaatsen van de machine gemakkelijk
85
kan nagaan of die inrichtingen in een bepaalde stand zijn waarbij de
verplaatsing veilig kan plaatsvinden.
Hetzelfde geldt voor alle andere delen die voor een veilige
verplaatsing in een bepaalde, zo nodig vergrendelde stand moeten staan.
Indien technisch en economisch uitvoerbaar moet de verplaatsing van
de machine onderworpen zijn aan de veilige stand van bovengenoemde
delen.
Een verplaatsing van de machine mag niet mogelijk zijn tijdens het in
werking stellen van de motor.
Het meest gebruikelijke middel voor machines met meegevoerde bestuurder om aan de eis
van de eerste alinea te voldoen is de sleutel. Bij kleine machines met meelopende bestuurder
wordt dat middel weinig toegepast. Een aanvaardbare methode, maar niet de enige, is een
afneembare startinrichting.
Met het oog op de eis van de tweede alinea kan men door middel van een detector die de
aanwezigheid van de bestuurder opmerkt het starten van de motor of inschakeling van de
versnellingsbak voorkomen.
De in de derde alineabedoelde middelen kunnen bij voorbeeld geluidssignaalinrichtingen
zijn die in werking treden wanneer met het oog op verplaatsing een versnelling wordt
ingeschakeld terwijl delen van de machine te ver uitsteken. Een andere mogelijkheid is
verklikkerlichten op het bedieningspaneel van de bestuurdersplaats.
Bij de laatste alinea is in het geval van de verbrandingsmotor een koppeling tussen motor
en wielen (of rupsbanden) vereist.
3.3.3.
Stopzetting van de verplaatsing
Onverminderd de voorschriften die gelden voor het wegverkeer, moet
men bij het besturen van machines met eigen aandrijving en aanhangers
daarvan voldoen aan de vereisten betreffende snelheidsvermindering,
remmen, tot stilstand brengen en stoppen, waarbij de veiligheid onder alle
bedrijfsomstandigheden, onafhankelijk van de belasting, de snelheid, de
bodemtoestand of de helling, mits het door de fabrikant voorziene en
normaal voorkomende situaties betreft, niet in gevaar mag worden
gebracht.
De bestuurder moet snelheidsvermindering en het tot stilstand
brengen van een machine met eigen aandrijving door middel van een
hoofdremmechanisme kunnen bewerkstelligen. Voor zover dat in verband
met de veiligheid nodig is moet, indien het hoofdrem-mechanisme defect
raakt of als er geen energie is om dit mechanisme in werking te stellen,
het afremmen en stoppen van de machine met behulp van een volledig
86
onafhankelijk bedienbaar en gemakkelijk toegankelijk hulpmechanisme
mogelijk zijn.
Voor zover dat in verband met de veiligheid nodig is moet de stilstand
van de machine met behulp van een parkeerrem kunnen worden
gehandhaafd. Eén van de in de tweede alinea bedoelde inrichtingen mag
ook als parkeerrem fungeren op voorwaarde dat zij louter mechanisch
werkt.
Een op afstand bediende machine moet zodanig zijn ontworpen en
gebouwd dat zij automatisch tot stilstand komt als de bestuurder er de
controle over heeft verloren.
Punt 1.2.4 is niet van toepassing op de verplaatsingsfunctie.
Om aan de eis van de tweede alinea te kunnen voldoen mag worden toegestaan dat er
een zelfde bedieningsorgaan is - indien dit een pedaal is - voor het hoofdremcircuit en het
hulpremcircuit. De bedieningscircuits moeten in dat geval wel onafhankelijk van elkaar zijn en
bij een eventueel uitvallen van het hoofdremcircuit moet de informatie daarover aan de
bestuurder worden doorgegeven.
De laatste alinea betekent zoveel als dat de verplaatsingsfunctie alleen door de bestuurder
wordt bediend en dat de overige bedieners, in tegenstelling tot punt 1.2.4, niet de beschikking
mogen hebben over inrichtingen waarmee de verplaatsing kan worden gestopt.
3.3.4.
Verplaatsen van machines met een bestuurder te voet
Verplaatsing van een machine met eigen aandrijving en een
bestuurder te voet mag alleen kunnen plaatsvinden indien de bestuurder
het betrokken bedieningsorgaan daartoe in een bepaalde stand moet
blijven houden. Verplaatsing moet in het bijzonder niet mogelijk zijn
tijdens het in werking stellen van de motor.
De bedieningssystemen van machines met bestuurder te voet moeten
zodanig zijn ontworpen dat er een zo gering mogelijke kans bestaat op
risico's door een plotselinge verplaatsing van de machine in de richting
van de bestuurder, met name:
a)
b)
aanrijding,
verwonding door draaiende werktuigen.
Voorts moet de normale verplaatsingssnelheid van de machine
overeenkomen met de snelheld van een bestuurder te voet.
Bij machines waarop een draaiend werktuig kan worden gemonteerd,
mag het in werking stellen van het werktuig niet mogelijk zijn wanneer de
achteruitbewegingsstand is ingeschakeld, behalve indien de verplaatsing
87
van de machine het resultaat is van de beweging van het werktuig. In dit
laatste geval is het voldoende dat de snelheid tijdens het achteruit gaan
geen gevaar oplevert voor de bestuurder.
De snelheid van de machine, wanneer zij zich vooruit beweegt, mag niet hoger zijn dan die
van een voetganger. Wanneer de machine achteruit beweegt moet de snelheid nog lager zijn,
vooral als de verplaatsing teweeg wordt gebracht door een roterend werktuig. Ook de eis van
punt 2.2 geldt voor deze machines, met name waar het gaat om trillingen (met de hand geleide
machine).
3.3.5.
Defecten in het bedieningscircuit
Bij een defect in de voeding van de eventueel aanwezige
stuurbekrachtiging moet de machine bestuurbaar blijven om haar te
kunnen stilzetten.
Het gaat hier niet om de vraag of de machine al dan niet kan blijven doorwerken, maar
elleen of het mogelijk is hem van de werkplek weg te halen en weg te zetten zonder dat zo'n
manoeuvre bijzondere risico's met zich meebrengt.
3.4.
Beveiliging tegen mechanische risico's
3.4.1.
Risico's door onverhoedse bewegingen
Wanneer een deel van een machine tot stilstand is gebracht, mag een
eventuele verschuiving vanuit die stitstandpositie door ongeacht welke
andere oorzaak dan het hanteren van de bedieningsorganen geen enkel
gevaar opleveren voor de eraan blootgestelde personen.
De machine dient zodanig te zijn ontworpen, gebouwd en, in
voorkomend geval, op de mobiele draagconstructie gemonteerd, dat bij
verplaatsing ongecontroleerde schommelingen van het zwaartepunt de
stabiliteit niet aantasten en geen overmatige krachten op de constructie
uitoefenen.
De tweede alinea geldt onder meer voor machines waarvan een deel van de uitrusting
andere bewegingen kan maken dan de rest van de machine, ongeacht of die bewegingen aan
de machine eigen zijn of door de bediener bewerkstelligd. Als een constructeur dus een
machine op een vrachtwagenchassis monteert, moeten het gewicht, de plaats van het
zwaartepunt en de opstelling in overeenstemming zijn met de snelheid van de machine (b.v.
centrifugale kracht in de bocht), de vering (een te soepele of harde vering kan schadelijk zijn) en
de sterkte van het chassis (uitzonderlijke belastingen).
88
3.4.2.
Gevaar voor breuken tijdens het gebruik
Met grote snelheid ronddraaiende onderdelen van machines waarbij
ondanks de voorzorgsmaatregelen het gevaar van breken of
uiteenspringen bestaat, moeten zodanig zijn gemonteerd en afgeschermd
dat de stukken worden opgevangen of, wanneer dat niet mogelijk is, niet
in de richting van de bestuurdersplaats en/of de bedieningsplaatsen
kunnen worden geslingerd.
Herhaling en verzachting van de eis van punt 1.3.2. Het is duidelijk dat bij bepaalde
mobiele machines (bij voorbeeld landbouwwerktuigen) er geen omhulling mogelijk is van
bepaalde roterende delen die rechtstreeks verbonden zijn met het zich in de open lucht
bevindende werktuig. Bij die machines mogen er in geval van breuk geen stukken in de richting
van de bedieningsplaatsen kunnen worden geslingerd.
3.4.3.
Gevaar door kantelen
Wanneer bij een machine met eigen aandrijving met daarin of daarop
een bestuurder en eventueel andere bedieners gevaar voor kantelen
bestaat, moet de machine zo zijn ontworpen en van bevestigingspunten
zijn voorzien dat daarop een kantelbeveiligsinrichting (ROPS) kan worden
aangebracht.
De constructie moet zodanig zijn dat zij bij omslaan de bestuurder en
de eventuele bedieners die zich op de machine bevinden, een adequaat
beperkend vervormingsvolume (DLV) garandeert.
Om te verifiëren dat de constructie voldoet aan de eis van de tweede
alinea moet de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde
gemachtigde voor elk type constructie passende proeven verrichten of
laten verrichten.
Bovendien moeten de volgende grondwerkmachines met een
vermogen van meer dan 15 kW worden voorzien van een kantelbeveiliging :
- laadmachines op rupsbanden of op wielen,
- graaflaadmachines,
- trekkers op rupsbanden of op wielen,
- al dan niet zelfladende egaliseermachines,
- wegschaven,
- kiepwagens met voorstel.
Richtlijn 86/295/EEG die voor bepaalde machines een kantelbeveiligingsconstructie
(ROPS) voorschreef wordt door deze richtlijn afgeschaft en vervangen.
89
Bovenstaande eis geldt als er risico bestaat, maar is in ieder geval dwingend voor
machines die onder de nu afgeschafte richtlijn vielen (einde van de eis).
Volgens de oude richtlijn was ISO-norm 3471 bindend. Deze norm is overgenomen in het
CEN-bestand door EN 23471, maar is niet langer bindend. Verder bestaat er nog een norm,
ISO 3463, die voor landbouwtrekkers is opgesteld. Aangezien de richtlijn de machines niet naar
hun functie maar naar hun risico's onderscheidt, is de ontwerper vrij om die norm te kiezen die
het beste bij zijn machine past en behoeft hij zich niet te bekommeren om het door de
normalisatieorganisaties gekozen toepassingsgebied. Een van ISO-norm ISO 3411 afwijkende
DLV zal voor een ontwerper moeilijk te rechtvaardigen zijn.
Afzonderlijk in de handel gebrachte ROPS moeten daarentegen voldoen aan de
desbetreffende geharmoniseerde Europese norm ofwel worden onderworpen aan een EGtypeonderzoek (bijlage IV).
3.4.4.
Gevaar door vallende voorwerpen
Wanneer bij een machine met daarin of daarop een bestuurder en
eventueel andere bedieners gevaar bestaat door vallende voorwerpen of
materialen, moet de machine zodanig ontworpen en, indien de afmetingen
dit toelaten, van bevestigingspunten voorzien zijn, dat er een constructie
ter bescherming daartegen (FOPS) kan worden aangebracht.
Deze constructie moet zodanig zijn dat zij de bedieners van de
machine bij het vallen van voorwerpen of materialen een adequaat
beperkend vervormingsvolume (DLV) garandeert.
Om te verifiëren dat de constructie voldoet aan de eis van de tweede
alinea moet de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde
gemachtigde voor elk type constructie passende proeven verrichten of
laten verrichten.
Zelfde commentaar als bij de vorige eis. Deze richtlijn komt in de plaats van de op ISOnorm 3499 gebaseerde Richtlijn 86/296/EEG.
Ook in dit geval is er echter in de literatuur nog een norm te vinden, namelijk ISO-norm
5700, die in theorie voor landbouwtrekkers bedoeld is.
3.4.5.
Gevaar door toegangspunten
Steunen en handgrepen moeten zodanig zijn ontworpen,
geconstrueerd en geplaatst dat de bedieners ze instinctief gebruiken en
niet naar de bedieningsorganen grijpen.
90
De ontwerper moet ervoor zorgen dat bedieningsorganen zoals stuurwielen, stuurkolom,
remhendel enzovoort niet als handgrepen worden gebruikt en dat profielen van banden of
spatborden niet als opstapjes kunnen fungeren zonder dat dit de bedoeling was. Daarom moet
hij zorgen voor goed geplaatste en voldoende steunen en handgrepen.
3.4.6.
Gevaar door trekhaakvoorzieningen
Elke machine die wordt gebruikt als trekker of zelf moet worden
voortgetrokken dient te zijn uitgerust met een trekhaakvoorziening of
koppeling die zodanig is ontworpen, geconstrueerd en aangebracht dat
het aaneenkoppelen en loskoppelen gemakkelijk en veilig geschiedt en
het losraken tijdens gebruik is belet.
Voor zover zulks met het oog op de trekstangbelasting vereist is,
moeten deze machines zijn uitgerust met een ondersteuning waarvan het
draagvlak op de belasting en de bodem is afgestemd.
Over het algemeen is het de bediener die op de plaats waar gewerkt wordt de
aaneenkoppeling en loskoppeling verricht. De ontwerper moet dus zorgen voor gemakkelijk
uitvoerbare handelingen die over het algemeen zonder hulp van buitenaf kunnen worden
verricht, terwijl die handelingen veilig moeten kunnen gebeuren.
Indien de trekstang zwaar is, moet voorzien worden in een aan de bodem aangepast
steunvlak, met name voor landbouwmachines, zodat de bediener de trekstang zonder moeite
kan hanteren.
3.4.7.
Gevaar door krachtoverbrenging van een machine (of trekker) met
eigen aandrijving naar de aangedreven machine
De transmissieassen met cardanoverbrenging die de verbinding
moeten vormen tussen een machine met eigen aandrijving (of een trekker)
en de eerste vaste aslager van de aangedreven machine dienen zowel aan
de zijde van de machine met eigen aandrijving als van de aangedreven
machine over de hele lengte van de as, inclusief cardankoppelingen, te
worden afgeschermd.
Aan de zijde van de machine met eigen aandrijving of de trekker dient
de aftakas waaraan de transmissieas is gekoppeld, te zijn beveiligd met
behulp van een aan deze machine of trekker bevestigd scherm of een
gelijkwaardige afscherming.
Aan de zijde van de getrokken machine moet de gedreven as worden
omhuld met een beveiligingshuis die aan de voortgetrokken machine is
bevestigd.
91
Bij een cardanoverbrenging mag een koppelbegrenzer of een vrijloop
uitsluitend worden toegepast aan de zijde van de koppeling aan de
aangedreven machine. In dit geval dient op de cardantransmissieas de
monteerrichting te worden aangegeven.
Elke getrokken machine voor de werking waarvan een transmissieas
nodig is die haar verbindt met een machine met eigen aandrijving of met
een trekker, moet van een zodanig koppelsysteem voor de transmissieas
zijn voorzien dat bij ontkoppeling van de machine de transmissieas of de
afscherming niet beschadigd kunnen worden door contact met de grond
of een onderdeel van de machine.
De uitwendige delen van de afscherming moeten zodanig zijn
ontworpen, geconstrueerd en aangebracht dat ze niet met de
transmissieas mee kunnen draaien. De transmissieas moet in haar geheel
zijn afgeschermd tot aan de uiteinden waar de binnenste vorken zich
bevinden in het geval van een enkelvoudige kruiskoppeling en ten minste
tot het midden van de buitenste verbinding(en) van een zogeheten
groothoekkruiskoppeling.
Indien de fabrikant in toegangen tot de bedieningsplaatsen in de
nabijheid van de transmissieas met cardanoverbrenging heeft voorzien,
dient hij ervoor te zorgen dat de in de zesde alinea beschreven
voorzieningen voor de afscherming van deze assen niet als opstap
kunnen worden gebruikt, tenzij zij daartoe zijn ontworpen en
geconstrueerd.
De reden voor deze overvloed aan details is dat met aftakassen, ondanks hun onschuldig
uiterlijk, reeds veel emstige ongelukken zijn gebeurd.
3.4.8.
Gevaar door bewegen de transmissieonderdelen
In afwijking van punt 1.3.8.A is het bij interne verbrandingsmotoren
toegestaan dat de losse afschermingen die de toegang tot de bewegende
delen in het motorcompartiment afsluiten niet van een
vergrendelingsmechanisme zijn voorzien, op voorwaarde dat ze slechts
kunnen worden geopend met behulp van gereedschap of een sleutel of
met een bedieningsorgaan vanuit de bestuurdersplaats, mits deze laatste
zich in een volledig afgesloten en vergrendelbare cabine bevindt.
Met deze afwijking die betrekking heeft op wat men de motorkap noemt wordt bekrachtigd
wat reeds gebruikelijk is. In ieder geval mag de motorkap van machines die geen gesloten
bestuurderscabine hebben uitsluitend geopend kunnen worden met behulp van gereedschap
ofwel voorzien zijn van een vergrendelmechanisme dat de motor bij opening van de kap doet
afslaan.
92
3.5.
Maatregelen ter beveiliging tegen andere risico's
3.5.1.
Risico's van accu's
De plaats voor de accu dient zodanig te zijn geconstrueerd en
ingericht en de accu dient zodanig te worden geïnstalleerd dat de kans
dat in geval van kanteling de bediener zelf met opspattend elektrolyt in
aanraking komt minimaal is en/of dat wordt voorkomen dat de
bemanningsruimte met dampen gevuld raakt.
De machine moet zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat de
accu kan worden afgekoppeld, met een daarvoor aangebrachte inrichting
die gemakkelijk toegan kelijk is.
De fabrikant moet om aan de eis van de tweede alinea te kunnen voldoen de accu
uitrusten met een speciale afkoppelinrichting, ofwel als de accuklemmen gemakkelijk
toegankelijk zijn. deze losmaken.
3.5.2.
Brandgevaar
Afhankelijk van het risico dat volgens de fabrikant tijdens het gebruik
bestaat, dient de machine, indien zulks in verband met de afmetingen
mogelijk is :
- met gemakkelijk toegankelijke brandblusapparaten te kunnen
worden uitgerust, dan wel
- te zijn voorzien van brandblussystemen die een integrerend deel
uitmaken van de machine.
De fabrikant heeft hier werkelijk geen keus. Indien een en ander dank zij de afmetingen
mogelijk is en rekening houdend met de omvang van het risico, moet de machine worden
uitgerust met een geïntegreerd systeem. Natuurlijk behoeven machines die altijd in de open
lucht zullen worden gebruikt, hoe groot ze ook zijn, niet met een geïntegreerd brandblussysteem
te worden uitgerust.
3.5.3.
Gevaren door emissie van stofdeeltjes, gas, enzovoort
Indien dergelijke gevaren aanwezig zijn, mag de in punt 1.5.13
bedoelde opvang worden vervangen door andere methoden, zoals het
neerslaan door verstuiving met water.
Punt 1.5.13, tweede en derde alinea, is niet van toepassing wanneer
verstuiving van produkten de hoofdfunctie van de machine is.
93
Het gaat hier niet om een eis maar juist om een toepassingsmogelijkheid van punt 1.5.13
bij mobiele machines.
3.6.
Signalering
3.6.1. Signalering - waarschuwing
De machines moeten, daar waar dat van belang is voor de veiligheid
en gezondheid van de blootgestelde personen, zijn voorzien van
signaleringsmiddelen en/of van bordjes met aanwijzingen omtrent het
gebruik, het afstellen en het onderhoud van de machine. Die middelen
dienen zodanig te zijn gekozen, ontworpen en uitgevoerd dat ze bestendig
zijn en gemakkelijk worden opgemerkt.
Onverminderd de voorschriften die gelden voor het wegverkeer
moeten machines met daarin of daarop een bestuurder uitgerust zijn met :
- een geluidsignaal om blootgestelde personen te kunnen
waarschuwen;
- een lichtsignaleringssysteem dat is afgestemd op de voorziene
gebruiksomstandigheden, zoals bij voorbeeld rem-, achteruitrij- en
zwaailichten. Deze laatste eis is niet van toepassing op mobiele
machines die uitsluitend bedoeld zijn voor werkzaamheden
ondergronds en die geen elektriciteit verbruiken.
Wanneer bij gebruik van op afstand bestuurde machines onder
normale omstandigheden personen gevaar lopen gestoten of verpletterd
te worden, moeten deze machines voorzien zijn van passende middelen
om de aan deze gevaren blootgestelde personen te attenderen op de
bewegingen van de machine of om ongelukken te voorkomen. Dit geldt
ook voor machines waarvan het gebruik een systematische herhaling van
vooruit- en achteruitbewegingen op één lijn impliceert en waarvan de
bestuurder niet rechtstreeks achteruit kan zien.
De constructie dient zodanig te zijn dat een onbewuste buitendienststelling van alle alarmerings- en signaleringssystemen onmogelijk is.
Als dat met het oog op de veiligheid noodzakelijk is, moeten deze
voorzieningen zijn uitgerust met middelen aan de hand waarvan men kan
opmaken of alles goed functioneert en die de bediener opmerkzaam
maken op eventuele defecten in die voorzieningen.
Indien bewegingen van een machine of bijbehorend werktuig
bijzondere gevaren met zich brengen, moet op de machine een opschrift
zijn aangebracht dat op voldoende afstand leesbaar is voor iemand die de
machine nadert en hem in verband met zijn veiligheid verbiedt zich tijdens
de werkzaamheden in de nabijheid van de machine te begeven.
94
De beste methode om aan de eis van deze eerste alinea (zie ook commentaar bij punt
1.2.2) te voldoen zijn de overal in Europa toegepaste pictogrammen.
In de derde alinea wordt de ontwerper gevraagd speciale aandacht te besteden aan
machines als walsen. Er zijn reeds systemen in de handel die bedoeld risico aanzienlijk
verminderen.
De laatste alinea doelt op gevaren waarop nietsvermoedende personen door het uiterlijk
van de machine niet verdacht zullen zijn. In deze gevallen moeten duidelijk vanaf afstand
leesbare waarschuwingen op de machine zelf worden aangebracht.
3.6.2.
Merktekens
De minimaal vereiste gegevens van punt 1.7.3 dienen met de volgende
te worden aangevuld :
- het nominale vermogen uitgedrukt in kW;
- de massa van de meest gangbare configuratie uitgedrukt in kg, en
zo nodig:
- de door de fabrikant opgegeven maximale trekkracht op de
trekhaak, uitgedrukt in N,
- de door de fabrikant opgegeven maximale verticale kracht op de
trekhaak, uitgedrukt in N.
3.6.3.
Gebruiksaanwijzing
De gebruiksaanwijzing dient naast de in punt 1.7.4 voorgeschreven
minimumgegevens de volgende gegevens te bevatten :
a) met betrekking tot de trillingen van de machine, ofwel de reële waarde
ofwel een waarde op basis van metingen op een identieke machine :
- de naar frequentie gewogen kwadratische gemiddelde waarde van de
versnelling waaraan de bovenste ledematen worden blootgesteld
wanneer deze versnelling meer dan 2,5 m/s² bedraagt; wanneer dit
niveau niet meer dan 2,5 m/s² bedraagt, moet dit worden vermeld;
- de naar frequentie gewogen kwadratische gemiddelde waarde van de
versnelling waaraan het lichaam (voeten of zitvlak) wordt
blootgesteld wanneer deze versnelling meer dan 0,5 m/s² bedraagt;
wanneer dit niveau niet meer dan 0,5 m/s² bedraagt, moet dit
worden vermeld.
95
Indien de geharmoniseerde normen niet worden toegepast, moeten de
gegevens inzake de trillingen worden gemeten met de meest passende
meetnorm die aan de machine is aangepast.
De fabrikant dient aan te geven onder welke bedrijfsomstandigheden
de machine tijdens de meting heeft gewerkt en welke methoden voor de
metingen zijn gebruikt;
b) indien een machine afhankelijk van de uitrusting geschikt is voor
verschillende gebruiksdoeleinden, moeten de fabrikant van de
basismachine waarop de verwisselbare uitrusting kan worden
gemonteerd en de fabrikant van de verwisselbare uitrusting de nodige
gegevens verstrekken om de uitrusting zonder gevaar te kunnen
monteren en gebruiken.
De aanvullende gegevens die voor mobiele machines vereist zijn hebben onder meer
betrekking op het niveau van de door de machine veroorzaakte trillingen. Voor draagbare
machines was vermelding van de aan de bovenste ledematen doorgegeven trillingen
voldoende, maar hier worden vollediger gegevens gevraagd. Van de fabrikant wordt een
zorgvuldige vermelding vereist van de onder b genoemde gegevens, met name waar het gaat
om de bevestigingspunten en -middelen waarmee hij de machine heeft uitgerust (plaatsen en
afmetingen van de schroefdraden indien nodig, maximaal toelaatbare belastingen enzovoort).
Hij zal eventueel ook aan moeten geven op welke manieren de machine niet moet worden
gebruikt.
4.
Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen ter
vermindering van de aan hijs- en hefverrichtingen verbonden
bijzondere gevaren
Machines die aan hijs- of hefverrichtingen verbonden gevaar
opleveren, vooral gevaar voor vallende of botsende lasten of voor
kantelen ten gevolge van de behandeling van een last, moeten zo zijn
ontworpen en gebouwd dat zij aan de volgende eisen voldoen.
Genoemde gevaren bestaan vooral bij machines voor de verplaatsing
van een stuklast, wanneer die verplaatsing gepaard gaat met een
verandering van niveau. De last kan bestaan uit voorwerpen, materialen
of goederen.
96
4.1.
Algemeen
4.1.1.
Definities
a) Hijs- of hefgereedschappen : niet vast met de machine verbonden
onderdelen of inrichtingen die tussen de machine en de last of op de last
worden geplaatst om deze te kunnen opnemen;
b) Hijs- of hefhuipstukken : hijs- of hefgereedschappen die dienen
voor de vervaardiging of het gebruik van een strop, bij voorbeeld
ooghaken, sluitingen, touwringen, oogbouten enzovoort;
c) Geleide last : last waarvan de volledige verplaatsing gebeurt langs
uit stijf of soepel materiaal bestaande geleiders, waarvan de plaats in de
ruimte door vaste punten wordt bepaald;
d) Gebruikscoëfficiënt : rekenkundige verhouding tussen de door de
fabrikant gegarandeerde last die dooreen uitrusting, gereedschap of een
machine kan worden gehouden en de werklast die respectievelijk op de
uitrusting, het gereedschap of de machine is aangegeven;
e) Beproevingscoëfficiënt : rekenkundige verhouding tussen de last
die gebruikt wordt voor de statische of dynamische beproeving van een
uitrusting, gereedschap of machine, en de werklast die respectievelijk op
de uitrusting, het gereedschap of de machine is aangegeven;
f) Statische beproeving : proef waarbij de machine of het hijs- of
hefgereedschap wordt geïnspecteerd, waarna daarop een k racht wordt
uitgeoefend overeenkomende met de werklast vermenigvuldigd met de
passende statische beproevingscoëfficiënt en de machine of het
gereedschap na het wegnemen van de last opnieuw wordt geïnspecteerd
om te controleren of er geen schade is opgetreden;
g) Dynamische beproeving : proef waarbij de machine in alle
mogelijke configuraties in werking wordt gesteld met de werklast, waarbij
rekening wordt gehouden met het dynamische gedrag van de machine ten
einde de goede werking van machine en veiligheidsonderdelen te
verifiëren.
Het gebruik van het juiste woord is de eerste stap op weg naar veiligheid. Het is dan ook
belangrijk dat de fabrikanten deze definities onverkort en ongewijzigd in hun gebruiksaanwijzingen gebruiken, en deze voor de betreffende begrippen niet door andere definities
vervangen. Hetzelfde advies geldt voor de normalisatieorganisatie.
97
4.1.2.
Maatregelen ter beveiliging tegen mechanische gevaren
4.1.2.1. Gevaren als gevolg van onvoldoende stabiliteit
De machines moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat de
in punt 1.3.1 vereiste stabiliteit gewaarborgd is tijdens bedrijf en buiten
bedrijf, met inbegrip van alle fasen van transport, montage en demontage,
bij voorzienbare defecten en tevens tijdens de uitvoering van de proeven
wanneer deze overeenkomstig de gebruiksaanwijzing worden verricht.
Daartoe moet de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde
gemachtigde de passende verificatiemiddelen gebruiken; in het bijzonder
moet de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde bij
gemotoriseerde transportwerktuigen met een hijs- of hefhoogte van meer
dan 1,80 m voor elk type werktuig een stabiliteitsproef op platform of een
soortgelijke proef verrichten of laten verrichten.
De proeven worden over het algemeen uitgevoerd met
veiligheidsbeproevingscoëfficiënten. De ontwerper moet bij zijn stabiliteitsberekeningen
daarmee rekening houden. Zo kan een mobiele kraan in alle configuraties onder nominale
belasting stabiel zijn, maar dat niet meer zijn bij de dynamische proefbelasting met een
veiligheidscoëfficiënt van 1,1. In zo een geval zijn kunstgrepen ter verzekering van de stabiliteit
toegestaan, maar deze moeten wel uitvoerig in de gebruiksaanwijzingen worden beschreven.
Dat is de betekenis van de eerste alinea.
De transportwerktuigen vallen tot 1 januari 1996 onder Richtlijn 86/663/EEG. In deze
richtlijn die door deze richtlijn zal worden afgeschaft zijn zeer nauwkeurig omschreven
stabiliteitsproeven opgenomen. Om een daling van het veiligheidsniveau te voorkomen hebben
de wetgevers de tweede alinea toegevoegd. Er komen normen waarin de proeven worden
omschreven maar in de tussentijd zal - en dat geldt ook voor de ontwerpers die de normen niet
zouden volgen - wat de proeven betreft, te werk worden gegaan in de geest van de Richtlijnen
86/663/EEG en 89/240/EEG.
4.1.2.2. Geleidingen en rolbanen
De machines moeten voorzieningen bezitten die inwerken op de
geleidingen of rolbanen ten einde ontsporing te voorkomen.
Voor ontsporing ondanks de aanwezigheid van dergelijke
voorzieningen of voor een defect aan een geleiding of rolbaan moeten er
voorzieningen zijn die verhinderen dat uitrustingen, onderdelen of de last
vallen, en dat de machine kantelt.
Deze eis moet gelezen worden met in het achterhoofd de eerste opmerking vooraf van
bijlage 1. Natuurlijk kunnen ontsporingen niet altijd helemaal worden voorkomen, maar men
moet ervoor zorgen dat zoiets zelden voorkomt en als er ondanks de voorzorgsmaatregelen iets
gebeurt, moeten de gevolgen tot een minimum worden beperkt.
98
Als bij voorbeeld een loopwiel voorzien is van een beugel om de rail heen, zal het loopwiel
bij een ontsporing niet van de rails weglopen. De gevolgen van het breken van een rail zijn
moeilijker op te vangen, maar berekeningen en controle tijdens de fabricage moeten het breken
van zo een rail onwaarschijnlijk maken.
4.1.2.3. Mechanische sterkte
De machines, de hijs- en hefgereedschappen en de verwijderbare
delen moeten bestand zijn tegen de belastingen waaraan zij in bedrijf en
eventueel buiten bedrijf en in alle mogelijke desbetreffende configuraties
worden onderworpen onder door de fabrikant voorziene installatie- en
exploitatievoorwaarden, waarbij in voorkomend geval rekening wordt
gehouden met de effecten van weerfactoren en door personen
uitgeoefende krachten.
Aan deze eis moet ook gedurende het vervoer, het monteren en het
demonteren worden voldaan.
De machines en de hijs- en hefgereedschappen moeten zodanig zijn
ontworpen en geconstrueerd dat er, rekening houdend met het gebruik,
geen defecten ten gevolge van moeheid of slijtage optreden.
De keuze van de voor het werktuig gebruikte materialen moet zijn
afgestemd op de door de fabrikant verwachte gebruiksomstandigheden,
met name waar het gaat om corrosie, slijtage, schokken, brosheid bij lage
temperaturen en veroudering.
De machine en de hijs- en hefgereedschappen moeten zo zijn
ontworpen en geconstrueerd dat zij de overbelasting waaraan zij bij
statische beproeving worden blootgesteld zonder blijvende vervorming of
kennelijk defect kunnen doorstaan. Bij de berekening moet gebruik
worden gemaakt van de waarden van de statische beproevingscoëfficiënt,
die zodanig wordt gekozen dat een adequaat veiligheidsniveau is
gewaarborgd; deze coëfficiënt heeft in het algemeen de volgende
waarden:
a) met mankracht bediende machines en hijs- en hefgereedschappen:
de proeflast is gelijk aan 1,5 maal de werklast;
b) andere machines: 1,25.
De machines moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij
zonder defect de dynamische proeven, die worden verricht met de
werklast vermenigvuldigd met de dynamische beproevingscoëfficiënt,
kunnen doorstaan. Deze dynamische beproevingscoëfficiënt wordt
zodanig gekozen dat een adequaat veiligheidsniveau is gewaarborgd; hij
bedraagt in het algemeen 1,1.
99
De dynamische proeven moeten worden uitgevoerd op de machine die
gereed is onder normale gebruiksomstandigheden in gebruik te worden
genomen. Deze proeven worden in het algemeen uitgevoerd met de door
de fabrikant aangegeven nominale snelheden. Wanneer de
stuurstroomkring van de machine meerdere gelijktijdige bewegingen
toelaat (bij voorbeeld draaien en verplaatsen van de last), moet de proef
worden uitgevoerd onder de ongunstigste omstandigheden, hetgeen in
het algemeen het geval is wanneer de bewegingen worden gecombineerd.
In verband met de eisen van de eerste drie alinea's zijn vele rekencodes opgesteld en om
aan de eisen te kunnen voldoen moet de ontwerper de geharmoniseerde normen toepassen of
een van deze codes voor normaal en erkend gebruik. De bij deze berekeningen toe te passen
veiligheidscoëfficiënten zijn bij de opstelling van de richtlijn uitvoerig besproken: kunnen die
coëfficiënten op ondubbelzinnige wijze in een wetstekst worden vastgelegd ondanks de grote
verscheidenheid van gevallen ?
Het genomen besluit (neergelegd in voorgaande tekst) ging vergezeld van een verzoek van
de Raad aan de Commissie om de normalisatieorganisaties en de ontwerpers van machines
referentiewaarden te geven waarnaar zij zich bij de keuze van de coëfficiënten zouden kunnen
richten.
Wij geven hier de betreffende tekst die ook van toepassing is op de eisen van de punten
4.1.2.4 en 4.1.2.5.
Referentiewaarden voor de beproevings- en gebruikscoëfficiënten van hef
- of hijswerktuigen
De diensten van de Commissie hebben, na overleg met het bij artikel 6, lid 2,
van de Richtlijn 89/392/EEG ingesteld permanent comité de onderstaande
referentiewaarden vastgesteld.
Deze waarden zijn voornamelijk bestemd voor machineconstructeurs of voor
controle-instanties, wanneer er geen normen zijn vastgesteld.
De opstellers van geharmoniseerde normen moeten de gegeven waarden
slechts als een algemene referentie beschouwen waarvan zij kunnen afwijken
indien daartoe reden is.
Wanneer in een geharmoniseerde norm, waarvan de referentie in
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen is verschenen, waarden zijn
opgenomen, leidt de toepassing van deze waarden tot het vermoeden van
overeenstemming met de richtlijn.
De Commissie kan, naar gelang van de ontwikkelingen op het gebied van
kennis, normen en materialen, enzovoort op ieder moment dit document
aanpassen na overleg met het Comité 89/392/EEG.
100
A. Hulpstukken
1. Losse hijs- of hefhelpstukken die gebruikt worden voor het aanslaan van de
last
- sluitingen,
- ooghaken,
- oogbouten,
- kettingen van gelaste schalmen,
- ringen,
- enzovoort.
De statische beproevingscoëfficiënt bedraagt :
- 2 bij maximumlasten (ML) van ten hoogste 30 t;
- 1,5 bij ML groter dan 30 t;
- 1 bij ML van ten minste 100 t op voorwaarde dat bij het aanleggen van de
belasting tijdens de eerste proef de spanning gemeten wordt op het meest
kritieke punt en wordt vergeleken met de berekende waarden.
De gebruikscoëfficiënt bedraagt 4 voor alle huipstukken, behalve voor
metalen kabels die worden gebruikt voor de vervaardiging van stroppen. In
dit geval bedraagt de coëfficiënt voor de kabel + kabeluiteinde te zamen 5.
2. Andere dan voor stroppen bestemde metalen kabels
Bij andere dan voor stroppen bestemde kabels, die gebruikt worden voor
het heffen van lasten, moet rekening gehouden worden met vele factoren
waaronder :
- de verhouding tussen de diameter van de kabel en de diameter van de
schijf, trommel of rol,
- het aantal onafhankelijke kabels dat voor het heffen van een last wordt
gebruikt,
- het fabricageproces en -omstandigheden,
- de indeling van het hefwerktuig waarvoor de kabel wordt gebruikt,
- de smering,
- de controlefrequentie,
- enzovoort.
Als door berekening of uit ervaring of aan de hand van proeven de
maximum-spanning in een willekeurige draad bekend is en rekening wordt
gehouden met het eerste bovenstaande streepje, moet de
gebruikscoëfficiënt in een eerste benadering zodanig worden gekozen dat
de spanning maximaal een derde van de breukspanning bedraagt. De
gebruikscoëfficiënt kan vervolgens, zowel naar boven als naar beneden,
worden aangepast om rekening te houden met andere factoren. Indien
noch berekening, noch proeven, noch ervaring heeft geleid tot de
vaststelling van normen om een gebruikscoëfficiënt te bepalen, moet 5
worden aangehouden.
101
De beproevingscoëfficiënt is dezelfde als die voor het hefwerktuig
waarvoor de kabel bestemd is.
Tuikabels behoeven niet periodiek te worden beproefd, maar moeten
inclusief de kabeluiteinden een gebruikscoëfficiënt van 4 hebben.
Kabels die gebruikt worden voor door kabels geleide demontabele
installaties voor het transport van goederen (span-, draag- of trekkabels)
moeten een gebruiks-coëfficiënt hebben van 3,5.
3. Metalen kettingen die voor andere doeleinden worden gebruikt dan voor
stroppen Kabels voor het heffen van lasten kunnen uit gelaste schalmen
bestaan of mechanische rollen- of schalmenkettingen zijn.
De gebruikscoëfficiënt is 4 voor kettingen met gelaste schalmen en 5 voor
mechanische kettingen.
De beproevingscoëfficiënt is dezelfde als die voor het hefwerktuig
waarvoor de ketting is bedoeld.
4. Bij een machine behorende hef- of hijshuipstukken, steelkraanhaken,
katrollen, hijsjukken, C-haken
De statische beproevingscoëfficiënt in de fabriek of het laboratorium
bedraagt 1,5.
De constructeur moet er tevens rekening mee houden dat, wanneer het
huipstuk eenmaal op het hefwerktuig gemonteerd is, dit periodiek wordt
onderworpen aa[ op dit hefwerktuig afgestemde dynamische proeven.
De gebruikscoëfficiënt hangt af van de groep waarin het hefwerktuig
waarop het huipstuk is gemonteerd, is ingedeeld.
5. Kabels van textielvezel
De statische beproeving levert geen bijzondere gegevens op en is dus
overbodig.
De gebruikscoëfficiënt moet minstens 7 bedragen voor kabels van
synthetische vezels en 8 voor kabels van natuurlijke vezels. In het laatste
geval wordt de coëfficiënt verhoogd om rekening te houden met,
- de aard van de vezels (oorsprong, lengte,...
- de diameter van de kabel,
- het fabricageproces (geslagen kabel, gevlochten kabel,...
- enzovoort.
102
6. Overige hulpstukken
Magnetische of pneumatische grijpers : beproeving en gebruik : 2.
B. Hijs- en Hefwerktuigen voor het heffen van Lasten
1. Statische beproeving
De in de richtlijn genoemde coëfficiënt van 1,25 is van toepassing op alle
hefwerktuigen behalve :
- werktuigen waarvan de werklast kleiner dan of gelijk aan 1 t is; hiervoor
geldt een coëfficiënt van 1,5;
- werktuigen waarvan de werklast groter dan of gelijk aan 100 t is,
waarvoor de coëfficiënt 1 is, op voorwaarde dat bij het aanleggen van de
belasting tijdens de eerste proef de bespanning wordt gemeten op het
meest kritieke punt van de constructie en wordt vergeleken met berekende
waarden.
2. Dynamische beproeving
De in de richtlijn vermelde coëfficiënt van 1,1 is van toepassing op alle hijsen hefwerktuigen behalve die waarbij de werklast groter dan of gelijk aan
100 t is; hiervoor geldt een coëfficiënt van 1.
4.1.2.4. Schijven, trommels, kettingen en kabels
De diameter van de schijven, trommels en rollen moet zijn afgestemd
op de afmetingen van de kabels of kettingen waarmee zij kunnen worden
uitgerust.
De trommels en schijven moeten zodanig zijn ontworpen,
geconstrueerd en aangebracht dat de kabels of kettingen waarmee zij zijn
uitgerust kunnen worden opgewonden zonder dat zij er zijdelings aflopen.
De rechtstreeks lasten dragende kabels mogen alleen aan de
uiteinden een splits hebben (splitsen zijn toegestaan in installaties die
erop gebouwd zijn regelmatig aan andere gebruiksdoeleinden te worden
aangepast). De gebruikscoëfficiënt van kabel en uiteinden wordt zodanig
gekozen dat een adequaat veiligheidsniveau is gewaarborgd; deze
coëfficiënt bedraagt in het algemeen 5.
De gebruikscoëfficiënt van de hijskettingen wordt zodanig gekozen
dat een adequaat veiligheidsniveau is gewaarborgd; deze coëfficiënt
bedraagt in het algemeen 4.
103
Om te verifiëren dat de adequate gebruikscoëfficiënt wordt bereikt,
moet de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde
voor elk rechtstreeks voor het hijsen van de last gebruikt type ketting en
kabel en voor elk type kabeluiteinde de passende proeven verrichten of
laten verrichten.
De maatverhoudingen en verenigbaarheid van schijven, trommels en rollen enerzijds en
kabels en kettingen anderzijds zullen beschreven worden in de geharmoniseerde Europese
normen. De fabrikanten kunnen ook bestaande nationale normen of voorschriften gebruiken, of
de voorschriften van de Fédération européenne de manutention.
4.1.2.5. Hijs- of hefhulpstukken
Bij de bemeting van de hijs- of hefhulpstukken moet rekening zijn
gehouden met moeheids- en verouderingsverschijnselen over een met de
beoogde levensduur overeenkomend aanlat bedrijfscycli onder de
bedrijfsomstandigheden die voor de aangegeven toepassing zijn
gespecificeerd.
Bovendien geldt het volgende:
a) de gebruikscoëfficiënt van het geheel van metalen kabel en
kabeluiteinden moet zodanig worden gekozen dat een adequaat
veiligheidsniveau is gewaarborgd; deze coëfficiënt bedraagt in het
algemeen 5. De kabels mogen alleen aan de uiteinden een splits of lus
hebben;
b) wanneer kettingen van gelaste schalmen worden gebruikt, moeten
deze van het type met korte schalmen zijn. De gebruikscoëfficiënt van de
kettingen wordt ongeacht het type zodanig gekozen dat een adequaat
veiigheidsniveau is gewaarborgd; deze coëfficiënt bedraagt in het
algemeen 4;
c) de gebruikscoëfficiënt van kabels of banden van textielvezel hangt
af van het materiaal, de wijze van vervaardiging, de afmetingen en het
gebruik. De coëfficiënt moet zodanig worden gekozen dat een adequaat
veiligheidsniveau is gewaarborgd; deze coëfficiënt bedraagt in het
algemeen 7, op voorwaarde dat de gebruikte materialen van een zeer
goede, gecontroleerde kwaliteit zijn en dat de wijze van vervaardiging
geschikt is voor de beoogde gebruiksomstandigheden. Indien zulks niet
het geval is, heeft de coëfficiënt in het algemeen een hogere waarde om
een gelijkwaardig veiligheidsniveau te bieden.
Kabels of banden van textielvezel mogen geen knopen, splitsen of
verbindingen hebben, behalve dan aan het uiteinde van de strop of aan de
verbinding van een strop zonder einde;
104
d) de gebruikscoëfficiënt van alle metalen delen van een strop, of de in
combinatie met een strop gebruikte metalen delen, wordt zodanig
gekozen dat een adequaat veiligheidsniveau is gewaarborgd; deze
coëfficiënt bedraagt in het algemeen 4;
e) het maximumdraagvermogen van een meerwegstrop wordt
berekend op basis van het maximumdraagvermogen van de zwakste
draad, het aantal draden en een verminderingsfactor die afhangt van de
wijze waarop de strop wordt gebruikt;
f) om te verifiëren dat de adequate gebruikscoëfficiënt wordt bereikt,
moet de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde
voor elk van de onder a, b, c en d genoemde typen onderdelen de
passende proeven verrichten of laten verrichten.
De omschrijving van de gebruiksvoorwaarden en dus de keuze van parameters van de
vermoeidheidsberekeningen kunnen voor de hijs- en hefwerktuigen en -mechanismen en de
hulpstukken contractueel worden vastgelegd door cliënt en fabrikant maar dat geldt niet voor
hulpstukken voor het aanslaan van de last, die afzonderlijk worden verkocht en uit voorraad
worden geleverd. Hieruit volgt in het algemeen dat met het oog op de eis van de eerste alinea
te kiezen levensduur onbeperkt moet zijn.
In bovenstaande punten 4.1.2.1, 4.1.2.3, 4.1.2.4 en 4.1.2.5 wordt gesproken over proeven
die de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde moet verrichten of laten
verrichten. De richtlijn eist in geen enkel geval bij deze proeven de tussenkomst van een derde
partij. Indien de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde over de
vereiste middelen beschikt, voert hij de proeven zelf uit en bewaart de verslagen in het
technisch dossier van het toestel, dat wil zeggen het in artikel 8 en bijlage V bedoelde dossiers
Indien hij de proeven niet zelf kan uitvoeren, laat hij dat doen door een door hem gekozen
laboratorium. Dat laboratorium behoeft niet een of andere machtiging te hebben; het is al
voldoende als het over de nodige technische middelen beschikt.
Deze proeven die voor het in de handel brengen en in bedrijf stellen door de fabrikant
moeten worden verricht mogen niet worden verward met de periodieke proeven die bij gebruik
van de machines verplicht kunnen zijn op grond van de nationale voorschriften en die in het
algemeen door derden en onder verantwoordelijkheid van de gebruiker zullen worden
uitgevoerd.
4.1.2.6. Beheersing van de bewegingen
De inrichtingen voor het beheersen van de bewegingen dienen
zodanig te werken dat de machine waarop zij zijn aangebracht veilig blijft.
a) De machines moeten zodanig zijn ontworpen of zijn uitgerust met
inrichtingen dat de amplitude van de bewegingen van hun componenten
binnen de daarvoor vastgestelde grenzen blijft. Een
waarschuwingssignaal moet in voorkomend geval aankondigen dat die
inrichtingen in werking treden.
105
b) Wanneer meerdere vaste of op rails voortbewogen machines
tegelijkertijd bewegingen kunnen uitvoeren waarbij kans op botsingen
bestaat, moeten zij zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij
kunnen worden uitgerust met systemen waarmee dit gevaar kan worden
vermeden.
c) De mechanismen van de machines moeten zo zijn ontworpen en
geconstrueerd dat de lasten niet op gevaarlijke wijze uit hun baan of
onverwachts in een vrije val kunnen geraken, wanneer de krachtbron
geheel of gedeeltelijk uitvalt of wanneer de bediener de bediening
stopzet.
d) Behoudens bij machines waarvan het werk een dergelijke
toepassing nodig maakt, mag het niet mogelijk zijn onder normale
bedrijfsomstandigheden de last uitsluitend met gebruikmaking van de
frictierem te laten zakken.
e) De grijporganen moeten zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat
een onverwacht vallen van de last wordt vermeden.
Aan al deze eisen kan onder meer als volgt worden voldaan :
- punt a : uitrusting van de machines met hefbegrenzers, telkens wanneer die kunnen
bijdragen tot vermindering van het risico;
- punt b : schepping van de mogelijkheid om de machines uit te rusten met botsingsgevaar
detecterende inrichtingen. Deze inrichtingen behoeven niet met de machines te worden
meegeleverd, maar de bedieningscircuits van de machines moeten zo zijn ontworpen en
geconstrueerd dat de gebruiker de machines van genoemde inrichtingen kan voorzien;
- punt c : uitrusting van de machines met een systeem voor het blokkeren van de last. Dit
kan zeer eenvoudig zijn bij hef/hijswerktuigen met arm(pal), en meer verfijnd bij machines die
door een andere krachtbron dan handkracht worden aangedreven (automatische rem.
terugslagklep bij hydraulische systemen);
- punt e: uitrusting van de machines met of het in de handel brengen van de zogeheten
"veiligheids" hijs- of hefhelpstukken : haak met pal- of vergrendelingsmechanisme,
zelfblokkerenle klemmen enzovoort.
4.1.2.7. Gevaren bij de behandeling van lasten
De bedieningspost van de machines moet zich op een plaats bevinden
waar het zicht op de baan van de bewegende delen zo goed mogelijk is
om mogelijk gevaar opleverende botsingen met personen of materieel of
andere machines die tegelijkertijd kunnen bewegen, te voorkomen.
Niet-mobiele machines met geleide last moeten zo zijn ontworpen en
geconstrueerd dat wordt voorkomen dat personen de kans lopen door de
last of door het contragewicht te worden geraakt.
106
Volgens de eerste alinea mag de ontwerper de bestuurdersplaats niet zomaar ergens
plaatsen, maar moet hij onderzoeken welke positie voor het zicht op de last het beste is. Als hij
uit meerdere mogelijkheden kan kiezen, moet hij zijn keuze in het in artikel 8 en bijlage V
bedoelde technisch dossier onderbouwen.
De eis in de tweede alinea luidt dat de toegang tot de ruimte waarin de geleide lasten van
vast geïnstalleerde toestellen zich voortbewegen materieel onmogelijk wordt gemaakt
(versperringen).
4.1.2.8. Gevaar door blikseminslag
Wanneer tijdens het gebruik van de machines kans op blikseminslag
bestaat, moeten zij zodanige voorzieningen hebben dat de door de
bliksem veroorzaakte elektrische ladingen naar de grond worden
afgevoerd.
4.2.
Bijzondere voorschriften voor andere dan handgedreven werktuigen
4.2.1 Bedieningsorganen
4.2.1.1. Bedieningspost
De voorschriften van punt 3.2.1 zijn tevens van toepassing op nietmobiele machines.
4.2.1.2. Zitplaats
De voorschriften van punt 3.2.2, eerste en tweede alinea, alsmede van
punt 3.2.3, zijn tevens van toepassing op niet-mobiele machines.
4.2.1.3. Organen waarmee de bewegingen worden bestuurd
De bedieningsorganen waarmee de bewegingen van de machine of de
uitrusting daarvan worden bestuurd moeten in de neutrale stand
terugkeren zodra de bediener ze loslaat. Voor bewegingen van het gehele
werktuig of een deel daarvan waarbij geen gevaar bestaat dat de last of de
machine ergens tegenaan stoot, kunnen bovengenoemde organen worden
vervangen door bedieningsorganen die bewegingen toelaten met
automatische stilstand op van tevoren ingestelde niveaus, zonder dat de
bediener de bedieningsorganen ingeschakeld houdt.
107
De bedieningsorganen moeten organen zijn die steeds ingeschakeld moeten worden
gehouden. Een uitzondering is toegestaan voor :
- werktuigen met geleide last die bepaalde stopplaatsen bedienen, mits volledig aan de eis
van punt 4.1.2.7 is voldaan en er geen gevaar voor ergens tegenaan stoten bestaat;
- werktuigen met niet-geleide last, zoals torenkranen of loopkranen voor dat gedeelte van
het af te leggen traject waar er geen gevaar voor ergens tegenaan stoten bestaat.
4.2.1.4. Belastingsbegrenzing
De machines waarvan de werklast ten minste 1000 kg of het
kantelmoment ten minste 40000 Nm bedraagt, moeten zijn uitgerust met
inrichtingen die de bestuurder waarschuwen en gevaarlijke bewegingen
van de last voorkomen in geval van :
- overbelasting van de machines door :
* een te zware werklast, of
* een te groot moment als gevolg van deze last;
- overschrijding van de momenten die naar kanteling streven bij het
hijsen of heffen van een last.
Machines met een hefvermogen vanaf 1000 kg moeten zijn uitgerust met een inrichting die
de bestuurder waarschuwt ingeval van overbelasting, en gevaarlijke bewegingen tegengaat.
Als bovendien overbelasting of bepaalde bewegingen met een nominale belasting tot gevolg
kunnen hebben dat het werktuig kantelt of omvalt, moet deze inrichting of een aanvullende
inrichting de bestuurder waarschuwen en de bewegingen die tot kantelen zouden kunnen leiden
verhinderen.
4.2.2. Door kabels geleide installatie
De draag-, trek- of draag- trekkabels moeten worden gespannen door
een contragewicht of door een inrichting waarmee de spanning
permanent kan worden geregeld.
4.2.3.
Gevaren voor de blootgestelde personen.
Toegangen tot de werkplek of tot plaatsen waar moet worden gewerkt
Machines met geleide last en machines waarvoor de ondersteuningen
van de last een wel bepaalde baan volgen, moeten zijn uitgerust met
inrichtingen die gevaren voor de blootgestelde personen voorkomen.
Machines die bepaalde stopplaatsen bedienen en waarvan bedieners
het hefvlak kunnen betreden om de last te schikken of vast te zetten,
moeten zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat een ongecontroleerde
verplaatsing van het hefvlak met name bij het laden of het lossen wordt
voorkomen.
108
Op grond van de eerste alinea moet de ontwerper de grenzen vastleggen voor de
niveaus waarop het hefvlak stopt om te voorkomen dat bedieners kunnen vallen in de ruimte die
de last doorkruist. In verband met de tweede alinea is een inrichting vereist die, om de daaraan
toebedachte rol te kunnen vervullen, ondergeschikt moet zijn hetzij aan het openstaan van
zoiets als een liftdeur hetzij aan de bedieningsorganen van de machine.
4.2.4. Geschiktheid voor gebruik
De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde gaat
bij het in de handel brengen of tijdens de eerste inbedrijfstelling met
passende maatregelen die hij verricht of laat verrichten na, of de hijs- of
hefgereedschappen en de gebruiksklare machines, zowel handbediende
als gemotoriseerde, hun opgegeven functies volledig veilig kunnen
verrichten. Bij die maatregelen moeten de statische en dynamische
aspecten van de machines in aanmerking worden genomen.
Wanneer de machines niet in de ruimten van de fabrikant of van zijn in
de Gemeenschap gevestigde gemachtigde kunnen worden gemonteerd,
moeten de passende maatregelen worden getroffen op de plaats van
gebruik. In het tegengestelde geval, kunnen zij worden getroffen hetzij in
de ruimten van de fabrikant hetzij op de plaats van gebruik.
De fabrikant moet statische en dynamische proeven verrichten of laten verrichten om
ervoor te zorgen dat de machines op de juiste manier vervaardigd en gemonteerd zijn. Het gaat
er hier in geen geval om het ontwerp te controleren : er wordt uitsluitend nagegaan of alle door
de ontwerper voorziene en voor de gebruiksveiligheid vereiste inrichtingen aanwezig zijn en
werken.
4.3. Merktekens
4.3.1. Kettingen en kabels
Iedere complete hijsketting, -kabel of -band die geen deel uitmaakt
van een geheel, moet voorzien zijn van een merkteken, of indien dit niet
mogelijk is, van een plaatje of een niet verwijderbare ring waarop de
gegevens van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde
gemachtigde vermeld staan, alsmede de identificatie van de
desbetreffende verklaring.
De verklaring moet de volgens de geharmoniseerde normen vereiste
gegevens bevatten, of de volgende minimumgegevens, indien genoemde
normen ontbreken :
- de naam van de fabrikant of van zijn in de Gemeenschap gevestigde
gemachtigde,
- het adres in de Gemeenschap van de fabrikant of gemachtigde, naar
gelang van het geval,
109
- een beschrijving van de ketting of de kabel met vermelding van :
* de nominale afmetingen,
* de constructie,
* het fabricagemateriaal,
* speciale metallurgische behandelingen van het materiaal,
- in geval van een test, de toegepaste norm,
- de hoogste bedrijfsbelasting van de ketting of de kabel. Naar gelang
van de beoogde toepassingen kan een reeks van waarden worden
aangegeven.
Deze eis geldt voor de kabels en kettingen die overeenkomstig de bepalingen van artikel 4,
lid 2, worden geleverd, dat wil zeggen die geen bepaald doel of bepaalde functie hebben
voordat ze in een geheel worden ingebouwd. Richtlijn 73/361/EEG, als gewijzigd bij Richtlijn
76/434/EEG, voorzag in een verklaring voor kabels en kettingen. Aangezien die richtlijnen nu
door deze richtlijn zijn afgeschaft, diende men ervoor te zorgen dat het door die richtlijnen
gewaarborgde veiligheidsniveau gehandhaafd bleef.
De fabrikant die aan deze eis wil voldoen kan dat nog steeds bereiken met de middelen die
hij toepast om aan de afgeschafte richtlijnen te voldoen, maar die middelen zijn niet meer
verplicht, en de normen mogen voorzien in een ander soort verklaring, als die maar de in de eis
vermelde gegevens bevat.
4.3.2.
Hijs- en hefgereedschappen
Op ieder hijs- en hefgereedschap moeten de volgende merktekens zijn
aangebracht :
- identificatie van de fabrikant,
- identificatie van het materiaal (bij voorbeeld : internationale klasse)
wanneer deze informatie nodig is met het oog op de verenigbaarheid van
de afmetingen,
- identificatie van de werklast,
- het EG-merkteken.
Voor hijs- of hefhulpstukken die componenten omvatten als kabels of
touwwerk waarop het aanbrengen van een merkteken materieel
onmogelijk is, moeten de in de eerste alinea bedoelde gegevens vermeld
worden op een plaat of met andere stevig op het hulpstuk bevestigde
middelen.
Deze gegevens moeten leesbaar zijn en op een zodanige plaats zijn
aangebracht dat er geen gevaar bestaat dat zij door bewerkingen, slijtage
enzovoort, verdwijnen of dat de sterkte van het gereedschap erdoor wordt
aangetast.
Heel vaak zijn losse, gebruiksklare hijs- of hefhulpstukken in de handel verkrijgbaar. Om
een hijs- of hefwerktuig te kunnen gebruiken zijn er vele uiteenlopende hijs-of hefhulpstukken
nodig die omgekeerd niet bestemd zijn voor een enkel werktuig.
110
Daarom schrijft de wetgever afzonderlijke conformiteitscertificatieprocedures voor deze
hulpstukken voor, met onder meer merktekens, een EG-verklaring van overeenstemming en
een technisch dossier.
4.3.3. Machines
Op elke machine moeten behalve de in punt 1.7.3 voorgeschreven
gegevens de volgende gegevens over de nominale last onuitwisbaar en
goed leesbaar vermeld staan :
i) bij machines waarvoor maar één waarde kan worden vermeld moet
deze ongecodeerd en op het werktuig goed zichtbaar staan aangegeven;
ii) wanneer de nominale last afhangt van de configuratie van de
machine, moet elke bedieningspost voorzien zijn van een plaatje dat in
tabelvorm of schetsmatig de werklast voor elke configuratie vermeldt.
Op machines die zijn uitgerust met een hefvlak dat door zijn
afmetingen toegankelijk is voor personen, en waarvan de vlucht het risico
van vallen inhoudt, moet duidelijk en onuitwisbaar vermeld staan dat het
heffen van personen verboden is. Deze vermelding moet duidelijk
zichtbaar zijn aangebracht op alle plaatsen die toegang bieden.
De wetgever is er zich van bewust dat het onmogelijk is om met materiële middelen de
toegang te versperren.
Bij de huidige stand van de techniek is de enige eis die toestellen voor het heffen van
werktuigen waarmee geen personen mogen worden geheven het al dan niet aanwezig zijn van
bedieningsorganen op het mobiele hefvlak. Een hefvlak zonder bedieningsorganen mag alleen
een persoon vervoeren, indien een ander de bedieningsorganen bedient. Door de
aanwezigheid van een andere persoon wordt het risico weliswaar niet opgeheven maar kunnen
de gevolgen van een eventueel ongeval door het snel organiseren van hulpverlening worden
beperkt en kunnen er maatregelen genomen worden om een collega uit zijn benarde situatie te
bevrijden.
4.4.
Gebruiksaanwijzing
4.4.1.
Hijs- en hefgereedschappen
leder hijs- en hefgereedschap of iedere commercieel ondeelbare partij
hijs- of hefgereedschappen moet vergezeld gaan van een
gebruiksaanwijzing die ten minste de volgende gegevens bevat :
- de normale gebruiksvoorwaarden,
- aanwijzingen voor gebruik, montage en onderhoud,
- de bruikbaarheidsgrenzen, met name voor gereedschappen die niet
aan punt 4.1.2.6, onder e, kunnen voldoen.
Het laatste streepje gaat over hulpstukken als magnetische of pneumatische zuignappen
waarvoor er niet in alle gevallen aan de eis van punt 4.1.2.6, onder e, kan worden voldaan.
De fabrikant moet dergelijke gevallen duidelijk velmelden en de gebruiker informeren dat
deze inrichtingen slechts mogen worden gebruikt waar personen niet permanent parkeren.
111
4.4.2.
Machines
Naast het in punt 1.7.4 genoemde moet de gebruiksaanwijzing
gegevens bevatten omtrent :
a) de technische kenmerken, met name :
- zo nodig een herhaling van de tabel van de in punt 4.3.3, onder ii,
aangegeven lasten,
- de op steun- en bevestigingspunten uitgeoefende krachten en de
kenmerken van de banen,
-zo nodig een omschrijving van de ballast en de manieren om deze
aan te brengen;
b) de inhoud van het onderhoudsboekje voor de machine, indien dit
niet bij de machine wordt meegeleverd;
c) de werkwijze die moet worden gevolgd indien het rechtstreeks zicht
dat de bediener op de last heeft niet toereikend is;
d) de nodige instructies voor het verrichten van de proeven vóór de
eerste inbedrijfstelling van machines die niet gebruiksklaar bij de
fabrikant worden gemonteerd.
Onder a wordt eraan herinnerd hoe belangrijk het is dat lasten heffende of hijsende
toestellen of werktuigen stabiel zijn, en wordt met nadruk gewezen op het belang van duidelijk
gestelde gebruiksaanwijzingen wat dit punt betreft.
Punt b stelt de meelevering van een onderhoudsboekje niet verplicht (periodieke al dan
niet legale ingrepen, uitzonderlijke ingrepen, grote reparaties of ingrijpende wijzigingen
enzovoort), maar vraagt de fabrikant om advies over de inhoud daarvan. Het zou een zeer
goede zaak zijn, en misschien wel noodzakelijk, als de normalisatieinstellingen zich over dit
probleem buigen, want wanneer de vorm van de inhoud van het onderhoudsboekje
genormaliseerd is, zou het ook kunnen worden "ontcijferd" wanneer men de taal waarin het
gesteld is niet kent (in het geval van machines die gehuurd zijn of van een aannemer die zijn
machines naar een naburige Lid-Staat meeneemt).
Bij de bespreking van punt 4.1.2.1 is gezegd dat bij statische en dynamische proeven met
veiligheidscoëfficiënten kunstgrepen mogen worden toegepast om de stabiliteit van de machine
te handhaven, mits hierbij de instructies van de fabrikant worden opgevolgd.
5.
Fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor
machines bestemd om uitsluitend bij ondergrondse
werkzaamheden te worden gebruikt
Machines die bestemd zijn om uitsluitend bij ondergrondse
werkzaamheden te worden gebruikt moeten zodanig zijn ontworpen en
geconstrueerd dat zij aan de volgende eisen voldoen.
In het verslag van de Raad interne markt van 20 juni 1991 staat het volgende : "Het is de
bedoeling dat werkzaamheden in ondergrondse parkeergarages, ondergrondse winkelgalerijen,
kelders, champignonkwekerijen en dergelijke niet als ondergrondse werkzaamheden worden
beschouwd".
112
Daar mag dan weer uit worden afgeleid dat alle andere werkzaamheden die beneden het
niveau van de grond worden verricht ondergrondse werkzaamheden zijn.
5.1.
Gevaren door onvoldoende stabiliteit
Wandelondersteuningen moeten zodanig zijn ontworpen en
geconstrueerd dat bij verplaatsing ervan een goede oriëntatie mogelijk is
en zij voor en tijdens het onder druk brengen en na het wegnemen van de
druk niet kantelen. Zij moeten voorzien zijn van verankeringen voor de
kopplaten van de afzonderlijke hydraulische steunbalken.
5.2.
Doortocht
Wandelondersteuningen moeten de blootgestelde personen de
mogelijkheid van een ongehinderde doortocht bieden.
5.3.
Verlichting
De voorschriften van de derde alinea van punt 1.1.4 zijn niet van
toepassing.
De afwijking is gebaseerd op het feit dat bij ondergrondse werkzaamheden de bediener
meestal over eigen verlichting op zijn helm beschikt.
5.4.
Bedieningsorganen
De organen voor versnellen en afremmen van via rails geleide
machines dienen met de hand te worden bediend. De dodemansinrichting
mag echter met voetbediening zijn uitgevoerd.
De bedieningsorganen van wandelondersteuningen dienen zodanig te
zijn ontworpen en aangebracht dat de bedieners tijdens het schiften
beschut zijn door een ter plaatse aanwezige stut. De bedieningsorganen
moeten beschermd zijn tegen iedere onvoorziene inschakeling.
5.5.
Stopzetting van de verplaatsing
Een locomotief die bestemd is voor ondergrondse werkzaamheden,
moet zijn voorzien van een dodemansinrichting die ingrijpt op het circuit
dat de beweging van de machine bepaalt.
In normalisatiekringen wordt soms ten onrechte gesproken van"dodemansknop". In feite
gaat het hier om een inrichting die regelmatig met tussenpozen bewust door de bestuurder
moet worden ingeschakeld, omdat anders de betreffende bewegingen van de machine stoppen.
113
5.6.
Brandgevaar
Het tweede streepje van punt 3.5.2 is verplicht voor machines die
sterk ontvlambare delen bevatten.
Het remsysteem moet zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat
het geen vonken of brand kan veroorzaken.
Machines met een verbrandingsmotor mogen uitsluitend zijn uitgerust
met een inwendige verbrandingsmotor waarbij een brandstof met lage
dampspanning wordt gebruikt en elektrische vonken uitgesloten zijn.
Het begrip ontvlambaarheid zal gedefinieerd worden in de normen die eveneens moeten
bepalen vanaf welke waarde van "sterke" ontvlambaarheid wordt gesproken en de eerste alinea
moet worden toegepast.
In de derde alinea wordt zoveel gezegd als dat bij de huidige stand van de techniek alleen
dieselmotoren toegestaan zijn; wel wordt de deur opengelaten voor eventuele technologische
ontwikkelingen op het gebied van andere motortypes.
5.7.
Gevaren door emissie van stofdeeltjes, gas, enzovoort
De uitlaatgassen van verbrandingsmotoren mogen niet naar boven
worden afgevoerd.
Dit betekent dat een gewone grondwerkmachine met uitlaatgasafvoer naar boven niet voor
werkzaamheden ondergronds gebruikt mag worden.
Er kunnen ook nog andere redenen zijn (ontvlambaarheid, ontploffingsgevaar, enzovoort)
om het gebruik ondergronds te verbieden.
6.
Fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen die de
bijzondere risico's bij het heffen of verplaatsen van personen
moeten voorkomen
Machines waaraan risico's door het heffen of verplaatsen van
personen zijn verbonden moeten zo zijn ontworpen en gebouwd dat zij
aan de volgende eisen voldoen.
Wij verwijzen naar het commentaar bij punt 4.3.3 dat "er sprake is van een machine die
personen kan heffen wanneer er bedieningsorganen in de drager aanwezig zijn".
6.1.
Algemeen
114
6.1.1.
Definitie
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder "drager" het platform waarop de
personen plaatsnemen die door beweging van dit platform opgeheven,
naar beneden gebracht of verplaatst moeten worden.
6.1.2.
Mechanische sterkte
De in punt 4 bepaalde gebruikscoëfficiënten zijn niet voldoende voor
machines die bestemd zijn voor het heffen of verplaatsen van personen
en moeten in de regel worden verdubbeld. Het grondvlak van de drager
moet zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat het ruim en sterk genoeg is
om het maximumaantal personen en de maximale bedrijfslast volgens
fabrieksopgave te kunnen dragen.
6.1.3.
Controle van de belasting voor toestellen die in beweging worden gezet
door een andere energie dan spierkracht
De eisen van punt 4.2.1.4 zijn van toepassing ongeacht de waarde van
de maximale bedrijfslast. Deze eis geldt niet voor machines waarvoor de
fabrikant kan aantonen dat er geen gevaar voor overbelasting en/of
omslaan bestaat.
6.2.
Bedieningsorganen
6.2.1.
Wanneer de veiligheidseisen niet verplichten tot andere oplossingen
geldt het volgende : de drager moet over het algemeen zo zijn ontworpen
en geconstrueerd dat de personen daarop beschikken over
bedieningsorganen om de drager ten opzichte van de machine te laten
stijgen/dalen en in voorkomend geval te verplaatsen.
Deze bedieningsorganen moeten voorrang hebben op de andere
bedieningsorganen voor dezelfde bewegingen, behalve op de
noodstopinrichtingen.
De bedieningsorganen voor deze bewegingen moeten zo zijn ingericht
dat ze blijvend moeten worden bediend, behalve voor machines die
bepaalde stopplaatsen bedienen.
Deze eis past bij machines voor het heffen van personen.
6.2.2.
Indien een machine voor het heffen of verplaatsen van personen
115
verrijdbaar is met de drager in een andere stand dan de ruststand moet de
machine zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat de zich in de drager
bevindende persoon/personen beschikt/beschikken over middelen om de
door het rijden van het hefwerktuig ontstane gevaren te vermijden.
De hier bedoelde machines die in de landbouw of de bouw worden gebruikt zijn gevaarlijk
in het gebruik. Tijdens de verplaatsing kan het gebeuren dat de bediener een gevaar opmerkt
wat voor de bestuurder niet te zien is. De zich op de drager bevindende bediener beschikt
volgens punt 6.2.1 over de bedieningsorganen voor het stijgen en dalen. De wetgever vond dat
niet voldoende en wil dat de bediener de verplaatsing van de machine kan verhinderen : er
moet een bedieningsorgaan zijn waarmee op een veilige manier de verplaatsing kan worden
onderbroken of een communicatie door middel van geluid met degene die de verplaatsing
bestuurt.
6.2.3.
Machines voor het heffen of verplaatsen van personen moeten zo zijn
ontworpen, gebouwd of uitgerust dat een te snelle beweging van de
drager geen risico's oplevert.
6.3.
Gevaar voor uit de drager vallen van personen
6.3.1.
Indien de maatregelen van punt 1.5.15 onvoldoende zijn, moeten de
dragers zijn uitgerust met voldoende bevestigingspunten voor het aantal
personen dat zich op de drager kan bevinden en die punten moeten sterk
genoeg zijn om de persoonlijke beschermingsmiddelen tegen vallen te
bevestigen.
Van het gebruiksdoel van de machine hangt af wat een "geschikte" hoogte is. Indien de
drager als werkplek fungeert, moet het werk vanaf het hefvlak kunnen worden verricht. De
leuningen moeten de voor dit werk"geschikte" hoogte hebben. Indien het echter om een
personenlift gaat die personen van de ene stopplaats naar de andere brengt, moeten alle
bereikbare en gevaarlijke hoogten worden afgeschermd (EN 294).
6.3.2.
Indien er een luik in het grondvlak of bovenvlak of een zijdeurtje
aanwezig is, moet de openingsrichting ingaan tegen het gevaar van vallen
bij onverwacht opengaan.
6.3.3.
Machines voor het heffen of verplaatsen van personen moeten zo zijn
ontworpen en gebouwd dat het grondvlak van de drager ook tijdens de
bewegingen niet zo sterk kan hellen dat er een risico voor vallen van de
vervoerde personen ontstaat.
Het grondvlak van de drager moet slipvrij zijn.
Een goed voorbeeld zijn hangstellingen voor gevelreiniging met meer dan één motorlier;
hierbij hoort een inrichting die de werking van een lier verhindert als daardoor het hefvlak schuin
komt te hangen.
116
6.4.
Gevaar voor het vallen of omslaan van de drager
6.4.1.
Machines voor het heffen of verplaatsen van personen moeten zo zijn
ontworpen en gebouwd dat de drager niet kan vallen of omslaan.
De bedoelde inrichting die gekoppeld wordt aan die van punt 6.2.3 kan een terugslagklep
op een hydraulische of pneumatische vijzel zijn, een mechanisch remsysteem voor dragers die
aan kabels of kettingen zijn opgehangen, een veiligheidsschroef voor toestellen met schroeven
enzovoort.
Wanneer de krachten te groot zijn, moeten er in de plaats van zo'n inrichting, die dan
gevaarlijk zou kunnen zijn, andere voorzieningen ter vermindering van het gevaar komen;
hiervan moet er een gedetailleerde beschrijving in de gebruiksaanwijzing komen, aangevuld met
zeer nauwkeurige onderhoudsinstructies.
6.4.2.
Acceleratie en afremming van de drager of het dragende voertuig, ten
gevolge van een handeling van de bediener of de werking van een
veiligheidsinrichting, bij de door de fabrikant opgegeven maximale
belastings- en snelheidsomstandigheden, mogen geen risico's voor de
blootgestelde personen opleveren.
6.5.
Aanduidingen
Wanneer dat nodig is om de veiligheid te garanderen moeten op de
drager de noodzakelijke merktekens ter zake zijn aangebracht.
*****************
117
BIJLAGE II
A.
Inhoud van de EG-verklaring van overeenstemming voor machines (1)
De EG-verklaring van overeenstemming moet de volgende gegevens
bevatten :
- naam en adres van de fabrikant of van zijn in de Gemeenschap
gevestigde gevolmachtigde, (2)
- beschrijving van de machine, (3)
- alle relevante bepalingen waaraan de machine voldoet,
- in voorkomend geval, naam en adres van de instantie waarvan
kennisgeving is gedaan en nummer van het EG-typeonderzoek,
- in voorkomend geval, naam en adres van de instantie waarvan
kennisgeving is gedaan en waaraan het dossier is toegezonden
overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder c, eerste streepje,
- in voorkomend geval naam en adres van de instantie waarvan
kennisgeving is gedaan en die de in artikel 8, lid 2, onder c, tweede
streepje, bedoelde controle heeft verricht,
- in voorkomend geval de verwijzing naar de geharmoniseerde
normen,
- in voorkomend geval de nationale technische normen en
specificaties die zijn gebruikt,
- identiteit van de ondertekenaar die gemachtigd is verplichtingen
voor de fabrikant of de in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde
aan te gaan.
________________________
(1) Deze verklaring moet in dezelfde taal worden opgesteld als de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing
(zie bijlage I, punt 1.7.4.b) en wel in machineschrift of drukletters. Zij moet vergezeld gaan van een
vertaling in een van de talen van het land waar de machine wordt gebruikt. Voor het maken van
deze vertaling gelden dezelfde voorwaarden als voor de vertaling van de gebruiksaanwijzing.
(2) Firmanaam, volledig adres; een gevolmachtigde moet ook de firmanaam en het adres van de
fabrikant vermelden.
(3) Beschrijving van de machine (merk, type, serienummer, enzovoort).
118
B.
Inhoud van de verklaring van de fabrikant of van diens in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde (artikel 4, lid 2) (1)
De in artikel 4, lid 2, bedoelde verklaring van de fabrikant moet de
volgende gegevens bevatten :
- naam en adres van de fabrikant of van zijn in de Gemeenschap
gevestigde gevolmachtigde, (2)
- beschrijving van de machine of de machinedelen, (3)
- in voorkomend geval naam en adres van de instantie waarvan
kennisgeving is gedaan en nummer van het EG-typeonderzoek,
- in voorkomend geval naam en adres van de instantie waarvan
kennisgeving is gedaan en waaraan het dossier is toegezonden
overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder c, eerste streepje,
- in voorkomend geval naam en adres van de instantie waarvan
kennisgeving is gedaan en die de in artikel 8, lid 2, onder c, tweede
streepje, bedoelde controle heeft verricht,
- in voorkomend geval de referenties van de geharmoniseerde
normen,
- vermelding van het verbod op het in gebruik stellen voordat de
machine waarin het produkt wordt ingebouwd, in overeenstemming met
de bepalingen van de richtlijn is verklaard,
- identiteit van de ondertekenaar.
C.
Inhoud van de EG-verklaring van overeenstemming voor veiligheidscomponenten die afzonderlijk op de markt worden gebracht (1)
De EG-verklaring van overeenstemming moet de volgende gegevens
bevatten :
- naam en adres van de fabrikant of zijn in de Gemeenschap
gevestigde gevolmachtigde, (2)
________________________
(1) Deze verklaring moet in dezelfde taal worden opgesteld als de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing
(zie bijlage I, punt 1.7.4.b) en wel in machineschrift of drukletters. Zij moet vergezeld gaan van een
vertaling in een van de talen van het land waar de machine wordt gebruikt. Voor het maken van
deze vertaling gelden dezelfde voorwaarden als voor de vertaling van de gebruiksaanwijzing.
(2) Firmanaam, volledig adres; een gevolmachtigde moet ook de firmanaam en het adres van de
fabrikant vermelden.
(3) Beschrijving van de machine (merk, type, serienummer, enzovoort).
119
- beschrijving van de veiligheidscomponent, (4)
- veiligheidsfunctie van de veiligheidscomponent, indien deze niet
duidelijk uit de beschrijving valt af te lezen,
- in voorkomend geval naam en adres van de instantie waarvan
kennisgeving is gedaan en het nummer van het EG-typeonderzoek,
- in voorkomend geval naam en adres van de instantie waarvan
kennisgeving is gedaan en waaraan het dossier is toegezonden
overeenkomstig artikel 8, lid 2, onder c, eerste streepje,
- in voorkomend geval naam en adres van de instantie waarvan
kennisgeving is gedaan en die de in artikel 8, lid 2, onder c, tweede
streepje bedoelde controle heeft verricht,
- in voorkomend geval de verwijzing naar de geharmoniseerde
normen,
- in voorkomend geval de verwijzing naar de nationale technische
normen en specificaties die zijn gebruikt,
- identiteit van de ondertekenaar die gemachtigd is om verplichtingen
voor de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde
aan te gaan.
Wat betekent "identiteit van de ondertekenaar" ?
Het gaat er alleen maar om onleesbare handtekeningen te vermijden, iets wat helaas heel
vaak voorkomt. Naast de handtekening moet dus in drukletters de naam, voornaam en
hoedanigheid van de ondergetekende worden vermeld.
Met zou zich kunnen afvragen waarom de eventuele naam van een instantie waarvan een
kennis is gegeven vermeld moet worden in de type B-verklaring, die in de praktijk niet op
eindprodukten betrekking heeft. Bepaalde componenten vallen echter onder andere richtlijnen
met bijbehorende certificatieprocedures waarbij dan deze instanties betrokken zijn (de richtlijnen
drukapparatuur, omgevingen met ontploffingsgevaar, gastoestellen).
In zulke gevallen is het beter als de conformiteitsprocedures bij de oorspronkelijke fabrikant
zelf zijn uitgevoerd.
_________________
(4) Beschrijving van de veiligheidscomponent (merk, type, serienummer indien dat bestaat, enzovoort).
120
BIJLAGE III
EG-merkteken
Het EG-merkteken bestaat uit het hieronder afgebeelde symbool en de
laatste twee cijfers van het jaar waarin het merkteken is aangebracht.
De onderscheiden onderdelen van het EG-merkteken moeten duidelijk
dezelfde hoogte hebben, die minimaal 5 mm moet bedragen.
121
BIJLAGE IV
Soorten machines en veiligheidscomponenten
waarvoor de in artikel 8, lid 2, onder b en c, bedoelde
procedure moet worden toegepast.
A.
Machines
1.
Cirkelzagen (eenbladig en meerbladig), voor de bewerking van hout en
daarmee gelijk te stellen materialen of voor de bewerking van vlees en
daarmee gelijk te stellen materialen.
1.1. Zaagmachines, waarbij het werktuig zich tijdens het werk in een vaste
bevindt, voorzien van een vast tafelblad en met manuele toevoer van
het werkstuk of met verwijderbare meenemer.
1.2. Zaagmachines, waarbij het werktuig zich tijdens het werk in een vaste
stand bevindt, voorzien van een tafelzaagbok of een heen en weer
gaande slede die met de hand wordt verplaatst.toevoer van het
werkstuk of met verwijderbare meenemer.
1.3. Zaagmachines, waarbij het werktuig zich tijdens het werk in een vaste
stand bevindt en die bij de constructie zijn toegerust met een inrichting
voor mechanische toevoer van de te zagen werkstukken, waarbij het
materiaal met de hand wordt toe - en/of afgevoerd.
1.4. Zaagmachines, waarbij het werktuig tijdens het werk beweegbaar is en
mechanisch wordt verplaatst, waarbij het materiaal met de hand wordt
toe- en/of afgevoerd.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Vlakschaafmachines met handvoeding voor houtbewerking.
Eenzijdige schaafmachines met manuele toevoer en/of afvoer voor
houtbewerking.
Lintzagen met vast of beweegbaar tafelblad en lintzagen met beweegbare
slede, met manuele toevoer en/of afvoer, voor de bewerking van hout en
daarmee gelijk te stellen materialen of voor de bewerking van vlees en
daarmee gelijk te stellen materialen.
Gecombineerde machines van de onder 1 tot en met 4 en 7 bedoelde types
voor de bewerking van hout en daarmee gelijk te stellen materialen.
Pennenbanken met verschillende spillen met handvoeding voor
houtbewerking.
Freesmachines met verticale as, met handvoeding voor de bewerking van
hout en daarmee gelijk te stellen materialen.
122
8.
9.
17.
Draagbare kettingzaagmachines voor houtbewerking.
Persen, met inbegrip van buigmachines, voor koude metaalbewerking,
waarbij het materiaal met de hand wordt toe- en/of afgevoerd en de
beweegbare werktuigen een slagiengte kunnen hebben van meer dan 6 mm
en een snelheid van meer dan 30 mm/s.
Machines voor het spuitgieten en persen van kunststoffen met manuele
toevoer of afvoer van het materiaal.
Machines voor het spuitgieten en persen van rubber met manuele toevoer of
afvoer van het materiaal.
Machines voor ondergrondse werkzaamheden van de volgende typen :
- machines op rails: locomotieven en remwagens,
- hydraulische wandelondersteuningen,
- verbrandingsmotoren bestemd voor de uitrusting van machines voor
ondergrondse werkzaamheden.
Met de hand geladen vuilniswagens met perssysteem.
Beveiligingsvoorzieningen en verwijderbare aftaktussenassen voor
krachtoverbrenging als beschreven in punt 3.4.7.
Hefbruggen voor voertuigen.
Hijs- en hefwerktuigen voor het heffen van personen waarbij een gevaar
voor een vrije val van meer dan 3 meter bestaat.
Machines voor de vervaardiging van pyrotechnische produkten.
B.
Veiligheidscomponenten
1.
Gevoelige elektrische inrichtingen die zijn ontworpen voor de detectie van
personen, zoals foto-elektrische beveiliging, sensormatten, elektromagnetische detectoren.
Logische eenheden voor beveiligingsfuncties bij met twee handen te
bedienen bedieningsorganen.
Automatisch bewegende schermen voor de beveiliging van de onder A in de
punten 9, 10 en 11 bedoelde machines.
Kantelbeveiligingsinrichtingen (ROPS).
Constructies ter beveiliging tegen vallende voorwerpen (FOPS).
10.
11.
12.
13.
14.
15.
16.
2.
3.
4.
5.
********************
123
BIJLAGE V
EG-Verklaring van overeenstemming
In deze bijlage wordt onder "machine" verstaan : ofwel de "machine" als
omschreven in artikel 1, lid 2, ofwel de "veiligheidscomponent" als omschreven
in datzelfde lid.
1.
2.
3.
De EG-verklaring van overeenstemming is de procedure waardoor de
fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde, verklaart
dat de in de handel gebrachte machine aan alle daarop betrekking hebbende
fundamentele eisen inzake veiligheid en gezondheid voldoet.
De ondertekening van de EG-verklaring van overeenstemming machtigt de
fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde het EGmerkteken op de machine aan te brengen.
Voordat de EG-verklaring van overeenstemming kan worden opgesteld,
moet de fabrikant, of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde,
zich ervan hebben vergewist en kunnen garanderen dat de hieronder
beschreven documenten te zijnen kantore beschikbaar blijven voor
eventuele controles :
a) een technisch constructiedossier bestaande uit :
- het overzichtsplan van de machine, alsmede de tekeningen van de
bedieningsschakelingen;
- gedetailleerde en volledige tekeningen, eventueel vergezeld van
berekeningen, testresultaten, enzovoort, aan de hand waarvan kan
worden nagegaan of de machine aan de fundamentele veiligheids- en
gezondheidsvoorschriften voldoet;
- een lijst met :
- de fundamentele eisen van de richtlijn,
- de normen en
- de overige technische specificaties waarmee bij het ontwerp van de
machine rekening is gehouden;
- een beschrijving van de preventieve voorzieningen met het oog op de
aan de machine verbonden gevaren;
- desgewenst, ieder technisch verslag of ieder van een bevoegde
instantie of een bevoegd laboratorium (1) verkregen certificaat;
_____________________
(1) Een instantie of laboratorium wordt bevoegd geacht als zij/het voldoet aan de beoordelingscriteria
van de desbetreffende geharmoniseerde normen.
124
- indien hij de overeenstemming met een geharmoniseerde norm die dat
voorschrijft aangeeft, ieder technisch verslag waarin de uitkomsten
van de proeven zijn opgenomen die, naar keuze, hetzij door hemzelf,
hetzij door een bevoegde instantie of bevoegd laboratorium zijn
verricht;
- een exemplaar van de gebruiksaanwijzing van de machine;
b) in geval van serieproduktie, de interne bepalingen die worden toegepast
ter handhaving van de overeenstemming van de machines met de
bepalingen van de richtlijn.
De fabrikant moet het nodige onderzoek verrichten en de nodige proeven
uitvoeren met betrekking tot de onderdelen, de hulpstukken of de gehele
machine om vast te stellen of deze qua ontwerp en bouw veilig kan
worden gemonteerd en in gebruik genomen. Het niet-overleggen van de
documenten na een naar behoren met redenen omkleed verzoek van de
bevoegde nationale autoriteiten, kan voldoende reden zijn om het
vermoeden van overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn in
twijfel te trekken.
4.
a) De in punt 3 bedoelde documenten behoeven niet permanent in
materiële vorm voorhanden te zijn, maar moeten kunnen worden
bijeengebracht en ter beschikking worden gesteld binnen een met het
belang ervan verenigbare tijd.
Zij behoeven geen gedetailleerde tekeningen en andere uitvoerige
inlichtingen met betrekking tot de bij de fabricage van de machines
gebruikte onderdelen te bevatten, behalve indien kennis daarvan voor
het controleren van de overeenstemming met de fundamentele
veiligheidseisen onontbeerlijk of noodzakelijk is;
b) de in punt 3 bedoelde documenten worden bewaard en ter beschikking
gehouden van de bevoegde nationale instanties gedurende ten minste
tien jaar na de datum van fabricage van de machine of na die van het
laatste exemplaar van een in serie vervaardigde machine;
c) de in punt 3 bedoelde documenten moeten in één van de officiële talen
van de Gemeenschap zijn gesteld.
Deze bijlage bevat een uiteenzetting over het technisch dossier. De rechtvaardiging van
de fabrikantenverklaring ("zelfcertificatie") steunt voor een deel op het bestaan van dit dossier.
In punt 3 onder a, wordt een overzicht gegeven van de inhoud van het dossier. Hierin
moeten uitsluitend de tekeningen en berekeningen opgenomen zijn (tweede streepje van punt
3a) die nodig zijn om te kunnen begrijpen hoe de ontwerper voldaan heeft aan de
fundamentele eisen. Het dossier dient alle fundamentele eisen te omvatten die van
toepassing zijn op de machine en bij elke eis aan te geven welke oplossing de ontwerper
gekozen heeft om het betreffende risico te ondervangen.
125
Als hij een norm heeft gevolgd die een of meer fundamentele eisen bestrijkt, behoeft hij
voor de met betrekking tot die eisen door hem gevolgde aanpak alleen maar de norm te
vermelden, en behoeven geen verdere toelichtingen in het dossier te worden opgenomen. Als
zo een norm geen geharmoniseerde Europese norm is, leidt de naleving daarvan niet
automatisch tot het vermoeden van overeenstemming met de richtlijn, maar vormt wel het
bewijs van het streven van de fabrikant om zich te houden aan erkende maatstaven op het
stuk van preventie. Het is in het belang van de fabrikant om alle externe bronnen te
vertnelden die hem tot de keuze van deze of gene oplossing hebben geleid of gebracht.
In punt 3, onder b, wordt gezegd dat een fabrikant zijn verantwoordelijkheid niet kan
afschuiven op de fabrikant van een onderdeel of component. De redenen voor de keuze
daarvan moeten in het dosssier worden vermeld voor zover die keuze van invloed is op de
naleving van een of meer eisen.
In de laatste alinea van punt 3, onder b wordt erop gewezen dat het niet voorleggen van
het dossier op verzoek van een bevoegde nationale instantie voldoende reden kan zijn om het
vermoeden van overeenstemming met de bepalingen van de richtlijn in twijfel te trekken. Een
en ander moet worden verzacht door twee onder punt 4a gemaakte opmerkingen :
- een deel van het dossier kan elektronisch zijn opgeslagen of in een ander zijn
opgenomen dat de gemeenschappelijke noemer is waaronder meerdere machines vallen. In
bepaalde gevallen zou het niet realistisch zijn als een fabrikant alle technische documenten
met betrekking tot een machine in materiële vorm in een archief opneemt. Dit betekent dat
men de fabrikant er geen verwijt van mag maken als hij na een dwingend verzoek daartoe niet
onmiddellijk het dossier overlegt. Hij moet de tijd krijgen om de delen van het dossier samen
te voegen.
- in de notulen van 14 juni 1989 heeft de Raad de Commissie verzocht erop toe te zien dat
er geen misbruik wordt gemaakt. Het dossier mag niet zonder opgave van redenen worden
opgevraagd. Indien het wordt opgevraagd omdat een nationale instantie twijfelt of aan een eis
is voldaan, mag niet het hele dossier worden opgeëist, maar alleen dat gedeelte waarin
vermeld wordt hoe de ontwerper ten aanzien van deze eis te werk is gegaan.
In punt 4, onder b wordt gevraagd het dossier tien jaar te bewaren. Sommigen vinden
die tijd te kort, maar de wetgever was van oordeel dat, als er met een machine geen enkel
veiligheidsprobleem is geweest, zij als veilig kan worden beschouwd en dat er weinig kans
bestaat dat een bevoegde nationale instantie dit dossier na die tijd nog moet opvragen.
Ten slotte zij vermeld dat de klant nooit op grond van de richtlijn voorlegging van het
dossier kan eisen. Alleen de nationale instanties hebben dit recht.
*****************
126
BIJLAGE VI
EG-Typeonderzoek
in deze bijlage wordt onder "machine" verstaan : ofwel de"machine" als
omschreven in artikel 1, lid 2, ofwel de "veiligheidscomponent" als omschreven
in datzelfde lid.
1. Het EG-typeonderzoek is de procedure door middel waarvan een
keuringsinstantie waarvan kennisgeving is gedaan, vaststelt en verklaart dat
het model van een machine aan de daarop betrekking hebbende bepalingen
van de richtlijn voldoet.
2. De aanvraag om een EG-typeonderzoek wordt door de fabrikant of diens in de
Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde bij één enkele keuringsinstantie
waarvan kennisgeving is gedaan, ingediend voor een modelmachine.
De aanvraag omvat:
- de naam en het adres van de fabrikant of diens in de Gemeenschap
gevestigde gevolmachtigde, alsmede de plaats waar de machines zijn
vervaardigd;
- een technisch constructiedossier ten minste bestaande uit :
- een overzichtsplan van de machine, alsmede de tekeningen van de
bedieningsschakelingen;
- gedetailleerde en volledige tekeningen, eventueel vergezeld van
berekeningen, testresuitaten, enzovoort, aan de hand waarvan kan
worden nagegaan of de machine aan de fundamentele veiligheids- en
gezondheidsvoorschriften voldoet;
- een beschrijving van de preventieve voorzieningen met het oog op de
aan de machine verbonden gevaren en de lijst van de gehanteerde
normen;
- een exemplaar van de gebruiksaanwijzing van de machine;
- in geval van serieproduktie, de interne bepalingen die worden toegepast
ter handhaving van de overeenstemming van de machines met de
bepalingen van de richtlijn.
Zij gaat vergezeld van een machine die representatief is voor de
voorgenomen produktie, of in voorkomend geval de opgave van de plaats
waar de machine kan worden onderzocht.
Bovengenoemde documenten behoeven over de onderdelen die voor de
fabricage van de machines zijn gebruikt geen gedetailleerde tekeningen en
andere nauwkeurige gegevens te bevatten, behalve indien kennis daarvan
voor de controle van de overeenstemming met de fundamentele
veiligheidseisen onontbeerlijk of noodzakelijk is.
127
3. De instantie waarvan kennisgeving is gedaan, verricht het EG-typeonderzoek
op de hieronder beschreven wijze :
- zij onderzoekt het technische constructiedossier, ten einde de
geschiktheid ervan na te gaan, en de aangeboden of haar ter beschikking
gestelde machine;
- bij het onderzoek van de machine :
a) vergewist de instantie zich ervan of deze vervaardigd is overeenkomstig
het technische constructiedossier en of zij veilig onder de beoogde
bedrijfs-omstandigheden kan worden gebruikt;
b) gaat de instantie na of de eventuele toepassing van normen correct is
gebeurd;
c) voert de instantie passende onderzoeken en proeven uit om na te gaan
of de machine met de daarop betrekking hebbende fundamentele
veiligheids- en gezondheidsvoorschriften overeenstemt.
4. Indien het model voldoet aan de daarop betrekking hebbende bepalingen,
stelt de instantie een verklaring van EG-typeonderzoek op die ter kennis van
de aanvrager wordt gebracht. Deze verklaring bevat de conclusies van het
onderzoek, de voorwaarden die eventueel worden gesteld, alsmede de
beschrijvingen en tekeningen die nodig zijn om het goedgekeurde model te
identificeren.
De Commissie, de Lid-Staten en de overige instanties waarvan kennisgeving is
gedaan kunnen een kopie van de verklaring en, op met redenen omkleed
verzoek, ook kopieën van het technische dossier en van de verslagen van de
onderzoeken en proeven krijgen.
5. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde dient de
instantie waarvan kennisgeving is gedaan, op de hoogte te brengen van alle,
zelfs geringe, wijzigingen die hij heeft aangebracht of overweegt aan te
brengen aan de machine die als model dient. De instantie waarvan
kennisgeving is gedaan, onderzoekt deze wijzigingen en deelt de fabrikant of
diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde mee of de verklaring van
EG-typeonderzoek geldig blijft.
6. De instantie die een verklaring van EG-typeonderzoek weigert, doet hiervan
mededeling aan de overige instanties waarvan kennisgeving is gedaan. De
instantie die een verklaring van EG-typeonderzoek intrekt, doet hiervan
mededeling aan de Lid-Staat die kennisgeving heeft gedaan. Deze stelt de
overige Lid-Staten en de Commissie hiervan in kennis met opgave van
redenen voor dit besluit.
7. De dossiers en de correspondentie in verband met de EG-typegoedkeuringsprocedures worden gesteld in een officiële taal van de Lid-Staat waar de
instantie waarvan kennisgeving is gedaan is gevestigd of in een door die
instantie aanvaarde taal.
128
De aanvraag kan uitsluitend worden ingediend door een fabrikant of zijn gevolmachtigde en niet
door een gebruiker of een niet-gemachtigde importeur.
De resultaten van het type-onderzoek zijn bedoeld voor de certificatieprocedures die uitsluitend
door de fabrikant of zijn gevolmachtigde kunnen worden uitgevoerd. Ingeval van overname van de
verantwoordelijkheden van de fabrikant door een derde als bedoeld in artikel 8, lid 6, mag worden
verondersteld dat de machine reeds gebouwd is door een buiten de Gemeenschap gevestigde en
niet in de Gemeenschap vertegenwoordigde onderneming. In zulke gevallen gaat het meer om het
legaliseren van een onwettige toestand. Een fabrikant kan niet instanties waarvan kennisgeving is
gedaan op technisch vlak met elkaar laten concurreren, aan meerdere instanties een verklaring van
EG-typeonderzoek vragen om er zo zeker van te zijn dat hij er minstens een krijgt. Wat hij wel kan
doen is kijken wie het goedkoopst werkt. Een in de ene Lid-Staat gevestigde fabrikant kan kiezen
voor een instantie waarvan kennisgeving is gedaan door een andere Lid-Staat.
Het aan de met het onderzoek belaste instantie voor te leggen dossier lijkt sterk op dat van
bijlageV. Het enige grote verschil is dat in dit geval in het dossier van bijlage V ook nog de verklaring
van EG-typeonderzoek wordt opgenomen.
De instantie waarvan kennisgeving is gedaan kan de fabrikant vragen aanpassingen of
wijzigingen door te voeren. Dergelijke verzoeken moeten in overleg tussen de fabrikant en de
instantie worden gedaan. De fabrikant heeft rekening te houden met factoren van economische en
commerciële aard en men moet weten hoever men kan gaan. Bij twijfel moeten de Commissie en
het Comité van artikel 6, lid 2, worden geraadpleegd. Na een paarjaar heeft zo een instantie
natuurlijk een hele technische "jurisprudentie" opgebouwd. Die jurisprudentie kan weer worden
benut door de normalisatieorganisaties.
Een fabrikant die een verklaring van EG-typeonderzoek heeft verkregen blijft gebonden aan al
zijn verplichtingen. Zo is hij nog steeds volledig verantwoordelijk voor de overeenstemming van de
machine met de bepalingen van de richtlijn en zelfs in dat geval kan een bevoegde nationale
instantie overlegging van het dossier eisen, als zij vindt dat aan een van de eisen niet echt voldaan
is.
Intrekking van de in lid 6 bedoelde verklaring is uitsluitend van kracht voor de toekomst. De
machines die reeds in de handel zijn en reeds eerder geacht werden in overeenstemming te zijn,
blijven in overeenstemming. Als het gebrek dat de reden is voor de intrekking koopvemietigend is,
moet de fabrikant natuurlijk maatregelen nemen ten aanzien van de reeds in de handel gebrachte
machines.
Wie draagt dan de kosten voor deze maatregelen? Een algemeen antwoord hierop is niet te
geven.
*************************
129
BIJLAGE VII
Door de Lid-Staten in acht te nemen
minimum-criteria voor de kennisgeving
van keuringsinstanties
In deze bijlage wordt onder "machine" verstaan : ofwel de"machine"als
omschreven in artikel 1, lid 2, ofwel de "veiligheidscomponent" als omschreven
in datzelfde lid.
1. De keuringsinstantie, de directeur daarvan en het met de keuring belaste
personeel mogen niet de ontwerper, de fabrikant, de leverancier of de
installateur zijn van de machines die zij keuren, noch de gemachtigde van een
der genoemde personen. Zij mogen bij het ontwerpen, de bouw, de verkoop
of het onderhoud van deze machines noch rechtstreeks, noch als
gemachtigden van de betrokken partijen optreden. Een eventuele
uitwisseling van technische informatie tussen fabrikant en keuringsinstantie
wordt door deze bepaling niet uitgesloten.
2. De keuringsinstantie en het personeel dat met de keuringen is belast, dienen
de keuring uit te voeren met de grootste mate van beroepsintegriteit en
technische bekwaamheid; zij dienen vrij te zijn van elke pressie en
beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun beoordeling of de
uitslagen van hun keuring kan beïnvloeden, inzonderheid van personen of
groepen van personen die bij de resultaten van de keuring belang hebben.
3. De keuringsinstantie dient te beschikken over het nodige personeel en de
nodige middelen te bezitten om de met de uitvoering van de keuringen
verbonden technische en administratieve taken op passende wijze te
vervullen; tevens dient de keuringsinstantie toegang te hebben tot het nodige
materiaal voor bijzondere keuringen.
4. Het personeel dat met de keuringen is belast, dient :
- een goede technische en beroepsopieiding te hebben genoten;
- een behoorlijke kennis te bezitten van de voorschriften betreffende de
keuringen die het verricht en voldoende ervaring met deze keuringen te
hebben;
- de vereiste bekwaamheid te bezitten om op grond van de verrichte
keuringen verklaringen, processen-verbaal en rapporten op te stellen.
5. De onafhankelijkheid van het personeel dat met de keuringen is belast, dient
te zijn gewaarborgd. De bezoldiging van elke functionaris mag niet afhangen
130
van het aantal keuringen dat hij verricht, noch van de uitslagen van deze
keuringen.
6. De keuringsinstantie dient een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid
te sluiten, tenzij deze wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale
recht door de staat wordt gedekt of de keuringen rechtstreeks door de LidStaat worden verricht.
7. Het personeel van de keuringsinstantie is gebonden aan het beroepsgeheim
ten aanzien van al hetgeen het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van
de richtlijn of van de bepalingen van intern recht die daaraan uitvoering
geven, ter kennis is gekomen (behalve tegenover de ter zake bevoegde
overheidsinstanties van de staat waarin de keuringsinstantie haar
werkzaamheden uitoefent).
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
DEEL 3 : CHECKLIST
1 Kasten en borden
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 13.1
Algemene eisen :
Het schakelmaterieel moet goed toegankelijk zijn
voor werkzaamheden en bestand zijn tegen
externe invloeden.
Art. nr. 13.2
Plaats en montage :
Schakelonderdelen moeten goed herkend worden
en gecontroleerd of vervangen zonder
verplaatsing of demontage van (andere)
machinedelen.
Bediening of onderhoud dient gemakkelijk vanaf de voorzijde plaats te
kunnen vinden. Eventueel speciaal gereedschap dient te worden
geleverd. Voor regelmatig toegang tot schakelinrichting worden
minimale toegangsafmetingen gegeven.
Op deuren en afneembare panelen mogen alléén toestellen gemonteerd
worden voor bediening, signalering, meting en koeling.
Insteekeenheden moeten voorzien zijn van onverwisselbare kenmerken.
Art. nr. 13.2.2
Het schakelmaterieel mag de werking en het onderhoud van de machine
niet belemmeren.
Toestellen die niet tot de elektrische uitrusting behoren mogen niet
geplaatst worden binnen het omhulsel dat het schakelmaterieel bevat.
Besturingstoestellen welke alleen met stuurspanningen verbonden zijn,
moeten apart worden gegroepeerd. Klemmenstroken voor
hoofdstoomketens moeten
gescheiden worden van die voor
stuurstroomketens.
Art. nr. 13.3
Beschermingsgraden
Er moet een afdoende bescherming van schakelmaterieel zijn tegen
binnendringen van vreemde vaste deeltjes en vloeistoffen. Omhulsels
van schakelmaterieel moeten een beschermingsgraad van ten minste
IP54 (zie EN 60529) bieden.
- geventileerde omhulsels die slechts bepaalde weerstanden bevatten:
IP22;
- motoren: IP23;
- geventileerde omhulsels die andere toestellen bevatten: IP33 .
- Een hogere beschermingsgraad kan noodzakelijk zijn.
Art. nr 13.4
Omhulsels, deuren en openingen
Bevestigingsmiddelen van deuren en afschermingen mogen niet
losraken. Vensters moeten bestand zijn tegen mechanische spanning en
chemische aantasting.
pagina 1
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
2 Hoofdschakelaars
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 5.3
Toestellen voor het scheiden van de voeding (scheiders)
1. Elke inkomende voeding moet zijn voorzien van een met de hand
bediende scheider. Indien zich een gevaarlijke situatie kan voordoen of
schade kan ontstaan door de aanwezigheid van twee of meer scheiders,
moeten vergrendelingen worden gebruikt.
2. De scheider moet een van de volgende typen zijn:
a)
lastscheider volgens EN 60 947-3, gebruiksklasse AC23B of
DC23B;
b)
scheider met hulpcontact waardoor schakeltoestellen ten alle
tijde eerst de hooftlstroomketen onderbreken;
c)
vermogenschakelaar volgens EN 60 947-2, geschikt voor het
scheiden;
d)
stopcontact voor machine van maximaal 16 A en maximaal 3
kW.
Het uitschakelvermogen moet minimaal gelijk zijn aan toegekende- of
overbelastingsstroom bij de toegekende spanning. Daarnaast moet wel
een aan / uit schakelaar voor de machine aanwezig zijn.
3. Een scheider van de eerste 3 typen moet aan de volgende eisen
voldoen:
- scheiden van voeding en elektrische uitrusting;
- één "aan" en één "uit" -stand. aangegeven met "0" en " 1", met
juiste bedieningsrichtingen;
- zichtbare opening of "uit"-stand die alleen kan worden aangeven
wanneer alle contacten fysiek verbroken zijn;
- externe bedieningsbendel in grijs/zwart of, indien ook noodstop, in
rood;
- de "uit"-stand moet kunnen worden vastgezet;
- scheiden van voeding en alle spanningdragende stroomgeleiders en
eventueel nulleider;
- voldoende uitschakelvermogen om stroom te kunnen onderbreken
van de grootste vastgelopen motor samen met stromen van andere
motoren/lasten.
Een met hulpenergie aangedreven scheider van het derde type
(vermogensschakelaar) moet bovendien aan de volgende eisen voldoen:
- een hulpmiddel bezitten voor handbediening;
- indien vastgezet in "uit"-stand, niet ingeschakeld kunnen worden
met de hand of op afstand.
4. De bedieningshendel van de scheider moet zich bevinden tussen 0,6
m en 1,9 m boven de bedieningsvloer. Voorkeurhoogte bedraagt 1.70m
gemeten vanaf de bedieningsvloer.
pagina 2
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5. Stroomketens die niet hoeven gescheiden te worden bv. voor:
- verlichting voor onderhoud en reparatie;
- wandcontactdozen voor gereedschap voor onderhoud en reparatie;
- onderspanningsbeveiliging voor automatische uitschakeling bij
storing;
- voeding van uitrustingen die normaal onder stroom dienen te
blijven;
- stuurstroom voor vergrendeling.
Indien het om een vermogenscheider gaat, moet deze geen externe
bedieningshendel hebben, als er adere middelen zijn om hem te
schakelen. De kleur blijft ZWART of GRIJS.
In sommige landen moet ook de nulleider onderbroken worden, als hij
aanwezig is.
Schakelaars ter voorkoming van het onverwacht inschakelen mogen
ook vervangen worden door scheiders, inplugbare smeltveiligheden,
inplugbare messen, als ze gelokaliseerd zijn in gesloten elektrische
ruimten.
Bescherming tegen onbevoegd, onopzettelijk en/of verkeerd schakelen.
Mogelijkheden :
- netscheider met hangslot ;
- waarschuwingspictogrammen op inplugbare smeltveiligheden,
messen of scheiders als deze zich bevinden in gesloten ruimten van
de elektrische dienst.
Art. nr. 5.4
Schakelaars ter voorkoming van onverwacht inschakelen
Een scheider kan deze functie vervullen.
Een scheider moet, als hij deze functie vervult, voldoen aan de
volgende voorwaarden :
- overzichtelijk en toegankelijk aangebracht zijn ;
- duidelijk herkenbaar zijn ;
- ongewild inschakelen voorkomen wordt.
pagina 3
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Volgens norm EN 60 947-3 (Scheiders, lastscheiders, lastschakelaars)
Art. nr. 4.4
De gebruikscategorie-indeling volgens het schakelen :
A:
Veelvuldig schakelen
B:
NIET veelvuldig schakelen
AC 20 A
B
DC 20 A
B
In- en uitschakelen
bij nullast
Scheidingsschakelaars met een actioneel
in- en uitschakelvermogen.
AC 21 A
B
DC 21 A
B
Resistieve belasting
Eventueel licht
overbelast
Schakelaars t.b.v. resistieve belastingen.
(verwarming, verlichting)
AC 22 A
B
DC 22 A
B
Schakelen van
gemengde belasting
Eventueel matig
overbelast
Schakelaars t.b.v.inductieve belastingen
(condensatoren, batterijen, ontladingslampen, shunt motoren)
AC 23 A
B
DC 23 A
B
Schakelen van
motoren of sterk
Schakelen van meerdere sterk inductieve
belastingen (elektroremmen, serie motor)
Inductieve belastingen
Art. nr. 6
De normale te voorziene vervuilingsgraad, door de fabrikant is 3.
Vervuilingsgraad 1 : Er is geen droge, niet geleidende verontreiniging
mogelijk. De verontreiniging heeft geen invloed.
Vervuilingsgraad 2 : Er is niet geleidende verontreiniging. Soms moet
men rekening houden met condensvorming, die
tijdelijk voor geleiding zou zorgen.
Vervuilingsgraad 3 : Er is geleidende verontreiniging of droge niet
geleidende verontreiniging die geleidend kan
worden als er condensvorming optreedt.
Vervuilingsgraad 4 : Verontreiniging leidt tot kontinue geleiding zoals
geleiden door stof, regen of sneeuw.
pagina 4
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
3 Transformatoren
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 5.1
Aansluitklemmen voor inkomende voedingsleiding
Indien mogelijk moet de elektrische uitrusting op één enkele
voedingbron worden aangesloten. Indien voor bepaalde delen een
andere voeding noodzakelijk is kan (deze zoveel mogelijk worden
betrokken van onderdelen (b.v. transformatoren, gelijkrichter,
omzetters) van de elektrische uitrusting.
Indien de machine geen contactstop heeft voor de voeding wordt
aanbevolen de voedingsleidingen rechtstreeks op de scheider aan te
sluiten of anders aparte aansluitklemmen aan te brengen.
Een nulleider (N) mag alleen met toestemming van de gebruiker
worden gebruikt en indien deze duidelijk in de technische documentatie
is aangegeven en aan een aparte geï soleerde en gemerkte aansluitklem
is aangebracht.
Er mag geen verbinding zijn tussen de nulleider en de
beschermingsketen in de uitrusting noch mag een PEN-klem zijn
toegepast in het omhulsel.
Alle aansluitklemmen voor de netvoeding moeten duidelijk zijn
gemerkt volgens EN 60 445.
Art. nr. 5.2
Aansluitklem van de externe beschermingsleiding
Bij de fase-aansluitingen moet een aansluitklem voor de externe
beschermingsleiding zijn aangebracht. Deze aansluitklem moet een
maat hebben die aansluiting mogelijk maakt van een externe koperen
leiding met een kerndoorsnede volgens Tabel 1 (zie norm).
De aansluitklem voor de beschermingsleiding mag uitsluitend op de
plaats waar de machinebeschermingsketen wordt verbonden aan de
voedingsbeschermingsleiding zijn aangeduid met de letters PE. Overige
klemmen voor aansluiting aan de beschermingsketen moeten het
aardingssymbool of de groen/geel combinatie gebruiken.
pagina 5
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
4 Aarding
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 8.2
De beschermingsketen
1. De beschermingsketen bestaat uit:
de PE-aansluitklem;
de metalen gestellen;
de beschermingsleidingen .
Deze delen moeten voldoende weerstand bezitten tegen thermische en
mechanische belastingen t.g.v. aardfoutstroomen. Een metalen gestel
dat deel uitmaakt van de beschermingsketen moet minimaal de
doorsnede hebben van de vereiste koperen geleider.
2. Koperen geleiders hebben voorkeur. Andere geleiders mogen
worden gebuikt met maximaal de specifieke elektrische weerstand
van koper die minimaal de doorsnede van een koperen geleider (zie
tabel 1 van de norm ).
3. Alle metalen gestellen van de elektrische uitrusting moeten
verbonden zijn met de beschermingsketen. Er mag geen gevaarlijke
aanrakingsspanning kunnen ontstaan op metalen gestellen.
Metalen buizen/mantels mogen niet worden gebruikt als
beschermingsleiding.
Als er géén elektrische uitrusting (of slechts een PELV-keten) is
gemonteerd op een deur , deksel of paneel, voldoen de
bevestigingsmiddelen
(scharnieren,
montagerails)
als
bescheriningleiding.
Indien wel een elektrische uitrusting is gemonteerd, moet een
afzonderlijke beschermingsleiding worden aangebracht.
De beschermingsketen mag niet onderbroken zijn tijdens onderhoud.
4. In de beschermingsketen mogen geen inrichtingen zijn opgenomen
die het systeem kunnen onderbreken of nadelig beï nvloeden of een
spanningsstijging kunnen doen ontstaan.
5. Kleine aanraakvlakken (< 50 x 50 mm, bv. schroeven) of
nauwelijks aan te raken actieve delen hoeven niet verbonden te
worden met de beschermingsketen.
6. De beschermingsketen mag alleen onderbroken worden nadat de
actieve geleiders zijn onderbroken, en vice versa bij aansluiting.
Metalen behuizingen van verbindingsklemmen en stopcontacten
moeten verbonden zijn met deze keten.
7. De aansluitklemmen voor beschermingsleidingen moeten gemerkt
worden met het aarde symbool door de groen/geel combinatie. De
pagina 6
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
letters PE zijn gereserveerd voor de aansluiting van de externe
leidingen.
Art. nr. 8.3
Functionele doeleinden
Het doel van de functionele aarding is het verminderen van de gevolgen
van een isolatiedefect en verminderen van storingen.
Art. nr. 8.4
Isolatiedefecten
Een isolatiedefect mag geen onopzettelijke inschakeling tot gevolg
hebben. Mogelijke beschermingsmethode: stuurstroomketen aan één
zijde aansluiten op beschermingsketen.
Art. nr. 8.5
Verbindingen met een gemeenschappelijk referentiepotentiaal
Potentiaalvereffening
via
een
ander
gemeenschappelijk
referentiepotentiaal is toegestaan. Eenzijdige aarding moet worden
toegepast indien dit de in-fase-interferenties zo klein mogelijk houdt.
Art. nr. 8.6
Elektrische interferentie
Het vereffeningssysteem en de vereffeningsaansluitingen moeten een
minimale impedantie naar de massa hebben.
Volgens norm EN 60 439-1
Art. nr. 2.6
Art. nr. 2.6.3
Beschermende voorzieningen tegen aanrakingsgevaar
Beschermingsleiding (PE) dient ter bescherming tegen
aanrakingsgevaar, om een elektrische verbinding tot stand te brengen,
tussen de volgende tussen de volgende delen :
- metalen gestellen ;
- vreemde geleidende delen ;
- hoofdaardklem ;
- aardelektrode ;
- met de aarde verbonden punt van de aanvoer of kunstmatig
sterpunt.
Art. nr. 7.4.3.1.7
De doornede van een beschermingsleiding PE moet op één van de
volgende manieren worden bepaald :
A) Volgens de tabel
Doorsnede van fasegeleiders (S) (mm²)
Minimale doorsnede van
bijhorende beschermingsleiding (Sp) (mm²).
S ≤ 16
16 < S ≤ 35
35 < S ≤ 400
400 < S ≤ 800
S > 800
S
16
S/2
200
S/4
pagina 7
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
OPMERKING :
De waarden van deze tabel gelden enkel indien de
beschermingsgeleiding gemaakt is van het zelfde materiaal als de
fasegeleiders. Indien dit niet het geval is moet men zorgen voor een
gelijkwaardige geleidbaarheid.
B) De doorsnede van de beschermingsgeleider kan berekend worden
met de formule vermeld in de bijlage B van de norm EN 60 439-1.
I 2..t
Sp =
K
Sp is de doorsnede van de kabel, in mm².
I is de stroom die kan optreden biij een fout, in Ampère (A).
t is de tijd in seconden (s).
K is een materiaalconstante.
Art. nr. 7.4.3.1
De doorsnede van de PEN-geleider wordt op dezelfde manier bepaald
als die van de nulleider (N). Indien ze van koper (Cu) zijn moet de
minimale doorsnede 10 mm² zijn. PEN-geleiders hoeven niet geisoleerd
te zijn.
Constructiedelen mogen niet gebruikt worden als PEN-leiding.
Monagerails van koper of aluminium mogen echter wel als PEN-leiding
worden gebruikt.
Art. nr. 7.6.5.2
Aanduiding van de beschermingsgeleider van de hoofdstroomketen
beschermingsgeleider (PE) :
- beschermgeleiders moeten duidelijk herkenbaar zijn door vorm,
ligging, merkteken of kleur ;
- als kleur gebruiken we groen/geel en bij voorkeur over de hele
lengte van de geleider ;
- de aanduiding van de beschermingsgeleider moet zijn gemerkt
volgens IEC 445 met de letters PE ;
- als grafisch symbool past men symboolnr. 5019 toe van de norm
IEC 417.
pagina 8
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5 Beschermingsinrichtingen
Volgens norm EN 60 204-1
A) Beschermen tegen elektrisch aanrakingsgevaar
Art. nr. 6.2
Beschermen tegen directe aanraking
1. Bescherming door omhulsels:
Actieve delen moeten zijn ingebouwd in omhulsels (zie hoofdstukken
4. 13 en 16).
Een omhulsel mag alleen onder een van de volgende voorwaarden
kunnen worden geopend:
a) gebruik van sleutel of gereedschap door een deskundige of
voldoend onderrichte persoon, waarbij het scheiden van de
uitrusting ongewenst is. Enige bescherming dient aanwezig te zijn
(zie norm);
b) (automatisch) scheiden van actieve delen binnen het omhulsel.
c) dit (automatisch) scheiden mag soms ongedaan worden gemaakt
(zie norm);
d) actieve delen zijn voldoende geï soleerd volgens ten minste IP2X ;
(zie EN 60529)
2. Bescherming door isolatie van actieve delen:
Actieve delen moeten geheel zijn overdekt met isolatiemateriaal.
Isolatie moet bestand zijn tegen normale bedrijfsinvloeden en kan
alleen door beschadiging worden verwijderd.
3. Bescherming tegen restspanningen:
Aanraakbare geleidende delen met restspanningen moeten zo mogelijk
worden ontladen. Indien restspanningen optreden (> 60 V na 5 s en >60
µC) moet hiervoor duidelijk worden gewaarschuwd. Eventueel moet
tegen aanraking worden geï soleerd (zie norm). Bij contactstoppen e.d.
waarbij de stroomgeleiders bij het verbreken van het contact bereikbaar
zijn moet de ontladingstijd ≤ 1 seconde. Als dit niet kan is een IPXXB
te voorzien.
Art. nr. 6.3
Bescherming tegen indirecte aanraking
Ter bescherming tegen indirecte aanraking moet ten minste èèn van de
volgende actieve (1) of passieve (2 en 3) maatregelen worden
toegepast:
1. Automatische onderbreking van de voeding, door:
- verbinding van metalen gestellen met heschermingsketen (zie
aarding) ;
- gebruik van beveiligingstoestellen (hoofdstuk 7 in de norm).
2. Gebruik van toestellen van uitvoeringsklasse 11 of gelijkwaardige
isolatie.
3. Elektrische scheiding (aparte ketens).
pagina 9
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 6.4
Bescherming door gebruik van PELV (beschermende extra lage
spanning) PELV-stroomketens beschermen personen tegen direct en
indirect aanrakingsgevaar. De PELV-stroornketens moeten voldoen aan
de volgende voorwaarden:
- maximaal 25 V wisselspanning of 60 V gelijkspanning; maximaal 1
A wisselstroom of 0,2 A gelijkstroom;
- maximale niet-beschermde oppervlakken 80 mm2;
- toepassing binnen huis en droog;
- PELV-stroomketens scheiden/isoleren van andere stroomketens en
verbinden met beschermingsleiding van andere stroomketen;
- metalen gestellen bij PELV-stroomketens scheiden/isoleren van
andere stroomketens, of verbinden met beschermingsleiding van
andere stroomketen;
- contactstoppen en -dozen mogen niet passen in contactdozen en stoppen van andere stroomketens;
- stuurstroomketens moeten ook voldoen aan hoofdstuk 9 van norm
EN 60204-1 ;
Voedingen voor het gebruik van de PELV kunnen zijn :
- veiligheidstransformator à zie ook norm EN 60742 ;
- bron die de zelfde veiligheid biedt als een veiligheidstransformator ;
- batterijen ;
- dieselalternatiegroepen ;
- elektronische bronnen.
B) Beveiliging van uitrusting :
Art. nr. 7.1
Algemeen
De uitrusting moet beveiligd zijn tegen gevolgen van:
- overstroom door kortsluiting (paragraaf 7.2);
- overbelasting (paragraaf 7.3);
- aardingsfouten ;
- afwijkende temperaturen (paragraaf 7.4);
- voedingsspanningsverlies of -verlaging (paragraaf 7.5);
- verkeerde fasevolgorde ;
- overtoerental van machine(delen) (paragraaf 7.6).
Art. nr. 7.2
Overstroombeveiliging
Indien toelaatbare vermogen van een onderdeel of toelaatbarestroom in
stroomketen of in geleiders kan worden overschreden, moet
overstroombeveiliging zijn aangebracht als volgt:specificaties
overstroombeveiligingstoestel moeten zijn aan gegeven op het
installatieschema ;
Welke ketens beschermen?
1.
hoofdstroomketens (nulleiders: zie norm);
2.
(stroomketens naar transformatoren voor) stuurstroomketens ;
3.
stroomketens naar contactdozen;
4.
werkplekverlichtingketens (beveiliging moet gescheiden zijn
van andere stroomketens!);
5.
transformatoren (zie EN 60742) ;
pagina 10
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
6.
7.
8.
moeten zijn aangebracbt bij aansluiting van de voeding ;
het uitschakelvennogen van overstroombeveiligingstoestellen
moet ten minste gelijk zijn aan de verwachte kortsluitstroom.
(Een lager uitscbakelvermogen is soms toegestaan: zie norm);
de instelstroom van overstroombeveiligingstoetellen moet zo
laag mogelijk worden gekozen, maar wel praktisch bruikbaar
zijn (zie ook paragraaf 14.4).
Art. nr. 7.3
Overbelastingsbeveîliging voor elektromotoren
Elke motor (>0.5 kW), moet zijn beveiligd tegen overbelasting. (bv.
door overbelastingsbeveiligingstoestellen, stroombegrenzers of (soms)
temperatuursensoren.
In elke actieve geleider (m.u.v. de nulleider) moet een opsporing van
overbelasting aanwezig zijn. Dit geldt anders bij:
- aanwezigheid van stroombegrenzing of ingebouwde thermische
beveiliging;
- éénfase- of gelijkstroomvoeding;
- motoren (< 2 kW) die frequent moeten aanlopen of afremmen ;
- op verzoek van de gebruiker .
Automatisch opnieuw aanlopen van een motor moet worden
voorkomen bij gevaar.
Art. nr. 7.4
Beveiliging tegen afwijkende temperaturen
Stroomketens waarin afwijkende temperaturen kunnen optreden die een
gevaar kunnen veroorzaken moeten zijn voorzien van een geschikt
detectiesysteem.
Art. nr 8.5
Beveiliging tegen voedingsonderbreking of spanningsverlaging met
aansluitend herstel. Wanneer een verlaging/onderbreking van de
voeding een gevaar kan opleveren moet een onderspanningstoestel evt.
met vertraagde werking, zijn aangebracht. De stopfunctie van de
machine mag hierbij niet nadelig worden beï nvloed. Automatisch
herstarten moet worden voorkomen bij gevaar.
Art. nr. 7.6
Beveiliging tegen overtoerental van motoren.
Dit kan door een centrifugaalschakelaar of een snelheidsbegrenzer.
Beveiligen van de fasevolgorde is te voorzien als een verkeerde
fasevolgorde schade of gevaarlijke toestanden kan veroorzaken.
Volgens norm EN 60 439-1
Art. nr. 7.2.1.2
De beschermingsgraad van een schakel- en verdeelinrichting moet ten
minste IP2X zijn.
Art. nr. 7.2.1.3
Schakel- en verdeelinrichtingen voor buitenopstellingen die niet
voorzien zijn van aanvullende beschermingen moeten minstens een
beschermingsgraad van IP3X hebben.
pagina 11
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 7.4.2
Bescherming tegen directe aanraking
Bescherming tegen directe aanraking kan worden verkregen door
passende constructieve maatregelen aan de schakel- en
verdeelinrichting.
1 Bescherming door isolatie van actieve delen.
De isolatie kan alleen verwijderd worden door vernieling.
2 Bescherming door afschermplaten of omhulsels
Aan de volgende bepalingen moet zijn voldaan :
- alle uitwendige oppervlakken moeten een bzschermingsgraad
hebben van ten minste IP2X of IPXXB als bescherming tegen
directe aanraking ;
- stevige bevestiging en duurzaam, bestand tegen bij normaal bedrijf
optredende belastingen ;
- indien het noodzakelijk is van de afscherming te verwijderen of te
openen dient aan de volgende iesen voldaan te worden :
- het wegnemen of openen mag slechts mogelijk zijn
met een sleutel of gereedschap ;
- alle actieve, aanraakbare delen moeten uitgeschakeld
worden bij het openen van de
deuren ;
Bijvoorbeeld vergrendeling van de deur met een
scheider, zodat de deur pas
kan openen als de
scheider geopend is. De scheider mag niet kunnen
worden ingeschakeld zolang de deur geopend is.
- schakel- en verdeelinrichting moet voorzien zijn van
een afschermplaat zodat actieve delen afgeschermd
zijn en niet opzettelijk aangeraakt kunnen worden bij
geopende deur ;
Art. nr. 7.4.3
Bescherming tegen indirecte aanraking
Bijvoorbeeld door gebruik te maken van beschermingsstroomketens die
het volgende voorzien :
- bescherming tegen de gevolgen van fouten binnen de schakel- en
verdeelinrichting ;
- bescherming tegen de gevolgen van fouten in uitwendige
stroomketens die door de schakel- en verdeelinrichting worden
gevoed.
pagina 12
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 7.4.3.1.2
Bepaalde delen van de installatie hoeven niet geaard te worden :
- omdat zij niet op een groot oppervlak kunnen aangeraakt worden of
met de hand kunnen vastgepakt worden ;
- of omdat ze kleiner zijn dan 50mm x 50mm ;
- bijvoorbeeld schroeven, klinknagels en naamplaatjes.
Art. nr. 7.4.3.1.3
Bedieningsorganen (handels, handwielen, …) moeten :
- verbonden zijn met de beschermingsketen ;
- of voldoende veilig geisoleerd zijn.
Art. nr. 7.4.3.1.4
Metalen delen die zijn voorzien van vernis of email, zijn niet voldoende
geisoleerd.
Art. nr. 7.4.3.1.5
De verbinding van beveiligingsstroomketens moet gewaarborgd blijven.
Tijdens een routine-onderhoud :
a) Indien er omhulsels van schakel- en verdeelinrichtingen dienen
geopend te worden mogen de beveiligingsketens van overige delen
niet worden onderbroken.
b) Flexibele metalen kabelbuizen mogen niet als beschermingsgeleider
worden gebruikt.
c) Schroefverbindingen en metalen scharnieren voldoen om deksels,
deuren, afsluitplaten en dergelijke van een doorgaande verbinding te
verzekeren mits op deze delen geen elektrische componeneten zijn
geplaatst.
Indien op de deuren en deksels copmponeneten zijn geplaatst met een
hogere spanning dan de grens voor veilige zeer lage spanning, moeten
bijkomende maatregelen getroffen worden om te zorgen voor een
continue verbinding met de beveiligingsstroomketen. De onderdelen
worden voorzien van een aansluiting op de beschermingsketen met een
geleider die een doorsnede heeft gelijk aan grootste doorsnede van de
voedingsleiding op de uitrusting.
d) alle delen van de beschermingsketen dienen bestand te zijn tegen de
hoogst thermische en dynamische belastingen die kunnen optreden.
f) Indien een doorgaande verbinding die gescheiden kan worden door
een conector of stopcontact mag de beveiligingsketen pas worden
gescheiden na het onderbreken van de actieve geleiders.
pagina 13
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 7.4.3.1.10
Aanraakbare delen die niet met bevestigingsmiddelen met
beschermingsketen kunnen verbonden worden, moeten om
beveiliging
te
bekomen
worden
verbonden
met
beveiligingsstroomketen met behulp van een geleider met
doorsnede volgens de tabel.
Nominale bedrijfsstroom
Ie in A
20
25
32
63
<
<
<
<
Ie ≤
Ie ≤
Ie ≤
Ie ≤
Ie
20
25
32
63
de
een
de
een
Minimale doorsnede van de geleider
in mm²
S = doorsnede van fasegeleider
2,5
4
6
10
Art. nr. 7.4.3.1.11
De doorsnede van de PEN-geleider wordt op dezelfde manier bepaald
als die van de nulleider (N).Indien ze van koper (Cu) zijn moet de
minimale doorsnede 10 mm² zijn. PEN-geleiders hoeven niet geisoleerd
te zijn. Constructiedelen mogen niet gebruikt worden als PEN-leiding.
Montagerails van koper of aluminium mogen echter wel als PENleiding worden gebruikt.
Art. nr. 7.4.3.2
Bescherming zonder beschermingsstroomketen door :
- elektrische scheiding van stroomketens ;
- volledige isolatie.
Art. nr. 7.4.3.2.2
Bescherming door volledige isolatie
Voor de bescherming tegen indirecte aanraking door volledige isolatie
moet zijn voldaan aan :
- volledige omringing door isoleerend materiaal ;
- het symbool moet op de buitenzijde zichtbaar zijn :
- het isoleerende materiaal moet bestand zijn tegen veroudering,
vlamvast, elektrische en thermische belastingen ;
- het omhulsel mag op geen enkele plaats worden onderbroken ;
- wanneer het schakel- en verdeelmechanisme is aangesloten op de
voeding, moeten alle actieve delen worden omsloten. De
beschermingsgraad van het omhulsel moet tenminste IP3XD zijn ;
- indien deuren en deksels geopend kunnen worden zonder sleutel,
moet er een hindernis van isolerend materiaal aanwezig zijn, die
bescherming biedt tegen onopzettelijke aanraking.
pagina 14
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 7.4.4
Beveiliging tegen restspanning Indien de schakel- en
verdeelinrichtingen uitrustingen bevatten die na het uitschakelen nog
een gevaarlijke lading bevatten (Bijvoorbeeld condensatoren), moet er
een waarschuwing zijn aangebracht.
Art. nr. 7.5
Kortsluitvastheid en beveiliging tegen kortsluiting Schakel- en
verdeelinrichtingen kunnen beveiligd worden tegen kortsluitstromen
door bijvoorbeeld vermogenschakelaars, smeltveiligheden of
combinaties van beide.
Art. nr. 7.5.4.2
Continuiteit van energievoorzieningen
Beveiligingstoestellen zo instellen dat, indien er een fout optreed, een
kortsluiting in het afgaande veld wordt afgeschakeld zonder dat andere
aftakkingen worden beinvloed, zodat de selectiviteit gewaarborgd blijft.
Art. nr. 7.5.5.1
Hoofdstroomketens
De stroomrails dienen zo te zijn uitgevoerd dat geen kortsluiting onder
normale omstandigheden is te verwachten.
Art. nr. 7.5.5.2
Hulpstroomketens moeten beveiligd zijn tegen de gevolgen van
kortsluiting. Er mogen geen kortsluitbeveiligingen worden toegepast,
indien het in werking treden daarvan gevaren met zich mee brengt.
pagina 15
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
6 Stuurkringen en bedieningssystemen
Volgens de richtlijn arbeidsmiddelen
Art. nr. 3.2
-
-
-
Art. nr. 3.3
-
Art. nr. 3.4
bedieningssytemen moeten veilig zijn ;
een storing of beschadiging van het bedieningssysteem mag niet tot
gevaarlijke situaties leiden;
de bedieningssytemen moeten zich buiten de gevaarlijke zones
bevinden, behalve in uitzonderlijke gevallen ;
onopzettelijke handelingen mogen geen gevaren tot gevolg hebben ;
de persoon die de bediening uitvoert moet vanaf de bedieningspost
kunnen vaststellen of er zich personen in de gevaarlijke zones
bevinden ;
indien er toch personen in de gevaarlijke zones zijn, zonder dat dit
zichtbaar is, zijn waarschuwingssignalen verplicht, voorbeeld
geluid- en/of lichtsignalen. Deze signalen moeten voor de machine
start gegeven worden. Dit systeem moet veilig zijn.
de blootgestelde personen moeten de tijd of de middelen hebben om
een ontstane gevaar, als gevolg van starten of stoppen, snel te
onlopen.
elk arbeidsmiddel moet binnen de kortst mogelijke tijd gestopt
worden op een veilige manier ;
bediening moet binnen handbereik zijn van de operator ;
stoppen moet voorang hebben op starten .
Indien het nodig is met het oog op de gevaren van het arbeidsmiddel en
de normale uitschakeltijd, moet een arbeidsmiddel voorzien zijn van
een noodstopinrichting.
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 9. l
Stuurstroomketens
1. Voor de voeding van de stuurstroomketens moeten transformatoren
worden gebruikt met aparte wikkelingen (behalve machines met een
vermogen van < 3kW) m.a.w. scheidingstransfo’s.
Bij meer dan één transformator wordt aanbevolen te zorgen dat de
secundaire spanningen in faze zijn. Gelijkspanningsstuurstroomketens
die verbonden zijn met beschermingsketen moeten worden gevoed
vanaf een aparte wikkeling van de transformator van wisselspanningstuurstroomketen of vanaf de transformator van een andere
stuurstroomketen.
AC
AC
AC
AC
DC
AC
DC
pagina 16
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
2. De stuurspanning moet geschikt zijn voor een juiste werking van de
keten, maar mag niet hoger zijn dan 277 V, indien gelevert door een
transformator.
3. Beveiliging moet aanwezig zijn tegen overstroom en tegen
overbelasting.
4. Aansluiting van bedieningstoestellen
Indien uitgevoerd met een TN-S-net moet elk elektrisch toestel met één
aansluitklem verbonden worden met de beschermingsketen van de
stuurstroomketen (indien aanwezig).
Art. nr. 9.2
Besturingsfuncties
1. Startfuncties werken door inschakeling (sluiting) van de
desbetrefende stroomketen.
2. Er zijn drie soorten stopfuncties:
- categorie 0 :
niet bestuurde stop ;
- categorie 1 :
bestuurde stop, verbreking van de voeding nadat
de machine gestopt is ;
- categorie 2 :
bestuurde stop, machine stopt zonder verbreking
van de voeding .
Elke machine moet stopfunctie 0 bezitten.
Stopfunctie 1 moet aanwezig zijn wanneer de veiligheidsfunctionaliteit
dat vereist, o.a. blijkens de risicobeoordeling.
Stopzetten gebeurt door stroomloos maken van de stroomketens en
moet dominant zijn over startfuncties.
3.
4.
Art. nr. 9.2.5
Via vergrendeling zijn gevaarlijke toestanden te voorkomen
(bijvoorbeeld door een sleutelschakelaar, een toegangscode, …).
De operator moet via een aparte handeling zelf de opdracht tot het
starten geven. De beveiliging moet doeltreffend zijn in al de
bedrijfsmogelijkheden.
Indien een tijdelijke overbrugging van 1 of meer beveiligingen
nodig is, moet een keuzeschakelaar of andere middelen toegepast
worden, die in de gewenste stand kan worden vergrendeld tegen het
automatisch gaan werken.
A) Starten
Een machine mag alleen dan kunnen starten, wanneer alle
beveiligingsmiddelen functioneren. Als meer dan één bedieningsplaats
bij de start nodig is geldt:
aan alle vereisten voor werking moet zijn voldaan;
alle startschakelaars moeten gelijktijdig worden bediend.
Voor iedere bedieningsplaats geldt:
- een aparte startschakelaar met handbediening moet aanwezig zijn;
- alle startschakelaars moeten in de "uit"- stand staan voor het
aanzetten van de machine.
pagina 17
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
B) Stoppen
Passende maatregelen zijn vereist voor het betrouwbaar stopzetten van
de machine. De keuze van de stop is het gevolg van de evaluatie van de
risico’s, eigen aan het gebruik van de machine. Bovendien zijn
passende maatregelen vereist voor betrouwbaar stopzetten. Het
terugstellen van de stopfunctie mag niet tot gevaarlijke situaties leiden.
Art. nr. 9.2.5.4
Noodstop
- voor meer gedetaileerde uitleg verwijzen we in hoofdstuk 8 naar
8.8 Noodstop;
- de noodstopvoorziening moet conform zijn met EN 418 ;
- resetten mag de machine niet opnieuw doen starten ;
- indien nodig moeten bijkomende noodstoppen kunnen aangesloten
worden ;
- de noodstop moet werken als een stop van categorie 0 of 1 ;
- de keuze van 0 of 1 is functie van de risico-evaluatie ;
- noodstop van categorie 0 is gebouwd met elektromechanische
onderdelen en vaste bedrading ;
- noodstop van categorie 1à uitschakelen van de energietoevoer via
elektromechanische onderdelen.
Art. nr. 9.2.6
Gecombineerde start-stop
Drukknoppen en andere toestellen die afwisselend een beweging of een
stop realiseren.
Art. nr. 9.3
Art. nr. 9.3.1
Vergrendelingen
Terugstellen van vergrendelingen
Het terugstellen van een vergrendeling mag geen machine in beweging
brengen of een indienst stelling tot gevolg hebben als dit een gevaar zou
meebrengen.
Art. nr. 9.3.2
Begrenzing van de bewegingen
Wanneer een overschreiden van een loop tot een gevaar kan leiden
moet een eindeloop geplaatst worden die de desbetreffende
VERMOGENKRING onderbreekt.
Art. nr. 9.3.3
Werking van hulpfuncties
De werking van hulpfuncties moet gecontroleerd worden door middel
van passende toestellen. Bijvoorbeel : een drulvoeler.
Art. nr. 9.3.4
Onderlinge vergrendeling tussen verschillende bedrijfstoestanden voor
tegengestelde bewegingen.
- contactoren, relais en andere stuurtoestellen die de machine bevelen
gevaarlijke toestanden kunnen leiden moeten beveiligd worden
tegen deze gevaarlijke situaties ;
- omkeercontactoren (PING-PONGS) moeten zo vergrendeld zijn, dat
bij normale omstandigheden een kortsluiting is uitgesloten tijdens
het schakelen ;
- om continue werking te verzekeren moeten geschikte
vergrendelingen voor passende coordinatie zorgen.
pagina 18
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 9.3.5
Tegenstroomremmen
Wanneer men voor de afremming van een motor tegenstroom gebruikt,
moeten er maatregelen genomen worden om te beletten dat op het einde
van de afremming, de motor in tegengestelde richting gaat draaien. Een
toestel dat op enkel werkt op tijdsinstelling is hiervoor NIET toegelaten.
Stuurkringen moeten zo gerealiseerd worden dat de rotatie van een
motoras, hetzij manueel of via een andere wijze, geen gevaar met zich
meebrengt.
Art. nr 9.4.2.3
Toepassing van diversiteit
Het gebruik van stuurstroomschakelingen met verschillende soorten
toestellen, kunnen risico’s in geval van fout of defect verkleinen door
bijvoorbeeld ;
- combineren van normaal open en gesloten contacten ;
- gebruik van verschillende soorten onderdelen in de
stuurstroomkringen ;
- redundante configuraties.
Art. nr 9.4.3
Aardfouten in stuurstroomketens mogen niet leiden tot onopzettelijk
starten, gevaarlijke bewegingen of een niet te stoppen machine.
Daarvoor dient verbinding met de bescheriningsketen en juiste
aansluiting aanwezig te zijn. Stuurstroomketens die worden gevoed
door transformatoren zonder verbinding met de beschermingsketen
moeten zijn voorzien van isolatiebewaking.
Machinefuncties die bij onjuiste start en stop gevaar kunnen opleveren
moeten meerpolige stuurstroomschakelaars bezitten die alle actieve
geleiders onderbreken, indien de stuurstroomketen niet rechtstreeks is
verbonden met geaarde geleider.
Volgens norm EN 60 439-1
Art. nr. 2.3.2
Schakel en verdeelbord
Een schakel en een verdeelbord dat is voorzien van een frontplaat moet
aan de voorzijde een beschermingsgraad bieden van tenminste IP2X,
voor andere zijden mogen actieve delen toegankelijk zijn.
Art. nr. 2.3.3
Omsloten schakel- en verdeelinrichtingen
Schakel en verdeelinrichting die aan alle zijden, eventueel met
uitzondering van het bevestigingsvlak, zodanig is omsloten dat een
beschermingsgraad wordt bekomen van ten minste IP2X.
Art. nr. 2.4.5
Het omhulsel
Dit deel van de uitrusting beschermt tegen bepaalde uitwendige
invloeden en biedt naar alle zijden bescherming tegen directe aanraking
zodat een beschermingsgraad wordt verkregen van ten minste IP2X.
pagina 19
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 2.4.11
Afscherming
Een deel dat besherming biedt tegen directe aanraking vanuit elke
gebruikelijke toegangsrichting en tegen eventuele ontladingsbogen van
schakeltoestellen en dergelijke dient ten minste een beschermingsgraad
te hebben van IP2X.
Art. nr. 2.6.3
Beschermingsleiding (PE)
Dient ter bescherming tegen aanrakingsgevaar, om een elektrische
verbinding tot stand te brengen tussen de volgende delen :
- metalen gestellen ;
- vreemde geleidende delen ;
- hoofdaardklem ;
- aardelektrode ;
- met de aarde verbonden punt van de aanvoer of kunstmatig
sterpunt.
Art. nr. 2.8.1
Afscherming
Een omhulsel dient toegepast te worden ter bescherming van geleiders
of uitrusting tegen storing, in het bijzonder die welke veroorzaakt wordt
door elektromagnetische straling afkomstig van andere geleiders of
uitrusting.
Art. nr. 5.1
Naamplaten
Elke schakel- en verdeelinrichting moet zijn voorzien van één of meer
naamplaten die op duurzame wijze zijn gemerkt en zo zijn aangebracht
dat zij zichtbaar en leesbaar zijn, nadat de schakel- en verdeelinrichting
is opgesteld.
Welke gegevens op een naamplaat horen te staan volgens de norm EN
60439-1 wordt op de volgende pagina weergegeven.
Gegevens op een kenplaatje :
- handelsmerk of naam van de fabrikant ;
- typeaanduiding of identieficatienummer ;
- IEC 439-1 ;
- stroomsoort (en frequentie bij wisselstroom) ;
- nominale bedrijfsspanning ;
- nominale isolatiespanning ;
- nominale spanningen van hulpstroomketens (indien van
toepassing) ;
- grenswaarden voor de werking ;
- nominale stroom voor elke stroomketen (indien van toepassing) ;
- kortsluitvastheid ;
- beschermingsgraad ;
- beschermende voorzieningen voor personen ;
pagina 20
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
-
aardingssytemen waarvoor de schakel- en verdeelinrichting is
berekend ;
afmetingen ;
gewicht.
Art. nr. 6.1.1.1
De omgevingstemperatuur mag niet hoger zijn dan 40°C, de
gemiddelde waarde gedurende een periode van 24 uren niet hoger dan
35°C.De ondergrens voor de omgevingstemperatuur bedraagt –5°C.
Art. nr. 6.1.1.2
Omgevingstemperatuur bij buitenopstellingen
De omgevingstemperatuur mag niet hoger zijn dan 40°C, de
gemiddelde waarde gedurende een periode van 24 uren niet hoger dan
35°C.De ondergrens voor de omgevingstemperatuur bedraagt –25°C in
een gematigde klimaatzone, en –50°C in een poolzone.
Art. nr. 6.1.2.3
Vervuilingsgraad
Heeft betrekking op de omgevingsomstandigheden waarvoor de
schakel- en verdeelinrichting is bedoeld. Om de lucht- en kruipwegen te
bepalen, worden de volgende 4 vervuilingsgraden in het micromilieu
onderscheiden.
Vervuilingsgraad 1 : Er treedt geen vervuiling op of alleen droge, nietgeleidende vervuiling.
Vervuilingsgraad 2 : Gewoonlijk treedt er slechts niet-geleidende
vervuiling op. Af en toe kan er echter tijdelijk
enige geleidbaarheid optreden ten gevolge van
condensatie.
Vervuilingsgraad 3 : Er treedt geleidende vervuiling op of er treedt
droge, niet-geleidende vervuiling op die als
gevolg van condensatie geleidend wordt.
Vervuilingsgraad 4 : De vervuiling veroorzaakt aanhoudende
geleidbaarheid die het gevolg is van bijvoorbeeld
geleidende stof of regen of sneeuw.
Art. nr. 7.1.2.1
Kruip- en luchtwegen
Moeten voldoen aan de voor de uitrusting (blanke, actieve geleiders,
aansluitpunten zoals stroomrails, verbindingen, kabelschoenen)
geldende eisen. Zij moeten gehandhaafd blijven bij normale
bedrijfsomstandigheden. Bij het instaleren van de schakel- en
verdeelinrichtingen moeten de voorgeschreven kruip- en luchtwegen of
de stoot-houdspanningen worden aangehouden.
pagina 21
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 7.1.2.3.2
Stoot-houdspanningen van de hoofdstroomketen
- luchtwegen vanaf actieve delen tot geaarde delen en tussen polen
moeten bestand zijn tegen
de proefspanning volgens tabel
aangegeven bij de nominale stoot-houdspanning ;
- luchtwegen tussen open contacten, in scheidingsstand, moeten
bestand zijn tegen proefspanningen volgens tabel.
Art. nr. 7.1.2.3.4
Luchtwegen
Moeten ruim genoeg zijn zodat de stroomketens bestand zijn tegen de
proefspanningen. Luchtwegen moeten groter zijn dan de waarden van
tabel geval B, voor homogeen veld. Er is geen beproeving indien de
luchtwegen groter zijn dan geval A in tabel.
Art. nr. 7.1.2.3.5
Kruipwegen
Vervuilingsgraad 1 en 2 : de kruipwegen mogen niet kleiner zijn dan
de luchtwegen volgens Art. nr. 7.1.2.3.4.
Vervuilingsgraad 3 en 4 : de kruipwegen mogen niet kleiner zijn dan
geval A van tabel om het risico van doorslag ten gevolge van
overspanning te verminderen.
Art. nr. 7.1.3
Aansluitklemmen voor uitwendige geleiders
1 Aansluitklemmen dienen geschikt te zijn voor aluminium, koper of
beiden.
3 De beschikbare aansluitruimte moet een goede aansluiting van
uitwendige geleiders en bij gebruik van meeraderige
kabels, het uitsplitsen van de aders mogelijk maken.
4 In driefasenstroomketens met nul moeten de klemmen voor de
nulleider geschikt zijn voor het aansluiten van koperen geleiders
voor een stroomvoeringscapaciteit :
- die gelijk is aan de helft van de stroomvoeringscapaciteit van de
fasegeleider, met een minimum van 10 mm², indien de
fasegeleider groter is dan 10 mm².
- die gelijk is aan de stroomvoeringscapaciteit van de
fasegeleider, indien de doorsnede van de fasegeleider gelijk of
kleiner is dan 10 mm².
5 Aansluitmogelijkheden voor de nul-, beschermings- of PENgeleider moeten aangebracht zijn in de nabijheid van de
aansluitklemmen van de fasegeleiders.
6 Openingen in kabelinvoeringen, afsluitplaten, …, dienen zo te zijn
uitgevoerd dat na het aansluiten van de kabels een beschermende
voorziening tegen aanrakingsgevaar en de aangegeven
beschermingsgraad zijn verkregen.
7 Aanduidingen van aansluitklemmen dienen te voldoen aan IEC 445.
pagina 22
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 7.6.2.1
Toegankelijkheid
Aansluitklemmen dienen zich te bevinden op ten minste 0,2 m boven
het opstellingsvlak (Bijvoorbeeld de vloer) zodat de kabels makelijk
kunnen worden aangesloten. Aanwijsinstrumenten die zich in schakelen verdeelinrichtingen bevinden, mogen zich niet hoger dan 2 m
bevinden ten opzichte van de vloer voor de bediening.
Bedieningsorganen, zoals handels, drukknoppen, … ,moeten zonder
moeite kunnen worden bediend, dit betekent dat ze zich niet hoger dan
2 m ten opzichte van de vloer van de bediening mogen bevinden.
Noodstop elementen zouden toegankelijk moeten zijn in een zone
tussen 0,8 en 1,6 m boven de vloer voor de bediening.
Art. nr. 7.6.2.3
Afschermplaten
Om gevaren bij het vervangen van smeltpatronen tot een minimum te
leiden, moeten afschermplaten tussen de fasen aangebracht zijn tenzij
de uitvoering van de smeltveiligheden dit overbodig maakt.
Art. nr. 7.6.5.1
Aanduidingen van geleiders in hoofdstroomketens
De aanduidingen moeten overeenkomen met de aanduidingen in de
schakelschema’s. Voor de aanduidingen kunnen kleuren of symbolen
gebruikt worden.
Art. nr. 7.6.5.2
Aanduiding van de beschermingsgeleider en de nul van de
hoofdstroomketen
Beschermingsgeleider (PE) :
Beschermgeleiders moeten duidelijk herkenbaar zijn door vorm,
ligging, merkteken of kleur.
Als kleur gebruiken we groen-geel en bij voorkeur over de hele lengte
van de geleider.
De aanduiding van de beschermingsgeleider moet zijn gemerkt volgens
IEC 445 met de letters PE.
Als grafisch symbool past men symboolnr. 5019 toe van de norm IEC
417.
Nulgeleider (N) : Nulgeleiders dienen duidelijk herkenbaar te zijn door
vorm, merkteken, ligging of kleur. Als kleur wordt lichtblauw
aanbevolen.
Art. nr. 7.8.3
Bedrading
1 De geisoleerde geleiders moeten ten minste de nominale
isolatiespanning kunnen verdragen.
2 Kabels tussen 2 aansluitpunten mogen geen lassen of gesoldeerde
verbindingen bevatten. Verbindingen moeten met aansluitklemmen
plaats vinden.
pagina 23
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
3
Geisoleerde leidingen mogen niet rusten op blanke actieve delen
met een ander potentiaal of op scherpe hoeken. Ze moeten goed en
veilig ondersteund worden.
4 Voedingsleidingen in deuren of deksels mogen niet beschadigd
worden bij het bewegen van de deur of deksel.
pagina 24
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
7 Bedieningsorganen
Volgens norm NEN EN 292-2
Art. nr 3.7.7
Beginselen i.v.m. handbediening
- de bedieningsorganen moeten voldoen aan de ergonomische eisen;
- voor iedere start moet een stop staan;
- bedieningsorganen moeten op een veilige plaats staan, buiten de
gevaarlijke zone, met uitzondering voor de noodstop;
- maar slechts 1 bedieningsorgaan mag werkzaam zijn;
- bedieningsorganen mogen niet bedienen bij een onopzettelijke
handeling;
Volgens norm EN 60 204-1 ( Bedieningsinterface en bedieningstoestellen op
de machine)
Art. nr 10.1
Algemeen
Eisen aan bedieningstoestellen op machines:
- goed toegankelijk;
Eisen aan met de handbediende bedieningstoestellen:
- niet lager geplaatst dan 0,6 m boven bedieningsvloer;
- geen gevaar opleveren voor bedieningspersoneel;
- minimale mogelijkheid tot onbedoeld bedienen.
Bedieningsinterface en besturingstoestellen moeten bestand zijn tegen
te verwachte belastingen, minimaal volgens 1P54, en tegen de gevolgen
van agressieve en verontreinigende omgevingsstoffen.
Standopnemers mogen niet worden beschadigd bij te grote uitslag.
Mechanisch bediende standopnemers ter beveiliging moeten werken
met gedwongen schakelende contacten.
Art. nr. 10.2
Drukknoppen
Drukknoppen moeten een kleur bezitten volgens tabel 2 (zie norm)
Te gebruiken kleuren voor genoemde functies:
START:
wit (voorkeur), grijs, zwart;
groen (eventueel) ;
geen rood;
NOODSTOP :
rood;
STOP :
zwart (voorkeur) ;
grijs, wit, rood (rood niet toepassen in de
omgeving van een nnodstop);
geen groen! ! !
Afwisselend START/STOP:
wit, grijs, zwart;
geen rood, geel of groen ! ! !
Dodèmans-knop : wit, grijs, zwart;
geen rood, geel of groen ! ! !
RESET met STOP: wit, grijs. zwart;
géén groen ! ! !
pagina 25
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
8 Noodstop
Volgens norm NEN EN 292-2
Art. nr. 3.6.6
Plaatsen en aanduiden van bedieningsorganen
Men moet ervoor zorgen dat deze duidelijk zichtbaar en herkenbaar
zijn, waar nodig.
Art. nr. 6.1.1
Noodstopvoorziening
Iedere machine moet zijn voorzien van één of meer
noodstopvoorzieningen om zich voldoende op dreigende gevaarlijke
situaties af te wenden. Hierop gelden de volgende uitzonderingen:
- machines waarbij een noodstopvoorziening het risico niet zou
verkleinen, hetzij omdat de tijd die nodig is om tot stilstand te
komen er niet door wordt verkort, hetzij omdat door een dergelijke
voorziening de bijzondere maatregelen om het risico weg te nemen
niet kunnen worden genomen;
- draagbare machines en met de hand geleide machines.
Deze voorziening moet:
- duidelijk herkenbare, duidelijk zichtbare en snel toegankelijke
bedieningsorganen hebben;
- het gevaarlijke proces zo snel mogelijk tot stilstand brengen, zonder
bijkomende gevaren te veroorzaken;
- waar nodig, bepaalde bewegingen van beveiligingen in werking
stellen of het in werking stellen daarvan mogelijk maken.
Het bedieningsorgaan voor de noodstopvoorziening moet in de
ingeschakelde stand blijven staan. Het mag alleen door een gerichte
handeling kunnen worden uitgeschakeld. Het uitschakelen mag de
machine niet opnieuw in werking stellen, maar alleen het opnieuw in
werking stellen moge!ijk maken.
Meer bijzonderheden voor het ontwerpen van elektrische
noodstopvoorziening worden gegeven in Art. nr 10.7 van ce norm EN
60204-1.
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 9.2.5.4
Noodstop
Functionele aspecten van de noodstopuitrusting: zie EN 418.
Eisen m.b.t. de noodstop :
- noodstop MOET voorrang hebben boven alle andere functies;
- noodstop moet voeding naar macine-aandrijving die gevaren kan
veroorzaken onderbreken, zonder andere gevaren te veroorzaken;
- de machine mag niet opnieuw starten door reset.
De noodstop moet werken als een stop van cat. 0 of 1. (keuze
afhankelijk van risico beoordeling)
pagina 26
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
categorie 0:
- onmiddellijke onderbreking van de energietoevoer;
- mechanische scheiding (loskoppeling) van de gevaarlijke elementen
en de desbetreffende aandrijvingen;
- indien nodig remmen (ongecontroleerd).
categorie 1:
- gecontroleerde stop ;
- energietoevoer naar de aandrijving blijft aanwezig ;
- met de toegevoerde energie wordt de stop gerealiseerd ;
- de energie wordt onderbroken als de stop gerealiseerd is.
Art. nr 10.7.1
Noodstoptoestellen
moeten
aangebracht
worden
op
elke
bedieningsplaats en elke werkplek waar een noodstop vereist kan zijn.
Art. nr 10.7.2.
Soorten noodstoptoestellen :
- drukknopschakelaar;
- trekkoordschakelaar;
- voetschakelaar zonder afschermingsinrichting.
De toestellen moeten uitgevoerd worden met automatische blokkering
en met gedwongen schakelende contacten.
Art. nr 10.7.3
De stroomketen mag pas worden hersteld, wanneer alle schakelaars van
het noodstoptoestel met de hand zijn teruggesteld. De noodstop moet
gedwongen schakelende contacten bezitten (zie EN 60947-5.1).
Art. nr 10.7.4
Noodstoptoestellen moeten rood zijn met een gele achtergrond.
De drukknopschakelaar moet handpalm- of paddestoelvormig zijn.
Volgens EN 418
Art. nr. 3.1
Noodstop is bedoeld om :
- schade af te wenden voor personen ;
- schade aan machine voorkomen ;
- schade aan een werk in uitvoering te reduceren.
Noodstop moet door één enkele handeling geactiveerd worden !
Gevaren (door EN 418) onstaan als gevolg van :
- menselijke fout ;
- machinestoring ;
- normaal bedrijf ;
- niet acceptabele eigenschappen van de bewerkte materialen.
Art. nr. 4.1.2
Besturingsorgaan en bedieningsorgaan werken volgens de positieve
mechanische invloed. Bijvoorbeeld : Schakelaar met positieve opening,
d.w.z. scheiding van de contacten.
pagina 27
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr 4.1.10
De noodstop mag de bevrijding van personen die vastzitten niet negatief
beï nvloeden. Bijvoorbeeld : De noodstopfunctie kan bepaalde
voorzieningen activeren zoals walsen ‘openen’.
Art. nr. 4.1.11
De bediening van het bedieningsorgaan van de noodstop moet gepaard
gaan met vergrendelen van het besturingsorgaan.Vergrendelen moet
onmogelijk zijn, zolang er geen noodstopcommando gegeven wordt.
Art. nr. 4.5.1
Noodstopcategoriëen
- Noodstop van categorie 0 :
- onmiddellijke onderbreking van de energietoevoer ;
- mechanische scheiding van gevaarlijke elementen .
-
Noodstop van categorie 1 :
- is een gecontroleerde stop ;
- energietoevoer naar aandrijvingen blijft aanwezig ;
- energie wordt onderbroken als de stop gerealiseerd is.
Art. nr. 4.1.7
Noodstop MOET voorrang hebben op alle andere commando’s.
Art. nr. 4.1.12
Ontgrendelen mag alleen mogelijk zijn door het orgaan zelf met de
hand te bedienen;
- ontgrendelen mag niet resulteren in een commando voor een nieuwe
start.
- de noodstop voorzieningen moeten gekozen worden in
overeenstemming met de omgevingsinvloeden : AH - AG - AA AE - AD – AF ;
- bedieningsorganen voor noodstops kunnen :
- paddestoelvormig zijn ;
- drukknoppen zijn ;
- touwen ;
- stangen ;
- handels en voor specifieke voetpedalen, drukstroken.
Art. nr 4.4.3
De bedieningsorganen moeten ROOD zijn.
In mate van het mogelijke is de achtergrond GEEL.
Art. nr 4.5.2
Indien gebruik wordt gemaakt van kabels of touwen, moet een breuk
automatisch een noodsignaal genereren.
pagina 28
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
9 Signalisatie en aanduidingen
Volgens norm NEN EN 292-2
Art. nr 3.6.6
Plaatsen en aanduiden van bedieningsorganen.
Men moet ervoor zorgen dat deze duidelijk zichtbaar en herkenbaar
zijn, waar nodig.
Art. nr. 5.2
Plaats en aard van informatie voor de gebruiker zijn afhankelijk van:
- het risico;
- het tijdstip waarop de gebruiker de informatie nodig heeft;
- het ontwerp van de machine.
Afhankelijk van deze gegevens moet worden besloten of de informatie,
of gedeelten daarvan, worden gegeven:
- in/op de machine zelf ; (zie 5.3 en 5.4 in de norm)
- in
begeleidende
documenten
(in
het
bijzonder
de
gebruiksaanwijzing) (zie 5.5 in norm) en/of welke andere middelen,
zoals signalen en waarschuwingen, moeten worden gekozen.
Het gebruik van genormaliseerde uitdrukkingen moet worden
overwogen indien belangrijke mededelingen, zoals waarschuwingen,
moeten worden gedaan. (zie Bijlage B van NEN EN 292-2)
Art. nr. 5.3
Signalen en waarschuwingsvoorzieningen
Zichtbare signalen (knipperlichten) en hoorbare signalen (sirenes),
kunnen worden gebruikt om te waarschuwen voor een dreigende
gevaarlijke gebeurtenis zoals het in werking komen van een machine of
een te hoge snelheid.
Het is essentieel dat deze signalen:
- worden afgegeven voordat de gevaarlijke gebeurtenis plaats vindt;
- ondubbelzinnig zijn;
- duidelijk van alle andere signalen kunnen worden waargenomen en
onderscheiden;
- duidelijk door de gebruikers kunnen worden herkend.
Waarschuwingsvoorzieningen moeten zo zijn ontworpen en geplaatst
dat zij eenvoudig zijn te controleren. De gebruiksaanwijzing moet
voorschrijven dat de waarschuwingsvoorzieningen regelmatig worden
gecontroleerd.
Ontwerpers moeten zich bewust zijn van de risico's van verzadiging van
de zintuigelijke waarneming die wordt veroorzaakt door het te vaak
geven van zichtbare en hoorbare signalen, dit kan ook leiden tot het
buiten werking stellen van de waarschuwingsvoorzieningen.
pagina 29
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Art. nr. 5.4
Aanduidingen, tekens (pictogrammen) schriftelijke waarschuwingen
Machines moeten alle opschriften dragen die nodig zijn:
a) voor de ondubbelzinnige herkenning tenminste:
- naam en adres van de fabrikant;
- aanduiding van type of serie;
- serienummer, indien van toepassing.
b) om aan te geven dat de machine aan de voorschriften voldoet:
- merken;
- schriftelijke waarschuwingen (bijvoorbeeld voor machines die in
potentieel explosieve atmosfeer gebruikt kunnen worden).
c) voor een veilig gebruik van de machine, bijvoorbeeld:
- maximale snelheid van draaiende delen;
- maximale middenlijn van gereedschappen;
- massa (van afneembare delen, enz.);
- de noodzaak om persoonlijke beschermingsmiddelen te dragen;
- gegevens voor het instellen van afschermingen;
- inspectiefrequentie.
Informatie die direct op de machine is aangebracht, hoort permanent te
zijn en leesbaar te zijn gedurende de gehele verwachte levensduur van
de machine.
Tekens of schriftelijke waarschuwingen met alleen de tekst mogen niet
worden gebruikt.
Aanduidingen, tekens en schriftelijke waarschuwingen moeten direct
kunnen worden begrepen en ondubbelzinnig zijn, in het bijzonder ten
aanzien van het deel of de functie(s) van de machine waarop zij
betrekking hebben. Bij voorkeur moeten, in plaats van teksten, direct te
begrijpen tekens (pictogrammen) worden gebruikt.
Schriftelijke waarschuwingen moeten worden gesteld in de taal of talen
van het land waar de machine gaat worden gebruikt en, op verzoek, in
de taal of talen die door de bedieners wordt begrepen.
Aanduidingen moeten in overeenstemming zijn met aanvaarde normen
(zie de normen die als voorbeeld zijn aangehaald in bijlage B, in het
bijzonder voor pictogrammen, symbolen, kleuren, enz....).
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 10.1.1
Kleuren van signaallampen en beeldschermen
Signalering (aandacht trekken): rood, geel, groen of blauw:
Art. nr. 10.1.2
Signaallampen dienen een kleur te hebben volgens tabel 3 (zie norm) of
anders opgegeven door de gebruiker.
Art. nr. 10.1.3
Knipperlichten kunnen gebruikt worden om extra indruk te geven bij:
- aandacht trekken;
pagina 30
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
- onmiddellijk ingrijpen te vragen;
- aangeven van verschil tussen gewenste en werkelijke toestand;
- aangeven van uitvoeren van aanwijziging.
Aanbevolen wordt de knipperfrequentie overeen te laten komen met de
prioriteit.
Art. nr. 10.4
Verlichte drukknoppen
Verlichte drukknoppen dienen een kleur te hebben volgens tabel 2 en 3
of anders wit. (Tabellen zie norm)
De kleur rood van de noodstop dient altijd zichtbaar te blijven.
Art. nr. 18.1
Naamplaten en merktekens
Op elektrische uitrusting moet de volgende informatie aanwezig zijn:
- de naam en het symbool waangegeven zijn;
- de naam van de leverancier;
- een certificatieteken indien gewenst.
De naamplaten en merktekens moeten duurzaam en bestand zijn tegen
omgevingsompstandigheden.
Art. nr. 18.2
Waarschuwingstekens
Voor elektrische apparaten/toestellen of de omhulsels:
- een zwarte bliksemschicht in een gele driehoek;
- deze driehoek is omlijnd met een zwarte lijn.
Art. nr. 18.3
Identificatie naar functie
Functies van besturingstoestellen moeten duidelijk en duurzaam worden
aangegeven , bij voorkeur genomeerde svmbolen uit IEC 417 en ISO
7000 of volgens gebruikerspecificaties.
Art. nr. 18.4
ldentificatie van regelapparatuur
Regelapparatuur moet duidelijk en duurzaam zijn gemerkt, zichtbaar
vanaf de elektrische uitrusting. Indien mogelijk moet een typeplaat met
informatie over de regelaar zijn bevestigd op het hulsel of op de
machine.
De stroomwaarde bij volle belasting moet minstens de waarde van de
totale vollaststroom bedragen. Eventueel moet het vereiste vermogen
zijn vermeld.
pagina 31
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
10 Bedrading
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 14.2
Stroomgeleiders
Stroomgeleiders moeten van koper zijn.
Nominale doorsnede van andere geleiders moeten zodanig zijn dat de
temperaturen niet worden overschreden.
Klasse 1:
Zeer geringe buigbelasting bij doorsnede < 0.5 mm2.
Klasse 5/6: Regelmatig optredende beweging.
Art. nr. 14.3
Isolatie
Soorten isolatie zijn o.a. PVC, natuur- of synthetisch rubber, SiR
mineale stoffen XLPE en EPR.
De isolatie moet van geschikt materiaal zijn gemaakt wat betreft:
- gevaar bij brand door uitstoot van giftige dampen of verspreiding
van vuur;
- doorslagvastheid voor vereiste beproevingsspanning;
- mechanische sterkte en dikte om beschadiging tijdens bedrijf en
tijdens het leggen te voorkomen.
Art. nr. 14.4
Toelaatbare stroom tijdens normaal bedrijf
De toelaatbare stroom van elektrische leidingen wordt bepaald door:
- maximaal toegelaten geleidertemperatuur bij hoogst mogelijke
stationaire stroom onder normale omstandigheden;
- kortstondig toegelaten geleidertemperatuur bij kortsluiting.
De geleiderdoorsnede moet zodang zijn dat bij de hoogste stationaire
stroom de geleidertemperatuur de waarde uit tabel 4 (zie norm) niet
overschrijdt.
De toelaatbare stroom voor continubedrijf van uitwendige bedrading
wordt gegeven in
tabel 5. Bij veranderlijke belasting. zie bijlage C.2 van de norm.
Art. nr. 14.5
Spanningsval
De spanningsval mag niet meer bedragen dan 5 % van de nominale
spanning.
Art. nr. 15.1
Aansluitingen en aanleg
1. Eisen voor aansluitklemmen en het aansluiten van geleiders:
- aansluiting beveiligd tegen toevallig losraken (vooral aansluiting
van de beschermingsketen;
- aansluiting geschikt voor de aan te sluiten geleiders;
- aansluiting bestand tegen corrosie;
- meer dan één geleider per aansluitklem enkel toegelaten wanneer de
aansluitklem daarvoor is ontworpen (bij beschermingsketen: altijd
één geleider per aansluitklem);
- alleen solderen wanneer aansluitklem geschikt is voor soldeerwerk;
- klemmen op stroken duidelijk gemerkt in overeenstemming met
markeringen op schema;
pagina 32
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
-
einden en mantel van geleider mogen niet rafelen; solderen mag niet
voor dit doel worden toegepast;
identificatieplaatjes permanent goed leesbaar;
bedrading mag onderling niet over aansluitklemmen lopen.
2. Eisen voor aanleg van elektrische leidingen:
- geleiders zonder lassen gebuiken;
- voldoende extra lengte moet aanwezig zijn wanneer kabels moeten
worden aangesloten en afgekoppeld,. aansluitingen moeten
voldoende ondersteund zijn;
- indien mogelijk beschermingsleiding nabij actieve geleiders leggen.
3. Eisen voor geleiders van verschillende stroomketens:
- de geleiders van verschillende stroomketens mogen bij elkaar liggen
mits juiste werking gewaarborgd blijft;
- stroomketens die niet worden afgeschakeld door de
hoofdschakelaar, moeten fysiek of door kleur zijn gescheiden van
andere ketens.
Art. nr 15.2
Identificatie van stroomgeleiders
- stroomgeleiders moeten hij elk aansluitpunt in overeenstemming
zijn en met de documentatie geï dentificeerd kunnen worden;
- De beschermingsleiding moet gemakkelijk herkenbaar zijn.kleur:
groen-geel;
- Keuridentificatie van nulleider: lichtblauw;
- Markering van andere geleiders moet gebeuren met kleine letters
en/of Arabische cijfers en/of Latijnse letters. Kleuridentificatie van
geï soleerde eenaderige stroomgeleiders:
Zwart: hoofdstroomketens, wisselspanning en gelijkspanning;
Rood: stuurstroomketens, wisselspanning;
Blauw: stuurstroomketens, gelijkspanning ;
Oranje: stuurstroomketens voor vergrendeling met externe
voeding;
Uitzonderingen: zie norm.
Art. nr. 15.3
Bedrading binnen omhulsels
Indien nodig moeten stroomgeleiders op bedieningspanelen worden
ondersteund door kokers of kanalen van metaal of brandvertragend
isolatiemateriaal.
Aanbevolen wordt om bedradingen in omhulsels van de voorzijde te
kunnen bereiken voor modificaties en anders via deuren of draaiende
panelen.
Verbindingen op bewegende delen moeten buigzaam genoeg zijn voor
regelmatige bewegingen.
Voor stuurstroombedrading buiten omhulsel moeten klemmenstroken
worden gebruikt.
pagina 33
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Kabels voor hoofdstroom en meetschakelingen mogen rechtstreeks
worden verbonden met aansluitklemmen van desbetreffende toetellen.
Art. nr. 15.4
Bedrading buiten omhulsels
1. beschermingsgraad van omhulsels moet bij invoeren van kabels of
kokers met pakkingen/wartels behouden blijven;
2. Aansluitingen van stroomgeleiders buiten een omhulsel van een
elektrische uitrusting moeten zich bevinden in geschikte kokers,
tenzij het deugdelijk beschermde kabels betreft;
Kokers of meeraderige kabels moeten geschikt zijn voor de
omgevingsomstandigheden.
Wanneer nodig moeten buigzame installatiebuizen/meeraderige kabels
worden gebruikt. Deze mogen niet het gewicht van hangende
bedieningsstations dragen, tenzij speciaal daarvoor ontworpen. Zij
mogen de verbinding naar uitwendig gemonteerde toestellen voltooien.
3. Eisen voor verbindingen naar bewegende delen:
- geschikte stroomgeleiders moeten worden gebruikt, overmatige
buiging en overbelasting dient te worden voorkomen;
- geen mechanische belasting mag optreden aan aansluitpunten;
- lus moet buigingsstraal mogelijk maken van 10 maal de
kabelbuiten middellijn;
- tussen bewegende kabels en bewegende delen moet minimaal 25
mm vrij zijn;
- kabelmantel
moet
bestand
zijn
tegen
slijtage
en
omgevingsingsinvloeden;
- buigzame installatiebuis mag niet kunnen worden beschadigd door
bewegende delen;
- metalen buigzame installatiebuis mag niet worden gebruikt voor
snelle of regelmatige bewegingen;
- voorbedrade toestellen met gemerkte kabel hoeven geen
aansluitvoorziening te hebben.
4.Voor verplaatsbare uitrusting zijn stopcontacten toegestaan, met
pencontact aan lastzijde van stroomketen (uitgezonderd bij PELVstroomketens). Eisen voor het stopcontact zijn:
- verbinding met de beschermingsketen moet tot stand komen voor
spanning wordt toegevoerd en omgekeerd bij
- onderbreking, behalve bij PELV en meerpolige contactstoppen ten
behoeve van montage en demmontage;
- stopcontacten van > 16 A of bij normaal bedrijf verbonden, moeten
een borgingsmogelijkheid bezitten stopcontacten van > 63 A
moeten met een gecombineerde schakelaar zijn vergrendeld;
- onopzettelijke aanraking van actieve delen moet altijd voorkomen
worden;
- verschillende stopcontacten moeten duidelijk zijn gemerkt;
- huishoudelijke contactdozen of volgens EN 60309-1 zijn niet
toegestaan voor stuurstroomketens.
pagina 34
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
5.
Art. nr. 15.5
Voor demontage voorziene punten moeten uitgerust zijn met
aansluitklemmen in toegankelijk omhulsel of stopcontactverbindingen, en voldoende zijn beschermd tegen omgevings omstandigheden.
Leidingkokers, aansluitkasten en verdeeldozen
1. Leidingkokers en aansluitkasten dienen voor de mechanische
bescherming van stroomgeleiders, ze moeten star en veilig
worden ondersteund, met minimale mogelijkheid van beschadiging of
slijtage. De isolatie van geleiders mag niet beschadigd. Eventueel
aanvullende bescherming aangebrengen.
2. Elektrische leidingen moeten gemakkelijk in de leidingkokers
kunnen worden aangebracht.
3. Stijve metalen buizen en hulpstukken moeten zijn gemaakt van een
niet-roestend materiaal dat geschikt is voor de bedrijfsomstandigheden.
lnstallatiebuis en hulpstukken moeten stevig worden bevestigd, indien
mogelijk met schroefdraadverbinding. Bochten in de buis mogen de
inwendige diameter niet verkleinen noch de buis beschadigen.
4. Buigzame metalen buis en hulpstukken moeten geschikt zijn voor de
bedrijfsomstandigheden.
5. Buigzame niet-metalen buis en hulpstukken moeten bestand zijn
tegen knikken en fysische eigenscbappen bezitten zoals mantels van
meeraderige kabels, en geschikt zijn voor de be-drijfsomstandigheden.
6. Kabelgootsystemen buiten omhulsels moeten vast en veilig worden
geplaatst. De deksel moet de zijkanten overlappen, goed zijn bevestigd
en goed gesloten worden. Naden van verschillende secties moeten nauw
op elkaar aansluiten.Er mogen geen ongebruikte, geopende
uitbreekpoorten voorkomen, behalve voor bedrading of vochtafvoer.
8.Aansluitklemmen moeten in gemakkelijk toegankelijke omhulsels
worden geplaatst. Op machines gemonteerde aansluitkasten moeten
minimaal beschermingsgraad IP44 hebben. De afdichtingen moeten
bestand zijn tegen verwachte effecten van omgevingsomstandigheden.
In aansluitkasten en verdeeldozen mogen geen ongebruikte openingen
voorkomen en er mogen geen verontreinigende stoffèn in kunnen
komen.
9. In motoraansluitkasten mogen alleen aansluitingen voorkomen voor
de motor en bijbehorende toestellen.
pagina 35
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
Volgens norm EN 60 439-1
Art. nr. 7.6.5.2
Aanduiding van de beschermingsgeleider en de nul van de
hoofdstroomketen
Beschermingsgeleider (PE) :
Bescherm geleiders moeten duidelijk herkenbaar zijn door vorm,
ligging, merkteken of kleur. Als kleur gebruiken we groen-geel en bij
voorkeur over de hele lengte van de geleider. De aanduiding van de
beschermingsgeleider moet zijn gemerkt volgens IEC 445 met de letters
PE. Als grafisch symbool past men symboolnr. 5019 toe van de norm
IEC 417.
Nulgeleider (N) :
Nulgeleiders dienen duidelijk herkenbaar te zijn door vorm, merkteken,
ligging of kleur. Als kleur wordt lichtblauw aanbevolen.
Art. nr. 7.8.3
Bedrading
5 De geisoleerde geleiders moeten ten minste de nominale
isolatiespanning kunnen verdragen.
6 Kabels tussen 2 aansluitpunten mogen geen lassen of gesoldeerde
verbindingen bevatten. Verbindingen moeten met aansluitklemmen
plaats vinden.
7 Geisoleerde leidingen mogen niet rusten op blanke actieve delen
met een ander potentiaal of op scherpe hoeken. Ze moeten goed en
veilig ondersteund worden.
8 Voedingsleidingen in deuren of deksels mogen niet beschadigd
worden bij het bewegen van de deur of deksel.
pagina 36
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
11 PLC
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 11.1
Algemeen
Welke eisen worden gesteld aan signalen tussen de numerieke of
programmeerbare besturing en externe toestellen?
Art. nr. 11.2
Interfaces tussen digitale ingang en uitgang. De numerieke of
programmeerbare besturing moet voor elk digitaal signaal ten minste
één passende aansluiting bezitten met voldoende aansluitpunten voor
massa aansluitingen en afschermming.
1. De toestanden van digitale in en uitgangen zouden zichtbaar moeten
zijn aansluitcontacten van ingangstoestelen moeten In de normale
toestand geopend zijn.
Elke uitgangsstroomketen zou moeten verbonden zijn met slechts één
uitgangstoetstel.
Indien de uitgangen van de besturing inductief belast worden, dient dit
volgens aanbevelingen van de leverancier van de besturing te worden
geschakeld. Storingen over de wikkelingen van motoren, die worden
gestart of gestopt, moeten worden onderdrukt.
2. Potentiaalvereffening
Alle metalen gestellen van de in- en uitgangen, gestellen van
verwerkingstoestellen en de voeding moeten volgens de specificaties
van de leverancier elektrisch onderling zijn verbonden en zijn
aangesloten op de beschermingsgeleider.
Art. nr. 11.3.4
Gebruik in veiligheidsfuncties
Programmeerbare uitrusting mag niet worden gebruikt voor
noodstopfuncties van categorie 0.
Voor alle andere stopfuncties die niet met veiligheid samenhangen, gaat
de voorkeur uit naar elektromechanische onderdelen met bedrading.
Voor gevallen waarin programmeerbare elektronische uitrusting voor
deze functies wordt gebruikt, moeten geschikte maatregelen in
overeenstemming met 9.4 zijn getroffen.
pagina 37
Eindwerk : De CE-markering van elektrotechnische besturingen
12 EMC
Volgens norm EN 60 204-1
Art. nr. 4.4.1
Elektromagnetische compatibiliteit (EMC):
De elektrische stoorsignalen die de uitrusting zelf veroorzaakt, mogen
geen niveau’s overschrijden zoals aangegeven in de EMC-normen.
Stoorsignalen kunnen worden beperkt door:
- onderdrukking bij de bron (gebruik van condensatoren, spoelen,
diodes, ... );
- afscherming van de uitrusting door galvanisch verbonden omhulsel
(kooi van Faraday).
De gevolgen van stoorsignalen kunnen worden beperkt door:
- alle gemeenschappelijke aansluitingen afzonderlijk met centrale
referentiepunten verbinden, die geaard zijn door geleider van
minimaal klasse 6;
- alle gestel verbindingen aan gemeenschappelijk punt leggen m.b.v.
zo kort mogelijke geleiders;
- scheiden of afschermen van gevoelige uitrusting
van
schakelapparatuur.
Volgens norm EN 60 439-1
Art. nr. 7.10.3
Immuniteit
Schakel- en verdeelinrichtingen zonder elektronische onderdelen zijn
niet gevoelig voor normale elektromagnetische storingen en hoeven niet
te worden beproefd. Schakel- en verdeelinrichtingen met elektronische
componenten moeten voldoen aan de immuniteitseisen van de relevante
productnormen of algemene EMC-normen..
Art. nr. 7.10.4
Emissie
Zonder elektronische componenten, in dit geval worden de eisen voor
elektromagnetische emissie voldoende geacht en hoeft geen
beproevingen te ondergaan. Met elektronische componenten, deze
kunnen voortdurend elektromagnetische storingen veroorzaken. De
componenten moeten elk afzonderlijk voldoen aan de productnormen
en de EMC-normen..
pagina 38
Download
Related flashcards
Create Flashcards